27 924 Pachtbeleid

Nr. 47 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 juli 2010

Bij mijn brief van 3 februari jongstleden (kamerstukken II, 2009/2010, 27 924, nr. 41) informeerde ik u over een arrest van het Europese Hof van Justitie, waarin antwoord is gegeven op prejudiciële vragen van de pachtkamer van het Gerechtshof te Arnhem.

Het gaat in de desbetreffende zaak om de vraag of bedrijfstoeslagrechten aan het einde van een pachtrelatie toekomen aan de pachter of aan de verpachter. Het Hof van Justitie heeft uitgesproken dat zowel uit de doelstellingen als de systematiek van Verordening (EG) nr. 1782/2003 volgt dat de toeslagrechten aan het eind van de pachtrelatie bij de pachter blijven berusten. Uit de verordening vloeit, aldus het Hof, geen verplichting voor de pachter voort de toeslagrechten aan het eind van de pacht aan de verpachter over te dragen, noch een gehoudenheid om de verpachter een vergoeding te betalen.

Op 22 juni jongstleden heeft het Gerechtshof te Arnhem, met inachtneming van het arrest van het EU-hof, uitspraak gedaan in de voorliggende zaak en geoordeeld dat de pachter aan het eind van de pachtrelatie de toeslagrechten behoudt en daarvoor geen vergoeding schuldig is. Daarbij heeft het Gerechtshof bovendien als zijn oordeel uitgesproken dat ook het nationale recht, in het bijzonder de pachtwetgeving, de pachter niet tot enigerlei vorm van compensatie dwingt.

Hiermee is deze kwestie definitief beslecht; tegen de uitspraak van het Arnhemse hof staat geen hogere voorziening meer open.

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg

Naar boven