Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201828286 nr. 939

28 286 Dierenwelzijn

Nr. 939 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 december 2017

Tijdens het dertigledendebat over misstanden in de bokkenmesterij van 13 september jongstleden (Handelingen II 2016/17, nr. 102, item 13) heeft de toenmalig Minister van Economische Zaken toegezegd het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes 1 van de sector aan uw Kamer op te zullen sturen. Met deze brief geef ik invulling aan die toezegging.

Aanleiding

In het kader van het Welzijnsproject geiten heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) controles uitgevoerd, gericht op het welzijn in de geitenhouderij. Uit deze controles bleek dat het uitvalspercentage onder geitenbokjes per bedrijf sterk varieerde en op sommige bedrijven erg hoog was (tot 66%).

Op 29 mei van dit jaar kreeg de NVWA een melding over misstanden bij een bokkenmesterij. De melder, Stichting Eyes on Animals, had bij een bezoek aan dit bedrijf vele dode geitenbokjes aangetroffen. Beelden van dit bezoek zijn op 2 juni jongstleden uitgezonden in het SBS6-programma Hart van Nederland. Het betreffende bedrijf zou in het kader van het Welzijnsproject geiten al gecontroleerd worden door de NVWA. Naar aanleiding van de melding heeft deze controle nog dezelfde dag plaatsgevonden. Er werden bij de controle 34 dode dieren aangetroffen en van 16 geitenbokjes was de gezondheidstoestand dusdanig dat ze door een dierenarts geëuthanaseerd dienden te worden. In een kadaverton werden naar schatting nog eens 50 dode bokjes aangetroffen.

Naar aanleiding van de beelden van Eyes on Animals en van de controles door de NVWA heeft er op 15 juni van dit jaar een gesprek plaatsgevonden met alle schakels in de geitenketen: melkgeitenhouders, bokkenmesters, slachterijen, handelaren, veevoederleveranciers, sectorvertegenwoordigers en dierenartsen. Uitkomst van dit overleg was dat de sector met een plan van aanpak zou komen ter verbetering van het welzijn van geitenbokjes.

Op 13 september jongstleden heeft er in uw Kamer een dertigledendebat met de voormalig Minister van Economische Zaken plaatsgevonden over misstanden in de bokkenmesterij (Handelingen II 2016/17, nr. 102, item 13). Uw Kamer en de Minister waren eensgezind van oordeel dat de geconstateerde misstanden onacceptabel zijn. Een meerderheid van uw Kamer deelde daarbij het standpunt van de Minister dat het de verantwoordelijkheid van de sector is om snel en adequaat maatregelen te nemen om het welzijn te verbeteren en dat hiertoe een plan van aanpak opgesteld diende te worden. De Minister heeft toegezegd het plan van aanpak van de sector aan uw Kamer te sturen. Op 16 november jongstleden hebben vertegenwoordigers van LTO Nederland en de Nederlandse Geiten Zuivel Organisatie (NGZO) het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes op mijn ministerie aangeboden.

Plan van aanpak

Welzijnsproblemen en hoge uitval doen zich volgens de sector vooral voor bij de afzet van geitenbokjes naar bokkenmesterijen. Belangrijkste oorzaken zijn:

  • 1. de jonge leeftijd bij transport (circa 7 dagen) kan stress veroorzaken;

  • 2. de samenvoeging van dieren van verschillende bedrijven, met een verhoogde ziektedruk als gevolg;

  • 3. onvoldoende oefening met lammetjes in het drinken van de zogenaamde melkbar (drinkautomaat), waardoor lammetjes op de nieuwe locatie ondervoed raken;

  • 4. onvoldoende aandacht voor het welzijn van lammetjes bij het geboortebedrijf, met name als het gaat om de voor de weerbaarheid cruciale biestverstrekking in de eerste 24 uur na geboorte.

De aangrijpingspunten om het welzijn van geitenbokjes te verbeteren zijn daarmee bekend. Het plan van aanpak heeft als doelstelling om het welzijnsniveau van alle geitenlammeren te verbeteren. Dit wordt gerealiseerd door de melkgeitenhouder aan te spreken op de sterfte tot 21 dagen na de geboortemelding in het Identificatie- en Registratiesysteem (I&R), ook als de lammeren zijn afgevoerd naar een bokkenmesterij of opfokbedrijf. Door de melkgeitenhouder verantwoordelijk te maken voor het welzijn van alle op zijn bedrijf geboren lammetjes tot 21 dagen na de geboortemelding, wordt deze gestimuleerd gezonde lammetjes af te voeren naar een bokkenmester en/of opfokbedrijf en de betreffende afnemer(s) te toetsen op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het welzijn en de gezondheid van de lammeren. In de huidige situatie is veelal geen direct contact tussen de melkgeitenhouder en de bokkenmesterij.

Volgens de sector zal binnen enkele jaren een situatie ontstaan, waarbij meer melkgeitenhouders er voor zullen kiezen het afmesten van geitenbokjes zelf uit te voeren of uitsluitend nog gebruik te maken van (gecertificeerde) bokkenmesters via een 1-op-1 relatie, waarbij de melkgeitenhouder weet door wie en onder welke omstandigheden zijn bokjes worden afgemest.

De maatregelen uit het plan van aanpak gelden voor alle melkgeitenbedrijven. Per 1 januari 2018 moet ieder bedrijf per kwartaal inzicht geven in het uitvalspercentage onder lammeren die op het bedrijf zijn geboren. Deze gegevens worden door een onafhankelijke organisatie gecontroleerd. Indien een bedrijf een vooraf vastgestelde actiegrens heeft overschreden moet er verplicht een verbeterplan opgesteld worden, samen met de dierenarts en een vertegenwoordiger van de zuivelonderneming. Indien een bedrijf een vooraf vastgestelde signaleringsgrens heeft overschreden, dan ontvangt dit bedrijf een waarschuwing dat maatregelen noodzakelijk zijn om de uitval op het bedrijf te reduceren. In het geval een bedrijf geen verbeterplan opstelt, geen uitvoering geeft aan het verbeterplan of als de uitval boven de signaleringsgrens blijft, dan volgt intrekking van de KwaliGeit-erkenning. Het betreffende melkgeitenbedrijf kan in dat geval geen melk meer leveren aan het zuivelbedrijf.

De actiewaarden en signaleringswaarden worden jaarlijks vastgesteld en zullen worden gebaseerd op de uitval onder lammeren op de best presterende bedrijven. Met andere woorden, de norm wordt bepaald door de koplopers in de sector, waarbij de lat jaarlijks hoger wordt gelegd.

Voor een uitgebreidere uiteenzetting van de maatregelen, de actie- en signaleringsgrenzen en de wijze waarop de maatregelen geborgd worden, verwijs ik uw Kamer naar het bij deze brief gevoegde plan van aanpak van de sector2.

Reactie

De melkgeitenhouderij is een sector die in de afgelopen 10 tot 20 jaar sterk is ontwikkeld. Een groeiende vraag naar geitenzuivelproducten – met name geitenkaas – heeft gezorgd voor een groei van het aantal bedrijven, van het aantal dieren en van de omvang van individuele bedrijven. Groei betekent echter niet alleen het benutten van economische kansen, maar ook het invulling geven aan eisen op het gebied van duurzaamheid, welzijn en diergezondheid. Alleen dan kan sprake zijn van maatschappelijke waardering en een toekomstbestendige melkgeitenhouderij in Nederland.

De maatschappelijke acceptatie van de melkgeitenhouderij is sinds de Q-koorts geen gegeven meer. Er ligt een grote uitdaging bij de sector om maatschappelijke waardering terug te winnen. Dat kan alleen door in de volle breedte verantwoordelijkheid te nemen, ook voor het welzijn van geitenbokjes. Geitenbokjes dragen wellicht niet rechtstreeks bij aan het verdienmodel van melkgeitenhouderijen, ze vormen wel een integraal onderdeel van het productieproces van de geitenhouderij en verdienen daarmee aandacht en zorg. Hier ligt niet alleen een wettelijke, maar ook een morele verplichting voor melkgeitenhouders.

Ik heb waardering voor de wijze waarop de sector in een relatief korte tijd tot een plan van aanpak is gekomen en voor dit plan breed steun heeft gevonden in de gehele keten. De verantwoordelijkheid voor het verbeteren van het welzijn wordt met dit plan neergelegd bij de melkgeitenhouders. Zoals bij elk plan wordt het succes echter niet bepaald door wat aan papier wordt toevertrouwd, maar door de wijze waarop er uitvoering aan gegeven wordt. Het is aan LTO Nederland en de NGZO om het plan van aanpak om te zetten in concrete geborgde maatregelen en daar waar noodzakelijk daadkrachtig op te treden. Ik heb met LTO en NGZO afgesproken dat we in gesprek blijven over de resultaten van de aanpak en dat ik zelf een vinger aan de pols zal houden door vroegtijdige sterfte onder geitenlammeren te monitoren op basis van I&R-gegevens.

Op grond van Verordening Nr. 21/2004 van de Raad van 17 december 2003 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten moeten geitenhouders alle dieren die op het bedrijf geboren worden binnen zes maanden na de geboorte registreren, of zoveel eerder als dat het betreffende dier wordt afgevoerd van het bedrijf. Een ongewenst effect van deze zes-maandeneis is dat lammeren die op het geboortebedrijf sterven voordat ze de leeftijd van zes maanden bereiken, zonder registratie in I&R naar de destructie afgevoerd kunnen worden. De uitval van lammetjes op het geboortebedrijf is daarmee niet volledig in kaart te brengen via I&R. Op grond van de Verordening hoeft daarnaast het geslacht van het lammetje niet geregistreerd te worden in I&R. Dit heeft als consequentie dat de uitval op geitenhouderijen niet is uit te splitsen naar bokjes en vrouwelijke lammeren.

Ter versterking van de monitoring en om een beter beeld te krijgen van de uitval onder geitenbokjes zal ik in de komende periode verkennen of het aanscherpen van de eisen voor Identificatie & Registratie van geiten kan bijdragen aan het beter monitoren van de uitval op melkgeitenhouderijen en of hierin een voldoende rechtvaardiging gevonden kan worden om hier bij uitzondering een nationale kop op een bestaande Europese verplichting te plaatsen.

Tenslotte heb ik de sector er ook nadrukkelijk op gewezen dat het plan van aanpak onverlet laat dat de NVWA zal toezien op de naleving van wettelijke verplichtingen binnen de keten. De verantwoordelijkheid voor het welzijn van de geitenbokjes ligt immers bij alle ketenpartners. Dat op grond van het plan van aanpak melkgeitenhouders ook privaat, binnen het kwaliteitssysteem, worden aangesproken op het welzijn van bokjes die niet langer op hun bedrijf worden gehouden, doet hier niets aan af.

Ik zal uw Kamer te zijner tijd informeren over de resultaten van de monitoring en over de uitkomst van de verkenning naar een mogelijke aanscherping van de regels rond I&R voor geiten.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl