28 168
Regeling van de aanspraak op, de toegang tot en de bekostiging van jeugdzorg (Wet op de jeugdzorg)

nr. 4
VERSLAG

Vastgesteld 28 februari 2002

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport1 belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

  Blz.
   
ALGEMEEN DEEL3
1.Inleiding3
 – Algemeen3
 – Regie in de jeugdzorg7
 – Naar een nieuw wettelijk kader8
 – De rechten van het kind11
2.Recht op jeugdzorg11
 – Wat is jeugdzorg? Voor wie is jeugdzorg?11
 – Aanspraak ingevolge deze wet12
3.Bureau jeugdzorg16
 – Algemeen16
 – Inrichting en positionering van het bureau jeugdzorg17
 – De indicatiestelling door het bureau jeugdzorg20
 – Wettelijke taken van het bureau jeugdzorg na de Indicatiestelling21
 – Uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen, jeugd-reclassering en tenuitvoerlegging jeugdstraffen23
 – Ambulante hulpverlening door het bureau jeugdzorg23
 – Advies- en meldpunt kindermishandeling24
 – Kwaliteit van het bureau jeugdzorg24
4.Het zorgaanbod25
 – Passend en samenhangend zorgaanbod25
 – De zorgaanbieders25
 – Pleegzorg27
 – Kwaliteit van het aanbod27
 – Administratieve lasten voor zorgaanbieders27
5.Planning27
 – Planning door de provincie27
 – De rijksoverheid28
6. Financiering29
 – Algemene uitgangspunten29
 – Normering31
 – Subsidiëring door de provincies31
7.Bijdrage in de kosten van de jeugdzorg32
8.De verwerking van persoonsgegevens32
 – Inleiding32
 – Verwerken van persoonsgegevens door de bureaus jeugdzorg32
9.Beleidsinformatie32
10.Toezicht33
11.De cliënt centraal33
 – Betrokkenheid van de cliënt bij het overheidsbeleid34
 – Betrokkenheid van de cliënt bij de toegang tot de zorg en bij de zorgverlening34
   
ARTIKELSGEWIJS35

ALGEMEEN DEEL

Hoofdstuk 1. Inleiding

Algemeen

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel waarin de aanspraak op, de toegang tot en de bekostiging van de jeugdzorg wordt geregeld. Zij zijn van mening dat allerlei ontwikkelingen noodzaken tot een nieuwe wet op de jeugdzorg waarin helder is neergezet hoe de aansturing en financiering wordt verankerd. De huidige wet blijkt in een aantal opzichten onvoldoende soelaas te bieden bij de signalering van problemen bij jongeren, met name wanneer er sprake is van een meer complexe problematiek. Wanneer jongeren (en/of hun ouders) problemen hebben, moet snel en adequaat gereageerd worden, waarbij de cliënt en de hulpvraag centraal staan. De nieuwe wet zou daartoe naar de mening van de leden van de PvdA-fractie kansen moeten bieden. Van belang is ook naar de mening van deze leden dat er nu een «aanspraak» komt op hulp. Zij hebben echter nog wel een aantal vragen over het voorliggende wetsvoorstel.

Verder bestaan er nog vele vraagtekens omtrent de invulling van de AmvB's. Hierdoor is nog veel onduidelijk en is het lastig om de totale wet op al z'n merites te kunnen beoordelen. Deze leden zouden graag een tijdschema willen ontvangen wanneer zij de diverse AmvB's tegemoet kunnen zien. Tevens vragen de leden zich af waarom niet een aantal zaken die nu via AmvB's zullen worden geregeld, rechtstreeks in de wet kunnen worden opgenomen.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van dit wetsvoorstel.

De huidige Wet op de jeugdhulpverlening biedt onvoldoende mogelijkheden voor een eenduidige aansturing en financiering. Een nieuwe wet is nodig om alle met het ontwikkelingsproces Regie in de jeugdzorg geboekte vooruitgang op het terrein van de toegang, zorgprogrammering, beleidsinformatie en het kwaliteitsbeleid te verankeren. Tevens ligt er de noodzaak tot vernieuwing gelet op de samenhang die er moet komen in het aanbod van jeugdzorg, op maat van de hulpvraag van jeugdigen en hun ouders, de versnippering over te veel instellingen, onvoldoende vraag gestuurde zorg, en een niet eenduidige toegang. Met het wetsvoorstel wordt beoogd deze problematiek te ondervangen.

Artikel 19 van het VN Verdrag inzake de Rechten van het Kind vraagt van de regering bovendien een set van wettelijke maatregelen op sociaal- en opvoedkundig gebied om kinderen te beschermen tegen kindermishandeling (met een brede omschrijving) en daarnaast een programma voor hulpverlening en voor opsporing, melding, verwijzing, onderzoek, behandeling en follow-up. De leden van de VVD-fractie stemmen ermee in dat de regering zich de gewoonte heeft eigen gemaakt om zich in wetgeving expliciet te verantwoorden hoe de getroffen maatregelen passen in de implementatie van het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

Bij de Raad van State is de vraag gerezen of met deze Wet op de jeugdzorg de problemen tot het verleden zullen behoren. De Raad van State is van oordeel dat noch uit het wetsvoorstel zelf noch uit de memorie van toelichting voldoende blijkt, dat met het nieuw voorgestelde stelsel de knelpunten in de jeugdzorg zullen zijn opgelost en nieuwe zich niet zullen voordoen. Dit omdat over de reikwijdte van de aanspraak op jeugdzorg geen duidelijkheid kan worden verkregen en omdat deze eerst inhoud zal krijgen in de regelingen ter uitvoering van deze wet. Bovendien ontbreekt volgens de Raad van State een duidelijke financieringsstructuur voor de gehele jeugdzorg.

De leden van de VVD-fractie constateren dat het advies van de Raad van State de fundamenten van het wetsvoorstel raakt en stelt een aantal vragen over het voorstel.

Een aantal essentiële zaken, waaronder de aanspraak op jeugdzorg, de verdeling van de doeluitkeringen en het indicatiebesluit, wordt per algemene maatregel van bestuur geregeld. De leden van de VVD-fractie constateren dat het voor een adequate behandeling van de wet eerst duidelijk moet zijn wat deze algemene maatregelen van bestuur inhouden. Op welke termijn kan hierin duidelijkheid worden verkregen? Is een en ander volgens de huidige planning in 2003 gereed? Wordt het veld hierin vroegtijdig betrokken?

De leden van de CDA-fractie hebben met gemengde gevoelens kennis genomen van het voorliggende voorstel. Zij zijn van mening dat het wetsvoorstel qua doelstelling – een vraaggericht stelsel dat aanvullend is op de zorg van ouders en anderen rond de jeugdige – de juiste insteek heeft, maar zij hebben op een aantal punten vragen ter verduidelijking, en tevens missen zij een aantal aspecten. Een aantal cruciale zaken – zoals de verdeling van de doeluitkering, het indicatiebesluit en de zorgaanspraken – worden ook pas per algemene maatregel van bestuur geregeld, hetgeen temeer bevreemd gezien het al jaren in beslag nemende voortraject.

Voor de leden van de CDA-fractie is derhalve nog niet duidelijk geworden hoe de verschillende verantwoordelijkheden verdeeld worden, hoe de relatie tussen indicatie en zorg is en wie er uiteindelijk verantwoordelijk is voor de toezicht. Zij vragen zich derhalve vooralsnog af of het voorliggend wetsvoorstel wel afdoende voorziet in het realiseren van een samenhangend aanbod aan jeugdzorg waarin de behoefte centraal staat. Dat wordt versterkt door het advies van de Raad van State en het schijnbare gemak waarmee het nader rapport daarmee om lijkt te gaan.

In het advies Raad van State en nader rapport wordt op bladzijde 1 in overweging gegeven een analyse te maken van de zich voordoende problemen opdat beoordeeld kan worden of het voorliggende wetsvoorstel wel afdoende antwoord geeft op de diverse vragen. In de reactie wordt volstaan met het verwijzen naar «genoegzame beschrijving daarvan in de memorie van toelichting», alsmede dat «het instrumentarium van het wetsvoorstel dat een oplossing voor de problemen zal bieden». De leden van de CDA-fractie hebben de indruk dat daarmee voorbij wordt gegaan aan de overweging die de Raad van State heeft meegeven. Waarom is daarvoor gekozen?

Deze leden vragen of uit de reactie op bladzijde 4 worden afgeleid dat eventuele financiële gevolgen van de taakverzwaring van de provincies door de rijksoverheid worden afgedekt? Wat is in dat kader het bedrag wat in het bestuurlijk overleg van afgelopen januari met het Interprovinciaal overleg (IPO) is afgesproken, en hoe wordt daarin voorzien?

De leden van de D66-fractie hebben reikhalzend uitgekeken naar het voorliggende wetsvoorstel. Reeds in 1998 is in het regeerakkoord vastgelegd dat er een Wet op de jeugdzorg moet komen om het proces van Regie in de jeugdzorg wettelijk te verankeren en te zorgen voor een meer eenduidige aansturing en financiering. Uiteindelijk moet dit volgens hen leiden tot een wettelijk recht op jeugdzorg, die van goede kwaliteit is en volkomen transparant. De leden constateren dat nog een lange weg is te gaan voordat dit eindscenario is bereikt. De nieuwe wet moet dit proces ondersteunen en stimuleren.

Gedurende deze regeringsperiode hebben de leden dan ook steeds de ontwikkeling van deze nieuwe wetgeving sterk ondersteund en hebben zij de regering meermaals verzocht meer tempo te maken. Maar ook zijn zij steeds kritisch geweest ten aanzien van een aantal onderdelen, die zij onder meer bij het hoofdlijnendebat over het implementatieplan behorend bij het voorliggende wetsvoorstel hebben uitgedragen. Dit betrof ten eerste het feit dat de regering niet in staat bleek toe te lichten op welke wijze tot een eenduidige financiering kan worden gekomen. Met het voorstel om over te gaan tot een financieringssysteem – van de tot nu toe begrotingsgefinancierde jeugdzorg – analoog aan de systematiek van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) maakte de regering in ogen van de leden geen echte keuze die ook in de toekomst houdbaar is. Ten tweede bleef onduidelijk op welke wijze aan een wettelijk recht op jeugdzorg daadwerkelijk uitvoering kan worden gegeven terwijl er zulke lange wachtlijsten zijn en er geen sprake is van een echte aanspraak op zorg via een verzekeringsstelsel en het betalen van premie, zoals de gezondheidszorg kent via de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Vervolgens werd geen duidelijk antwoord gegeven op de vraag waarom in tegenstelling tot de gezondheidszorg gekozen is voor het in één bureau onderbrengen van de indicatiestelling én de zorgtoewijzing, terwijl hiermee het risico van aanbodsturing groot blijft. Ten vierde bleef de deelname van de geestelijke gezondheidszorg voor jongeren onduidelijk. Cliënten waarvan wordt vermoed dat zij leiden aan een ernstig psychische ziekte houden rechtstreeks toegang tot de geestelijke gezondheidszorg maar in het protocol hierover is geen precieze omschrijving gegeven om welke ziektebeelden het dan gaat, zodat dit een zeer rekbaar begrip kan worden. Tenslotte werd niet duidelijk wat de taak en verantwoordelijkheden van locale overheid wordt. Toch bleek de regering niet van plan deze wettelijk te verankeren. De leden vragen de regering bij deze punten nog eens kort en krachtig de door hen nu gemaakte keuzen te schetsen, zodat zij het voorliggende voorstel in ieder geval op deze punten kunnen beoordelen. Zij verwijzen daarbij ook naar moties die zij over het eerste, tweede en vierde punt op eerdere momenten hebben ingediend. Tevens verzoeken zij de regering hierbij te betrekken het in hun ogen vrij vernietigende advies van de Raad van State over met name de aanspraak op de jeugdzorg en de eenduidige financieringsstructuur, door de leden als eerste twee punten genoemd. De Raad van State vraagt zich af, mede door het ontbreken van een duidelijke financieringsstructuur voor de gehele jeugdzorg, of er wezenlijke verbeteringen ten opzichte van de huidige situatie zijn te benoemen. Aan de bij de Raad van State bestaande twijfel over de werking van voorliggende wetsvoorstel heeft verder bijgedragen het feit dat over de reikwijdte van de aanspraak op de jeugdzorg geen duidelijkheid kan worden verkregen, omdat deze pas inhoud zal krijgen in de regelingen ter uitvoering van deze wet.

Deze leden vragen overigens waarom ervoor gekozen is te werken met zoveel algemene maatregelen van bestuur? Wat is de reden dat de regering, na vier jaar werken aan voorliggende voorstel, niet in staat is meer onderdelen rechtstreeks in voorliggende voorstel te verankeren?

De leden van de fractie van GroenLinks hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel over de jeugdzorg waarin de aanspraak, de toegang en financiering op jeugdzorg zijn vastgelegd. Hieronder zal worden ingegaan op de verschillende onderdelen van de wet. Vooraf willen de leden van de fractie van GroenLinks graag de vraag stellen op welke wijze de regering het voorliggende wetsvoorstel heeft getoetst aan het VN Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

Ook willen deze leden een aanvulling op de reactie van de regering op de kritiek van de Raad van State op het feit dat nog veel aspecten van de aanspraak op zorg in algemene maatregelen van bestuur zullen worden uitgewerkt. Om welke redenen zijn de AmvB's te verkiezen boven het vastleggen in de wet, met name de genoemde flexibiliteit?

Verder zien de leden van de fractie van GroenLinks graag dat nog eens duidelijk wordt aangegeven op welke wijze de nieuwe wet ten opzichte van de huidige wet op de jeugdhulpverlening een verbetering behelst.

Ten slotte zouden deze leden graag zien dat de wet binnen een bepaalde termijn, bijvoorbeeld vijf jaar, wordt geëvalueerd Hoe staat de regering hier tegenover?

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met veel belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel «Regeling van de aanspraak op, de toegang tot en de bekostiging van de jeugdzorg» (verder: Wet op de jeugdzorg). Zoals zij al eerder hebben toegelicht – onder meer bij de bespreking van het Beleidskader – steunen zij de belangrijkste doelstellingen van de nu voorgestelde wet, te weten het versterken van de voorliggende voorzieningen, de totstandkoming van één centrale, herkenbare, bekende, laagdrempelige toegang tot de jeugdzorg, de totstandkoming van een passend en samenhangend zorgaanbod en het versterken van de positie van de cliënt.

Deze leden zijn op zichzelf verheugd dat er nu een wetsvoorstel ligt dat beoogt deze doelstellingen te realiseren. Tegelijkertijd willen zij niet verhelen dat er bij hen teleurstelling heerst over de traagheid waarmee het proces van herziening van het stelsel van jeugdzorg zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld. Deze teleurstelling doet zich des te scherper gevoelen nu het wetsvoorstel op essentiële punten onduidelijkheden en onvolkomenheden bevat. In het navolgende komen deze leden hierop vanzelfsprekend uitvoeriger terug, maar in het algemeen kan gezegd dat zij de forse kritiek die de Raad van State in zijn advies leverde op niet de minst belangrijke onderdelen van het wetsvoorstel, in veel opzichten delen. Het is zorgwekkend dat na een zo lange voorbereiding deze kritiek zo breed is en niet alleen enkele hoofdonderdelen van het wetsvoorstel betreft (het recht op jeugdzorg, aansturing en financiering, medezeggenschap en klachtrecht), maar ook de opportuniteit en de meerwaarde van het wetsvoorstel: de Raad van State is van oordeel «dat noch uit het wetsvoorstel zelf noch uit de memorie van toelichting voldoende blijkt dat met het nieuw voorgestelde stelsel de knelpunten in de jeugdzorg zullen zijn opgelost en nieuwe zich niet zullen voordoen.» Het is de leden van de fractie van de ChristenUnie opgevallen dat de regering in reactie op deze fundamentele kritiek ten aanzien van de probleemanalyse een hoofdzakelijk cosmetische wijziging van de toelichting aanbrengt: verplaatsing van een paragraaf en toevoeging van een passage waarin wordt gesteld dat het wetsvoorstel een oplossing voor de problemen zal bieden. Meent de regering hiermee werkelijk tegemoet te zijn gekomen aan de kritiek van de Raad van State ten aanzien van het ontbreken van een analyse van de tekortkomingen waardoor in de praktijk de doelstellingen van de Wet op de jeugdhulpverlening niet konden worden gerealiseerd?

De leden van de fractie van de ChristenUnie wijzen er ten overvloede op dat zij er over het algemeen geen voorstander van zijn dat belangrijke elementen van een wettelijke regeling bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden uitgewerkt, waarbij dan de medeverantwoordelijkheid van de Tweede Kamer tot uitdrukking komt via een «voorhangprocedure». Met de Raad van State zijn zij van mening dat de delegatiebepalingen in het voorliggende wetsvoorstel op gespannen voet staan met het primaat van de wetgever. Dit geldt des te meer waar het gaat over een essentiële onderwerp als de aard, inhoud en omvang van de aanspraak op jeugdzorg (artikel 3, eerste lid). Deze leden begrijpen dat de voorgestelde modularisering van de jeugdzorg de regering de voorkeur doet geven aan regeling bij AmvB, maar hebben daar inhoudelijk toch bezwaren tegen, zeker nu op bladzijde 13 van de memorie van toelichting inhoud van de bedoelde AmvB's in direct verband wordt gebracht met kostenbeheersing. Moet hieruit worden begrepen dat een reden om op dit kernpunt van het wetsvoorstel voor delegatie te kiezen is gelegen in het feit dat op deze wijze eenvoudiger wijzigingen zijn aan te brengen in de aard, inhoud en omvang van de aanspraak, wanneer dat vanuit het oogpunt van kostenbeheersing noodzakelijk is?

Voorts vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie of het noodzakelijk is om via een algemene bepaling voor alle algemene maatregelen van bestuur die op grond van de Wet op de jeugdzorg tot stand kunnen komen een «voorhangprocedure» voor te schrijven of dat hierin differentiatie mogelijk is. Kan een overzicht gegeven worden van de AmvB's waarop artikel 105 van toepassing is en wil de regering daarbij steeds aangeven waarom zij meent dat betrokkenheid van de Staten-Generaal bij de vormgeving van de onderscheiden AmvB's is aangewezen en waarom regeling bij wet niet mogelijk of niet is gewenst?

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van voorliggend wetsvoorstel waarin de aanspraak op, de toegang tot en de bekostiging van de jeugdzorg wordt geregeld. Deze leden onderschrijven het streven van de regering om te komen tot een wettelijk kader om een samenhangend aanbod van jeugdzorg te kunnen realiseren waarin de behoefte van de cliënt centraal staat. Desondanks vragen zij, of voorliggend wetsvoorstel hiertoe wel voldoende waarborgen biedt. Hoewel de leden van de SGP-fractie bij meerdere gelegenheden hebben aangedrongen op spoedige wetgeving terzake, hebben zij nog zeer veel vragen bij het wetsvoorstel, zoals dat momenteel voorligt. Evenals bij de Raad van State is bij de aan te woord zijnde leden de vraag gerezen of met voorliggend wetsvoorstel de gesignaleerde problemen binnen de jeugdzorg tot het verleden zullen behoren. Deze leden zijn eveneens van oordeel dat noch uit het voorliggende wetsvoorstel zelf noch uit de bijbehorende memorie van toelichting voldoende blijkt, dat met het nieuw voorgestelde stelsel de knelpunten in de jeugdzorg zullen zijn opgelost en nieuwe zich niet zullen voordoen. Zij betreuren het dat de regering met de kritische kanttekeningen van de zijde van de Raad van State zo weinig lijkt te hebben gedaan.

De leden van de SP-fractie zijn van mening dat de basiserkenning van het recht op jeugdzorg een van de grote winstpunten van het wetsvoorstel is. Zij hebben nog wel heel veel vragen en opmerkingen bij dit wetsvoorstel die zij in het navolgende stellen. Zij behouden zich echter het recht voor in het kader van de plenaire behandeling van het wetsvoorstel op een aantal elementen van het wetsvoorstel nog nader in te gaan.

Allereerst hebben zij twijfels omdat je dan wel een recht op jeugdzorg in een wet kunt garanderen, zolang de realiteit is dat de jeugdzorg werkt vanuit een schaarstemodel zal dat recht in de praktijk niet verzilverd kunnen worden. Ook de Raad van State wijst erop dat niet duidelijk wordt hoe een aanspraak op jeugdzorg kan worden afgedwongen indien er te weinig plaatsen zijn. Verwezenlijking van een aanspraak op jeugdzorg is immers alleen mogelijk indien voldoende middelen ter beschikking worden gesteld, voldoende voorzieningen voorhanden zijn en voldoende gekwalificeerd personeel beschikbaar is. Terecht wijst de Raad van State er op dat de aanspraak op jeugdzorg in gesloten justitiële inrichtingen niet voor 1 januari 2006 kan worden geëffectueerd.

Regie in de jeugdzorg

De leden van de D66-fractie hebben Regie in de jeugdzorg ervaren als proces dat van onderop startte, maar na vier jaar enige regie van bovenaf nodig bleek te hebben om structuur in het proces te brengen. Dit leidde ertoe dat de nieuwe Wet op de jeugdzorg een plek in het regeerakkoord kreeg. In de tijd die ligt tussen de totstandkoming van het regeerakkoord en de totstandkoming van het voorliggende wetsvoorstel ging – zo hebben de leden dat tenminste ervaren – Regie in de jeugdzorg verder. Zij zouden dan ook graag willen vernemen of er nog regio's zijn waar niet volgens de systematiek van de eenduidige toegang wordt gewerkt en/of waar de jeugd-GGZ niet meedoet en/of waar jeugdbescherming en gezinsvoogdij geen onderdeel van de toegang uitmaken. Tevens willen zij inzicht in de stand van zaken omtrent het werken met zorgprogramma's aangezien eind 2000 het advies hieromtrent klaar was. In welke regio's wordt dit nog niet toegepast? Ten aanzien van de beleidsinformatie blijven de leden zich verbazen dat er reeds in 1994 gestart is met een Projectgroep landelijke Beleidsinformatie en – wat later – met een Stuurgroep Structurering Informatievoorziening Jeugdzorg, dat er vervolgens een landelijk jeugdzorgbreed beleidsinformatiesysteem is ontwikkeld evenals een sectoraal registratiesysteem en dat het daarna heel stil wordt. Zijn deze systemen nu ook ingevoerd in de jeugdzorg en zo ja, wordt het beleidskader jeugdzorg nu dan ook aan de hand van deze gegevens samengesteld? Zo neen, wat is hiervan de reden? De leden van de D66-fractie delen de mening dat krachtig is ingezet op kwaliteitsbeleid binnen de jeugdzorg. Desalniettemin blijkt onder meer uit het laatste rapport van de Inspectie dat het in algemene zin nog niet erg goed gesteld is met de kwaliteit in de jeugdzorg. Kunnen de leden hieruit concluderen dat het spoor van de zelfregulering van kwaliteit gefaald heeft? Of voldoen jeugdzorginstellingen soms (vaak?) ook niet aan de wettelijke kwaliteitsvereisten? De leden zijn van mening dat kwaliteitsbeleid een extra impuls moet krijgen. Deelt de regering deze mening en zo ja, kan zij toelichten op welke wijze dit gaat gebeuren?

De leden van de SP-fractie wijzen erop dat het regelen van een toegang belangrijk onderdeel is van dit wetsvoorstel. Hierbij moet wel gebruik gemaakt worden van de reeds bestaande deskundigheid zoals in de jeugd-GGZ. In een convenant tussen IPO, GGZ Nederland en het ministerie van VWS is de inbreng van ggz-deskundigheid tot 2003 gegarandeerd door professionals vanuit de jeugd-ggz voor een deel van hun dienstverband in te zetten. Hoe wordt dit na 2003 gegarandeerd? Hetzelfde geldt voor de indicatiestelling voor de jeugd-LVG. Hoe denkt de regering over de optie dat de indicatiestelling voor Orthopedagogische centra voor lichtverstandelijk gehandicapten zowel door het Bureau Jeugdzorg als door het RIO uitgevoerd kan worden. Mits dit op geprotocolleerde en op elkaar afgestemde wijze gebeurt.

De leden van de SP-fractie stellen vast dat modules de kern worden van het nieuwe jeugdzorgstelsel. Zij merken op dat de raad van State moeite heeft met het vaststellen van de reikwijdte op niveau van een algemene maatregelen van bestuur. Zij vinden dit in de wet thuishoren, evenals het heffen van een ouderbijdrage. Kan de regering hier nog eens nader op ingaan waarbij zij duidelijk aangeeft wat zij onder jeugdzorg verstaat. Is maatschappelijk altijd even goed onderscheiden wat jeugdzorg is? Vallen opgroei- en opvoedvragen niet onder de jeugdzorg en opgroei- en opvoedproblemen wel? Waar zit het onderscheid tussen jeugdzorg en lokaal jeugdbeleid? Als je recht hebt op jeugdzorg moet wel duidelijk zijn waar je recht op hebt. Of bepaalt het bureau jeugdzorg wat jeugdzorg is en waar je dus recht op hebt? Duidelijk moet ook zijn wie de cliënt is van de jeugdzorg. Is de regering van mening dat de jeugdige de cliënt in de jeugdzorg is?

Aan de modules zal een prijs worden gekoppeld. Zullen deze jeugdzorgmodulen plus de bijbehorende tarieven niet strijdig zijn met de zorgmodulen, zorgproducten en bijbehorende prijzen die bijvoorbeeld in het kader van de vraaggestuurde bekostigingssystematiek in de gehandicaptenzorg gelden?

Naar een nieuw wettelijk kader

Allereerst willen de leden van de PvdA-fractie een toelichting op de constatering dat «het voorgestelde systeem breed wordt gedragen en als een verbetering wordt beschouwd». Deze leden bereiken signalen dat de wens tot éénduidige financiering en verdere ontschotting zeer wenselijk worden geacht. Met name de gescheiden financiering van de (reguliere) jeugdzorg en de Jeugd-GGZ veroorzaakt een wat hybride situatie. Is het niet zo dat de beoogde samenwerking in hoge mate afhankelijk zal zijn van de welwillendheid van directeuren van de betrokken instellingen? Wat voor sancties staan er tegenover het niet willen samenwerken tussen de verschillende instellingen? Op welke wijze wordt samenwerking afgedwongen? En hoe is het overigens met de «afspraak» dat 15% van het GGZ-budget aan de jeugdzorg ten goede zal komen? De leden van de PvdA-fractie constateren dat hierover niets geregeld is. Heeft dit niet-regelen ervan een speciale bedoeling?

Deze leden betreuren het dat – vooralsnog – niet is gekozen voor één financiering voor het nieuwe stelsel. De modernisering van de AWBZ dient eerst te worden afgewacht, zo wordt opgemerkt. Maar waarom, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, wordt de jeugdzorg buiten de discussie van deze modernisering gehouden. Waarom heeft de regering er niet voor gekozen om de jeugdzorg onder de AWBZ te brengen, gezien het feit dat de jeugd-GGZ en de verstandelijk gehandicapten reeds onder de AWBZ vallen?

Gezien het feit dat ook het perspectief op een eenduidige financiering op langere termijn er niet is, vragen deze leden welke stappen er kunnen worden gezet om wel tot dit perspectief te komen. Zou het niet de voorkeur verdienen om dit einddoel (van een eenduidige financieringsstructuur) wél te schetsen zodat hier – eventueel stapsgewijs – naar toe kan worden gewerkt?

De leden van de fractie van D66 vinden het versterken van de positie van de cliënt een zeer belangrijke doelstelling. Zij zijn met de regering van mening dat door het creëren van een recht op jeugdzorg en een onafhankelijke en objectieve indicatiestelling, deze doelstelling een heel eind bereikt wordt. Helaas vinden de leden in het voorliggende wetsvoorstel noch een werkelijk recht op jeugdzorg terug noch een werkelijk onafhankelijke en objectieve indicatiestelling, zoals zij eerder gemotiveerd hebben. Gegeven dit feit zouden zij graag van de regering vernemen welke onderdelen in voorliggende wetsvoorstel wél bijdragen aan het versterken van de positie van de cliënt.

De leden van de D66-fractie delen de mening van de regering dat door de bundeling van de verschillende sectoren in één bureau jeugdzorg er ook voor professionals als onderwijzers en peuterspeelzaalleiders en voor andere betrokkenen één aanspreekpunt ontstaat waar zij met vragen terecht kunnen. Dit mag er echter niet toe leiden dat een onderwijzer of peuterspeelzaalleider niet meer rechtstreeks kan bellen met een instelling voor ambulante jeugdhulpverlening waar hij of zij goede contacten heeft als gevolg van locale samenwerking. Zij gaan ervan uit dat ook de regering het principe van één toegang niet zo star willen opleggen dat dergelijke contacten op locaal niveau niet meer mogelijk zijn zonder tussenkomst van een bureau jeugdzorg. Is de regering bereid vast te leggen dat voor de ambulante hulpverlening die eventueel uit dergelijke contacten volgt een meldplicht bij het bureau jeugdzorg voldoende is? Is de regering tevens bereid vast te leggen waar de grens tussen geïndiceerde en niet-geïndiceerde jeugdzorg ligt?

De leden van de SGP-fractie delen de opvatting van de regering dat de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van kinderen primair bij de ouders ligt en dat de overheid tot taak heeft optimale voorwaarden te scheppen om de ouders in staat te stellen hun taak als opvoeder zo goed mogelijk te vervullen. Deze leden vinden vanuit dat oogpunt dan ook, dat jeugdbeleid in het teken behoort te staan van gezinsvriendelijkheid. Er dienen zodanige voorwaarden te worden geschapen dat jongeren in deze hectische samenleving in een zo harmonieus mogelijk klimaat kunnen opgroeien naar de volwassenheid. Het gezin moet een veilige haven zijn, waarin jongeren worden weerbaar gemaakt en waarden en normen worden bijgebracht. De aan het woord zijnde leden vragen de regering diepgaand in te gaan op de in hun ogen bestaande discrepantie tussen enerzijds de opvattingen van de regering aangaande de rol van het gezin en anderzijds de stimulans die zowel materieel als immaterieel vanuit dezelfde overheid uitgaat ter bevordering van onder meer het tweeverdienersschap, de individuele economische zelfstandigheid en de 24-uurseconomie.

Een van de hoofddoelstellingen van voorliggend wetsvoorstel is vergroting van de toegankelijkheid van de jeugdzorg voor jeugdigen en hun ouders. De leden van de SGP-fractie vragen de regering nader in te gaan op de positie van de ouders binnen het geheel van de jeugdzorg.

Evenals bij de modernisering van de AWBZ speelt ook bij dit debat over het beleidskader jeugdzorg de discussie over vraagsturing een prominente rol.

De leden van de SGP-fractie onderschrijven ten volle de stelling dat in de jeugdzorg de jeugdige met zijn hulpvraag centraal staat en dat vanuit het perspectief van jeugdigen en ouders het stelsel van de jeugdzorg aan verschillende voorwaarden moet voldoen. Eén van die voorwaarden is naar de mening van deze leden, dat de jeugdzorg plaatsvindt in de context van de identiteit van de jeugdige, van het door hun ouders bij de opvoeding gehanteerde normenen waardenpatroon. Dit geeft herkenbaarheid en helpt daarmee voorkomen, dat jongeren naast al hun problemen nog eens temeer gedesoriënteerd kunnen raken en daardoor verder ontsporen. Zij vragen een reactie van de regering.

De leden van de SGP-fractie vragen naar de afstemming tussen voorliggend wetsvoorstel met het groot project Modernisering van de AWBZ voor wat betreft de rol van de zorgverzekeraars. In de sector van de AWBZ ligt de registratie en toewijzing van de geïndiceerde zorg in handen van de zorgverzekeraars i.c. de zorgkantoren. Ze hebben die taak ook als het gaat om de AWBZ-gefinancierde jeugdzorg, zijnde de jeugd-GGZ en de zorg voor licht verstandelijk gehandicapte jeugdigen. In voorliggend wetsvoorstel is dit niet terug te vinden. Deze leden vragen de regering hier nader op in te gaan.

De aan het woord zijnde leden constateren ook onvoldoende afstemming waar het de relatie met de zorg voor licht gehandicapte jeugdigen betreft Dit geldt onder meer voor de afbakening van de doelgroep en de daarmee samenhangende relaties tussen het Landelijk centrum indicatiestelling gehandicaptenzorg (LCIG) en het Regionaal Indicatie orgaan (RIO) enerzijds en het Bureau Jeugdzorg anderzijds. Wanneer ook hier onvoldoende aandacht aan wordt besteed, voorzien deze leden grote problemen in de uitvoering en onduidelijkheden voor zorgvragers. Zij vragen ook op dit punt een nadere reactie.

Meer in het algemeen vragen de leden van de SGP-fractie naar de wenselijkheid en de mogelijkheden om de vrijwillige jeugdzorg uiteindelijk binnen de AWBZ onder te brengen.

De leden van de SP-fractie vragen zich af waarom is gekozen voor handhaven van de leeftijdsgrens van 18 jaar.

De leden van de SP-fractie stellen vast dat de financieringsstromen vooralsnog gescheiden blijven. Zij vragen zich met de Raad van State af of het wel aangaat de financiering los te koppelen van de inhoud. Kan de regering toelichten in welke richting zij denkt bij toekomstige financiering? Blijft bij financiering uit meerdere bronnen het risico op versnippering niet bestaan? Evenals afwenteling? Bijvoorbeeld, de Vereniging gehandicaptenzorg Nederland (VGN) en GGZ-Nederland wijzen hier ook op dat schaarste van door de provincie gefinancierde jeugdzorg wordt afgewenteld op de AWBZ-zorg, mede vanwege de dubbelrol van de provincies.

De leden van de SP-fractie vragen met de Raad van State in hoeverre aan de veel zwaardere taak van de provinciebesturen binnen de door hen ter beschikking staande budgettaire kaders uitvoering kan worden gegeven of hoe hier op andere wijze in wordt voorzien.

De rechten van het kind

Ten aanzien van de rechten van het kind wijst de memorie van toelichting op bladzijde 8 op het recht van opvoedingsondersteuning voor cliënten (jeugdigen en ouders). Blijkens bladzijde 23 van de voortgangsrapportage Beleidskader Jeugdzorg 2002–2005 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001–2002, 28 007 nr. 2) zou deze maand een onderzoek naar de aard en omvang van het aanbod aan gemeentelijke voorzieningen op het terrein van opvoedingsondersteuning worden afgerond. De leden van de CDA-fractie vragen welke invloed dat heeft op dit onderdeel van het wetsvoorstel? In het kader van de rechten van het kind zijn deze leden eveneens benieuwd naar de precieze uitwerking van het in artikel 3, zevende lid (bladzijde 3 van het voorstel van wet en bladzijde 8 en 53 van de memorie van toelichting), benoemen van bepaalde categorieën vreemdelingen die geen aanspraak kunnen maken op jeugdzorg. Wordt bijvoorbeeld individuele toetsing van het aanspraak kunnen maken op jeugdzorg daarmee uitgesloten?

Aan het VN-Verdrag voor de Rechten van het Kind wordt volgens de regering uitvoering gegeven door een recht op opvoedingsondersteuning op te nemen in onderhavige wetsvoorstel. Opvoedingsondersteuning wordt namelijk gezien als een vorm van jeugdzorg en als zodanig beschikbaar voor cliënten van bureau jeugdzorg en hun ouders. Om te beginnen vinden de leden het vreemd dat opvoedingsondersteuning louter als een vorm van jeugdhulpverlening wordt gezien. De leden van de D66-fractie vragen of niet steeds meer duidelijk wordt dat iedere (jonge) ouder eigenlijk met regelmaat gebruik moet kunnen maken van opvoedingsondersteuning? De leden hebben er overigens wel begrip voor dat reguliere opvoedingsondersteuning niet (altijd) door de overheid vergoed wordt. Zij vinden echter de grens tussen simpele opvoedingsvragen en situaties waarin de opvoeding problematisch dreigt te worden moeilijk te trekken is. De regering geeft immers zelf aan dat ook in normaal verlopende opvoedingssituaties opgroei- en opvoedingsproblemen kunnen ontstaan. Kan de regering een nauwkeuriger definitie geven van wanneer opvoedingsondersteuning wel en wanneer niet binnen de jeugdhulpverlening valt?

De leden van de D66-fractie hebben sterk het gevoel dat alleenstaande minderjarige asielzoekers en illegale kinderen geen toegang tot alle vormen van jeugdzorg krijgen, terwijl dit conform artikel 2 van het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind wel zou moeten. Klopt dit en zo ja, waarom is dan afgeweken van het VN-Verdrag?

De leden van de SP-fractie vinden het positief dat in het wetsvoorstel is aangegeven in welke zin het Verdrag inzake de rechten van het kind richtsnoer voor de organisatie van de jeugdzorg kan zijn. Deze leden missen hierbij artikel 4 (financiële middelen worden in de ruimste mogelijke mate besteed ten behoeve van kinderen). Waarom is deze niet genoemd?

Hoofdstuk 2. Recht op jeugdzorg

Wat is jeugdzorg? Voor wie is jeugdzorg?

De leden van de PvdA-fractie achten het een verbetering ten opzichte van de huidige situatie wanneer het recht op jeugdzorg voor álle jeugdigen (en hun ouders) die daar behoefte aan hebben (en geïndiceerd zijn) kan worden waargemaakt. Dat betekent dat de hoogte van de doeluitkering huns inziens moet worden aangepast indien de vraag naar zorg in de loop van de tijd zal toenemen. De stelling dat de invoering van de nieuwe wet gepaard dient te gaan zonder eventuele extra kosten, komt de leden van de PvdA-fractie dan ook vreemd voor. Hoe denkt de regering hier de komende tijd mee om te gaan gezien de omvang van de huidige wachtlijsten?

Onder de bepaling «jeugdige» wordt in beginsel verstaan een in Nederland verblijvende persoon die de meerderjarigheidsleeftijd nog niet heeft bereikt. De leden van de VVD-fractie vragen waarom hier niet is gekozen voor een rechtmatig in Nederland verblijvende persoon die de meerderjarigheidsleeftijd nog niet heeft bereikt? Deze kwalificatie komt wel voor in artikel 3, eerste lid, waar staat dat cliënten (waaronder dus jeugdigen), behoudens niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, aanspraak hebben op jeugdzorg. Kan worden toegelicht of en hoe een en ander in overeenstemming is met het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind?

De leden van de D66-fractie vinden de doelgroep van de jeugdzorg helder omschreven. Zij willen echter wel een pleidooi houden voor de pleegouders. Uit diverse gesprekken met pleegouder(s)(organisaties) blijkt dat zij zich vaak erg weinig betrokken voelen bij de jeugdhulpverlening die hun pleegkind krijgt aangeboden. Ook wordt weinig naar hun mening en/of ervaring gevraagd. De leden zijn van mening dat hun kennis ook van belang is om een kind zo goed mogelijk te kunnen helpen, zeker na verloop van enige tijd als de pleegouders het kind beter beginnen te leren kennen. Is in het voorliggende wetsvoorstel verankerd dat vanuit hun functie aan de aanbodzijde pleegouders om advies gevraagd moeten worden bij de stappen die gezet worden in de geboden hulpverlening? En zo neen, is de regering bereid dit alsnog op te nemen?

Er is een splitsing aangebracht in de uitvoering van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen tussen civielrechtelijke plaatsingen en strafrechtelijke plaatsingen. De eerstgenoemde plaatsingen vallen wel onder het begrip jeugdzorg, de tweede niet. De leden van de D66-fractie kunnen zich de principiële reden waarom dit zo gedaan is wel voorstellen, maar vrezen veel praktisch problemen bij de uitvoering.. Betekent dit bijvoorbeeld dat een jongere met een strafrechtelijke plaatsing een heel ander of helemaal geen hulpverleningsaanbod ingevolge het onderhavige wetsvoorstel krijgt of is het louter een kwestie van – wederom – gescheiden financieringsstromen? Graag een nadere toelichting hoe dit in de praktijk uitwerkt en hoe gezorgd wordt dat de beleidsinformatie wel eenduidig wordt.

Jeugdzorg waarvoor de toegang via het bureau jeugdzorg verloopt, omvat ook delen van de zorg voor verstandelijk gehandicapte jeugd en jeugdigen met psychische problemen. De leden van de D66-fractie zouden een pleidooi willen houden om autisme als apart ziektebeeld te definiëren en in voorliggend wetsvoorstel te omschrijven. In diverse andere landen, waaronder België en Groot-Brittannië, gebeurt dat al waardoor de hulpverlening aan deze doelgroep beter tot stand komt. In Nederland vallen autistische kinderen nog erg vaak tussen wal en schip waardoor ouders/opvoeders geen enkele steun hebben bij de opvoeding. Bovendien zijn er nog maar weinig residentiële plaatsen speciaal gericht op autisten. Wat is hierover de mening van de regering?

Aanspraak ingevolge deze wet

Het recht op jeugdzorg zal ook voor de jongeren met een verstandelijke handicap gelden. Hiertoe moeten de bureaus Jeugdzorg goed toegerust zijn. De leden van de PvdA-fractie willen graag een reactie op het signaal dat Somma verwoordt dat de bureaus de deskundigheid missen om deze cliënten adequaat te ondersteunen. Juist ook met het oog op de belangen van de verstandelijk gehandicapte jongeren is de nieuwe wet ontwikkeld. Daarom vragen deze leden hoe er goed op wordt toegezien dat deze jongeren niet tussen wal en schip komen te vallen vanwege het risico inzake het ontbreken van deskundigheid. Is dan wel wordt hier in voldoende mate in voorzien?

In dit verband vragen deze leden ook naar de uitvoering van de voorgenomen pilots in het kader van het Actieprogramma voor de jeugd-LVG. Wanneer is/wordt met deze pilots gestart? Is het juist dat een aantal artikelen in het huidige wetsvoorstel de keuzemogelijkheden in de pilots inperkt? Zo ja, zou het niet de voorkeur verdienen om juist in de pilots brede ervaring te kunnen opdoen inzake het bereiken van de jongeren met een verstandelijke handicap?

Een belangrijke voorwaarde om tot effectuering te komen van het recht op jeugdzorg is de beschikbaarheid van een flexibele financieringsstructuur. Deelt de regering de mening dat een passende vorm van indicatie en zorg prioriteit moet krijgen boven beheersing en verantwoording van het geheel? Met andere woorden: hoe kan worden voorkomen dat een dichtgetimmerd, klantonvriendelijk systeem gaat ontstaan? Zou het niet zo moeten zijn dat de wet stuurt op resultaat en voldoende instrumenten bevat die een beroep doen op het ondernemerschap van instellingen?

In de memorie van toelichting wordt gesproken over een «redelijke termijn» waarbinnen de rechthebbende de aanspraak op jeugdzorg tot gelding kan brengen. Ook ten aanzien van de AWBZ zal deze clausule worden ingevoerd. De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd naar de uitkomsten van de uitvoeringstoets hieromtrent. Kan hierop een reactie worden gegeven?

In uiterste situaties zal een aanspraak op jeugdzorg via de rechter, bij de provincie of bij de Minister van Justitie afdwingbaar zijn. Zullen de mogelijkheden daartoe ook voldoende bekend worden gemaakt, zo vragen deze leden. Zo ja, op welke wijze zullen jeugdigen en ouders hiervan op de hoogte worden gesteld?

Met een recht op jeugdzorg wordt een nieuw element geïntroduceerd. Het blijft de leden van de VVD-fractie in het wetsvoorstel onduidelijk waarom het formuleren van een recht op jeugdzorg noodzakelijk is. Kan hierin duidelijkheid worden verschaft?

Bij de Raad van State is de vraag gerezen hoe deze aanspraak gerealiseerd moet worden. Ook de leden van de VVD-fractie stellen wederom deze vraag. Uit de memorie van toelichting wordt niet duidelijk hoe een aanspraak op jeugdzorg kan worden afgedwongen indien er te weinig plaatsen zijn. Kan hierin duidelijkheid worden verschaft?

De leden van de GroenLinks-fractie zijn verheugd over het feit dat de bureaus jeugdzorg het ene loket zullen gaan vormen voor een breed aanbod aan jeugdzorg, waarin ook de zorg voor verstandelijk gehandicapten en de jeugd GGZ zijn vertegenwoordigd. Ook zijn zij verheugd dat de aanspraak op zorg wettelijk is geworden en dat de zorgaanbieders een acceptatieplicht hebben. Dat maakt het mogelijk dat de jeugdige zijn aanspraak ook kan verzilveren. Toch is het de vraag of dit voldoende is. Wat gebeurt er met de aanspraak als er wachtlijsten voor het zorgaanbod zijn? Betekent de introductie van het recht op jeugdzorg met andere woorden dat de wachtlijsten opgelost zullen zijn?

De leden van de fractie van de ChristenUnie benadrukken dat zij de gedachte van het wettelijk verankeren van een recht op jeugdzorg ondersteunen. Dat neemt niet weg dat zij vragen hebben bij de gekozen vormgeving, waarbij dit recht in de voorgestelde Wet op de jeugdzorg wordt gestipuleerd, maar tegelijkertijd wordt beperkt (geclausuleerd) tot jeugdzorg waarop geen aanspraak ingevolge de AWBZ of de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) bestaat. Deze clausulering, die het gevolg is van de keuze om de financiering van de jeugd-GGZ, de zorg voor verstandelijk gehandicapte jeugdigen met opvoedingsproblemen en de justitiële jeugdinrichtingen te laten lopen via de AWBZ resp. de Bjj, relativeert de betekenis van het recht op jeugdzorg, zoals geïntroduceerd met dit wetsvoorstel. Bovendien roept deze vormgeving de vraag op of er in de toekomst verschillen zullen zijn in het karakter van de aanspraken op grond van de Wet op de jeugdzorg en de aanspraken op grond van de AWBZ resp. de Bjj. Hoe groot is het risico dat de «hardheid» van de aanspraak op jeugdzorg afhankelijk zal blijken te zijn van de financierings-mogelijkheden van de betreffende wet op een gegeven moment? Deze leden krijgen graag een nadere beschouwing over het karakter van het recht op jeugdzorg, resp. de aanspraken op zorg in de context van de verschillende relevante wettelijke regelingen.

De betreffende passages in zowel het nader rapport als de memorie van toelichting roepen bij deze leden de vraag op wat het wetsvoorstel ten aanzien van de aanspraak op jeugdzorg nu precies toevoegt, nu voor de inhoud van deze aanspraak enerzijds wordt verwezen naar de bestaande wettelijke regelingen van de AWBZ, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en de Wet op de jeugdhulpverlening en anderzijds naar nog op te stellen algemene maatregelen van bestuur. Graag krijgen zij op deze voor hen belangrijke vraag een helder antwoord.

Aanspraak jegens wie

De leden van de D66-factie hebben reeds hun grote twijfel uitgesproken over een werkelijk recht op jeugdzorg op grond van het onderhavig wetsvoorstel. Nu zouden zij natuurlijk niets liever willen dan dat dat recht er wel komt. Daarom hebben de leden ook gepleit om de huidige begrotingsgefinancierde jeugdzorg ook op te nemen in de AWBZ, eventueel later omgezet in de basisverzekering. De regering heeft dat tot nu toe afgewezen en toegelicht dat een recht op jeugdzorg ook met de huidige financieringssystematiek mogelijk is. Het voorliggende wetsvoorstel geeft inzicht in de wijze waarop dit volgens de regering zou kunnen. De aanspraak op jeugdzorg heeft de cliënt namens jegens de provincie. Indien de provincie niet in staat is binnen die redelijke termijn de zorg te leveren heeft de rechthebbende de mogelijkheid de provincie voor de rechter te dagen. Dit geldt ook voor de minister van Justitie als het gaat om een justitiële jeugdinrichting. Deze leden hebben er behoefte aan een nadere juridische onderbouwing te krijgen of het daadwerkelijk mogelijk is dat een individuele cliënt dit recht van een provincie of landelijke overheid kan afdwingen. Ook willen zij duidelijk hebben welke stappen de overheid moet nemen om dan alsnog aan dat wettelijk recht tegemoet te komen. Is over dergelijke vragen advies ingewonnen, bijvoorbeeld bij de landsadvocaat? Indien dit het geval is, willen de leden graag de uitkomsten van dit advies ontvangen. Indien niet gebeurd is willen zij er nadrukkelijk op aandringen dat dit alsnog gebeurt en de leden van de uitkomst van dit advies op de hoogte worden gebracht. Is de regering hiertoe bereid?

Overigens zijn deze leden met de Raad van State van mening dat pas echt helder kan worden of een dergelijke aanspraak op jeugdzorg mogelijk is, indien duidelijk is hoe de functionele aanspraken eruit zien. Tot teleurstelling van de leden van de D66-fractie is de regering, in de vier jaar dat ze met voorliggend wetsvoorstel zijn bezig geweest, er niet in geslaagd die functionele aanspraken te formuleren. Dit terwijl eind 2000 het advies over de zorgprogrammering klaar was en dit in ogen van de leden heel goed gebruikt kan worden om die aanspraken te formuleren. Er is, lijkt hen, geen enkele reden om eerst de functionele aanspraken in de AWBZ af te wachten, die overigens – naar zij hebben begrepen van de staatssecretaris van volksgezondheid, welzijn en sport in een onlangs gehouden debat over de modernisering van de AWBZ – grotendeels klaar zijn.

Gevolg van deze trage werkwijze is dat de leden nu geconfronteerd worden met een kernpunt van het wetsvoorstel dat pas in een AmvB geformuleerd wordt. Zij kunnen op die wijze het wetsvoorstel niet goed beoordelen en vragen om zo snel mogelijk de inhoud van de AmvB aan de Tweede Kamer te doen toekomen, zodat deze bij de plenaire afhandeling van dit wetsvoorstel kan worden betrokken. Graag een reactie.

Het tot gelding brengen van een aanspraak

De leden van de D66-fractie begrijpen dat het bureau jeugdzorg een wettelijke taak krijgt om een cliënt bij te staan in het tot gelding brengen van een aanspraak op een bepaalde vorm van jeugdzorg en indien nodig de provincie voor de rechter te dagen. Denkt de regering dat het bureau jeugdzorg een cliënt hierin ten volle zal steunen gezien het feit dat het bureau door diezelfde provincie wordt betaald? De leden zouden ervoor willen pleiten een apart budget hiervoor rechtstreeks beschikbaar te stellen aan de bureaus jeugdzorg om belangenvermenging te voorkomen.

Een vastgelegd recht op jeugdzorg heeft naar de overtuiging van de leden van de fractie van de ChristenUnie tot gevolg dat de overheid nauwgezet volgt of de jeugdzorg waarop aanspraak kan worden gemaakt inderdaad ook wordt gegeven. Deze leden denken daarbij aan het registreren van situaties waarbij de noodzakelijke zorg niet direct of binnen de noodzakelijke tijd beschikbaar is. Is daarvoor een centraal meldpunt «tekorten (jeugd)zorg» wenselijk en nuttig, zo vragen zij.

Voldoende aanbod als gevolg van stelsel

Om vraaggericht te kunnen werken en wettelijk recht op jeugdzorg te kunnen waarmaken is voldoende aanbod nodig, misschien zelfs wel enige overcapaciteit om echt te kunnen kiezen, aldus de leden van de D66-fractie. Vooralsnog kent de jeugdzorg lange wachtlijsten doordat de rijksoverheid kennelijk niet voldoende middelen beschikbaar stelt om aan de vraag te kunnen voldoen. Komt hierin bij de inwerkingtreding van onderhavige wetsvoorstel verandering doordat er geen budgettair kader jeugdzorg meer wordt gesteld? Indien immers een objectieve, onafhankelijke indicatie wordt gesteld en door zorgaanbieders voldaan wordt aan een aantal kwaliteitseisen waaronder ook efficiënt werken – en dat wil de regering middels voorliggende wetsvoorstel bereiken – dan is de huidige kostenbeheersing niet meer nodig, zo denken de leden. Gaat de regering zich hiervoor inzetten?

Wat is overigens de stand van zaken bij de ontwikkeling van de normprijzen?

De provincie heeft de plicht om ervoor te zorgen dat er voldoende aanbod is. Het rijk moet daarvoor voldoende middelen ter beschikking stellen. De leden van de GroenLinks-fractie vragen welke garantie wordt gegeven dat dit ook daadwerkelijk gebeurt. De huidige wachtlijsten, de zware caseload van de gezinsvoogdij geven aan dat die situatie op dit moment nog lang niet zo ver is. Welke garanties biedt de nieuwe wet?

Het Rijk gaat normprijzen voor de verschillende voorzieningen vaststellen. Wat is de stand van zaken op dit moment? Op welke wijze zullen deze worden vastgesteld? Zullen de prijzen per module worden vastgesteld?

Regeling van de aanspraak bij of krachtens algemene maatregel van bestuur

De leden van de fractie van ChristenUnie informeren of de opmerking op bladzijde 14 van de memorie van toelichting dat «de aard, inhoud en omvang van de desbetreffende jeugdzorg wettelijk wordt geregeld» als een vergissing moet worden beschouwd: dat gebeurt immers juist bij AmvB, zoals zowel in deze zelfde alinea als op bladzijde 8 is gesteld?

Hoofdstuk 3. Bureau jeugdzorg

Algemeen

De leden van de PvdA-fractie onderschrijven van harte dat de bureaus jeugdzorg herkenbaar, laagdrempelig en breed toegankelijk moeten zijn voor jeugdigen en/of de ouders. Als een essentiële schakel zullen zij fungeren tussen vraag en aanbod, waarbij samenwerking tussen de bureaus jeugdzorg en algemene (lokale) voorzieningen dringend gewenst is. Deze algemene voorzieningen kunnen worden versterkt door middel van consultatie en deskundigheidsbevordering, zo staat in de memorie van toelichting te lezen. Deze leden onderschrijven deze gedachten maar vragen zich af in hoeverre dit in de praktijk ook kan worden waargemaakt. Mag bijvoorbeeld van de bureaus Jeugdzorg worden gevraagd (dan wel geëist) deel te nemen aan buurtnetwerken die in feite een lokaal dan wel buurtgebonden karakter hebben? Op welke gronden kan feitelijk deelname aan een dergelijk buurtnetwerk worden geweigerd? Dit raakt ook de grenzen van waar de verantwoordelijkheid van de lokale voorzieningen ophoudt en die van de jeugdzorg begint. Aangezien deze grens nog onvoldoende in het wetsvoorstel is uitgewerkt willen deze leden hier graag een reactie op. Deze leden verwijzen hierbij ook naar de passage (aan het eind van paragraaf 3.7) waar als taak van het bureau wordt genoemd het hulp en steun bieden in aanvulling op de zorg van de algemene voorzieningen (in het onderwijs).

Als één van de taken van het bureau jeugdzorg wordt ook de kindertelefoon genoemd die «binnen de door de provincie te stellen grenzen, door de provincie kan worden gesubsidieerd». Welke betekenis heeft deze kan-bepaling voor de diverse bestaande kindertelefoons? Is de kindertelefoon niet juist een uitstekend laagdrempelig instrument dat, waar het functioneert, in stand moet worden gehouden?

De leden van de D66-fractie zijn groot voorstander van het bureau jeugdzorg vanwege de samenhang en samenwerking tussen diverse vormen van jeugdzorg; omdat hiermee een centraal punt is gecreëerd waar alle gegevens samenkomen en omdat het voor ouders en jongeren duidelijk wordt dat ze één telefoonnummer kunnen draaien als ze hulp nodig hebben. Waar deze leden zich echter zorgen om maken is dat de bureaus jeugdzorg een doel op zichzelf zijn geworden in plaats van een middel om vraaggerichte zorg te bieden waarbij de hulpvraag van de jongere centraal staat. Zij zijn nog steeds van mening dat het uiteindelijk gaat om de relatie tussen de cliënt en de hulpverlener en dat zij samen gestructureerd werken aan het zoveel mogelijk oplossen van de problemen. Het bureau jeugdzorg staat dit proces door vergaande bureaucratisering en wachtlijsten bij de toegang nogal eens in de weg en dat betreuren de leden. Zij vragen de bewindslieden of zij dit herkennen, wat zij hieraan doen en of zij de Inspectie willen verzoeken dit punt tot specifiek onderzoeksthema te maken.

De leden hebben steeds veel moeite gehad met de mogelijkheid die het bureau jeugdzorg krijgt om cliënten ambulante hulp te bieden. Afgesproken is nu dat dit slechts mag gelden voor cliënten die met enige adviezen en begeleiding verder geholpen kunnen worden om te voorkomen dat kostbare tijd verloren gaat. Hiermee kunnen de leden leven, mits dit geen rekbaar begrip wordt. Kunnen daarom een aantal concrete voorbeelden worden gegeven van cliënten die hiervoor in aanmerking komen?

Het bureau jeugdzorg vormt de toegang tot de jeugdzorg. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of een schets kan worden gegeven van hoe – via welke ingangen – de cliënt het bureau binnenkomt.

Deze toegang moet laagdrempelig zijn. Op welke wijze zal de laagdrempeligheid tot uitdrukking worden gebracht gezien het voornemen één loket jeugdzorg per provincie in te stellen? Zullen er deelloketten (dependances) komen, en zo ja op welke wijze zal de spreiding daarvan gestalte worden gegeven? Hoe denkt de regering over het voorstel om ook loketten jeugdzorg in bijvoorbeeld scholen in te richten teneinde zo veel mogelijk aan te sluiten bij de dagelijkse leefomgeving, een voornemen dat ook de regering heeft?

Deze leden vragen welke opleidingseisen worden gesteld aan de medewerkers van bureau jeugdzorg en hoe is voorzien in de opleiding van de medewerkers.

De leden van de SP-fractie zijn van mening dat het goed zou zijn indien een jeugdige een vaste begeleider krijgt op het bureau jeugdzorg, een mentor zo men wil casemanager. Dit om te voorkomen dat cliënten de weg kwijt raken en begeleiden in het contact met meerdere organisaties en hulpverleners in een hulpverleningstraject dat vaak langdurig is. Is de regering dit ook van mening en op welke manier gaat zij ervoor zorgen dat er voldoende mentors beschikbaar zijn?

Deze leden vragen hoe kan worden voorkomen dat het bureau jeugdzorg een log orgaan wordt.

Inrichting en positionering van het bureau jeugdzorg

Wanneer het bureau Jeugdzorg een aantal niet-wettelijke taken verricht, waarvoor geen recht bestaat op financiering via de provinciale subsidie zal bijvoorbeeld via de Welzijnswet of de Wet collectieve preventie bekostiging kunnen plaatsvinden. De leden van de PvdA-fractie vragen op welke gronden de provincie, die hiervoor toestemming dient te verlenen, deze zou kunnen weigeren.

De wet zal de provincies mogelijkheden verlenen om te kunnen ingrijpen wanneer een goed functioneren van een bureau jeugdzorg in gevaar komt. De provincie krijgt de bevoegdheid aanwijzigen te geven en in het uiterste geval, om bestuursleden of leden van de raad van toezicht te ontslaan of tijdelijk te voorzien in de leiding van het bureau. Kan nog eens worden onderbouwd waarom en wanneer zo'n dergelijk zwaar ingrijpen noodzakelijk wordt geacht? Zou een welomschreven aanwijzingsbevoegdheid in uiterste gevallen niet voldoende zijn in plaats van het middel van ontslag?

Het bureau jeugdzorg vormt de enige toegang tot de jeugdzorg, aldus de leden van de VVD-fractie. Dit vereist mogelijkheden voor de provincies om te kunnen ingrijpen als het functioneren van het bureau in gevaar komt. De provincie krijgt daartoe de bevoegdheid om aanwijzingen te geven en in het uiterste geval, om bestuursleden of leden van de raad van toezicht te ontslaan, of tijdelijk te voorzien in de leiding van het bureau. (memorie van toelichting, bladzijde 16). Is overwogen op andere wijze aan de vereiste mogelijkheden voor de provincies om te kunnen ingrijpen gestalte te geven?

De leden van de D66-fractie vinden de passage op bladzijde 16 over de onafhankelijke positie van het bureau jeugdzorg ten aanzien van aanbieders onduidelijk en zij vragen hierover dan ook nadere toelichting van de regering. Zij hebben reeds geconstateerd dat het bureau jeugdzorg indicatie en zorgtoewijzing onder één dak heeft en dat dit de verleiding zeer groot maakt om toch weer op aanbod te indiceren. Waarom wordt afgeweken van de systematiek die in de gezondheidszorg is gekozen? Waarom is daarvoor in de plaats gekozen voor ingewikkelde constructies over de inrichting en het bestuur van het bureau en over welke overige taken het bureau wel en niet mag vervullen? Tot op heden hebben de leden daarop geen duidelijk antwoord gekregen wat bij hen vermoedens doet rijzen dat de bewindslieden op dit punt gezwicht zijn voor de druk van de aanbieders in de jeugdzorg om invloed te hebben op de zorgtoewijzing.

Ook zijn deze leden het niet eens met het kennelijke feit dat bureaus jeugdzorg ook activiteiten mogen ontplooien als advisering over opvoedingsvragen, maatschappelijk werk voor jeugdigen, een consultatiebureau voor baby's en peuters of een jeugdinformatiepunt. Dit zijn, zo vinden zij, nu bij uitstek zaken die op lokaal niveau georganiseerd dienen te zijn en waar de gemeente een belangrijke verantwoordelijkheid heeft in het kader van hetzij lokaal gezondheidsbeleid, hetzij lokaal jeugdbeleid en soms ook beiden. Zij vinden dan ook dat dit niet mogelijk moet zijn tenzij een gemeente het bureau jeugdzorg specifiek vraagt deze ta(a)ken op zich te nemen. Niet de provincie moet volgens hen aan het bureau jeugdzorg toestemming verlenen, maar de gemeente. Liever zien deze leden dit echter helemaal niet gebeuren.

Er is gekozen voor een stichtingsvorm. Op welke wijze wordt het bestuur van de stichting gekozen, zo vragen de leden van de D66-fractie. Zijn dit individuen die op persoonlijke titel worden gekozen of afgevaardigden van bijvoorbeeld belangenorganisaties en gemeenten? Is er een verplichting opgenomen om een vertegenwoordiger namens de cliënten in het stichtingsbestuur op te nemen? Dit hoeft volgens de leden niet per se een jongere en/of een cliënt te zijn maar er dient naar hun mening wel iemand in te zitten die zich specifiek voor hun belangen inzet. Graag een toelichting.

Veel is nog onduidelijk op het gebied van de afbakening het zorgaanbod, aldus de leden van de Groenlinks-fractie. Op welke wijze zal het bureau jeugdzorg de grens tussen geïndiceerde en niet-geïndiceerde jeugdzorg hanteren? Met andere woorden: hoe worden de grenzen tussen lokale jeugdzorg en het bureau jeugdzorg getrokken? Hoe wordt de samenwerking tussen bureau jeugdzorg en bijvoorbeeld consultatiebureaus of maatschappelijk werk geregeld? Zal het bureau jeugdzorg opvoedingsondersteuning gaan bieden, en zo neen, wie wel?

Voor wat betreft de vormgeving van de bureaus jeugdzorg herinneren de leden van de fractie van de ChristenUnie eraan dat zij van meet af aan gepleit hebben voor «smal en ondiep»: indicatiestelling, toewijzing en consultatie. Tegen deze achtergrond vragen zij naar een nadere onderbouwing van het voorstel om de bureaus jeugdzorg tevens taken als zorgaanbieder toe te delen. Deze leden zijn het er zeer mee eens dat het bureau jeugdzorg de schakel gaat vormen tussen vraag en aanbod, dat het onafhankelijk van de aanbieders van zorg dient te functioneren en geen aanbieder mag zijn van jeugdzorg waarvoor het zelf de indicatie vaststelt (bladzijde 16), maar zien niet in waarom op deze gezonde uitgangspunten van het nieuwe stelsel uitzonderingen gemaakt zouden moeten worden voor de uitvoering van civiele kinderbeschermingsmaatregelen (voogdij/gezinsvoogdij) en van de jeugdreclassering. Het heeft deze leden bevreemd dat deze opmerkelijke afwijking van het voorgestelde stelsel in de toelichting niet wordt toegelicht. Kan worden verduidelijkt hoe de uitvoering van deze taken past bij wat als de essentie van de bureaus jeugdzorg wordt gezien, te weten het bieden van toegang tot de jeugdzorg in brede zin? Beschouwt de regering de uitvoering van civiele kinderbeschermingsmaatregelen (voogdij/gezinsvoogdij) en van de jeugdreclassering inderdaad louter als casemanagement? En is er ten aanzien van deze vormen van jeugdzorg voor de zorgvrager sprake van«verplichte winkelnering» op grond van het indicatiebesluit? Kan op dit punt worden meegedeeld welke de opvattingen zijn van de betrokken instellingen en hun organisaties (bijvoorbeeld Vedivo) en hoe hun opvattingen en adviezen in het wetsvoorstel zijn verwerkt?

Overigens willen de leden van de fractie van de ChristenUnie nog opmerken dat naar hun oordeel wisselingen in de (voorlopige) voogdij zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. De reden tot wisseling kan heel divers zijn: verhuizing (net) over de provinciegrens, overplaatsing naar een ander opvangcentrum van het centraal Opvang Orgaan opvang Asielzoekers (COA: bij minderjarige vreemdelingen); noodzaak tot specifieke deskundigheid bij de voogdij (bijvoorbeeld bij verstandelijk gehandicapten) of noodzaak tot de aanwezigheid van specifieke deskundigheid bij de voogd met betrekking tot de culturele en levensbeschouwelijke achtergrond van het gezin. Kan worden toegelicht welke voorzieningen en garanties in de wet zijn ingebouwd dat in een vroeg stadium in het intake- en hulpverleningsproces de juiste/gewenste persoon de noodzakelijke hulp verleent?

De leden van de SGP-fractie constateren dat in voorliggend wetsvoorstel formeel geregeld wordt, dat de indicatiestelling voor alle vormen van jeugdzorg via de bureaus dienen te lopen. Deze leden delen het standpunt van de regering dat daarmee de laagdrempeligheid en zichtbaarheid van de toegang tot de jeugdzorg wordt vergroot. Om in het eigen werkgebied een optimale en lokale spreiding te kunnen realiseren zal het voor elk bureau jeugdzorg mogelijk zijn om met een aantal gedeconcentreerde loketten te kunnen gaan werken. De aan het woord zijnde leden stellen zich op het standpunt dat genoemde deconcentratie niet alleen geografisch, maar ook functioneel van aard behoort te zijn. Deze leden vragen een uitvoerige reactie van de regering. Tevens vragen zij de regering nader in te gaan op de mogelijkheid om ten behoeve van levensbeschouwelijke zorgvragers tot de inrichting van een dergelijk eigen gedeconcentreerd functioneel loket te komen.

De leden van de SGP-fractie stellen in dit verband de Toegang tot de Gereformeerde Jeugdzorg (TGJ) aan de orde. Dit initiatief van de gereformeerde GGZ-instelling Eleos, Stichting Gereformeerd Jeugdwelzijn (SGJ) en stichting De Vluchtheuvel, dat sinds vorig jaar functioneert, heeft reeds in zeer korte tijd geleid tot een substantiële toename van het aantal hulpvragen. Deze leden vragen een reactie van de regering op dit initiatief. Zij vragen de regering tevens aan te geven, op welke wijze deze herkenbare en laagdrempelige toegang, die aan een reële behoefte voldoet, binnen de reikwijdte van voorliggend wetsvoorstel past.

De leden van de SGP-fractie vinden het van essentieel belang, dat niet alleen de toegang tot, als ook de positie van de landelijk werkende instellingen voor gereformeerde jeugdzorg deugdelijk wordt geregeld. Zowel Eleos als de SGJ hebben destijds een volledige erkenning gekregen op grond van de aangetoonde vraag naar herkenbare bijbelsgenormeerde zorg. Beide instellingen bieden kwalitatief hoogstaande zorg en hebben een geheel eigen plaats verworven in het brede spectrum van de jeugdzorg. Illustratief is wel het pleidooi van Vedivo om de Stichting Gereformeerd Jeugdwelzijn (SGJ), naast het Joods Maatschappelijk Werk, vanwege hun specifieke achtergrond en de daaraan verbonden keuze voor een specifieke doelgroep, zijn landelijke positie te doen blijven behouden. Mede vanwege de reden van hun bestaansrecht, ligt er naar de mening van deze leden voor de regering een inspanningsverplichting om de positie van genoemde instellingen met een landelijk opnamebeleid adequaat te regelen. Zij vragen de regering hier nader op in te gaan.

De leden van de SGP-fractie constateren dat, in tegenstelling tot de AWBZ bij de jeugdzorg zowel de indicatiestelling als de zorgtoewijzing bij een zelfde instantie – het bureau jeugdzorg – zijn ondergebracht. Bij de AWBZ gold als argument voor een strikte scheiding van indicatiestelling en zorgtoewijzing, dat dit de objectiviteit en onafhankelijkheid ten goede zou komen. Zij vragen de regering nader te beargumenteren waarom er in de jeugdzorg niet voor een dergelijke waterscheiding is gekozen.

De indicatiestelling door het bureau jeugdzorg

Het bureau jeugdzorg stelt de indicatie voor de geïndiceerde jeugdzorg. De leden van de GroenLinks-fractie vragen op welke wijze de afstemming van de indicatie met de RIO's zal plaatsvinden op het gebied van de jeugd-GGZ en de verstandelijk gehandicaptenzorg? Is er sprake van een mandaat van het RIO voor de bureaus jeugdzorg? Anders dan in de gezondheidszorg is gekozen voor het samenvoegen van indicatie en toegang tot de zorg in het één bureau. Hoe zal in dit bureau de onafhankelijkheid (niet aanbodgericht) van de indicatiestelling worden gewaarborgd?

Bij de leden van de fractie van de ChristenUnie bestaat onduidelijkheid over het precieze karakter van het indicatiebesluit. Zij constateren dat de indicatiestelling binnen het bureau jeugdzorg enerzijds direct gerelateerd is aan de toegang tot de jeugdzorg en als zodanig ook betrekking heeft op de jeugdzorg in het kader van de AWBZ en de Bjj (zie bijv. art. 5 lid 4 juncto lid 2), terwijl er anderzijds ook een relatie wordt gelegd tussen het indicatiebesluit en de aanspraak op zorg krachtens deze wet (bladzijde 17), een aanspraak die niet mag worden ingeperkt omdat de geïndiceerde jeugdzorg misschien niet voorhanden is. Nu in het wetsvoorstel het «recht op jeugdzorg» is geclausuleerd, te weten beperkt is tot jeugdzorg waarop geen aanspraak ingevolge de AWBZ of de Bjj bestaat, is het relevant om te weten of het indicatiebesluit een garantie voor het recht op jeugdzorg is (en dus in zijn werking beperkt tot het bereik van dat recht) dan wel een «bewijs van toegang» tot de jeugdzorg in brede zin.

Naar de mening van de leden van de fractie van de ChristenUnie is de indicatiestelling in de jeugdzorg- anders dan bijvoorbeeld in de sectoren verzorging en gehandicaptenzorg in de AWBZ – een veel meer dynamisch gebeuren, in die zin dat vaak gaandeweg meer zicht wordt gekregen op de problemen die zich in een (gezins)situatie voordoen. Zij vragen of de regering deze mening deelt en of het om die reden ook van belang wordt gedacht dat die dynamiek ook aanwezig is in de werkwijze van de bureaus jeugdzorg. Een concrete vraag in dit verband is hoe gehandeld moet worden door een zorgverlener indien het indicatiebesluit uitgebreid of omgebogen moet worden. Betekent dit dan dat de zorgvrager hiervoor opnieuw gesprekken dient te voeren op het bureau jeugdzorg of kan dit bijvoorbeeld elektronisch-administratief tussen zorgverlener en bureau jeugdzorg worden afgehandeld?

Het tweede lid van artikel 5 noemt drie vormen van jeugdzorg, die niet inhoudelijk worden onderscheiden, maar alleen op grond van hun financieringsvorm. In de praktijk gaat het niet om de financiering van de zorg maar om de aard van de zorg (de module) en het gewenste resultaat. In verschillende situaties kan een ander indicatietraject efficiënter en effectiever zijn dan via het bureau jeugdzorg; te denken valt aan zorg aan verstandelijk gehandicapten (via het RIO) of zorg aan cliënten waarbij ook somatische aspecten een rol spelen (via huisartsen of medisch specialisten). Voor deze categorieën cliënten dient er geen «omweg» nodig te zijn om de gewenste zorg te kunnen ontvangen. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen concreet of het binnen het voorgestelde wettelijk kader mogelijk is dat bijvoorbeeld een kind waarvan de diagnose ADHD zeer waarschijnlijk is, door een huisarts rechtstreeks wordt verwezen naar een kinderpsychiater.

Tenslotte op dit punt geven de leden van de fractie van de ChristenUnie als hun mening te kennen dat bepaalde vormen van laagdrempelige jeugdzorg buiten het bureau jeugdzorg om moeten kunnen blijven lopen. Hierbij denken zij o.a. aan het functioneren van zorgteams op scholen, waarin bijvoorbeeld ook pedagogen van schoolbegeleidingsdiensten zitting hebben en aan telefonische advisering. Voor (andere) vormen van lokaal jeugdwerk geldt waarschijnlijk een soortgelijke argumentatie. De zorg is in een aantal gevallen van dien aard (bijvoorbeeld enkele gesprekken met een leerling die gepest wordt; een enkel telefoongesprek) dat dit niet zinvol is deze zorg te laten verlopen op indicatie van een bureau jeugdzorg. De financiering van deze zorg dient bovendien gewaarborgd te zijn. Het is deze leden niet duidelijk in hoeverre artikel 6, derde lid, deze vormen van zorg exclusief legt bij de bureaus jeugdzorg zowel wat uitvoering als financiering betreft. Graag krijgen zij op dit punt een verheldering.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering gedacht heeft aan de mogelijkheden van «bezwaar maken» of second opinion bij een beslissing van een bureau jeugdzorg (indicatiestelling). Zou dit ook niet passen bij vraagsturing. Immers de cliënt is dan beter geëquipeerd om en tegenwicht te bieden tegen professionele deskundigheid en zou kunnen leiden tot vergemakkelijking van de acceptatie van de voorgestelde jeugdzorg.

Wettelijke taken van bureau jeugdzorg na de indicatiestelling

Een belangrijk onderdeel van het wetsvoorstel is de beschikbaarheid van casemanagers bij het bureau jeugdzorg. Ter wille van de cliënten, die soms «verdwaald» kunnen raken in het bos van zorgaanbieders, kan een casemanager hen de helpende hand bieden bij het zoeken naar een adequate hulpverlening. De leden van de PvdA-fractie vragen naar de waarborgen die er zijn omtrent een voldoende aantal casemanagers bij de bureaus jeugdzorg.

Vraaggericht werken gebeurt tevens door het verplicht stellen van een vertrouwenspersoon bij het bureau jeugdzorg en door het verplicht stellen van een samenhangend hulpverleningsplan. De casemanager wordt volledig geïntegreerd in het bureau jeugdzorg (artikel 6). De leden van de VVD-fractie vragen of is verwogen het casemanagement onafhankelijk van Bureau Jeugdzorg te plaatsen. Zo neen, waarom is hiervoor niet gekozen?

Op bladzijde 6 van het voorstel van wet en op bladzijde 18 en 59 van de memorie van toelichting staat dat het bureau jeugdzorg een taak krijgt in het bevorderen van de totstandkoming van een hulpverleningsplan van de zorgaanbieder(s), hetgeen afgeleid dient te zijn van het indicatiebesluit. De leden van de CDA-fractie vragen over welke concrete instrumenten het bureau jeugdzorg daartoe beschikt.

Deze leden wensen duidelijkheid over de vraag wie nu direct verantwoordelijk is voor afsluiting van contracten voor de inkoop van jeugdzorg.

Hoewel de bureaus jeugdzorg al enige tijd bestaan, hebben de leden van de D66-fractie niet het beeld dat reeds invulling is gegeven aan het begrip casemanagement. Klopt het dat jongeren met een indicatie meestal geen casemanager krijgen toegewezen die hen, gedurende het hulpverleningstraject en eventueel nog even daarna, begeleidt? Indien dit juist is, wat is de reden dat dit niet tot stand komt? Kan de regering toelichten wat het verschil is/wordt tussen de casemanager en de huidige gezinsvoogd en jeugdreclassering? Is het niet effectiever om deze functies ineen te laten vloeien in plaats van voor – in hun ogen – redelijk kunstmatige afgrendeling te kiezen?

Waarom is op dit punt gekozen voor de mogelijkheid van een AmvB?

Wat wordt bedoeld met het woord «bevordert» in de zinsnede op bladzijde 18: «het bureau bevordert voorts dat een hulpverleningsplan tot stand komt»? Het hulpverleningsplan dient toch vooral tot stand te komen door gesprekken tussen hulpverlener, cliënt, ouders/opvoeders en, indien gewenst, casemanager? De leden vinden dat de rol van het bureau jeugdzorg hier verder even dient te zijn uitgespeeld om vermenging van taken en belangen te voorkomen. Onderschrijven de bewindslieden dit standpunt?

De leden van de D66-fractie zouden ervoor willen pleiten om een casemanager aan te stellen die onafhankelijk en geen onderdeel is van het bureau jeugdzorg. Veel jongeren in de jeugdhulpverlening geven aan dit belangrijk te vinden. Dit kan natuurlijk wel de huidige gezinsvoogdij of mensen van jeugdreclassering zijn, maar deze zijn niet in dienst van de bureaus jeugdzorg. Aangezien casemanagement niet echt meer als artikel in voorliggend wetsvoorstel wordt opgevoerd, vinden de leden dat hierover meer helderheid moet komen. Graag een reactie.

Het bureau jeugdzorg heeft tot taak de cliënt te ondersteunen bij de verwezenlijking van zijn recht op zorg. In eerdere overleggen is veel gesproken over het casemanagement. De leden van de fractie van GroenLinks hebben zich altijd voorstander getoond van een casemanager of mentor die iedere cliënt van zijn binnentreden van het bureau jeugdzorg tot aan het eind van zijn zorgtraject ondersteunt en ervoor zorgdraagt dat er een passend zorgaanbod is voor de cliënt Moeten deze leden de tekst over ondersteuning die het bureau jeugdzorg bij het verwezenlijken van het zorgaanbod biedt op deze wijze interpreteren?

Uit het wetsvoorstel en de toelichting daarop wordt het de leden van de fractie van de ChristenUnie nog niet duidelijk wat de precieze rol is of zou moeten zijn van de casemanager. Zij begrijpen dat deze functionaris taken vervult die na het moment van indicatiestelling liggen en derhalve in het «schakelen» tussen vraag en het (geïndiceerde) aanbod. Zeker nu ervan is afgezien om naast het indicatiebesluit in de wet ook een zorgtoewijzingsbesluit te regelen, heeft de zorgvrager – als deze leden het goed zien – niet alleen het recht, maar ook de vrijheid om de in het indicatiebesluit aangegeven zorg te «halen» bij het beschikbare aanbod. Welke rol speelt de casemanager hier precies in en welke vrijheid heeft de zorgvrager om al dan niet van zijn diensten gebruik te maken?

Is er een aangetoonde behoefte van een dergelijke functionaris? Is volledige onafhankelijkheid van de casemanager ten opzichte van het bureau jeugdzorg en/of de zorgaanbieder wenselijk, mogelijk en/of noodzakelijk? Is de functie van vertrouwenspersoon te combineren met de functie van casemanager? Behoren ook de taken zoals verwoord in artikel 6, eerste lid, sub f, sub g en sub h, tot (of juist tot) het aandachtsgebied van de casemanager?

Teneinde zich een goed beeld te kunnen vormen van de toekomstige werkwijze van de bureaus jeugdzorg zouden de leden van de fractie van de ChristenUnie het op prijs stellen een zo compleet mogelijke schets van de rol en functie van de casemanager te krijgen.

De leden van de SGP-fractie brengen de rol van het casemanagement binnen het bureau jeugdzorg ter sprake. Daarbij fungeert een zogenoemde casemanager gedurende de toegang en tijdens de zorgverlening als vast aanspreekpunt voor de cliënt en zijn ouders. Deze leden constateren dat in voorliggend wetsvoorstel, evenals in het beleidskader het geval was, de functie van het casemanagement nog onvoldoende wordt uitgewerkt. Zij verzoeken de regering dit alsnog te doen en vragen tevens naar een onderbouwing van de noodzaak van c.q. de bestaande behoefte aan deze functie.

De aan het woord zijnde leden vragen of nader kan worden uitgewerkt onder welke voorwaarden de casemanager de coördinatie kan overdragen aan een functionaris van de zorgaanbieder.

De leden van de SGP-fractie refereren aan hun eerder gemaakte opmerking, dat de begeleiding van en zorgverlening aan jeugdigen dient plaats te vinden binnen de context van het bij de opvoeding gehanteerde normen- en waardenpatroon. Dit dient naar de mening van deze leden ook te gelden voor het casemanagement. Het is voor het welslagen van het gehele traject immers van essentieel belang, dat mentor – de casemanager – en cliënt elkaar in elk opzicht verstaan. De aan het woord zijnde leden kunnen zich daarom dan ook levendig voorstellen wanneer een zorgvrager vanwege zijn specifieke levensbeschouwing reeds in de toegangsfase er de voorkeur geeft aan een casemanager van buiten het bureau jeugdzorg aan te trekken. Deze leden refereren in dit verband aan de toezeggingen van de regering naar aanleiding van de motie Van der Vlies c.s. (26 816, nr. 22). Zij vragen de regering naar een nadere toelichting op dit punt.

Uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering en tenuitvoerlegging jeugdstraffen

Een belangrijk element in de nieuwe wet is de integratie van de jeugdbescherming. Volgens de MO-groep (maatschappelijke ondernemers-groep) is hiervoor meer inzet nodig, ook financieel, om de kwaliteit van de gezinsvoogdij te verbeteren. Ook constateert de MO-groep dat het toezicht op de jeugdbescherming een versnipperd en onhelder geheel kan worden, vanwege de verschillende verantwoordelijkheden en rollen van het Ministerie van Justitie, de provincie en de Raad voor de Kinderbescherming. De leden van de PvdA-fractie willen hier graag een reactie van de regering op. Deelt de regering de conclusie dat er ter (verdere) verlaging van de caseload van gezinsvoogden meer middelen nodig zijn dan de € 28 die nu hiervoor beschikbaar zijn? Zou het niet wenselijk zijn om de jeugdbescherming in dit opzicht van meet af aan goed toe te rusten zodat de kwaliteit van deze zorg voldoende is gewaarborgd?

Ambulante hulpverlening door het bureau jeugdzorg

De leden van de VVD-fractie stemmen ermee in dat licht-ambulante hulp een plaats binnen bureau jeugdzorg krijgt. De licht-ambulante jeugdzorg valt echter niet onder het recht op jeugdzorg. In artikel 18 van het VN Verdrag inzake de Rechten van het Kind is onder andere bepaald dat ouders recht hebben op opvoedingsondersteuning. In het wetsvoorstel is een recht op jeugdzorg geïntroduceerd voor cliënten. De voorgestelde omschrijving van het begrip jeugdzorg is breed. Elke vorm van ondersteuning van en hulp aan jeugdigen, hun ouders, stiefouders of pleegouders bij opgroei- of opvoedingsproblemen of dreigende problemen op dat terrein valt onder het begrip jeugdzorg. Hoe past de wijze waarop het begrip in de wet een rol speelt (breed als het gaat om de onderlinge afstemming binnen de jeugdzorg, iets smaller als het gaat om de toegang en nog smaller als het gaat om aanspraken op jeugdzorg ingevolge het wetsvoorstel) in het VN verdrag? Het blijft de leden van de VVD-fractie in het wetsvoorstel onduidelijk waarom het formuleren van een recht op jeugdzorg noodzakelijk is om aan de afspraken in het regeerakkoord en aan het VN-verdrag te kunnen voldoen. Kan hierin duidelijkheid worden verschaft?

Kan worden toegelicht waar de prikkel om zo dicht mogelijk bij huis, zo snel mogelijk en zo licht mogelijk hulp te verlenen in de wet staat?

Uit de tekst op bladzijde 6 van het voorstel van wet en op bladzijden 20 en 60 van de memorie van toelichting blijkt dat de bureaus jeugdzorg kortdurende ambulante jeugdzorg op lokaal niveau zelf mogen uitvoeren. De leden van de CDA-fractie vragen of enkel vanuit het oogpunt van klantvriendelijkheid voor deze uitzondering in het wetsvoorstel is gekozen. Wat is de reikwijdte van deze ambulante jeugdzorg in relatie tot motie Örgü c.s.(Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 26 816 nr.16) waarin als maximumgrens de grens zoals aanbevolen door de Projectgroep Toegang staat?

Het bureau krijgt een beperkte mogelijkheid zelf kortdurende ambulante hulp te gaan verschaffen, conform de wens van de Tweede Kamer. Onduidelijk is hoe dit zal worden uitgewerkt. De leden van de fractie van GroenLinks vragen of er een limiet is aan het aantal gesprekken dat zal mogen worden gevoerd. Wie zal deze gesprekken gaan houden?

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben minder moeite met de in het wetsvoorstel opgenomen beperkte mogelijkheid tot het bieden van ambulante zorg. Zij hebben met tevredenheid geconstateerd dat – in lijn met de eerder gevoerde discussies op dit punt – gekozen is voor een meer inhoudelijke aanduiding en niet voor een bepaald aantal gesprekken.

Advies- en meldpunt kindermishandeling

De toelichting bij de taken van een bureau jeugdzorg als Advies- en meldpunt kindermishandeling (AMK) is in de memorie van toelichting summier. De leden van de VVD-fractie vragen waarom de kern van de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 27 842 ter bevordering van de zelfstandige leesbaarheid niet is toegevoegd aan de memorie van toelichting bij dit voorstel.

De leden van de fractie van de ChristenUnie onderschrijven het belang en de noodzaak van de AMK's Zij steunen de opvatting dat deze onderdeel van de bureaus jeugdzorg dienen te zijn. Wel vragen zij zich ernstig af of het feit dat aan een bureau jeugdzorg een AMK verbonden is, voor sommige cliënten de drempel niet behoorlijk zal verhogen. Daarom hechten zij aan een zorgvuldige inbedding van de AMK's in de bureaus jeugdzorg. In de organisatorische scheiding voorziet artikel 7, derde lid. Biedt dit artikel voldoende mogelijkheden om te bereiken dat ook in de presentatie naar buiten en de fysieke zichtbaarheid voor de cliënt dit onderdeel van het bureau jeugdzorg voldoende gescheiden zal zijn?

Ten aanzien van de relatie tussen de advies- en meldpunten kindermishandeling en de bureaus jeugdzorg merken de leden van de SGP-fractie op, dat het aanbrengen van een organisatorische scheiding niet voldoende is. In bepaalde situaties kan het met name voor de ouders drempelverhogend werken, wanneer er geen sprake zou zijn van een duidelijke fysieke scheiding tussen het AMK en het bureau jeugdzorg. Deze leden vragen welke waarborgen voorliggend wetsvoorstel ten aanzien van de in hun ogen wenselijke fysieke scheiding biedt.

Kwaliteit van het bureau jeugdzorg

Ten aanzien van de kwaliteit van het bureau jeugdzorg merken de leden van de PvdA-fractie op dat het wetsvoorstel regelt dat de stichting ervoor zorgdraagt dat een jeugdige kan terugvallen op een vertrouwenspersoon in aangelegenheden samenhangend met de taakuitoefening door het bureau. Deze leden willen in dit verband weten of deze vertrouwenspersoon een andere zal zijn dan de z.g. cliëntenvertrouwenspersoon. In dat geval zal een andere benaming wellicht de voorkeur verdienen.

