28 168
Regeling van de aanspraak op, de toegang tot en de bekostiging van jeugdzorg (Wet op de jeugdzorg)

nr. 28
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 juni 2003

Hierbij bied ik u, mede namens de Minister van Justitie, een ontwerp van de volgende besluiten aan: het Besluit zorgaanspraken, het Besluit kwaliteit en werkwijze bureau jeugdzorg, het Besluit indicatie jeugdzorg en het Besluit uitkeringen jeugdzorg1. De ontwerpbesluiten zijn gelijktijdig aangeboden aan de Eerste Kamer en worden gepubliceerd in de Staatscourant. In verband met de beoogde inwerkingtreding van de Wet op de jeugdzorg op 1 januari 2004 wordt de voorhangprocedure gestart voorafgaand aan het aanvaarden van het wetsvoorstel door de Tweede Kamer.

In deze brief wil ik de vier besluiten toelichten, zowel afzonderlijk als in hun onderlinge samenhang, in de context van de Wet op de jeugdzorg en het lokaal jeugdbeleid. Het doel van de toelichting is duidelijk te maken hoe het wetsvoorstel en de besluiten de samenhang in de jeugdzorgketen bevorderen.

Het voorstel van wet vestigt een aanspraak op jeugdzorg, waarvan de inhoud en omvang bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld. De jeugdzorg waarop aanspraak zal bestaan op grond van de Wet op de jeugdzorg beslaat slechts een deel van de jeugdzorgketen. Naast deze jeugdzorg is er jeugdzorg op lokaal niveau (consultatiebureaus, jeugdgezondheidszorg, algemeen maatschappelijk werk, schoolmaatschappelijk werk en dergelijke). Voor het beleid ten aanzien van deze voorzieningen ligt de verantwoordelijkheid bij de gemeenten. De verantwoordelijkheid voor de aanspraken op grond van de Wet op de jeugdzorg berust bij de provincie. Daarnaast bestaat ook (jeugd)zorg in de vorm van jeugd-ggz waarvoor zorgverzekeraars de verantwoordelijkheid dragen. Teneinde samenhang in de keten van deze voorzieningen te brengen bevat het in de wet voorgeschreven planningssysteem jaarlijks overleg van de provincie met de andere regievoerders in de keten om te komen tot een sluitend aanbod.

De vier voorliggende algemene maatregelen van bestuur zijn onderling samenhangend. Allereerst is daar het Besluit zorgaanspraken. Daarin wordt vastgelegd op welke jeugdzorg een cliënt aanspraak heeft op grond van de Wet op de jeugdzorg. De wijze waarop de aanspraken in het besluit zijn omschreven brengt de noodzaak mee van een sluitend aanbod aan jeugdzorg op lokaal niveau om te bereiken dat niet vaker dan nodig een beroep gedaan hoeft te worden op jeugdzorg waarop aanspraak bestaat. Het wettelijke planningsinstrumentarium biedt als gezegd het kader voor het bereiken van een sluitend aanbod, maar dit neemt niet weg dat er in meer algemene zin behoefte bestaat aan verduidelijking van de gemeentelijke taken, in die zin dat duidelijk moet worden in welke jeugdvoorzieningen «geschakeld aan de jeugdzorg» lokaal wordt voorzien. In dit verband is door het Rijk, de VNG, het IPO en de MO-groep in een werkgroep uitgewerkt welke functies minimaal op lokaal niveau geboden moeten worden en op welke wijze kan worden bereikt dat deze functies op lokaal niveau ook daadwerkelijk beschikbaar zullen komen. Ik zal u daarover separaat nog nader informeren.

Een cliënt heeft pas daadwerkelijk een aanspraak op jeugdzorg als het bureau jeugdzorg heeft vastgesteld dat een cliënt op die zorg is aangewezen. Het bureau heeft niet alleen de indicatietaak voor jeugdzorg waarop aanspraak bestaat op grond van de wet, maar ook voor de jeugd-ggz en de justitiële jeugdinrichtingen. Omdat de indicatietaak een zeer breed terrein voor zorg aan jeugdigen omvat is bij de vaststelling van de noodzaak van zorg sprake van een afweging binnen een groot deel van de jeugdzorgketen. Met de derde nota van wijziging is in de wet een duidelijke relatie gelegd met de jeugdzorg op lokaal niveau. Duidelijk is in het wetsvoorstel neergelegd dat in het kader van de indicatiestelling het bureau jeugdzorg, als cliënten ook de behoefte hebben aan lokale jeugdzorg, voor de cliënten deze zorg in beeld moet brengen en cliënten in risicovolle situaties daar ook naar toe moet geleiden en deze zorg moet volgen. De onderbrenging van de voogdij-, de gezinsvoogdij en de jeugdreclassering in het bureau jeugdzorg waarborgt een goede afstemming van zorg in de vrijwillige sfeer en in een justitieel kader.

Het tweede Besluit kwaliteit en werkwijze bureau jeugdzorg bevat regels omtrent de kwaliteit voor de bureaus. De regels die zijn gesteld hebben vooral betrekking op de indicatietaak en de justitiële taken van het bureau. Geen regels zijn gesteld over de taak van het bureau die inhoudt dat het bureau werkt voor lokale voorzieningen. De wijze waarop aan deze taak invulling wordt gegeven is zeer divers. Van groot belang is dat wordt aangesloten bij de behoefte op lokaal niveau. Daarom worden er op dit punt geen specifieke eisen gesteld. Wel geldt de wettelijke eis dat sprake moet zijn van een verantwoorde uitvoering van alle taken, dus ook van deze. Daarmee is de wijze waarop deze taak wordt ingevuld toetsbaar.

Het derde besluit is het Besluit indicatie jeugdzorg. Dit besluit regelt, naast enige andere onderwerpen, op welke wijze vastgelegd moet worden op welke jeugdzorg een cliënt aanspraak heeft. Bij het opstellen van het besluit is de wijze waarop de aanspraken zijn omschreven leidraad geweest.

Het vierde besluit is het Besluit uitkeringen jeugdzorg dat de grondslagen bevat van de uitkeringen die het Rijk op grond van de wet aan de provincies moet verlenen. Het gaat om twee uitkeringen: één voor de financiering van het bureau jeugdzorg en één voor financiering van het aanbod aan jeugdzorg waarop een aanspraak bestaat. De uitkeringen zullen zodanig moeten zijn dat het bureau zijn taken genoegzaam kan uitvoeren en dat voldoende aanbod kan worden gesubsidieerd om aan alle aanspraken tegemoet te komen.

Naast de voorliggende zal nog een aantal andere – in omvang beperktere – amvb's tot stand moeten worden gebracht:

• besluit verwijzing jeugd-GGZ (art. 9b AWBZ);

• besluit vertrouwenspersoon BJZ en zorgaanbieder (art. 11 en 15 Wjz);

• besluit ouder- en eigen bijdrage (art. 68 en 69 Wjz);

• besluit beleidsinformatie jeugdzorg (art. 39 Wjz);

• besluit aanspraken minderjarige vreemdelingen (art. 3 lid 8 en 9 Wjz);

• besluit rechtspersoon voogdij minderjarige vreemdelingen (art. 34 lid 4 Wjz);

• besluit tot wijziging besluit justitiële jeugdinrichtingen;

• besluit tot wijziging Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming.

Ook deze amvb's zullen een voorhangprocedure doorlopen.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

C. I. J. M. Ross-van Dorp


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven