28 286 Dierenwelzijn

AC VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 19 april 2024

De leden van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit1 hebben kennisgenomen van de antwoorden van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 14 maart 2024, zoals opgenomen in het verslag van een nader schriftelijk overleg over de aanpak dierwaardige veehouderij en vervolgstappen amendement 2.1 Wet dieren en de voortgangsbrief convenant dierwaardige veehouderij.2 De leden van de fractie van de PvdD hadden naar aanleiding hiervan nog een aantal vervolgvragen.

Naar aanleiding hiervan is op 3 april 2024 een brief gestuurd aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

De Minister heeft op 19 april 2024 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde nader schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, De Boer

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Den Haag, 3 april 2024

De leden van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben met belangstelling kennisgenomen van uw antwoorden van 14 maart 2024, zoals opgenomen in het verslag van een nader schriftelijk overleg over de aanpak dierwaardige veehouderij en vervolgstappen amendement 2.1 Wet dieren en de voortgangsbrief convenant dierwaardige veehouderij.3 De leden van de fractie van de PvdD hebben naar aanleiding hiervan nog een aantal vervolgvragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdD

In antwoord op vraag vijf stelt u: «Een dierwaardige veehouderij vergt verstrekkende aanpassingen in de huidige (gangbare) bedrijfsvoering. Deze aanpassingen zullen met significante kosten gepaard gaan, die niet alleen door de primaire producenten gedragen kunnen worden. Overheid, financiers en markt- en ketenpartijen zullen tijdig en in voldoende mate moeten inspelen op het langetermijnperspectief en ze moeten elkaar zo nodig hierop aanspreken. Voor veehouders is het belangrijk dat er duidelijkheid is over de afzetmogelijkheden in de (Nederlandse) markt en keten

De leden van de PvdD menen dat u niet op alle elementen van vraag vijf een (gemotiveerd) antwoord hebt gegeven. Dit betreft in de eerste plaats de vraag of de financiële gevolgen door de veeteelt-ondernemers te dragen zijn. Zij vragen of u kunt aangeven waarom die kosten niet door de veeteelt-ondernemers zijn te dragen. Daarnaast is gevraagd of nadeelcompensatie gerechtvaardigd is. Kunt u aangeven binnen het kader van het nadeelcompensatierecht of en zo ja op welke gronden er een aanspraak op nadeelcompensatie zou bestaan? Ten slotte is gevraagd of de compensatie ook voor rekening van banken, supermarkten enzovoort dient te komen. De leden van de PvdD-fractie vragen u hier alsnog op te antwoorden en in uw antwoord te betrekken op welke wijze de door u bedoelde «financiers en markt- en ketenpartijen» eventueel verplicht kunnen worden om bij te dragen aan de kosten die veeteelt-ondernemers moeten maken om tot een zogeheten dierwaardige veehouderij te komen

In reactie op vraag zes heeft u geantwoord: «De inwerkingtredingsdatum van het amendement-Vestering is vastgesteld op 1 juli 2024 (Stb. 2023, 203). Het amendement is dus niet geblokkeerd. Wel heb ik een wetswijziging voorgesteld aan de Tweede Kamer om de doelstellingen van het amendement op een betere manier te kunnen verwezenlijken. Deze wijziging acht ik noodzakelijk om tot naleefbare en handhaafbare wetgeving te komen. Het verdienvermogen van veehouders heeft daarbij geen rol gespeeld. Ik heb de impact op het verdienvermogen van veehouders wel betrokken bij de contouren die ik heb geschetst voor de eerste AMvB ter invulling van deze wetswijziging.»

Volgens de leden van de PvdD-fractie is deze vraag onvoldoende beantwoord omdat u niet aangeeft «in hoeverre en hoe» het verdienvermogen wordt meegenomen in de besluitvorming. Zij vragen of u die vraag alsnog kunt beantwoorden en daarbij kunt aangeven hoe het rekening houden met het verdienvermogen bij het laten voortduren van een dieronwaardige veehouderij zich verhoudt met het bepaalde in de artikelen 1.3, 1.4 en 2.1 van de Wet dieren.