Hoofdstuk 4. Het zorgaanbod

Passend en samenhangend zorgaanbod

Van belang bij het toekomstig zorgaanbod zal zijn dat de vraag van de cliënt centraal staat en hij/zij naar tevredenheid zorg krijgt aangeboden, aldus de leden van de PvdA-fractie. Dat betekent een permanente aandacht in het sturen op resultaten die daarop gericht zijn. Een duidelijke positionering van de drie betrokken partijen, te weten de cliënt, het bureau jeugdzorg en de zorgaanbieder is cruciaal. Een en ander zal in het indicatiebesluit tot uiting moeten komen. Maar hierover verkeert de Tweede Kamer nog in het onzekere. De MO-groep suggereert dat een drie-partijencontract een goed instrument kan zijn om dit te bewerkstelligen. Wat vindt de regering van deze suggestie? Zal een dergelijk protocol voldoende waarborgen kunnen bieden om de verduidelijking van de onderscheiden verantwoordelijkheden te bewerkstelligen?

In een later stadium zullen per AmvB de zorgmodulen worden vastgesteld. De VGN wijst erop dat het van groot belang is dat deze jeugdzorgmodulen plus bijbehorende tarieven niet strijdig zullen zijn met de zorgmodulen, zorgproducten en de bijbehorende prijzen die in het kader van de vraaggestuurde bekostigingssystematiek in de gehandicaptenzorg gelden. Kan een reactie worden gegeven hoe hierin wordt voorzien?

De CDA-fractie mist de uitwerking waar de grens tussen geïndiceerde en niet-geïndiceerde zorg getrokken gaat worden en waar de verantwoordelijkheid van de lokale voorzieningen ophoudt en die van het bureau jeugdzorg begint. Op welke wijze wil de regering toezicht houden op het traject «behandelen van lichte zaken» door de bureaus jeugdzorg? De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat behandelen en indiceren twee gescheiden trajecten zijn.

De leden van de D66-fractie stemmen in met het systeem van modules. Zij vragen echter waarom het bureau jeugdzorg in het indicatiebesluit de gewenste samenhang tussen modules moet beschrijven. Om dit te kunnen doen, moet bekend zijn welke modules gebruikt worden en dat betekent dat het indicatiebesluit tegelijkertijd het hulpverleningsplan wordt. Dit kan toch nooit de bedoeling zijn, zo vragen zij.

De instellingen voor jeugdzorg zijn verantwoordelijk voor het aanbieden van een passend zorgaanbod in zogenaamde modules. De leden van de Groenlinks-fractie vragen op welke wijze wordt gegarandeerd dat er voor alle zorgvragen ook zorgmodules voorhanden zijn. Op welke wijze zal de vraag naar nog niet bestaande zorg worden beantwoord?

De zorgaanbieders

Onder zorgaanbieder wordt verstaan een binnen de Europese Economische Ruimte gevestigde rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid. Houdt deze omschrijving in dat ook zorgaanbieders in het buitenland (in en buiten de EG) gefinancierd kunnen worden voor de zorg die zij leveren? Zo ja, dan willen de leden van de PvdA-fractie hier gaarne een toelichting op.

Verwezenlijking van een aanspraak op jeugdzorg is alleen mogelijk indien voldoende voorzieningen voorhanden zijn en voldoende gekwalificeerd personeel beschikbaar is. Het wetsvoorstel kent bovendien geen zorgtoewijzingsbesluit zoals de Projectgroep Toegang dat voorstelt. Het indicatiebesluit geeft een aanspraak die niet ingeperkt mag worden, omdat de geïndiceerde jeugdzorg misschien niet voorhanden is (memorie van toelichting, bladzijde 17). De leden van de VVD-fractie constateren dat bureau jeugdzorg geen stok achter de deur heeft voor een effectieve uitvoering van haar taken op het gebied van zorgtoewijzing. In het wetsvoorstel staat slechts, dat er contact zal zijn tussen medewerkers van bureau jeugdzorg en de hulpverleners binnen de instellingen van de jeugdzorg (memorie van toelichting, bladzijde 24). Wel is in het wetsvoorstel voor zorgaanbieders de plicht opgenomen tot levering van jeugdzorg (acceptatieplicht). Deze houdt in dat een zorgaanbieder, behoudens situaties van overmacht, zorg moet verlenen aan iedere cliënt die zich met een indicatie die strekt tot zorg waarvoor de zorgaanbieder subsidie ontvangt, bij de zorgaanbieder meldt. Alleen als alle gesubsidieerde capaciteit al benut is, kan een zorgaanbieder een cliënt weigeren (memorie van toelichting, bladzijde 24). De leden van de VVD-fractie vragen wat er gebeurt wanneer dit het geval blijkt te zijn. In de memorie van toelichting wordt niet beredeneerd waarom niet is besloten de zorgtoewijzing te regelen op de wijze zoals adequaat voorgesteld door de Projectgroep Toegang. Kan dit alsnog worden toegelicht?

Verder kunnen provincies ingrijpen en onderhandelen met de aanbieders wanneer een en ander misloopt of dreigt te lopen. Het is onduidelijk hoe voorkomen kan worden dat een moeilijk plaatsbare cliënt geweigerd wordt door een zorgaanbieder. Kan hierover duidelijkheid worden verschaft?

Ten aanzien van de zorgaanbieder(s), zoals genoemd op bladzijde 9 e.v. van het voorstel van wet en bladzijde 23 en 24 van de memorie van toelichting vragen de leden van de CDA-fractie of met het positioneren daarvan als een binnen de Europese Economische Ruimte gevestigde rechtspersoon het mogelijk wordt dat de aanspraak op jeugdzorg invulling wordt gegeven middels zorgaanbieders die wel capaciteit hebben maar (nog) geen onderdeel uitmaken van de door de desbetreffende provincie gesubsiëerde zorgaanbieder(s). Of wordt dat, zoals af te leiden zou kunnen zijn uit bladzijde 3 e.v. van het voorstel van wet en de bladzijdes 12 en 50 e.v. van de memorie van toelichting, gelaten aan toekomstige jurisprudentie? En hoe verhoudt zich dit tot het advies van de Raad van State – bladzijde 3 advies raad van state en nader rapport –, inzake het binnen redelijke termijn ontvangen van jeugdzorg gezien de bestaande jurisprudentie op dit punt?

Graag zouden de leden van de CDA-fractie ook vernemen hoe invoering van dit wetsvoorstel budgettair neutraal zou kunnen worden ingevoerd, als – afgeleid uit onder meer bladzijde 12 van de memorie van toelichting – op voorhand de realiseerbaarheid van de aanspraken op jeugdzorg niet aangegeven kan worden.

De leden van de D66-fractie zijn zeer blij dat in onderhavige wetsvoorstel het begrip «acceptatieplicht» is opgenomen. Alleen als alle gesubsidieerde capaciteit al is benut, kan een zorgaanbieder een cliënt weigeren. Er moet dus naar gestreefd worden dat nooit alle capaciteit van een bepaalde hulpverleningsvorm is benut. Dit kan door de capaciteit bij bestaande aanbieders uit te breiden maar ook door nieuwe aanbieders toe te laten. Deelt de regering deze mening, hebben zich al gegadigden gemeld en zo ja, worden zij toegelaten als ze aan de kwaliteitswet zorginstellingen voldoen of zijn er nog extra eisen gesteld?

Deze leden vinden het jammer dat een cliënt zijn aanspraak slechts tot gelding kan brengen bij een zorgaanbieder die door de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft, wordt gesubsidieerd. Zou het geen goede zaak zijn om cliënten ook de mogelijkheid te bieden voor een aanbieder in een andere provincie te kiezen. Dit werkt op termijn enige concurrentie op kwaliteit en efficiëntie in de hand wat zij als positief kwalificeren. Wil de regering dit model alsnog in overweging nemen?

Volgens GGZ Nederland is in het convenant tussen partijen geregeld dat het bureau jeugdzorg GGZ-deskundigheid zal inkopen tot 2003. De leden van de GroenLinks-fractie vragen op welke wijze de inkoop van deze expertise na dit tijdstip zal worden gewaarborgd.

Pleegzorg

Inzake de pleegzorg wordt niet al te veel in de wet geregeld. Is met de aanspraak op jeugdzorg (na indicatie) ook het recht op intensieve thuishulp gewaarborgd, zo willen de leden van de PvdA-fractie weten. En hoe staat het met de facilitering van pleegouders en hun begeleiders? Wat vindt de regering van de suggestie om in de wet een verplichting op te nemen om kinderen alleen in internaten op te vangen als het echt niet anders kan, en als aangetoond kan worden dat het uiterste is gedaan om zo'n bestaan in een leefgroep te voorkomen? Acht de regering in dit verband de uitkomsten van het Trilliumproject voldoende vervat in de nieuwe wet? Deze leden vragen ook naar het maximaal op te nemen pleegkinderen binnen één pleeggezin, gezien het feit dat dit de laatste jaren nogal eens discussie heeft opgeroepen.

Kwaliteit van het aanbod

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of kan worden toegelicht waarom niet is gekozen voor het onderbrengen van het personeel in de jeugdzorg onder de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG).

Administratieve lasten voor zorgaanbieders

De leden van de D66-fractie vinden het een goede zaak dat wordt getoetst of en zo ja, in hoeverre een wetsvoorstel een verandering in de administratieve lasten met zich meebrengt. Zij hebben echter geen idee hoe zij de uitkomst moeten wegen. Wat betekent namelijk: «de uitkomsten van de analyse wijzen in de richting van een vermindering van de administratieve lasten»? Is de uitkomst zo vaag omdat de kwantitatieve analyse nog niet heeft plaatsgevonden en er dus nog geen definitief oordeel geveld kan worden? Zij merken op dat als dit het geval is, dit des te meer reden is om zo snel mogelijk tot invulling van de AmvB's te komen. Kan de Tweede Kamer de uitkomsten van het kwantitatieve onderzoek krijgen?

Hoofdstuk 5. Planning

Planning door de provincie

De leden van de D66-fractie delen de mening van de Raad van State dat in het onderhavige wetsvoorstel het instrument van planning door de provinciebesturen zwaar is aangezet. Provinciebesturen dienen eenmaal in de vier jaar een provinciaal beleidskader jeugdzorg vast te stellen en jaarlijks een uitvoeringsprogramma. In het kader van de financiering zullen provinciebesturen met zeer velen moeten overleggen. Dit alles brengt ongetwijfeld extra kosten met zich mee. Als antwoord hierop heeft de regering toegelicht dat in januari 2002 met het IPO wordt afgesproken hoe tot vaststelling van de eventuele financiële gevolgen gekomen wordt en hoe de besluitvorming hierover zal plaatsvinden. De leden krijgen graag inzicht in de uitkomsten van dit overleg en het tijdpad dat daarbij is vastgelegd.

Samenhang binnen de jeugdzorg

– Provincies en gemeenten

In het onderhavige wetsvoorstel worden de taken en verantwoordelijkheden van gemeenten niet vastgelegd. Als argument wordt, zo maken de leden van de D66-fractie op uit de tekst op bladzijde 30, aangedragen dat hierover in Jeugdbeleid in Ba(l)ans al afspraken zijn gemaakt. De uitvoering daarvan verschilt echter sterk van provincie tot provincie en van gemeente tot gemeente. De leden van de D66-fractie zouden toch graag zien dat deze afspraken wettelijk worden verankerd. Zij hebben daar ook meermalen op aangedrongen in eerdere debatten. Wat is de reden dat de regering hier niet voor heeft gekozen?

De leden van de SP-fractie merken op dat nog niet duidelijk is waar de grens ligt tussen geïndiceerde en niet-geïndiceerde zorg, tussen jeugdzorg en lokaal jeugdbeleid. Het wetsvoorstel gaat er van uit dat voorkomen moet worden dat jeugdigen onterecht een beroep doen op door het bureau jeugdzorg aangeboden zorg waar niet-geïndiceerde, lokaal gefinancierde zorg meer op zijn plaats is. Is de huidige praktijk juist niet dat lokale voorzieningen doorgaans proberen een jeugdige zo lang mogelijk te ondersteunen en begeleiden, al is het maar omdat gezien de wachtlijsten in de jeugdzorg doorverwijzen weinig soelaas biedt?

De provincies moeten bij het opstellen van het provinciaal beleidskader met de gemeenten in overleg treden om te komen tot meerjarenafspraken over de inzet van het bureau jeugdzorg ter versterking van de algemene voorzieningen van voor de jeugd en over de door het bureau uit te voeren ambulante jeugdzorg. Wat moet er gebeuren in regio's waar dit overleg in een impasse is geraakt?

Een van de taken van het bureau jeugdzorg is het bieden van consultatie aan, het bijdragen aan de deskundigheidsbevordering van en het onderhouden van contacten met algemene voorzieningen voor jeugdigen ter versterking van de algemene voorzieningen en ter bevordering van vroegtijdige signalering van problemen die bij jeugdigen tot jeugdzorg zouden kunnen leiden. Dit kan een belangrijk instrument zijn om de inzet in de jeugdzorg te verleggen van curatie naar preventie. Zal de doeluitkering voldoende ruimte voor deze taak bieden, zo vragen deze leden. En als het bureau de bedoelde deskundigheid niet in huis heeft kunnen lokale voorzieningen dan een beroep doen op achterliggende voorzieningen?

– Provincies en zorgverzekeraars

Bij de bepaling van het provinciaal beleidskader is nauw overleg nodig tussen provincie en zorgverzekeraars, gericht op overeenstemming. De leden van de PvdA-fractie willen in dit verband weten wat te doen wanneer deze overeenstemming tussen provincie en zorgverzekeraar niet wordt bereikt, dus wanneer er verschil van mening blijkt over de voorgestelde aanpak. Is dan de provincie die aan het langste eind trekt en wiens beslissing de doorslag geeft?

De leden van de D66-fractie delen de mening dat provincies en zorgverzekeraars nauw moeten overleggen om een samenhangend aanbod te kunnen bieden. Is het de regering bekend dat Zorgverzekeraars Nederland in dit kader ervoor pleit om het begrotingsgefinancierde deel van de jeugdhulpverlening ook onder te brengen in de nieuwe basisverzekering met als argument dat juist dat kan zorgen voor de zo noodzakelijke samenhang? Ondersteunt de regering deze zienswijze?

De rijksoverheid

Goedkeuring provinciaal beleidskader jeugdzorg en uitvoeringsprogramma's

De leden van de D66-fractie vragen of de bewindslieden de zinsnede kunnen toelichten dat: «invloed van het Rijk op de provinciale plannen nodig is om een stelsel te garanderen dat doelmatig en doeltreffend functioneert». Wordt deze doelmatigheid en doeltreffendheid niet gegarandeerd door de indicatiestelling, kwaliteitseisen en onafhankelijk toezicht? En zo neen, waarin verschilt de jeugdzorg dan van de gezondheidszorg waarin de planning van de regio's niet ter goedkeuring aan de landelijke overheid hoeft te worden voorgelegd. Betekent dit dat de regering vermoedt dat zorgverzekeraars beter op het geld letten dan provincies?

Hoofdstuk 6. Financiering

Algemene uitgangspunten

De regering constateert in de memorie van toelichting dat er geen reden is om aan te nemen dat het wettelijke regime met daarin het creëren van een recht op jeugdzorg, zoals neergelegd in dit wetsvoorstel zal leiden tot een groter beroep op de jeugdzorg. Het beroep op zorg zal in het nieuwe stelsel wel beter zichtbaar worden. Hierdoor komt een betere aansluiting tussen vraag en aanbod tot stand (memorie van toelichting, bladzijde 33). Is er geen sprake van aanzuigende werking? De leden van de VVD-fractie vragen op basis van welke gegevens tot deze conclusie is gekomen.

De Raad van State betwijfelt of de financiering wel kan worden losgekoppeld van de inhoud en meent dat hierover een fundamenteel standpunt moet worden ingenomen. De regering is de mening toegedaan dat het ontbreken van één financieringsstructuur voor de jeugdzorg niet in de weg staat aan het verschaffen van jeugdzorg aan iedere jeugdige die daaraan behoefte heeft. Er wordt volstaan met de opmerking dat met betrekking tot de gehele jeugdzorg, met uitzondering van onder andere de jeugdzorg waarop de Welzijnswet 1994 en de Wet collectieve preventie volksgezondheid van toepassing is, sprake is van een wettelijke aanspraak (memorie van toelichting, bladzijde 33). De leden van de VVD-fractie juichen de aandacht van de regering voor de vraagkant toe, maar zien hier graag ook aandacht voor de aanbodkant: een klantgerichte jeugdzorg is alleen mogelijk wanneer ook het aanbod op orde is. Deze leden stellen vraagtekens bij de verschillen in financiering en aansturing van het zorgaanbod. Een eenduidige zorgaanbod is van groot belang in de jeugdzorg. Het sector-denken belemmert de modularisering van het zorgaanbod en het ontwikkelen van samenhangende zorgprogramma's, terwijl dit de kern van het vraaggericht werken is. De leden van de VVD-fractie vragen, gezien de afspraak in het regeerakkoord om de jeugdzorg middels één financierder te organiseren, waarom de regering niet met duidelijke voorstellen komt hieromtrent. Kan daarnaast worden toegelicht hoe het ondernemerschap van de instellingen binnen dit wetsvoorstel kan worden bevorderd?

De regering kiest voor een harmonisatie van de geldstromen. Deze leden kunnen zich wel wat voorstellen bij een harmonisatiegedachte, maar vragen wel wanneer deze harmonisatie is afgerond.

