Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 juni 2015
Hierbij bied ik u het nader advies aan dat op mijn verzoek is opgesteld door de extern
volkenrechtelijk adviseur (EVA), prof. dr. P.A. Nollkaemper, over geweldgebruik tegen
ISIS in Syrië1. Zoals toegezegd in de kamerbrief over de verlenging Nederlandse bijdrage aan de
internationale strijd tegen ISIS (Kamerstuk 27 925, nr. 539), wordt in deze brief een oordeel van het kabinet over het nader advies gegeven.
De EVA stelt dat de regering van Syrië niet eenduidig heeft ingestemd met geweldgebruik
tegen ISIS op haar grondgebied, maar dat in de gegeven omstandigheden het zoeken naar
instemming niet zonder meer noodzakelijk is. De EVA concludeert dat geweldgebruik
kan worden gegrond op het recht op collectieve zelfverdediging van Irak, nu er een
geldig verzoek ligt van de regering van Irak, nu het recht zich uitstrekt tot niet-statelijke
actoren en nu de regering van Syrië niet in staat is dan wel de wil heeft om zelf
effectief op te treden tegen ISIS. De EVA geeft ten slotte aan dat bij geweldgebruik
tegen ISIS in Syrië wel een aantal zwaarwegende aanvullende voorwaarden dienen te
worden vervuld.
Volgens het kabinet kan inmiddels met voldoende stelligheid worden geconcludeerd dat
sprake is van een volkenrechtelijke grond («volkenrechtelijk mandaat») voor het gebruik
van geweld tegen ISIS in Syrië. Deze grond wordt gevormd door het recht op collectieve
zelfverdediging, zoals verankerd in artikel 51 VN Handvest, ten behoeve van de verdediging
van Irak tegen gewapende aanvallen door ISIS vanuit Syrië op Irak.
Anders dan in september 2014 staat inmiddels voldoende feitelijk vast dat sprake is
van doorlopende gewapende aanvallen vanuit Syrië op Irak die door het ISIS hoofdkwartier
in Syrië, Raqqah, worden aangestuurd. Tevens worden voortdurend strijders en wapens
vanuit Syrië naar Irak gestuurd voor inzet in de gewapende strijd in Irak. Ook is
duidelijk dat de Syrische autoriteiten niet in staat zijn deze gewapende aanvallen
te stoppen. Optreden tegen ISIS in Syrië gebeurt op verzoek van Irak (collectieve
uitoefening van het recht op zelfverdediging).
Zoals gezegd, stelt de extern volkenrechtelijk adviseur aanvullend dat de uitoefening
van het recht op collectieve zelfverdediging is gebonden aan een aantal voorwaarden,
die nader zouden moeten worden bezien alvorens daadwerkelijk invulling kan worden
gegeven aan het adequate volkenrechtelijk mandaat. Dit betreft de toepassing van de
beginselen van noodzakelijkheid en proportionaliteit en de voorwaarde dat de VN Veiligheidsraad
wordt ingelicht over de genomen maatregelen. De extern volkenrechtelijk adviseur gaat
in zijn advies nader in op het beginsel van noodzakelijkheid. Volgens hem impliceert
de toepassing van dit beginsel onder andere dat geweld daadwerkelijk bij moet kunnen
dragen aan de verdediging van Irak en dat geweld zich dient te beperken tot (personen
die behoren tot) de militaire tak van ISIS. Hieruit volgt dat militaire acties zich
niet mogen uitstrekken tot steun van oppositiegroeperingen die omverwerping van het
regime van Assad nastreven, als die groepen geen directe bedreiging vormen voor Irak.
Immers, het recht op zelfverdediging staat uitsluitend die acties toe, die noodzakelijk
zijn om de gewapende aanval af te slaan.
Het kabinet wijst ten slotte op de opmerking in het advies over andere strategieën
dan de militaire strategie. De extern volkenrechtelijk adviseur wijst er terecht op
dat het feit dat geweldgebruik een bijdrage kan leveren aan de bescherming van Irak,
niet wil zeggen dat andere strategieën niet een even grote, of op termijn wellicht
zelfs grotere, bijdrage kunnen leveren aan de bescherming van Irak. De extern volkenrechtelijke
adviseur stelt daarbij de vraag of geweldgebruik tegen ISIS, in aanvulling op het
politieke proces, een voldoende bijdrage kan leveren aan de bescherming van Irak om
aan het noodzakelijkheidscriterium te voldoen. Zoals hij stelt, vraagt dit om een
zorgvuldige feitelijke en politieke afweging.
In de Kamerbrief over de verlenging Nederlandse bijdrage aan de internationale strijd
tegen ISIS van 19 juni jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 539) is reeds gesteld dat de aanwezigheid van een volkenrechtelijke grondslag op zichzelf
onvoldoende is om te besluiten tot Nederlandse militaire inzet boven Syrië. Voorts
ontbreekt er vooralsnog een breed gedragen politieke strategie ter oplossing van het
conflict in Syrië. Het kabinet zal de uitkomsten van internationale initiatieven dan
ook nauwgezet volgen, waaronder besprekingen tussen oppositiegroepen en het VN-consultatieproces
in Genève, waaraan ook Nederland deelneemt. Dat geldt ook voor de trainingsinspanningen
ten behoeve van de gewapende Syrische oppositie van bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk,
de Verenigde Staten, Turkije en Qatar. De Nederlandse steun in Syrië richt zich nu
op het ondersteunen van de inzet van de Mistura en het steunen van gematigde groeperingen.
Indien het kabinet zou besluiten tot militaire inzet in Syrië, wordt uw Kamer hierover
tijdig geïnformeerd. Daarbij onderstreept het kabinet het belang van een gezamenlijke
benadering van EU-landen.
De Minister van Buitenlandse Zaken, A.G. Koenders