In vraag acht hebben de leden van de PvdD-fractie u gevraagd of u het met een dieronwaardige wijze van exploitatie behalen van een redelijk bedrijfsresultaat door de veehouder als een «redelijk doel» als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet Dieren aanmerkt. Zij menen dat u deze vraag niet hebt beantwoord en vragen of u hier alsnog op kunt reageren.

Ook op vraag elf heeft u geen antwoord gegeven, zo menen de leden van de PvdD-fractie. De vraag is niet of het amendement-Vestering wijziging van onderliggende regelgeving tot gevolg heeft, maar of met het intrekken van de in de vraag aangegeven onderdelen van onderliggende besluitvorming recht zou zijn gedaan aan het amendement. Kortom, of die intrekking een passende maatregel is waarmee aan de tekst van het amendement (geheel of gedeeltelijk) recht wordt gedaan. Zij vragen of daarop kunt antwoorden.

Hetzelfde geldt voor de vragen tweeëntwintig en drieëntwintig: volgens de leden van de PvdD-fractie heeft u hierop geen antwoord gegeven. In artikel 8 van de Bijlage I van de EEG-Richtlijn 2008/120 die betrekking heeft op minimumnormen ter bescherming van varkens, is bepaald: «Het couperen van staarten en het verkleinen van de hoektanden mogen niet als routinemaatregel worden uitgevoerd, maar alleen wanneer bepaalde kwetsuren van spenen bij zeugen of van oren en staarten bij andere varkens zijn geconstateerd. Voordat tot deze ingrepen wordt besloten, moeten maatregelen worden getroffen om staartbijten en andere gedragsstoornissen te voorkomen, de omgeving en de varkensdichtheid in aanmerking genomen. Hiertoe moeten ontoereikende omgevingsfactoren of beheersystemen worden aangepast».4 De leden van de PvdD-fractie stellen vast dat in dit artikel specifiek is aangegeven dat het couperen van staarten en het verkleinen van de hoektanden niet als routinemaatregel mag worden uitgevoerd. Zij vragen u alsnog aan te geven in welke Nederlandse wettelijke voorschriften dat verbod is herhaald en uitgewerkt.

De leden van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 3 mei 2024.

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G.J. Oplaat

BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 april 2024

Hierbij stuur ik u de antwoorden op de schriftelijke vragen die zijn gesteld door de fractie van de Partij voor de Dieren over de aanpak dierwaardige veehouderij op 3 april 2024 onder nummer 172321.10U. Het betreft vervolgvragen naar aanleiding van de antwoorden zoals gegeven in mijn brief van 14 maart 2024.5

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, P. Adema

172321.10U

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

1

In antwoord op vraag vijf6 stelt u: «Een dierwaardige veehouderij vergt verstrekkende aanpassingen in de huidige (gangbare) bedrijfsvoering. Deze aanpassingen zullen met significante kosten gepaard gaan, die niet alleen door de primaire producenten gedragen kunnen worden. Overheid, financiers en markt- en ketenpartijen zullen tijdig en in voldoende mate moeten inspelen op het langetermijnperspectief en ze moeten elkaar zo nodig hierop aanspreken. Voor veehouders is het belangrijk dat er duidelijkheid is over de afzetmogelijkheden in de (Nederlandse) markt en keten.» De leden van de PvdD menen dat u niet op alle elementen van vraag vijf een (gemotiveerd) antwoord hebt gegeven. Dit betreft in de eerste plaats de vraag of de financiële gevolgen door de veeteeltondernemers te dragen zijn. Zij vragen of u kunt aangeven waarom die kosten niet door de veeteeltondernemers zijn te dragen.

Antwoord

De kosten die gepaard gaan met de benodigde aanpassingen, zijn grofweg op te splitsen in eenmalige kosten (investeringskosten) en structurele kosten (exploitatiekosten). Investeringskosten kunnen makkelijker door veeteeltondernemers zelf gedragen worden naarmate nauwer wordt aangesloten bij hun natuurlijke investeringsritme. Als zij investeringen eerder moeten doen dan zij normaal gesproken zouden doen, dan zal het veelal moeilijk zijn om te kunnen beschikken over het benodigde kapitaal voor de nieuwe investeringen en zijn leningen voor al gedane investeringen mogelijk nog niet afgelost. Hoe sneller de betreffende aanpassingen gedaan moeten worden, hoe moeilijker het daarom zal zijn voor ondernemers om nieuwe investeringskosten te dragen.