Voor aanbieders met verschillende financiers is het vaak moeilijk om voor de cliënt een samenhangend aanbod te creëren. De aanbieders moeten een coördinator aanwijzen als er meerdere aanbieders zijn betrokken. Je hebt dus verschillende aanbieders, die beter moeten samenwerken. Vraag blijft echter wie er bevoegd is knopen door te hakken? Wat is de positie van de bureaus jeugdzorg hierin?

Er wordt een doeluitkering geboden voor de subsidiëring van het aanbod jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat. Indien de vraag de ruimte, die de doeluitkering biedt, overtreft kunnen provincies dan bij het rijk extra middelen verkrijgen? De leden van de D66-fractie denken dat alleen op deze wijze de cliënt echt centaal staat en vraaggericht zorg kan worden geboden.

De noodzakelijke samenhang binnen de jeugdzorg wordt door afstemming in de planning en de harmonisatie van de verschillende financieringssystemen verkregen. Ondanks eerdere brieven en een notitie over de financieringsstromen naar aanleiding van een motie van de Tweede Kamer, is het de leden van de D66-fractie nog steeds niet helder hoe dit nu in de praktijk zijn uitwerking krijgt. Kan de regering dit nogmaals toelichten? Zij vragen dit ook omdat de Raad van State op dit punt eigenlijk aangeeft dat het voorliggende wetsvoorstel zonder één financieringsstructuur ofwel slechts een tijdelijk karakter heeft, ofwel dat de jeugdzorg in de toekomst te maken krijgt met een niet voldragen Wet op de jeugdzorg. De Raad van State betwijfelt namelijk of de financiering los gekoppeld kan worden van de inhoud en de leden delen deze opvatting ten zeerste.

Deze leden vragen waarop de regering de stelling baseert dat een recht op jeugdzorg niet zal leiden tot een groter beroep op jeugdzorg. Het lijkt aannemelijk dat een aantal potentiële cliënten nu afhaken of uit het zicht verdwijnen als gevolg van de wachtlijsten maar misschien hun recht hadden opgeëist als ze dat hadden kunnen doen. Ook kan het recht op jeugdzorg in combinatie met de toenemende bekendheid van de bureaus jeugdzorg de zogenaamde latente vraag aanboren.

Zij hebben hier overigens geen enkele moeite mee. Het is integendeel juist goed is dat iedereen die jeugdzorg nodig heeft deze ook krijgt.

De verschillende geldstromen in de jeugdzorg zullen blijven bestaan. De leden van de fractie van GroenLinks zijn enigszins teleurgesteld in het feit dat het (nog) niet is gelukt om de financiering van de jeugdzorg onder één regime te brengen. Is de regering voornemens de verschillende regeling uiteindelijk onder een noemer te brengen?

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben zich verbaasd over de opmerking van de regering in het nader rapport dat er bewust voor is gekozen om binnen de jeugdzorg drie financieringsstromen te handhaven (een opmerking overigens die bij het overnemen van de passage uit het nader rapport in paragraaf 6.1 van de memorie van toelichting is weggelaten). Hoe verhoudt deze «bewuste keuze» zich tot de constatering dat de «versnipperde financiering» in het kader van de Wet op de jeugdhulpverlening (mede) oorzaak is van het niet bereiken van voldoende samenhang en afstemming binnen de jeugdzorg (memorie van toelichting, bladzijde 5)? En hoe moet een en ander gezien worden tegen de achtergrond van de betreffende passage in het regeerakkoord, waar eveneens wordt geconstateerd dat de Wet op de jeugdhulpverlening onvoldoende mogelijkheden biedt voor – onder meer – een eenduidige financiering? Deze leden krijgen op dit punt graag een nadere toelichting: is hier nu werkelijk sprake van een bewuste keuze van de regering, of legt zij zich (voorlopig) neer bij het bestaan van verschillende financieringsstromen in de jeugdzorg? Zij wijzen erop dat zij bij de bespreking van het beleidskader al hebben gewezen op het risico dat het behoud van de versnipperde financieringsstructuur de nagestreefde samenhang in de jeugdzorg zal bemoeilijken. Wat is de verwachting van de regering op dit punt?

In het verlengde hiervan vragen deze leden zich af of in het wetsvoorstel niet meer rekening gehouden moet worden met het realiseren van een eenvoudiger financieringsvorm voor de jeugdzorg. Kan worden toegelicht wat de knelpunten zijn bij het op korte(re) termijn onderbrengen van de vrijwillige jeugdzorg in de AWBZ? Wanneer de curatieve/kortdurende GGZ-zorg mogelijk wordt overgeheveld naar het 2e compartiment, zou daarmee ook (een deel) van de jeugdzorg hieronder kunnen vallen. Om welk deel gaat dit en welke problemen levert dit op? Is er binnen de jeugdzorg ook behoefte aan het werken met een persoonsgebonden of een persoonsvolgend budget? Kind en ouders kunnen dan zelf een keuze maken uit de verschillende zorgaanbieders, een keuze die zich dan wellicht ook niet behoeft te beperken tot een zorgaanbieder in de directe omgeving of binnen de provinciegrens.

Aansluitend daarop is de vraag relevant of de instellingen voor jeugdzorg onder de werkingssfeer van de Wet exploitatie zorginstellingen (WEZ) kunnen c.q. moeten worden gebracht. De planning en planningscyclus kan dan in grote lijnen verlopen conform de WEZ, waar immers de meeste partijen die bij de jeugdzorg betrokken zijn, toch al met elkaar in gesprek gaan. Instellingen die nu of in de toekomst zowel AWBZ-bekostigde jeugdzorg aanbieden als provinciaal bekostigde zorg dienen nu een complexe administratie aan te houden. In het geval kan hier naar verwachting bespaard worden op administratieve lasten. Wil de regering op deze vragen en overwegingen reageren?

Ten aanzien van de aansturing en de financiering van de jeugdzorg betreuren de leden van de SGP-fractie dat er in voorliggend wetsvoorstel uiteindelijk nog geen sprake is van een eenduidige regeling. Deze leden vinden het een gemiste kans dat de regering het nog niet heeft aangedurfd om met voorliggend wetsvoorstel tot een eenduidige aansturing en financiering te komen. Zij nodigen de regering graag uit tot een nadere beargumentering op dit essentiële punt.

De aan het woord zijnde leden brengen in dit verband eveneens hun eerdere pleidooi voor een persoonsgerichte bekostiging in de jeugdzorg ter sprake. Evenals in andere zorgsectoren bieden vormen van Persoonsgebonden Budget of Persoonsvolgend Budget uitstekende mogelijkheden om ook binnen de jeugdzorg zorg op maat mogelijk te maken. Deze leden vragen welke mogelijkheden de regering ziet om dit op korte termijn voor de jeugdzorg te realiseren.

Normering

Prijs

Zoals de leden van de PvdA-fractie al eerder memoreerden, is het van groot belang dat er voldoende middelen beschikbaar komen om aan de vraag naar jeugdzorg te voldoen. Deze leden vragen of er onderzoeksresultaten beschikbaar zijn over de omvang van de vraag naar jeugdzorg in de komende jaren. Zal het niet zo zijn dat meer intensieve vormen van zorgaanbod ook een prijskaartje met zich meebrengen, waardoor de jeugdzorg als geheel duurder wordt in plaats van stabiliseert, nog afgezien van eventuele noodzakelijke volume-uitbreiding? Kan de regering een onderbouwing geven van de mogelijke ontwikkeling van de vraag naar jeugdzorg? Zijn inmiddels meer kwantitatieve gegevens beschikbaar om een reële inschatting te kunnen maken van de financiële gevolgen die de wijziging van de taak van de provincies zal hebben? En hoe moet de zinsnede worden verstaan (memorie van toelichting, bladzijde 35) dat «met het Rijk gesproken moet worden over de omvang van de doeluitkering» wanneer de doeluitkering ontoereikend zal zijn? Is dan eventueel voorzien in een zó tijdige bijstelling dat voorkomen kan worden dat wachtlijsten toenemen? En hoe moet het risico worden ingeschat dat een eventuele schaarste qua doeluitkering wordt afgewenteld op de AWBZ-zorg?

Subsidiëring door de provincies

De provincies worden in de gelegenheid gesteld een beperkt deel van de doeluitkering als flexbudget in te zetten. De leden van de PvdA-fractie vragen of het niet de voorkeur zou verdienen om de provincies daartoe te verplichten zodat te allen tijde ingespeeld kan worden op nieuwe ontwikkelingen in de zorg en het «vastroesten» van aanbodgestuurde zorg wordt voorkomen.

Hoofdstuk 7. Bijdrage in de kosten van de jeugdzorg

De bureaus jeugdzorg worden straks verplicht om de plaatsingen (aanvang en beëindiging) rechtstreeks te melden aan het Landelijk Bureau Onderhoudsbijdragen (LBIO). De leden van de PvdA-fractie vragen of het niet een wat omslachtige constructie is dat de zorgaanbieders eerst de verplichting krijgen deze gegevens aan het bureau Jeugdzorg te melden en de bureaus vervolgens deze informatie aan het LBIO dienen te melden. Waarom is niet gekozen voor een rechtstreekse benadering door de zorgaanbieders?

Deze leden willen ook graag weten hoe momenteel de inning van de onderhoudsbijdrage van ouders verloopt. Is het zo dat de ouderbijdrage, waartoe men verplicht is, grotendeels of geheel wordt betaald? Bestaat er ook een beeld van oninbare ouderbijdragen, en zo ja, hoe ziet dit beeld eruit? Waar liggen binnen het huidige systeem de grootste knelpunten voor ouders? En voor de zorgaanbieders (ten aanzien van de registratie)?

De leden van de fractie van GroenLinks vinden het ongewenst dat jeugdigen voor de jeugdzorg een eigen bijdrage moeten betalen. Met name voor mensen met een laag inkomen kan dit een drempel betekenen voor het vragen om en aanvaarden van nodige zorg. Bij het kamerdebat op 9 mei 2000 (Handelingen, bladzijde 72–4822) over jeugdzorg heeft de regering toegezegd dat zij zouden kijken naar de «schrijnende gevallen» bij het heffen van een eigen bijdrage voor de jeugdzorg voor lage inkomens. Is aan deze toezegging voldaan en zo niet, kan aan deze toezegging voor de plenaire behandeling van het wetsvoorstel worden voldaan?

Hoofdstuk 8. De verwerking van persoonsgegevens

Inleiding

De leden van de GroenLinks-fractie vragen wat de stand van zaken is met betrekking tot de invoering van een elektronisch zorgdossier in de jeugdzorg.

Verwerken van de persoonsgegevens door de bureaus jeugdzorg

Bij het semi-publieke bureau Jeugdzorg komen taken te liggen die ertoe leiden dat er veel privacy-gegevens moeten worden opgeslagen, soms verkregen via de Raad voor de Kinderbescherming, de AMK's en de Raad voor forensische diagnostiek. Hiermee dient heel prudent te worden omgegaan, zo vinden de leden van de PvdA-fractie. De andere kant van het verhaal is dat de privacywetgeving belemmerend werkt, waardoor een juiste overdracht van gegevens in de knel komt. Wordt deze «tweeslachtigheid» met het voorliggende wetsvoorstel voldoende ondervangen? En zullen de cliënten voldoende informatie krijgen over wat er met hun gegevens wordt gedaan?

Hoofdstuk 9. Beleidsinformatie

De leden van de D66-fractie zijn tevreden over de zorgvuldige en terughoudende wijze waarop met persoonsgegevens dient te worden omgegaan. Tegelijkertijd vinden zij het van essentieel belang dat zo goed mogelijk algemene gegevens geregistreerd worden om op basis daarvan het tot planning te komen. Zij vragen zich dan ook af waarom niet in voorliggende wetsvoorstel wordt vastgelegd: welke gegevens in ieder geval moeten worden verstrekt, de wijze waarop en de termijnen waarbinnen, maar dat ook hier gekozen is voor een AmvB. Wat is hiervoor de reden?

Beleidsinformatie is van groot belang voor financiering en beleidsvorming, aldus de leden van de GroenLinks-fractie. Ten behoeve hiervan zijn diverse bronnen in de jeugdzorg aan te wijzen: de verschillende instellingen, bureau jeugdzorg, de provincies etc. Wordt er gedacht aan een eenduidig informatiesysteem dat alle partijen gebruiken zodat uitwisseling van gegevens eenvoudiger zal zijn?

Hoofdstuk 10. Toezicht

Is inmiddels duidelijk, zo willen de leden van de PvdA-fractie weten, hoe het toezichtsarrangement, zoals voorzien in de wet, zich verhoudt tot de in het regeringsstandpunt geformuleerde principes? Is er reeds aanleiding toe aanpassing hiervan, en zo ja, in welk opzicht? Deze leden hechten zeer aan het voornemen om cliënten te betrekken bij het toezicht. Zij vragen zich in dit verband af of er reeds voorstellen bestaan die deze betrokkenheid van cliënten kunnen vergroten.

Aangezien meerdere inspecties belast zijn met de handhaving van de kwaliteit van de jeugdzorg, onderschrijven de leden van de PvdA-fractie het belang van goede onderlinge samenwerking. Hoe worden de inspecties op deze samenwerking voorbereid? In welke situaties is denkbaar dat de bewindslieden gebruik zullen maken van hun bevoegdheid tot het geven van een aanwijzing wanneer afspraken onvoldoende tot stand komen?

Bevreemdend is voor de leden van de CDA-fractie dat – blijkens bladzijde 18 van het voorstel van wet en bladzijde 44 van de memorie van toelichting – de verantwoordelijkheid voor de Inspectie jeugdzorg, ressorterend onder het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nu komt te liggen bij zowel de minister van dat ministerie als de minister van Justitie. Is het feit dat het een rijksinspectie is – bladzijde 74 van de memorie van toelichting – bepalend voor deze opzet? Op welke wijze wordt daarmee voorzien in de aansluiting zoals aangehaald door de Raad van State – bladzijde 7 van advies Raad van State en nader rapport – bij het rapport van de commissie Borghouts met betrekking tot de toezichthouders?

De leden van de D66-fractie verbazen zich er nogal over dat «de inspectie voornamelijk ten behoeve van de provincies gaan werken». Betekent dit dat de inspectie in de toekomst geen algemene onderzoeken meer doet zoals naar: kwaliteit, pleegzorg, medezeggenschap enzovoort, maar alleen naar specifiek provinciale thema's?

Er wordt op gewezen, en volgens deze leden terecht, dat meerdere inspecties zijn belast met de handhaving van de kwaliteit van de jeugdzorg en dat zij dus middels afspraken goed moeten samenwerken. Is dat momenteel dan nog niet het geval, terwijl ook nu sprake is van cliënten die zowel te maken hebben met de AWBZ als met de jeugdhulpverlening?

Hoofdstuk 11. De cliënt centraal

«Opgroei- en opvoedproblemen moeten in een zo vroeg mogelijk stadium worden gesignaleerd en beoordeeld.» (memorie van toelichting, bladzijde 45). De leden van de GroenLinks-fractie zijn het hier van harte mee eens. Onduidelijk is echter hoe dit geconcretiseerd gaat worden. Hoe worden de algemene voorzieningen versterkt en hoe zal de samenhang met de jeugdzorg gestalte krijgen?

Overigens is niet altijd duidelijk wie precies de cliënt is in het wetsvoorstel. Wanneer is sprake van de jeugdige, zijn (pleeg- of stief)ouders of verzorgers of beide?

Betrokkenheid van de cliënt bij het overheidsbeleid

De leden van de CDA-fractie maken zich zorgen over de inpassing van de landelijk georganiseerde organisaties – het gereformeerd Jeugdwerk, het Leger des Heils, het Joods Maatschappelijk Werk, de William Schrikkerstichting, de Hoenderloo Groep en Harreveld, en een dertiental Sociaal Pedagogische Diensten – in de nieuwe structuur. Op bladzijde 4 van de voortgangsrapportage Beleidskader Jeugdzorg 2002–2005 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001–2002, 28 007 nr.2) staat dat met hen overleg zal worden gevoerd over regionale inbedding van hun jeugdzorgaanbod. Op welke wijze is daar nu in voorzien?

Betrokkenheid van de cliënt bij de toegang tot de zorg en bij de zorgverlening

De toegang

Als een cliënt zich niet kan herkennen in een diagnose van het bureau jeugdzorg, zal het bureau er ruimte voor moeten scheppen dat de problemen van de cliënt opnieuw worden beschouwd door een andere medewerker (memorie van toelichting, bladzijde 46). Kunnen de leden van de VVD-fractie hieruit de conclusie trekken dat dit betekent dat een cliënt zijn nadrukkelijke toestemming moet geven aan het indicatiebesluit? Zo neen, waarom is dit niet het geval?

Bestaat in het voorstel de mogelijkheid dat een cliënt kiest tussen bureaus jeugdzorg in verschillende plaatsen in het land of tussen vestigingen binnen een provincie?

Is overwogen in de wet een verplichting tot instellen van een cliëntenraad bij een bureau jeugdzorg op te nemen indien cliënten dit aan het desbetreffende bureau jeugdzorg voorstellen? Zo neen, waarom niet?

De leden van de D66-fractie missen de mogelijkheid voor cliënten om een second opinion bij een ander bureau jeugdzorg te vragen. Is de regering bereid deze mogelijkheid toe te voegen aan het voorliggende wetsvoorstel?

