Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 februari 2014
Uw Kamer heeft mij verzocht om u mijn reactie op de rapportage definitieve bevindingen
d.d. 28 januari 2014 voor het algemeen overleg «Uitvoering inkomensafhankelijke huurverhoging»
van 13 februari 2014 te doen toekomen. Met deze brief ontvangt u mede namens de Staatssecretaris
van Financiën mijn reactie.
In mijn brief van 22 januari 2014 (Kamerstuk 27 926, nr. 213) heb ik u geïnformeerd over de voorlopige bevindingen d.d. 21 november 2013 van het
Cbp. In die voorlopige bevindingen heeft het Cbp aangegeven het in 2013 gehanteerde
verstrekkingenbestand van de Belastingdienst «bovenmatig» te vinden. Het Cbp is in
het op 5 februari 2014 openbaar gemaakte rapport definitieve bevindingen d.d. 28 januari
2014 tot dezelfde conclusies gekomen. Het beoordeelt de situatie over 2013 als in
strijd met artikel 11, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens. Als onderbouwing
stelt het Cbp dat in 2013 nog alle huurwoningen waren verwerkt; dus ook alle geliberaliseerd
verhuurde woningen en huurwoningen waarvoor de maximumhuurprijs al wordt betaald.
Ten aanzien van de situatie in 2014 geeft het Cbp aan zich nog geen oordeel te kunnen
vormen, omdat een aantal wijzigingen zijn aangekondigd. Het verzoekt hierover in maart
een verdere rapportage om alsdan tot een oordeel te kunnen komen over 2014.
In het algemeen merk ik op dat de inkomensafhankelijke maatregel alleen kan worden
geëffectueerd met behulp van informatie over het huishoudinkomen. Bij die verwerking
bestaat een gerechtvaardigd belang. Ik blijf dan ook van mening dat de verstrekkingen
over 2013 rechtmatig zijn. Voorts is met deze werkwijze voldaan aan de eisen van proportionaliteit
en subsidiariteit.
Voorts heb ik uw Kamer mede namens de Staatssecretaris van Financiën op 11 oktober
2013 geïnformeerd over de evaluatie van de uitvoering van de inkomensafhankelijke
huurverhoging (Kamerstuk 27 926, nr. 206). Hierin staan maatregelen aangekondigd die voor een deel overeenkomen met, en voor
een deel verdergaan dan de nu beschikbaar gekomen Cbp bevindingen.
Een van de elementen die ik daarbij aan de orde heb gesteld is het gegeven dat is
gebleken dat er verhuurders zijn geweest die onterecht inkomensverklaringen over 2013
hebben opgevraagd. Dit betreft met name het opvragen van een inkomensverklaring ten
aanzien van woonruimte met een geliberaliseerde huurovereenkomst. Voorts zijn gevallen
bekend waarbij de verhuurder een inkomensverklaring heeft opgevraagd terwijl de huurprijs
reeds de maximale huurprijsgrens overschrijdt. Daarmee overtreden verhuurders zowel
de wet als de gebruiksvoorwaarden van het webportaal. Op deze overtreding staan sancties.
Zo kan de Belastingdienst verhuurders die in overtreding zijn de toegang tot het webportaal
ontzeggen. Als gevolg hiervan kunnen die verhuurders (verder) ook geen inkomensindicaties
meer verkrijgen voor hun gereguleerd verhuurde woningen, ook niet ter toetsing van
bezwaren van huurders tegen de huurverhogingsvoorstellen. Voorts zal de Belastingdienst
gevallen van geconstateerd misbruik melden bij het Cbp. Bovendien bestaat er op grond
van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht een strafrechtelijke procedure. Gedupeerden
(huurders in dit geval) kunnen aangifte doen bij het Openbaar Ministerie. Naast de
politie is ook de FIOD bevoegd ter zake het opsporingsonderzoek te verrichten.
Naast het achteraf bestraffen van die overtreding heb ik op grond van de evaluatie
(brief van 11 oktober 2013) ook «aan de voorkant» maatregelen getroffen. Ik heb daartoe
het systeem en de werkwijze van de Belastingdienst laten aanpassen. Hierover heb ik
uw Kamer bij brief van 22 januari 2014 geïnformeerd. Alvorens verhuurders een inkomensverklaring
kunnen opvragen, dienen zij zich aan te melden. Zo wordt niet langer vooraf een verstrekkingbestand
samengesteld maar achteraf, namelijk op grond van de aanmeldingen door de verhuurders.
Hierdoor zal het verstrekkingenbestand in omvang afnemen.
De implicatie van deze maatregel zal centraal staan bij de door het Cbp gewenste nadere
rapportage over de situatie in 2014.
De evaluatie heeft geleid tot verbetering van het beleid op twee nadere punten. Om
het onterecht opvragen door verhuurders terug te dringen is ook de communicatie richting
verhuurders verbeterd. Vorig jaar hebben verhuurders door de korte periode waarin
de inkomensindicaties moesten worden opgevraagd in hun opvraagbestand, naar ik aanneem,
mogelijk onbedoeld, abusievelijk, ook geliberaliseerd verhuurde woningen opgenomen.
De verwachting is dat verhuurders hun kennis op dit punt, al dan niet via de koepels,
hebben vergroot en hun administratie op dit punt beter op orde zullen hebben.
Bovendien zal de Belastingdienst, zoals aangegeven in mijn brief van 22 januari 2014,
op aanbeveling van de Nationale Ombudsman dit jaar de huishoudens waarvoor de verhuurders
een inkomensindicatie hebben opgevraagd en verkregen, daarover informeren. Daarmee
zal de signaalwerking toenemen.
De Minister voor Wonen en Rijksdienst,
S.A. Blok