Wat betreft de exploitatiekosten geldt dat deze alleen gedragen kunnen worden door veehouders op het moment dat zij een meerprijs voor hun producten krijgen die voldoende is om de exploitatiekosten te kunnen dekken. Als zij deze prijs niet krijgen, zal hun onderneming verlies lijden, en niet volhoudbaar zijn.

Dat dit risico groot is, kan worden afgeleid uit een quickscan van de financiële impact van een set maatregelen gericht op dierwaardigheid, die ik met mijn brief van 1 maart jl. (Kamerstuk 28 286, nr. AA) naar de Eerste Kamer heb gestuurd. Hieruit blijkt dat de bedrijfseconomische gevolgen van deze maatregelen aanzienlijk zijn. Deze maatregelenset leidt er volgens de quickscan toe dat zonder flankerend beleid vanuit markt- en ketenpartijen en overheid de inkomens van veehouderijbedrijven jaarlijks met tienduizenden euro’s afnemen.

2

Daarnaast is gevraagd of nadeelcompensatie gerechtvaardigd is. Kunt u aangeven binnen het kader van het nadeelcompensatierecht of en zo ja op welke gronden er een aanspraak op nadeelcompensatie zou bestaan?

Antwoord

Een aanspraak op nadeelcompensatie kan bestaan bij een rechtmatige overheidsdaad waardoor (d.w.z. een causaal verband) een persoon of onderneming onevenredig zwaar wordt getroffen omdat dit voor diegene leidt tot een speciale last (de persoon of onderneming wordt zwaarder getroffen dan vergelijkbare anderen) en een abnormale last (de schade stijgt uit boven het normaal maatschappelijk risico). Als daaraan is voldaan zal daarnaast nog moeten worden gekeken of er bij het voorliggende geval elementen zijn die een corrigerend effect op de aanspraak op nadeelcompensatie hebben. Dat wil zeggen dat bezien zal moeten worden in hoeverre er sprake is van actieve of passieve risico-aanvaarding door de persoon of onderneming in kwestie, of er door de persoon of onderneming ook voordeel van de maatregel wordt ondervonden, of de persoon of onderneming zich voldoende heeft ingespannen om de schade te voorkomen of te beperken en of de vergoeding van de schade niet al anderszins is verzekerd.

Het hangt steeds van de specifieke situatie van een persoon of onderneming af of er op basis van die uitgangspunten een toekenning van nadeelcompensatie kan zijn. Het vergt kortom steeds een beoordeling per geval.

3

Ten slotte is gevraagd of de compensatie ook voor rekening van banken, supermarkten enzovoort dient te komen. De leden van de PvdD-fractie vragen u hier alsnog op te antwoorden en in uw antwoord te betrekken op welke wijze de door u bedoelde «financiers en markt- en ketenpartijen» eventueel verplicht kunnen worden om bij te dragen aan de kosten die veeteelt-ondernemers moeten maken om tot een zogeheten dierwaardige veehouderij te komen.

Antwoord

Het is met name van belang dat er voldoende markt voor duurzame, dierwaardige producten ontstaat, en dat veehouders hun producten kunnen afzetten tegen een prijs die een financieel gezonde bedrijfsvoering toelaat. In dit kader loopt er een marktprogramma verduurzaming dierlijke producten. Daarnaast is het van belang dat ketenpartijen hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen in het vergoeden van de meerkosten van verduurzamingsinspanningen op het boerenerf waaronder investeringen in managementmaatregelen voor een dierwaardige veehouderij. Van banken wordt verwacht dat zij investeringsmogelijkheden bieden die passend zijn bij de opgave van een dierwaardige veehouderij, onder andere het bieden van gunstige leenvoorwaarden.

