Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201528286 nr. 813

28 286 Dierenwelzijn

Nr. 813 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 mei 2015

In het Algemeen Overleg dat ik met uw vaste commissie voor Economische Zaken heb gevoerd op 28 januari jl. over de paardenhouderij (Kamerstuk 28 281, nr. 800) heb ik u toegezegd u per brief te informeren over een aantal zaken.

Tevens geef ik u hierbij de uitkomsten van mijn onderzoek naar de mogelijkheid van het opleggen van een bestuursrechtelijke educatieve maatregel bij lichte overtredingen in het kader van de aangehouden motie van het lid Ouwehand (Kamerstuk 28 286 nr. 786), zoals toegezegd in mijn brief van 3 maart jl. (Kamerstuk 28 286, nr. 796).

Aanvullend maak ik van de gelegenheid gebruik om u te informeren over de regeling voor het gebruik van het veeverlosapparaat.

Overleg EZ met VWS over extra onderzoek naar paardenzoönosen

Naar aanleiding van de vraag over de aanbevelingen uit de rapporten betreffende zoönosen bij paarden is overleg gevoerd met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Daarin is het volgende geconcludeerd.

Voor de aanbevelingen over vervolgonderzoek ten aanzien van Cryptosporidium en Clostridium wordt gekeken hoe dit binnen de onderzoeksprogramma’s bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Centraal Veterinair Instituut (CVI) kan worden opgepakt. Voor de overige aanbevelingen is er, na overleg met het RIVM, op dit moment geen aanleiding om vervolgstappen te zetten. Sinds een aantal jaar bestaat er namelijk al een signaleringsstructuur voor opkomende zoönosen. Experts in het veterinaire en humane domein overleggen maandelijks om signalen uit binnen- en buitenland bij mens en dier (die bijvoorbeeld komen uit verschillende monitoringsystemen) uit te wisselen. Op basis van deze signalen wordt een eerste risicobeoordeling gedaan van mogelijke zoönotische infecties. Dat gebeurt ook voor paarden.

De kerngroep bestaat uit een aantal vaste experts vanuit het RIVM, de Gemeentelijke Gezondheidsdienst, de Gezondheidsdienst voor Dieren, het CVI, de Faculteit Diergeneeskunde en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Experts uit relevante geselecteerde instituten en organisaties worden indien nodig ad hoc uitgenodigd. Als er aanleiding voor is wordt door een Respons Team (RT) een volledige risicoanalyse van een signaal gedaan, inclusief een advies over de te volgen strategie om verspreiding te voorkomen en mogelijke interventiemaatregelen te inventariseren. In geval van een daadwerkelijke uitbraak waarvoor geen richtlijnen en dergelijke zijn, wordt een Outbreak Management Team (OMT) ingesteld. Deze structuur is gericht op nieuwe ontwikkelingen en is ingesteld voor de tijdige signalering en bestrijding van opkomende zoönosen, waarbij indien nodig in een vroeg stadium kan worden opgeschaald.

Nadere omschrijving van deze structuur is te vinden in Kamerstuk 28 286, nr. 505 van 18 mei 2011.

Overleg EZ met sector over knelpunten in de regelgeving voor paarden-KI-stations

Het gesprek met de Nederlandse Bond van Hengstenhouders heeft op 14 april jl. plaatsgevonden. Enkele zaken konden worden verduidelijkt, zoals de problematiek rond de gelijkstelling van buitenlandse laboratoria en een vereenvoudiging van de aanvraagprocedure. Over een aantal andere zaken, waaronder de praktische uitvoerbaarheid en de in rekening gebrachte kosten, zal nog een nader overleg volgen, waaraan ook de NVWA zal deelnemen.

