nr. 19
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 oktober 2002
Bij de behandeling van het voorstel voor de Aanpassingswet dualisering
gemeentebestuur op 4 juli jl. heeft uw Kamer twee moties aangenomen.
Naar aanleiding van deze moties deel ik u het volgende mee.
De motie van het lid Spies c.s. inzake het project «Een
impuls voor de politieke cultuur» (Kamerstukken II 2001/2002, 28 243,
nr. 16)
In deze motie wordt de regering verzocht om politieke partijen tegemoet
te komen in de kosten voor het project «Een impuls voor de politieke
cultuur», een plan van de bestuurdersverenigingen van CDA, PvdA, D66,
GroenLinks en SGP om vanuit deze politieke partijen dualisering onder raadsleden
te stimuleren. Mijn bezwaren tegen de motie zijn de volgende.
1. Recent zijn de subsidies aan politieke partijen flink verhoogd. Ook
incidentele projecten als het onderhavige kunnen heel goed uit de structurele
subsidiegelden worden bekostigd. Het kan niet zo zijn dat naast structurele
subsidiegelden ook nog incidenteel gelden beschikbaar worden gesteld voor
doelen die geacht worden uit de structurele subsidiegelden te kunnen worden
gefinancierd.
2. Er bestaat een aanzienlijke overlap tussen het project «Een impuls
voor de politieke cultuur» en de activiteiten van de Vernieuwingsimpuls
«Dualisme en lokale democratie». De Vernieuwingsimpuls biedt ondersteuning
onder meer door middel van de helpdesk, de website, de handreikingen, het
opzetten van pilots en de in opzet zijnde consulentenstructuur. De specifieke
partijpolitieke ondersteuning op grond van het project «Een impuls voor
de politieke cultuur» is niet van andere aard dan de ondersteuning die
door middel van de verschillende instrumenten van de Vernieuwingsimpuls wordt
geleverd. Ik merk daarbij op dat de consulentenstructuur zal bestaan uit een netwerk van 18 consulenten die voor een toegewezen regio ondersteuning
bieden aan onder meer gemeenteraden en individuele raadsleden.
3. Het project «Een impuls voor de politieke cultuur» strekt
zich niet uit tot de LPF, VVD, SP, ChristenUnie en de lokale partijen. Hierdoor
wordt a priori een zeer omvangrijke groep raadsleden niet bereikt.
4. Tijdens het debat bleek dat de indieners van de motie de voor de uitvoering
van de motie noodzakelijke middelen (gedeeltelijk) wilden halen uit de gelden
die beschikbaar zijn voor de tezamen met de VNG opgezette Vernieuwingsimpuls
«Dualisme en lokale democratie». Ik vestig er de aandacht op dat
het met het project «Een impuls voor de politieke cultuur» gemoeide
bedrag van € 1,05 mln. per jaar (dus € 4,2 mln. voor de
periode 2002–2006), omvangrijker is dan het totaalbudget van de Vernieuwingsimpuls
«Dualisme en lokale democratie». Genoemd budget bedraagt namelijk € 0,9
mln. per jaar (€ 3,6 mln voor de periode 2002–2006). Over
de besteding van deze middelen heeft mijn ambtsvoorganger dit voorjaar afspraken
gemaakt met de VNG. Ook als, zoals mevrouw Spies tijdens het debat opmerkte,
slechts een deel (bijvoorbeeld 50%) van de kosten van het project «Een
impuls voor de politieke cultuur» voor rekening van de begroting van
mijn departement zouden komen, zou het een zeer omvangrijk deel van het budget
van de Vernieuwingsimpuls betreffen. Een dergelijk beslag op de middelen zou
bovendien betekenen dat een onevenredig groot deel van het budget terecht
zou komen bij de politieke partijen; zulks ten nadele van de gemeenten.
Uit het voorgaande volgt dat ik niet bereid ben deze motie uit te voeren.
De motie van het lid Van Gent inzake financiële compensatie
van kosten van gemeenten voor de invoering van nog niet wettelijk verplichte
instrumenten in het kader van de dualisering van het gemeentebestuur (Kamerstukken
2001/2002, 28 243, nr. 17)
Op grond van deze motie wordt de regering verzocht om gemeenten die vooruitlopen
op de wettelijke bepalingen financieel te compenseren en daarvoor voorstellen
te doen bij de begroting van Binnenlandse Zaken voor 2003. Ik ga er van uit
dat met deze motie wordt gedoeld op de griffier en de rekenkamer(functie).
Deze instrumenten worden met ingang van 7 maart 2003 onderscheidenlijk
1 januari 2006 voor gemeenten verplicht.
Het vorige kabinet heeft in een vroeg stadium besloten om € 14,975
mln. structureel toe te voegen aan het gemeentefonds ter compensatie van de
directe kosten voor de ontvlechting van het wethouderschap en het raadslidmaatschap.
Het vorige kabinet heeft bij de Voorjaarsnota 2002 voorts besloten om de kosten
die samenhangen met het tot stand brengen van de gemeentelijke griffies en
de rekenkamers of rekenkamerfuncties, voor de helft aan de gemeenten te vergoeden
(Kamerstukken II, 2001/02, 28 295, nr. 1, blz. 34; Meicirculaire
Gemeentefonds d.d. 23 mei 2002, blz. 19). Voor de verplichte griffier
heeft de VNG een bedrag geclaimd van € 28,2 mln. De helft komt neer
op een bedrag van € 14,1 mln. Voor de rekenkamer(functie) heeft
de VNG een bedrag van € 13,5 mln. geclaimd. De helft van dit bedrag
komt neer op € 6,8 mln. Deze toevoegingen komen bovenop de eerder
genoemde structurele toevoeging van € 14,975 mln.
Vanuit de gedachte dat het wenselijk is dat gemeenten al voordat de griffier
en de rekenkamer(functie) verplicht zijn tot de instelling hiervan overgaan,
is bij de Voorjaarsnota 2002 bovendien besloten de kosten al gedeeltelijk
te vergoeden gedurende de periode dat de griffier en de rekenkamer(functie)
nog niet verplicht zijn. Voor de griffier wordt in 2002 tweederde van bovenstaand
bedrag ter hoogte van € 14,1 mln. toegevoegd en in 2003 100%.
Voor de rekenkamer(functie) wordt in 2002 50%, in 2003 70%, in 2004 80%, in
2005 90% en in 2006 100% van bovenstaand bedrag ter hoogte van € 6,8
mln. vergoed. Ik ga er van uit dat de motie hiermee is uitgevoerd.
Voorts merk ik het volgende op. In aanvulling op het bovenstaande vindt
thans een onderzoek plaats naar de feitelijke kosten die gemeenten maken in
verband met de invoering van het gedualiseerde stelsel. Op grond van de uitkomsten
van dit onderzoek kan aanvullende compensatie plaatsvinden. Ik merk ten slotte
nog op dat artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet niet voorschrijft
dat nieuwe gemeentelijke taken door het Rijk volledig moeten worden bekostigd.
Bij nieuwe taken moet worden aangegeven wat de financiële gevolgen zijn
en met welke bekostigingswijze die kunnen worden opgevangen. Dat kan mede
gehele of gedeeltelijke bekostiging door de gemeenten zelf omvatten.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J. W. Remkes