Wat betreft het opleggen van verplichtingen aan dergelijke partijen ben ik bezig met de uitvoering van de motie Thijssen (Kamerstuk II 33 576, nr. 292) waarbij onderzoek gedaan wordt naar de mogelijkheden tot het verplichten van de financiële bijdrage van banken en andere ketenpartijen in de transitie van de landbouw. Het parlement wordt geïnformeerd over de uitkomsten van dit onderzoek.

4

In reactie op vraag zes heeft u geantwoord: «De inwerkingtredingsdatum van het amendement-Vestering is vastgesteld op 1 juli 2024 (Stb. 2023, 203). Het amendement is dus niet geblokkeerd. Wel heb ik een wetswijziging voorgesteld aan de Tweede Kamer om de doelstellingen van het amendement op een betere manier te kunnen verwezenlijken. Deze wijziging acht ik noodzakelijk om tot naleefbare en handhaafbare wetgeving te komen. Het verdienvermogen van veehouders heeft daarbij geen rol gespeeld. Ik heb de impact op het verdienvermogen van veehouders wel betrokken bij de contouren die ik heb geschetst voor de eerste AMvB ter invulling van deze wetswijziging.» Volgens de leden van de PvdD-fractie is deze vraag onvoldoende beantwoord omdat u niet aangeeft «in hoeverre en hoe» het verdienvermogen wordt meegenomen in de besluitvorming. Zij vragen of u die vraag alsnog kunt beantwoorden en daarbij kunt aangeven hoe het rekening houden met het verdienvermogen bij het laten voortduren van een dieronwaardige veehouderij zich verhoudt met het bepaalde in de artikelen 1.3, 1.4 en 2.1 van de Wet dieren.

Antwoord

Vraag zes luidde: «In hoeverre en hoe is het verdienvermogen van veehouders meegenomen in uw besluit om de inwerkingtreding van het amendement-Vestering te blokkeren?» Deze vraag heb ik mijns inziens afdoende beantwoord. De inwerkingtreding van het amendement is niet geblokkeerd, en de keuze om een alternatief wetsvoorstel voor te leggen aan het parlement was niet gebaseerd op overwegingen met betrekking tot het verdienvermogen van veehouders.

Gezien dat antwoord kan niet worden aangegeven hoe het in de vraagstelling veronderstelde «meenemen van het verdienvermogen bij het besluit om de inwerkingtreding van het amendement-Vestering te blokkeren» zich verhoudt tot het bepaalde in de artikelen 1.3, 1.4 en 2.1 van de Wet dieren. Die veronderstelling is immers niet juist.

5

In vraag acht hebben de leden van de PvdD-fractie u gevraagd of u het met een dieronwaardige wijze van exploitatie behalen van een redelijk bedrijfsresultaat door de veehouder als een «redelijk doel» als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet Dieren aanmerkt. Zij menen dat u deze vraag niet hebt beantwoord en vragen of u hier alsnog op kunt reageren.

Antwoord

In mijn vorige antwoord gaf ik aan dat de invulling van wat onder een redelijk doel moet worden verstaan, bewust niet is vastgelegd in de wet; het artikel is immers door de wetgever bedoeld als «vangnetbepaling» voor «situaties dat andere meer specifieke verbodsbepalingen ontoereikend blijken of niet genoegzaam voorzien in de gepleegde handeling jegens het dier» (Kamerstuk II 31 389, nr. 3, p. 39). Het is in voorkomende gevallen aan de rechter om te beoordelen of er sprake is geweest van een redelijk doel voor het veroorzaken van pijn of letsel of het benadelen van de gezondheid of het welzijn van een dier. Daarbij ga ik ervan uit dat het doel zoals de vragensteller dat omschrijft, namelijk «het met een dieronwaardige wijze van exploitatie behalen van een redelijk bedrijfsresultaat», in de praktijk door veehouders niet als doel wordt gehanteerd. Verder kunnen op basis van artikel 2.1. meerdere «redelijke doelen» relevant zijn. Zie in dat verband ook de eerder toegezonden juridische analyse (Kamerstuk 28 286, nr. S) van het amendement-Vestering.

6

Ook op vraag elf heeft u geen antwoord gegeven, zo menen de leden van de PvdD-fractie. De vraag is niet of het amendement-Vestering wijziging van onderliggende regelgeving tot gevolg heeft, maar of met het intrekken van de in de vraag aangegeven onderdelen van onderliggende besluitvorming recht zou zijn gedaan aan het amendement. Kortom, of die intrekking een passende maatregel is waarmee aan de tekst van het amendement (geheel of gedeeltelijk) recht wordt gedaan. Zij vragen of u daarop kunt antwoorden.

Antwoord

Die vraag heb ik beantwoord in de tweede alinea van mijn antwoord op deze vraag in mijn brief van 14 maart jl. Mijns inziens zou met het gevraagde slechts beperkt zijn tegemoet gekomen aan de beoogde doelen van het amendement omdat daarmee niet aan het beoogde doel ten aanzien van gedragsbehoeften tegemoet zou worden gekomen: «Het amendement heeft volgens de toelichting daarop nadrukkelijk ook betrekking op het voor dieren mogelijk maken dat zij hun gedragsbehoeften kunnen uitoefenen. Het enkel intrekken van die artikelen uit het Besluit diergeneeskundigen zou daarmee mijns inziens slechts beperkt tegemoet komen aan de beoogde doelen van het amendement.»

7

Hetzelfde geldt voor de vragen tweeëntwintig en drieëntwintig: volgens de leden van de PvdD-fractie heeft u hierop geen antwoord gegeven. In artikel 8 van de Bijlage I van de EEG-Richtlijn 2008/120 die betrekking heeft op minimumnormen ter bescherming van varkens, is bepaald: «Het couperen van staarten en het verkleinen van de hoektanden mogen niet als routinemaatregel worden uitgevoerd, maar alleen wanneer bepaalde kwetsuren van spenen bij zeugen of van oren en staarten bij andere varkens zijn geconstateerd. Voordat tot deze ingrepen wordt besloten, moeten maatregelen worden getroffen om staartbijten en andere gedragsstoornissen te voorkomen, de omgeving en de varkensdichtheid in aanmerking genomen. Hiertoe moeten ontoereikende omgevingsfactoren of beheersystemen worden aangepast».7 De leden van de PvdD-fractie stellen vast dat in dit artikel specifiek is aangegeven dat het couperen van staarten en het verkleinen van de hoektanden niet als routinemaatregel mag worden uitgevoerd. Zij vragen u alsnog aan te geven in welke Nederlandse wettelijke voorschriften dat verbod is herhaald en uitgewerkt.

Antwoord

Op de vraag in welke Nederlandse wettelijke voorschriften dit verbod is uitgewerkt, heb ik in mijn vorige brief verwezen naar de ter zake geldende regelgeving. Dit betreft artikel 2.3 van het Besluit diergeneeskundigen. Daaruit blijkt dat de ingrepen alleen mogen worden verricht als aan de in richtlijn 2008/120 genoemde voorwaarden, die daarin zijn geïmplementeerd, is voldaan en dus niet routinematig mogen worden verricht.


X Noot
1

Samenstelling:

Kroon (BBB), Oplaat (BBB) (voorzitter), Kemperman (BBB), Jaspers (BBB), Van Knapen (BBB), Kluit (GroenLinks-PvdA), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Van Ballekom (VVD), Meijer (VVD), Klip-Martin (VVD), Rietkerk (CDA), Prins (CDA), Aerdts (D66), Van Meenen (D66), Van Kesteren (PVV), Visseren-Hamakers (PvdD), Baumgarten (JA21), Van Aelst-Den Uijl (SP), Holterhues (CU), Dessing (FVD), De Vries (SGP), Perin-Gopie (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL).

X Noot
2

Kamerstukken I 2023–24, 28 286, AB.

X Noot
3

Kamerstukken I 2023–24, 28 286, AB.

X Noot
4

Artikel 8 van de Bijlage I van de EEG-Richtlijn 2008/120.

X Noot
5

Kamerstukken I 2023/24, 28 286, nr. AB.

X Noot
6

N.B.: Nummering in de formulering van deze vragen en antwoorden verwijst naar de nummering uit mijn vorige brief van 14 maart jl.

X Noot
7

Artikel 8 van de Bijlage I van de EEG-Richtlijn 2008/120.

Naar boven