nr. 130
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR WONEN, WIJKEN EN INTEGRATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 november 2008
Tijdens het Algemeen Overleg met de commissie voor Wonen, Wijken en Integratie
over particuliere woningverbetering van 25 september jongstleden heb
ik toegezegd de Kamer voor november 2008 te informeren over de Poolse situatie
(casus geen/negatief rendement in relatie tot het EVRM) in vergelijking met
de Nederlandse situatie. Bij dezen doe ik deze toezegging gestand.
Op 22 februari 2005 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de
Mens uitspraak gedaan in de zaak Hutten-Czapska versus Polen (no. 35 014/97),
waarin het Hof heeft geconcludeerd dat de Poolse wetgeving op het gebied van
huren en huurprijzen in strijd was met artikel 1 van het Eerste Protocol bij
het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De zaak Hutten-Czapska is
in 1994 bij het Hof aangebracht, kort nadat het Eerste Protocol door Polen
werd geratificeerd, en door het Hof behandeld als een zogenoemde «pilot
case», waarbij uitspraak gedaan werd over de betreffende regelgeving
als geheel, aangezien deze regelgeving betrekking had op ongeveer 100 000
verhuurders in Polen, die tezamen eigenaar waren van 5,2% van de woningen
in Polen, en er sprake was van een toenemend aantal vergelijkbare zaken.
In Polen gold een zeer streng systeem van huurmatiging voortvloeiend uit
wetgeving die tot stand kwam onder het communistische regime. In 1994 werd
huurregelgeving van kracht die verhuurders dwong tot het uitvoeren van kostbare
onderhoudswerkzaamheden, terwijl zij niet in staat gesteld werden de kosten
hiervan in de huur te verrekenen. De gemiddelde huuropbrengst dekte door die
beperkende regelgeving slechts 60% van de onderhoudskosten van de verhuurde
woningen. Bovendien golden strenge beperkingen voor het beëindigen van
de huur. In 2001 kwam er nieuwe regelgeving die bedoeld was als een verbetering,
maar die dezelfde beperkingen in stand liet, en het huurniveau afgrendelde
op een niveau van 3% van de herbouwwaarde van het pand. In 2004 verviel
deze beperking, maar werd de mogelijkheid om de huur te verhogen beperkt tot
een huurverhoging van maximaal 10% per jaar.
In 2000 en 2002 had het Poolse constitutionele hof al geoordeeld dat deze
wetgeving ongrondwettelijk was, en een disproportionele en excessieve last
legde op verhuurders.
In de uitspraak van 22 februari 2005 oordeelde het EHRM dat wetgeving
om huurders tijdens de overgang naar een markteconomie te beschermen weliswaar
gerechtvaardigd was, maar dat het niet gerechtvaardigd was om het verhuurders
daarmee onmogelijk te maken om zelfs maar de onderhoudskosten te kunnen terugverdienen,
laat staan een zeker rendement te kunnen maken op de verhuur. Daarmee was
deze regelgeving weliswaar wettig en diende zij een legitiem doel, maar ontbrak
de «fair balance» tussen het algemene en het individuele belang.
Op 19 juni 2006 heeft op verzoek van de Poolse overheid ook de Grote
Kamer van het EHRM uitspraak in deze zaak gedaan. Deze voegde toe dat de schending
van het eigendomsrecht niet alleen het gevolg was van de restricties ten aanzien
van het huurniveau, maar dat dit een gecombineerd effect was van de beperkingen
ten aanzien van het vaststellen van de huur, de beperkingen ten aanzien van
het beëindigen van de huur, de kosten die verhuurders verplicht moeten
maken en de onmogelijkheid om onderhoudskosten door te berekenen of te beperken,
dan wel om deze gesubsidieerd te krijgen door de overheid. Van belang was
ook dat het huurcontract niet in onderhandeling tussen huurder en verhuurder
tot stand was gekomen, maar dat het contract door de staat was aangegaan.
Inmiddels is tussen de Poolse regering en de betreffende verhuurster een
schikking bereikt, waardoor verhuurders een deel van de onderhoudskosten vergoed
krijgen, en waarbij de regering heeft toegezegd de betreffende regelgeving
(versneld) te wijzigen.
De positie van verhuurders in Nederland is niet vergelijkbaar met die
in de Poolse zaak die aan het EHRM is voorgelegd. Er hebben mij tot op heden
geen signalen bereikt met een deugdelijke financiële onderbouwing waaruit
blijkt dat uit de huurprijzen die op grond van het woningwaarderingsstelsel
tot stand komen de onderhoudskosten niet zouden kunnen worden bestreden.
Voor uitzonderlijke situaties biedt de Nederlandse wetgeving bovendien
de mogelijkheid tot het maken van uitzonderingen. Zo hoeven verhuurders in
Nederland op grond van artikel 206, lid 1, van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
geen gebreken te verhelpen indien dat uitgaven vereist die in de gegeven omstandigheden
(waaronder de overeengekomen huurprijs) redelijkerwijs niet van de verhuurder
zijn te vergen. Bovendien kan de rechter op grond van artikel 258 van boek
6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met onvoorziene omstandigheden de
gevolgen van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden.
Voorwaarde is dan wel dat partijen bij de aanvang van de overeenkomst met
die omstandigheden geen rekening hebben gehouden, dat de onvoorziene omstandigheden
van dien aard zijn dat de huurder geen ongewijzigde instandhouding van de
huurovereenkomst mag verwachten en dat de omstandigheden niet voor risico
van de verhuurder komen.
Tot slot bestaat de mogelijkheid voor de Huurcommissie om op grond van
artikel 5 lid 2 van het Besluit huurprijzen woonruimte het woningwaarderingsstelsel
buiten toepassing te laten indien de aard van de woonruimte daartoe aanleiding
geeft.
Uiteraard is het wel zo dat, indien een verhuurder – of (een van)
zijn rechtsvoorganger(s) – ervoor gekozen heeft om bij aanvang van de
huurovereenkomst niet de maximale huurprijs te vragen, maar een lagere huurprijs,
die keuze voor die lagere huurprijs doorwerkt zolang de huurovereenkomst niet
is beëindigd. De jaarlijke huurverhogingen zijnimmers steeds
aan een maximum gebonden. De huurprijs zal dan gedurende die huurovereenkomst
in principe niet naar het niveau van de maximale huurprijs opgetrokken kunnen
worden. Het rendement uit de verhuur van woningen bestaat echter niet alleen
uit het directe rendement, de huuropbrengsten verminderd met de exploitatiekosten
(waaronder de onderhoudskosten), maar ook uit het indirecte rendement, de
waardeontwikkeling van de woning.
Op grond van het bovenstaande ben ik van mening dat de regelgeving zoals
die in Polen gold vele malen restrictiever is dan de huur(prijs-) regelgeving
zoals die in Nederland geldt. Ik acht de Nederlandse huur(prijs)regelgeving
dan ook niet in strijd met het eigendomsrecht zoals dat is geregeld in artikel
1 Eerste Protocol.
De minister voor Wonen, Wijken en Integratie,
C. P. Vogelaar