Gesprek NVWA met de sector over de regelgeving paardenwelzijn waarop kan worden gehandhaafd

Tijdens het AO is mij gevraagd na te gaan of de handhavende diensten goed uit de voeten kunnen met de nieuwe algemene huisvestings- en verzorgingsnormen in het Besluit houders van dieren bij het toezicht op het welzijn van paarden. Naar aanleiding van dit verzoek hebben gesprekken plaatsgevonden tussen en met de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID), de NVWA en de Dierenbescherming (DB).

De Dierenbescherming heeft in de gesprekken aangegeven dat het verbeteren van het welzijn van paarden volgens haar nog ten algemene niet snel genoeg gaat, en dat zij voorstander blijft van specifieke regelgeving voor paarden.

Voor wat betreft de handhaving bestaat er goed onderling overleg tussen de NVWA en de LID. Zij zijn goed op de hoogte van de wetgeving en delen expertise over de handhaving van de algemene verzorgingsnormen bij paarden. De Gids voor Goede Praktijken, zoals deze door de Sectorraad Paarden is uitgegeven, kan gezien worden als een invulling door de sector van de algemene huisvestings- en verzorgingsnormen uit het Besluit Houders van dieren.

Om het karakter van de gidsen voor goede praktijken als een voor het toezicht en de handhaving relevante uitwerking van een aantal algemene of open normen te benadrukken, is in de Wet dieren voorzien in de mogelijkheid van beoordeling van dergelijke gidsen. Ik bereid een regeling voor waarin de procedure van het voorleggen en beoordelen van gidsen voor goede praktijken wordt vastgelegd. Het streven is dat de regeling na de zomer wordt vastgesteld.

Dan zal ook de Gids voor Goede Praktijken van de paardensector worden beoordeeld.

Het opleggen van een bestuursrechtelijke educatieve maatregel bij lichte overtredingen in het kader van de aangehouden motie van het lid Ouwehand (Kamerstuk 28 286 nr. 786)

De rechter kan in het strafrecht bij een veroordeling al een zogenaamde gedragsinterventie opleggen, die bijvoorbeeld bestaat uit het volgen van een training hoe om te gaan met dieren. Ik heb u toegezegd uit te zullen zoeken of een bestuursrechtelijke educatieve maatregel mogelijk is bij verwaarlozing of slechte verzorging. Deze maatregel kan op basis van de huidige Wet dieren niet worden opgelegd. Ik sta positief tegenover de maatregel. Sinds een aantal jaren heeft bestuursrechtelijke handhaving een vlucht genomen en ook dierenwelzijn kan erg gebaat zijn bij bestuursrechtelijk optreden. Ik zal daarom met een integraal voorstel komen waarbij bezien wordt of de uitgangspunten, die bij de totstandkoming van de Wet Dieren gehanteerd zijn, nog actueel zijn. Daarbij zal ik in elk geval de bestuursrechtelijke educatieve maatregel betrekken. Na de zomer zal ik u over de planning van dit voorstel informeren.

Veeverlosapparaat

Zoals toegezegd in antwoorden op Kamervragen 9 januari 2014 (Kamerstuk 28 286, nr. 869) heb ik, in goed overleg met de sector, Dierenbescherming, Faculteit Diergeneeskunde en de Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde, het gebruik van het veeverlosapparaat onder voorwaarden geregeld. De regeling is op 1 mei jl. gepubliceerd en zal op 1 juli van dit jaar in werking treden. Naast de regeling zijn en worden afspraken gemaakt over scholing en bijscholing van (toekomstige) veehouders en dierenartsen. Zo wordt het verantwoord gebruik van het veeverlosapparaat opgenomen in de opleiding tot dierenarts en krijgen veehouders facultatieve voorlichtings- en studiebijeenkomsten aangeboden waar het geboorteverloop onderdeel van kan zijn. Met de agrarische opleidingen zal worden gesproken over aanpassing van het curriculum.

Over het alerter kunnen handhaven op markten en tentoonstellingen van paarden met gecoupeerde staarten wordt overleg gevoerd met het Openbaar Ministerie. Ik zal u hierover op een later moment nader informeren.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma