27 923 Werken in het onderwijs

Nr. 280 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP EN VOOR BASIS- EN VOORTGEZET ONDERWIJS EN MEDIA

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 november 2017

In de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs werken 230.000 mensen als leraar hard aan de toekomst van Nederland. Samen maken deze mensen het verschil door 175.000 voltijd banen te vervullen. In deze brief wordt de belangrijkste informatie over de arbeidsmarkt voor leraren op een rij gezet, gebaseerd op recente gegevens en rapportages. In de bijlage bij deze brief wordt de informatie uitgebreider en diepgaander samengevat1. Daar zijn ook de verwijzingen naar onderliggende analyses te vinden.

In deze brief worden alleen feitelijke zaken over de arbeidsmarkt samengevat. De arbeidsmarkt voor leraren staat in de belangstelling omdat er, bij ongewijzigde omstandigheden, tekorten worden verwacht. Hierop spelen het ministerie en de sociale partners in met diverse maatregelen. Voor deze maatregelen wordt verwezen naar andere brieven aan Uw kamer:

  • Brieven over voortgang Lerarenagenda en plan van aanpak lerarentekort (Kamerstuk 27 923, nrs. 281 en 282) (deze zijn tegelijkertijd met deze brief verstuurd);

  • Brief over voortgang sectorakkoord onderwijs (wordt later verstuurd).

De (verwachte) ontwikkelingen per sector verschillen. Het primair onderwijs lijkt op een serieus tekort aan leraren af te stevenen door veel pensioneringen en een te geringe instroom vanuit de Pabo. Hierbij is tevens sprake van grote regionale verschillen. Door het reeds ingezette beleid van OCW en de sociale partners, en vooral niet te vergeten de inspanningen van de scholen zelf, wordt er aan gewerkt het tekort tegen te gaan.

Voor het voortgezet onderwijs is het voor sommige vakken nu al moeilijk om leraren te vinden2 en deze situatie lijkt voorlopig voort te duren. Voor de andere vakken zullen de komende jaren uiteindelijk vrijwel geen tekorten (meer) zijn.

In het middelbaar beroepsonderwijs werken veel oudere leraren, waarvan een groot deel de komende jaren met pensioen zal gaan. Voor het aantrekken van nieuwe leraren, die in deze sector vaak uit het bedrijfsleven afkomstig zijn, wordt een iets steviger concurrentie verwacht met de aantrekkende reguliere arbeidsmarkt. De verwachting is dat het in het mbo steeds moeilijker zal worden om docenten voor technische en beroepsgerichte onderdelen van de opleidingen te vinden.

Actuele tekorten en vervangers

Het ministerie heeft geen actueel zicht op openstaande en moeilijk te vervullen vacatures, omdat dit een enorme administratieve last bij scholen zou veroorzaken. Om dezelfde reden is er ook geen zicht op de moeite die het kost tijdelijke vervangingen te vinden. Vanuit de verantwoordelijkheid voor het beleid op de langere termijn laat het ministerie wel diverse arbeidsmarktonderzoeken verrichten en gedetailleerde ramingen opstellen. In het navolgende wordt op basis hiervan een betrouwbaar inzicht in de arbeidsmarkt voor onderwijsgevend personeel gegeven.

Over de vervanging nog het volgende. Een tekort aan vervanging is deels te beschouwen als de spreekwoordelijke kanarie in de kolenmijn die aangeeft dat tekorten voor reguliere banen naderen. Zeker langdurige vervanging is immers voor pas afgestudeerden een manier om een eerste baan in het onderwijs te bemachtigen. Maar deels zijn er ook andere redenen voor een tekort aan vervangers. De arbeidsmarkt in zijn geheel is de laatste jaren aangetrokken. Daardoor hebben meer mensen een baan gevonden en zijn er automatisch minder vervangers beschikbaar.

Primair onderwijs

De algehele trend van de ontwikkelingen in het primair onderwijs is dat er een steeds grotere druk op de arbeidsmarkt is, met nog steeds regionale verschillen.3

Afgestudeerden van de Pabo vinden steeds makkelijker een baan

Het krapper worden van de arbeidsmarkt in het primair onderwijs heeft voor de afgestudeerden van de Pabo als voordeel dat zij makkelijker dan voorheen aan een baan kunnen komen. De afgelopen jaren is er met name in de regio’s met leerlingdaling een overschot aan leraren geweest. Daar is in ieder geval veel minder sprake van. Het percentage personen dat binnen een half jaar na afstuderen aan de Pabo een baan heeft in het onderwijs blijft stijgen en is inmiddels 87%. Ook neemt binnen deze groep het aandeel vaste aanstellingen of uitzicht daarop nog steeds toe, net als de omvang van de banen. Ook stijgt het percentage van afgestudeerden dat op iets langere termijn (zowel 3 jaar als 5 jaar) een baan in het onderwijs heeft. Dat duidt erop dat het onderwijs er beter in slaagt uitstroom van jonge mensen te voorkomen.

Aantal vacatures blijft fors stijgen

De laatste jaren laat OCW vacatureonderzoek uitvoeren via het signaleren van vacatures op internet. Voor het primair onderwijs is een aanzienlijke stijging te zien in het aantal vacatures dat afgelopen schooljaar werd aangetroffen, zo’n 50% meer dan het schooljaar daarvoor. Deels kan dit te maken hebben met verbeterde zoekmethodes en het feit dat scholen de gang naar het internet met een vacature makkelijker maken, maar deels speelt hier ook dat scholen niet meer zo makkelijk iemand vinden via informele circuits en spontane sollicitaties en de vraag via vacatures toeneemt. Dit is ook te zien aan het feit dat bij twee op de vijf vacatures voor leraren minder dan 5 kandidaten solliciteren.

Kanttekening raming

De opstellers van de hierna volgende arbeidsmarktramingen geven zelf aan dat hun verwachtingen een beperkte geldigheid hebben omdat zij er op gebaseerd zijn dat de omstandigheden gelijk blijven. In de werkelijkheid zal dat niet zo zijn. Tekorten kunnen juist mensen naar opleidingen trekken en ook ontwikkelingen op de rest van de arbeidsmarkt zullen hun invloed hebben op de keuze voor het leraarschap. Dit zijn allemaal zaken die moeilijk te voorzien zijn.

De ramingen geven ook geen beeld van wat er veranderd is sinds er op het aanstaande lerarentekort beleid is gezet door OCW en de sociale partners, daarvoor is het nog te vroeg. Om technische redenen gaan de ramingen namelijk uit van de lerarenbestanden per oktober 2015. Bij de ramingen is te zien dat een aantal zaken in de praktijk in ieder geval tot een vertraging van de verwachte tekorten leidt.

Ramingen geven iets meer lucht maar wel hetzelfde beeld

De belangrijkste indicator voor aanstaande tekorten is de jaarlijks uitgevoerde arbeidsmarktraming. Deze raming is gebaseerd op de aantallen leraren die de komende jaren nodig zijn op grond van de door OCW geraamde leerlingaantallen en Pabo-afgestudeerden, alsmede verwachtingen van gedragingen van (potentiële) leraren.

De huidige raming geeft aan dat voor het schooljaar 2022/23 een tekort van ruim 4.100 fte aan leraren verwacht wordt bij gelijkblijvende omstandigheden. In vergelijking met de vorige ramingen kan geconcludeerd worden dat de omvang van de verwachte tekorten niet is afgenomen, maar deze iets meer gespreid in de tijd voor gaan komen.4

Oorzaak «vertraging» tekort

Interessant is te zien dat er drie inhoudelijke ontwikkelingen zijn die bijdragen aan een wat vertraagde verwachting van de tekorten, in vergelijking met vorig jaar:

  • Meer toekomstige uitstroom van gediplomeerden van de Pabo. Eigenlijk: minder daling dan eerder verwacht.

  • Stijging gemiddelde leeftijd uittreden. Oftewel het langer behouden docenten voor het onderwijs. Dit biedt tijdelijk soelaas voor tekorten.

  • Degenen die de aanstellingsomvang verminderen doen dat doorgaans minder ver naar beneden dan in het verleden. In de praktijk betekent dit dat de deeltijders meer uren werken.

