nr. 131
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 september 2002
In het strategisch akkoord staat een duidelijke opdracht voor de bewindslieden
van het Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport. Die opdracht is om,
uit respect voor de behoefte van burgers, de organisatie van het zorgsysteem
te veranderen. Samengevat dient er een einde te komen aan de top-down sturing van de zorgsector en de daaruit voortkomende regeldichtheid.
Kernbegrippen bij de verandering zijn deregulering, vrijere toetreding van
nieuw zorgaanbod, betaling naar prestatie en publieke verantwoording over
de prestaties. Hiermee sluit het strategisch akkoord goed aan bij de analyse
van de problemen en de gewenste oplossingsrichting die de OESO in 2000 in
de country review over het Nederlandse zorgsysteem
publiceerde. De OESO legde daarin ook een verband tussen het in Nederland
gehanteerde sturingsmodel en de te lange wachttijden.
Aan de basis van de noodzakelijke veranderingen ligt een scherpere accentuering
van de verschillende verantwoordelijkheden. Als minister ben ik verantwoordelijk
voor de werking van het systeem. De verantwoordelijkheid voor een kwalitatief
goede zorgverlening berust bij de zorgaanbieders, die in direct contact staan
met de patiënt. De zorgverzekeraars zijn er, via de financiering en zorginkoop,
verantwoordelijk voor dat hun verzekerden een doelmatige en klantgerichte
toegang tot de zorg hebben.
Ik hecht eraan u op voorhand te informeren over mijn werkbezoeken op maandag
9 september aan het Maasland Ziekenhuis in Sittard en het Martini Ziekenhuis
in Groningen. Op beide plaatsen zal ik bovenstaande boodschap uitdragen. De
bezoeken aan genoemde ziekenhuizen zijn daarvoor een goede gelegenheid omdat
in hun werkgebieden interessante en veelbelovende initiatieven op het gebied
van organisatie van de zorg en wachttijdvermindering worden ontplooid. Op
deze manier krijgen beleidsvoornemens een praktische context. Initiatiefrijk
optreden in regio's is namelijk wat ik met mijn werkbezoek wil stimuleren,
niet alleen in Groningen en Limburg maar overal in Nederland.
Het doel daarvan is dat de burger beter en sneller wordt bediend.
Hoe ga ik die initiatiefrijke regio's stimuleren? Niet door regionale
privileges af te kondigen en ook niet door op de stoel van artsen en directies
van ziekenhuizen en zorgverzekeraars te gaan zitten. Ik wil in eerste instantie
de partijen in de zorgsector aansporen om de bestaande mogelijkheden die zij
hebben om de zorgverlening vorm te geven, en die nog onvoldoende worden benut,
maximaal te gebruiken in het belang van de verzekerde, respectievelijk patiënt.
Voor dat aansporen wil ik de bevoegdheden en instrumenten die mij binnen de
bestaande wetten ten dienste staan optimaal benutten.
De zorgverzekeraars worden voor mij een belangrijk aanspreekpunt om de
sector beter te laten functioneren. Zij zijn de partij die voor de burgers
van dit land de zorg moet inkopen. Dat ze dit meer en meer in onderlinge concurrentie
gaan doen, met behulp van een nominale premie, zal ze ongetwijfeld aansporen
om dit steeds klantgerichter en inventiever te doen. Maar dat is voor mij
niet genoeg. Hun prestaties, die voortvloeien uit de wettelijke zorgplicht,
moeten beter zichtbaar en onderling vergelijkbaar worden, zodat hun cliënten
kunnen zien hoe hun eigen verzekeraar presteert ten opzichte van andere. Ik
denk hierbij concreet aan prestaties op het gebied van wachttijden, dienstverlening
en premiehoogte. Als het gaat om het bewust maken van de Nederlandse verzekerden
ten aanzien van de zorgprestaties van hun verzekeraars is er nog een wereld
te winnen. Bij het initiëren van deze benchmarking heeft de overheid mijns inziens een duidelijke rol. De komende tijd
kunnen de zorgverzekeraars een veeleisender opstelling van mij verwachten.
Verbeteringen op dit punt moeten ook duidelijk worden gezien in het perspectief
van de nieuwe algemene zorgverzekering die, conform het strategisch akkoord,
op 1 januari 2005 zal ingaan.
Het sterker benadrukken van de verantwoordelijkheid van zorgverzekeraars
betekent uiteraard dat zij en hun contractpartners de ruimte moeten hebben
om deze verantwoordelijkheid waar te maken. Regels die de oorzaak zijn van
het gebrek aan flexibiliteit aan de zorgaanbodzijde moeten worden versoepeld.
Nieuw aanbod moet makkelijker kunnen toetreden en er moeten meer mogelijkheden
komen voor klantgerichtheid, doelmatigheid en innovatie. Daarvoor zijn op
korte termijn nog voldoende verbeteringsmogelijkheden aan te brengen in het
systeem. Twee belangrijke aandachtsgebieden die ik nader wil verkennen zijn:
• Aanpassingen van de bekostigingssystematiek van ziekenhuizen. Het
gaat hier om technische aanpassingen die erop neerkomen dat een groter deel
van het budget wordt bepaald door de omvang van de productie. Een onderdeel
hiervan is het beginnen met een (vooralsnog) beperkte lijst van diagnose behandelcombinaties
die fungeren als prestatie-eenheden. Bijzondere aandachtspunten bij de aanpassing
van de bekostiging zijn evenwicht en consistentie tussen de bekostiging van
reguliere ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra.
• Versterken van de prestatiegerichte bekostiging van medisch specialisten.
Van de lumpsumfinanciering zijn de ongewenste bijwerkingen inmiddels genoegzaam
bekend. Na de introductie van de lumpsums is een duidelijke afvlakking van
de productie opgetreden, in plaats van een met de toenemende vraag corresponderende
stijging. Bovendien is onvoldoende duidelijk welke individuele productieprestaties
er voor de lumpsums worden geleverd. Het zou ongewenst zijn dat er ruimte
ontstaat om op part time basis voor een full time lumpsum in een ziekenhuis
te werken en in de resterende tijd in, bijvoorbeeld, een zelfstandig behandelcentrum.
Zoals eerder is opgemerkt ben ik van plan om ten aanzien van verzekeraars
en zorgaanbieders alle instrumenten en bevoegdheden te benutten die mij binnen
de bestaande wetten ter beschikking staan. In volgorde van flexibiliteit gaat
het hierbij om aanpassingen van beleidsregels, ministeriële regelingen
en waar nodig algemene maatregelen van bestuur. Op korte termijn zal ik het
College Zorgverzekeringen en het College Tarieven Gezondheidszorg benaderen
om vast te kunnen stellen welke vernieuwingen al per 1 januari 2003 kunnen
ingaan op het gebied van prestatiebekostiging van zorgaanbieders. Met het
College Toezicht Zorgverzekeringen zal ik in overleg treden over mogelijkheden
om prestaties van verzekeraars beter te monitoren.
Over deze stappen zal ik uw Kamer uiteraard nader informeren.
Voor de langere termijn zullen ook de gezondheidszorgwetten onder de loep
worden genomen voor meer structurele aanpassingen. Centraal daarin staat de
invoering van de nieuwe algemene zorgverzekeringswet in 2005. Zoals in het
strategisch akkoord al is voorzien vergt dit vele maatregelen die zorgvuldig
in de juiste volgorde moeten worden genomen. Op korte termijn zal uw Kamer
hiervoor het plan van aanpak ontvangen.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. J. Bomhoff