Als de cliënt zich niet herkent in de diagnose wordt hem de mogelijkheid geboden het probleem aan een andere medewerker van bureau jeugdzorg te beoordelen. Het is van groot belang voor het slagen van de hulpverlening dat de cliënt instemt met de voorgestelde diagnose en behandeling. De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe de regering aankijkt tegen het opnemen in de wet van mogelijkheid voor een recht op een second opinion zowel voor diagnose als voor de voorgestelde behandeling. En hoe kijkt de regering aan tegen het introduceren van een «informed consent» van de cliënt

De zorgverlening

Overleg met cliënten over het hulpverleningsplan is altijd geboden, aldus de leden van de VVD-fractie. In het wetsvoorstel is de vereiste opgenomen dat cliënten instemmen met de geboden hulp. Een uitzondering hierop is de situatie waarin sprake is van een maatregel voor kinderbescherming. Dan is instemming weliswaar gewenst, maar niet vereist. Het in de Wet op de jeugdhulpverlening neergelegde klachtrecht, met inbegrip van de niet wettelijk geregelde bemiddeling die binnen veel instellingen aan het formele klachtrecht vooraf gaat wordt in het wetsvoorstel overgenomen. In de memorie van toelichting staat dat de genoemde regelingen van medezeggenschap en klachtrecht thans worden geëvalueerd (memorie van toelichting, bladzijde 48). Eventuele andere aanpassingen worden niet voorgesteld omdat de uitkomsten van de evaluatie nog niet beschikbaar zijn. De memorie van toelichting rept vooralsnog niet over onvoldoende aandacht voor de positie van de cliënt in de huidige Wet op de jeugdhulpverlening. Toch staat in de nieuwe wet centraal het versterken van de positie van de cliënt (memorie van toelichting, bladzijde 6). Is overwogen het ontwerp van het klachtrecht nu al te bezien? Wat heeft het overleg van de regering met de verschillende cliëntenorganisaties voor inzichten in het functioneren van het huidige klachtrecht opgeleverd?

Op dit moment kan een klacht bij een interne commissie worden ingediend. Daarna kan in beroep gegaan worden bij de provincie. Op deze procedures, zo hebben de leden van de D66-fractie ervaren, bestaat veel kritiek. Zo zijn de termijnen om een klacht in te dienen vaak onhaalbaar, worden niet alle klachten door de interne commissie in behandeling genomen en als dit wel gebeurt leidt het vaak tot niets. Bij de provincie bestaan verschillen tussen de beroepskwesties en de uitspraak van de provincie is niet bindend voor de instellingen. Wat doet de regering met dergelijke kritiek?

ARTIKELSGEWIJS

Artikel 1

Onderdeel b

De mogelijkheid is in de wet geboden om na de leeftijd van 18 door te gaan met jeugdhulpverlening. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of kan worden geconcretiseerd onder welke voorwaarden dit kan.

Artikel 3

Ingevolge dit artikel worden bepaalde categorieën rechtmatig in Nederland verblijvende jongeren uitgesloten van het recht op jeugdzorg. De leden van de PvdA-fractie vragen of kan worden toegelicht of deze uitsluiting niet in strijd is met het Verdrag inzake de rechten van het kind?

De leden van de D66-fractie vragen waarom de vreemdelingenwet 2000 als uitgangspunt van handelen is genomen en niet het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind.

Daarnaast vragen deze leden wat wordt verstaan onder strikt noodzakelijke jeugdzorg.

Volgens Defense for Children hebben kinderen die illegaal in een land verblijven volgens artikel 2 van het VN Verdrag inzake de Rechten van het Kind recht op alle voorzieningen, dus ook op jeugdzorg. De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe de regering dit rijmt met dit eerste lid van artikel 3.

De cliënt heeft recht op jeugdzorg in de provincie waar die duurzaam verblijft. Wat gebeurt er als een cliënt zorg nodig heeft die niet voorhanden is in de betreffende provincie, bijvoorbeeld door wachtlijsten? Hoe wordt de toegang tot en subsidiering van de landelijk werkende instellingen precies geregeld? Waar moeten de cliënten terecht die niet duurzaam in een provincie (zullen) verblijven, zoals bijvoorbeeld zwerfjongeren die zich niet op een bepaalde plek «regelmatig ophouden»? Komt er een mogelijkheid voor cliënten om bij zwaarwegende redenen (bijvoorbeeld aanwezigheid van familie) in een andere provincie hulp te ondergaan?

Volgens artikel 3 lid 7 kan de aanspraak op jeugdzorg bij AmvB worden beperkt voor rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen. De leden van de fractie van ChristenUnie vragen of nader kan worden toegelicht waarom voor deze mogelijke beperking is gekozen en hoe een en ander zich verhoudt tot andere regelingen met betrekking tot voorzieningen en verstrekkingen aan rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen. Kan de beperking als gevolg hebben dat noodzakelijke jeugdzorg niet geboden wordt aan een rechtmatig in Nederland verblijvende minderjarige vreemdeling?

De leden van de SP-fractie vragen of alle kinderen, dus ook illegale kinderen, recht hebben op alle jeugdzorgvoorzieningen dus zonder een beperking als «voorzover jeugdzorg noodzakelijk is ter voorkoming of afwending van ernstig gevaar voor de geestelijke of lichamelijke gezondheid? Immers in artikel 2 van het VN-verdrag inzake de rechten van het Kind staat dat alle kinderen binnen de rechtsbevoegdheid van de staat zonder onderscheid recht hebben op alle voorzieningen conform het verdrag.

De leden van de SP-fractie acht het juist dat artikel 3 lid 8 de mogelijkheid biedt om bij algemene maatregel van bestuur voor bepaalde categorieën niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen de aanspraken op basis van deze wet uit te kunnen breiden. OP deze manier kan immers de noodzakelijke zorg worden geboden. Deze leden zin het eens met het bezwaar dat de stichting Nidos maakt tegen het benoemen van bepaalde categorieën vreemdelingen die geen aanspraak kunnen maken op jeugdzorg. Artikel 3 lid 7 leidt ertoe dat een individuele toetsing of iemand al dan niet aanspraak kan maken op jeugdzorg voor bepaalde categorieën jongeren niet meer gemaakt kan worden. Heeft het bureau Jeugdzorg niet tot taak per individu te bepalen of en welke jeugdzorg iemand moet krijgen? Wat gaat gebeuren met een jongere die van deze zorg wordt uitgesloten, zal dit niet leiden tot grotere problemen bij de jongere? Moet niet elke jeugdige met ernstige problemen aanspraak kunnen maken op strikt noodzakelijke jeugdzorg temeer daar het bureau jeugdzorg bewaakt of en welke zorg er nodig is?

Artikel 5

De leden van de PvdA-fractie willen weten hoe de bureaus Jeugdzorg zich verhouden tot het Landelijk Centrum Indicatiestelling Gehandicapten (LCIG) c.q. de Regionale Indicatieorganen (RIO's). Zal hiervoor nog een specifiek protocol worden ontwikkeld teneinde een goede samenwerking te bewerkstelligen? Of zou het de voorkeur verdienen om één van beide als dé toegang tot de jeugdzorg voor jongeren met een verstandelijke handicap te bestempelen?

De leden van de PvdA-fractie onderschrijven het belang van een sterke positie van de cliënt. Zij vragen in dit verband of het niet wenselijk zou zijn om cliënten het recht te geven op een «second opinion» wanneer twijfel bestaat over de beslissing van een deskundige van het bureau jeugdzorg en dit recht in de wet op te nemen.

Artikel 6

De leden van de PvdA-fractie vragen of een reactie kan worden gegeven op het commentaar van Stichting NIDOS (25 januari 2002) op dit onderdeel waar het gaat om twee verschillende voogden die achtereenvolgens worden belast met de voorlopige en de definitieve voogdij? Betekent e.e.a. dat de Stichting NIDOS geen gezinsvoogdijtaken meer zal kunnen uitoefenen ten behoeve van de minderjarige vreemdelingen die met hun ouders in de opvangvoorzieningen van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) verblijven?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen op welke wijze het bureau jeugdzorg ervoor zorg kan dragen dat de zorgaanbieders met een samenhangend hulpverleningsplan komen.

De leden van de SP-fractie vragen of het niet beter zou zijn om de voorlopige voogdij over minderjarige vreemdelingen niet ook toe te kennen aan een door de minister van Justitie aanvaarde rechtspersoon die ook de voogdij over minderjarige vreemdelingen uitoefent.

Artikel 9

De leden van de SGP-fractie vragen aandacht voor de aanwezigheid van GGZ-deskundigheid en deskundigheid ten aanzien van jeugdigen met een (licht) verstandelijke handicap binnen het bureau jeugdzorg. Deze leden vinden het een positieve zaak dat middels voorliggend wetsvoorstel verplicht regels zullen worden gesteld aan de deskundigheden in de bureaus jeugdzorg. Zij vragen de regering echter te onderbouwen, waarom er in artikel 9, zevende lid, niet voor is gekozen om ook ten aanzien van de samenwerking met de jeugd-GGZ en de instellingen voor gehandicaptenzorg dezelfde verplichting voor te schrijven.

Artikel 11

In de opvatting van de leden van de fractie van de ChristenUnie is het van het allergrootste belang dat de screening en indicatiestelling op het bureau jeugdzorg kan plaatsvinden door een hulpverlener die de culturele en levensbeschouwelijke achtergrond van de hulpvrager goed kent. Als dit niet kan worden gegarandeerd, neemt een deel van de zorgvragers alleen al om die reden geen contact op met het bureau jeugdzorg. De uitwerking van de wet dient dan ook zodanig te zijn dat deze situatie kan worden gerealiseerd tenminste in die gevallen waarin de noodzaak daarvan door ervaringen in het verleden is aangetoond.

In dit licht kan de intentie van artikel 11, eerste lid, weliswaar worden gewaardeerd, maar is het de vraag of de formulering daarvan voldoende waarborgen biedt. Het gaat immers niet primair om de grondslag van de stichting, maar de achtergrond van de hulpverlener in zijn relatie met de individuele zorgvrager.

Dit is voor de leden van de fractie van de ChristenUnie een zeer aangelegen punt en zij vragen daarom met klem welke waarborgen het wetsvoorstel op het punt van de levensbeschouwelijke en culturele herkenning bevat. In het verlengde hiervan informeren zij op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de motie-Rouvoet c.s. (26 816, nr. 21), waarin de regering verzocht wordt bij de verdere voorbereiding en uitwerking van de Wet op de jeugdzorg in overleg met de betrokken instellingen te zoeken naar mogelijkheden om ook in het nieuwe stelsel van jeugdzorg de zichtbaarheid, herkenbaarheid en laagdrempelige bereikbaarheid van de landelijke instellingen te behouden.

De leden van de SGP-fractie roepen in herinnering dat zij in het verleden meermalen een pleidooi hebben gevoerd voor de positie van levensbeschouwing in de jeugdzorg. De steun van deze leden voor het wetsvoorstel dat nu voorligt, zal in een zeer belangrijke mate afhangen van de wijze waarop de toegang tot de identiteitsgebonden hulpverlening wordt gewaarborgd. De toegang tot de jeugdzorg loopt via de bureaus jeugdzorg. In voorliggend wetsvoorstel wordt in artikel 11, eerste lid, gesteld dat het bureau bij de uitvoering van haar taken uitgaat van de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt. Deze leden vinden het van essentieel belang dat de screening en indicatiestelling voor jeugdzorg plaatsvindt door een hulpverlener die de levensbeschouwelijke en culturele identiteit van de hulpvrager goed kent en bij voorkeur deelt. Zij vragen de regering nader in te gaan op de waarborgen waarmee kan worden voorkomen, dat het gestelde in genoemd artikel niet tot een dode letter verwordt.

Mede in dit verband merken de leden van de SGP-fractie op, dat kennis van iemands specifieke levensovertuiging of culturele achtergrond niet als een expertise mag worden beschouwd, die extern verkregen kan worden. Deze leden zijn van mening dat identiteit niet als expertise kan worden gezien. Identiteit is geen toevoeging aan voor het overige algemene zorg, maar een wezenlijk element in de diagnostiek en de zorgverlening wat door een «buitenstaander» niet zomaar kan worden eigengemaakt. Zij vragen een uitvoerige reactie van de regering op dit punt.

Artikel 14

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of een toelichting kan worden gegeven op het feit dat ook commerciële organisaties subsidies kunnen krijgen voor het bieden van jeugdzorg. Hoe is gewaarborgd dat publieke gelden niet wegstromen naar organisaties die winst moeten maken en die daardoor niet ten goede komen aan de zorg?

Artikel 16

Met dit artikel lijkt het recht op jeugdzorg een wassen neus te worden, aldus de leden van de GroenLinks-fractie. Welke stappen moet het bureau jeugdzorg in deze situatie nemen om de zorgvraag wel te realiseren?

Artikel 26, 27, 28

In de nieuwe wet is opgenomen de verplichting voor de provincies en het Rijk tot het opstellen van een beleidskader. De leden van de PvdA-fractie vragen of het niet wenselijk zou zijn om ook de gemeenten te verplichten tot het opstellen van een vierjaarlijks beleidskader of nota jeugdbeleid. Bij de behandeling van het beleidskader Wet op de Jeugdzorg heeft de regering, op vragen van het lid Arib van de PvdA-fractie reeds toegelicht dit met de VNG te zullen bespreken. De wens werd toen door de regering uitgesproken dat in 2002 «liefst álle gemeenten zouden beschikken over een nota over het jeugdbeleid». Wat is de uitkomst van dit gesprek? En hoeveel gemeenten hebben inmiddels een nota jeugdbeleid uitgebracht. Zo'n gemeentelijke nota jeugdbeleid zou heel wel passen in de trits van gemeente, provincie en rijk. In het uiterste geval zouden gemeenten gestimuleerd kunnen worden hieraan – vrijwillig – invulling te geven. Wat vindt de regering van deze suggestie?

Artikel 61 en 62

De leden van de PvdA-fractie vragen of nader worden toegelicht waarom er een onderscheid zal worden gemaakt tussen klachtrecht ten aanzien van de bureaus jeugdzorg en de zorgaanbieders enerzijds en de Beginselenwet Justitiële Jeugdzorg anderzijds. Is ook het onderscheid qua samenstelling van de klachtencommissie niet verwarrend? Zou het geen voorkeur verdienen om de klachtencommissies geheel uit onafhankelijke personen te laten bestaan?

Artikel 63

De klachtencommissie moet «onpartijdig oordelen» (memorie van toelichting, bladzijde 79). De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de onpartijdigheid naar het oordeel van de regering voldoende is gewaarborgd als in de commissie slechts de voorzitter niet afkomstig mag zijn uit de betreffende instelling?

Artikel 64

Hier wordt toegelicht dat er in elke provincie een provinciale klachtencommissie dient te zijn. Maar in de Wet Klachtrecht is een dergelijke bepaling niet opgenomen. De leden van de PvdA-fractie willen weten of deze provinciale klachtencommissie bevoegd zal zijn om klachten van cliënten van AWBZ-instellingen in behandeling te nemen.

Artikel 76

De leden van de PvdA-fractie vragen of bij dit artikel op het commentaar van het NIDOS kan worden ingegaan (zie brief van 25 januari 2002, kenmerk 02.20).

Artikel 100

De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre nu duidelijk is geregeld dat cliënten over een beslissing van het bureau jeugdzorg in beroep kunnen gaan bij de bestuursrechter conform de Algemene Wet Bestuursrecht.

Artikel 101

De leden van de D66-fractie vragen hoe het proces van decentralisatie van landelijk werkende voorzieningen verloopt. Zij zijn nog steeds bezorgd dat dit er toe leidt dat deskundigheid niet gewaarborgd kan worden terwijl dit juist vanwege de specifieke doelgroepen zeer van belang is. Kan een stand van zaken worden gegeven?

Artikel 106

Voorzien is een evaluatie na vijf jaar. Het komt de leden van de PvdA-fractie voor dat een evaluatie na vijf jaar eigenlijk te lang is. Zij pleiten dan ook voor ofwel een eerdere tussentijdse evaluatie dan wel een termijn van drie jaar waarna de evaluatie zou moeten plaatsvinden. Kan hierop een reactie worden gegeven?

Artikel 108

De leden van de PvdA-fractie vragen wat de precieze aanleiding is voor het feit dat artikel 77, onderdeel D pas in werking treedt per januari 2006 en eventueel, wanneer de beschikbare plaatsruimte in de desbetreffende justitiële jeugdinrichtingen zulks noodzakelijk maakt, op een later tijdstip? Wat heeft dit voor consequenties voor de opnamemogelijkheden van de justitiële jeugdinrichtingen?

De voorzitter van de Commissie,

Van Lente

De griffier voor dit verslag,

Post


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, Middel (PvdA), Van Lente (VVD), voorzitter, Dankers (CDA), Oudkerk (PvdA), Bakker (D66), Rouvoet (ChristenUnie), Van Vliet (D66), Van Blerck-Woerdman (VVD), Passtoors (VVD), Gortzak (PvdA), Hermann (GroenLinks), Buijs (CDA), Atsma (CDA), Arib (PvdA), Spoelman (PvdA), Kant (SP), E. Meijer (VVD), Van der Hoek (PvdA), Blok (VVD), Mosterd (CDA), Rijpstra (VVD), T. Pitstra (GroenLinks), C. Cörüz (CDA).

Plv. leden: Lambrechts (D66), Rehwinkel (PvdA), Apostolou (PvdA), Örgü (VVD), Verburg (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), Ravestein (D66), Slob (ChristenUnie), Van 't Riet (D66), Terpstra (VVD), Udo (VVD), Belinfante (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Ross-van Dorp (CDA), Th. A. M. Meijer (CDA), Duijkers (PvdA), Smits (PvdA), Marijnissen (SP), O. P. G. Vos (VVD), Hamer (PvdA), Cherribi (VVD), Rietkerk (CDA), Weekers (VVD), Van Gent (GroenLinks), Visser-van Doorn (CDA).

Naar boven