A
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 15 februari
2002 en het nader rapport d.d. 6 december 2001, aangeboden aan de Koningin
door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de tussentijdse
ontbinding van gemeenteraden (kamerstuk 28 000 VII, nr. 58). Het
advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 14 december 2001, no. 01.005989, heeft Uwe
Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt de adviesaanvraag betreffende
tussentijdse ontbinding van gemeenteraden.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 14 december
2001, nr. 01.005989, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies
inzake het bovenvermelde onderwerp rechtstreeks aan mij te doen komen.
Dit advies, gedateerd 15 februari 2002, nr. W04.01.0675/l, bied ik u hierbij
aan.
De Raad van State deelt de conclusie van de notitie van de Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (kamerstukken II 2000/01, 27 400
VII, nr. 14), namelijk dat invoering van een ontbindingsrecht als «regulier»
instrument in de gemeentelijke verhoudingen niet mogelijk is zonder grondwetsherziening.
De aan de Raad van State voorgelegde vraag is beperkt tot de staatsrechtelijke
vraag of het recht van tussentijdse ontbinding van de gemeenteraden thans
in de wet zou kunnen worden opgenomen of dat daarvoor eerst de Grondwet (GW)
moet worden gewijzigd.
In zijn antwoord beperkt de Raad zich dan ook tot deze vraag.
In de notitie van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
«Tussentijdse ontbinding van gemeenteraden»1, waarnaar in de adviesaanvraag ook wordt verwezen, wordt met betrekking
tot de voorgelegde vraag geconcludeerd:
«De Grondwet verbiedt tussentijdse ontbinding van gemeenteraden
tenzij dit bij – dus niet krachtens – de wet geschiedt. Uit de
grondwetsgeschiedenis moet worden afgeleid dat deze afwijkingsmogelijkheid
slechts voor incidentele en uitzonderlijke gevallen is bedoeld. Invoering
van een ontbindingsrecht als «regulier» instrument in de gemeentelijke
verhoudingen, vergt dus herziening van de Grondwet.»
De Raad merkt daarover het volgende op. De bepaling waar het hier allereerst
om gaat, artikel 129, vierde lid, GW, luidt:
«De zittingsduur van (...) de gemeenteraden is vier jaren, behoudens
bij de wet te bepalen uitzonderingen.»
Meer concreet gaat het dan om de vraag wat precies de strekking is van
de clausule «behoudens bij de wet te bepalen uitzonderingen».
De Raad zal die vraag behandelen aan de hand van de dusgenaamde «delegatieterminologie»
van de GW, en vervolgens aan de hand van de totstandkoming van de bepaling.
a. «Delegatieterminologie»
De GW van 1983 volgt de terminologie die is ontworpen door de staatscommissie-Van
Schaik uit 1954, waarbij uit de redactie van een bepaling van de GW die een
bevoegdheid toekent aan de wetgever in formele zin, blijkt in hoeverre het
daarbij gaat om een exclusieve bevoegdheid van de wetgever (in formele zin).
Daarbij moet worden bedacht dat het toekennen van een exclusieve bevoegdheid
aan de wetgever niet uitsluit dat een uitvoeringsbeslissing moet worden genomen
door een bestuursorgaan of door een rechter, maar die beslissing moet dan
wel een gebonden beslissing zijn: alleen als de in de wet genoemde omstandigheden
zich voordoen kan een bepaalde beslissing worden genomen, en die moet dan
ook worden genomen; er mag geen beleids- of beoordelingsruimte van betekenis
voor de beslissende autoriteit aanwezig zijn.
Van een exclusieve bevoegdheid voor de wetgever in formele zin is géén
sprake indien bij de bevoegdheidstoekenning ofwel de formule «bij of
krachtens de wet» ofwel een vorm van het werkwoord «regelen»
of het zelfstandig naamwoord «regels» is gebruikt; dan mag de
wet voorzien in uitvoeringsregelingen, en ook in andere uitvoeringsbeslissingen
die niet een strikt gebonden karakter hebben.1
In het onderhavige geval gebruikt de GW de formule «bij de wet te
bepalen». Daarbij is dus geen «delegatie» mogelijk. Dat
wil zeggen dat uitzonderingen op de regel van een vierjarige zittingsduur
voor een gemeenteraad alleen door de wetgever zelf kunnen worden gemaakt,
eventueel met gebruikmaking van een bestuursorgaan dat bevoegd is te constateren
dat de door de wet geformuleerde toestand zich voordoet, zodat tussentijdse
ontbinding moet worden uitgesproken, doch zonder dat aan dat orgaan daarbij
appreciatievrijheid van betekenis kan toekomen.
Ingaande op de theoretische mogelijkheid dat de wetgever een gebonden
ontbindingsbevoegdheid aan een bestuursorgaan zou willen toekennen, wijst
de Raad nog op de betekenis van artikel 125, eerste lid, GW, waarin is bepaald
dat de raad aan het hoofd van de gemeente staat. Daarmee zou onverenigbaar
zijn, een ontbindingsbevoegdheid – zelfs in gebonden vorm – toe
te kennen aan het college van burgemeester en wethouders of aan de burgemeester.
Reeds op deze gronden moet de hiervoor geciteerde conclusie van de notitie
«Tussentijdse ontbinding van gemeenteraden», dat invoering van
een ontbindingsrecht als «regulier» instrument in de gemeentelijke
verhoudingen niet mogelijk is zonder grondwetsherziening, juist worden geoordeeld.
b. Totstandkoming van artikel 129, vierde lid, van de Grondwet
De uitzonderingsmogelijkheid is blijkens de wordingsgeschiedenis van artikel
129 GW allereerst opgenomen om bij gemeentelijke herindeling tussentijdse
raadsverkiezingen mogelijk te maken.2 Daarnaast
werd gewezen op de mogelijkheid dat de zittingsduur van de raden in een bijzonder
geval enigszins zou kunnen worden verkort of verlengd om te bewerkstelligen
dat de raadsverkiezingen voortaan in hetzelfde jaar vallen als statenverkiezingen.3 Ten slotte sluit de bepaling aan bij de in artikel 132,
vijfde lid, GW voorziene mogelijkheid dat «Bij de wet voorzieningen
worden getroffen voor het geval het bestuur van een (...) gemeente zijn taken
grovelijk verwaarloost». In zo'n geval is het onder meer mogelijk dat
de wet de zittende gemeenteraad ontbindt.
De wordingsgeschiedenis blijkt alleen melding te maken van voorbeelden waarin, in heel bijzondere gevallen, de wetgever zelf kan ingrijpen
in de normale zittingsduur en ondersteunt daarmee de onder a getrokken conclusie.
De Vice-President van de Raad van State,
H. D. Tjeenk Willink
Ik moge U verzoeken mij te machtigen de adviesaanvraag, het advies van
de Raad van State en het nader rapport aan te bieden aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K. G. de Vries