Belangrijkste oorzaken tekorten

De leraren in het primair onderwijs zijn relatief oud. Van het onderwijsgevend personeel is bijna een kwart 55 jaar of ouder (van de directeuren bijna de helft). Een grote groep leraren verlaat de komende jaren het onderwijs vanwege pensioen of gaat minder werken.

Het aantal afgestudeerden van de Pabo’s is de afgelopen jaren gedaald door de over de jaren dalende instroom. Voor de arbeidsmarkt was dat eerder geen probleem, maar nu de arbeidsmarkt voor leraren is aangetrokken is deze belangrijkste bron van instroom meer nodig dan voorheen. Het percentage mensen dat aan de Pabo begint en ook het percentage daarvan dat de opleiding afmaakt, zal naar verwachting de komende jaren wel hoger zijn dan eerder was geraamd. Desondanks zal het aantal Pabo afgestudeerden niet voldoende zijn om de hoge uitstroom te vervangen.

Regionale spreiding van de tekorten

De landelijke leerlingdaling van de afgelopen jaren is over het hoogtepunt heen. Nog steeds zijn er echter regio’s waar sprake is van leerlingdaling, met name buiten de Randstad. In de ramingen van verwachte tekorten aan leraren is duidelijk te zien dat de komende jaren overal in Nederland tekorten worden verwacht. Maar ook is te zien dat de vacaturedruk (aantal onvervulde vacatures gerelateerd aan het totaal aantal fte benodigde leraren) sterk samenhangt met de ontwikkeling van het aantal leerlingen in de regio. Een groei van het aantal leerlingen hangt samen met een hogere vacaturedruk en leerlingdaling hangt samen met een lagere vacaturedruk. In de praktijk betekent dit dat het westen van het land, en met name de grote steden, de voornaamste problemen te wachten staat. Aan de vacatures die op internet gevonden worden is ook duidelijk dat er momenteel al een grotere behoefte aan leraren in het westen bestaat dan in de overige landsdelen.

Omvangrijke stille reserve

In de afgelopen maanden is naar de stille reserve voor het primair onderwijs gekeken: mensen met een onderwijsdiploma, die niet arbeidsongeschikt zijn en die niet in het onderwijs werken. Het deel dat via analyses bij het CBS in kaart kon worden gebracht bestaat vanwege technische redenen met name uit personen beneden de 50 jaar. In deze groep, die voorzien is van een Pabo diploma, bevinden zich bijna 17.000 personen die een baan buiten het onderwijs hebben en 14.000 die geen baan hebben. Dus bestaat de stille reserve in het primair onderwijs uit minimaal 31.000 personen. Van degenen die elders werken zit bijna de helft in de sector zorg en bijna een kwart in de zakelijke dienstverlening. Vergelijkingen van salarissen laten zien dat dit geen belemmering hoeft te zijn om naar het onderwijs over te stappen. Door de meeste mensen die buiten het onderwijs werken wordt minder verdiend dan vergelijkbare personen binnen het onderwijs.5 Overigens maakt het onderzoek ook duidelijk dat de stille reserve in alle regio’s te vinden is, ook in de regio’s waar de grootste tekorten dreigen.

Veel kleine deeltijdbanen

In het primair onderwijs wordt relatief veel in deeltijd gewerkt. Dit hangt samen met het grote aandeel van vrouwen, die ook in andere beroepen dan leraar vaker deeltijd werken. In het primair onderwijs werkt één op de zes leraren in een kleine deeltijdbaan (minder dan 0,5 fte). Iets minder dan de helft van de leraren heeft een voltijdsbaan (meer dan 0,8fte). Resteert ruim een derde van de leraren die in een grotere deeltijdbaan werkt (0,5–0,8 fte).

Uitkeringen

Het aantal WW-uitkeringen voor mensen die in het primair onderwijs hebben gewerkt is het afgelopen jaar gedaald. Eind 2e kwartaal 2017 bedroeg dit aantal 5.728, wat 16% lager is dan de 6.826 uitkeringen einde 2e kwartaal 2016.

De daling is toe te schrijven aan een forse afname van het aantal nieuwe uitkeringen. Het aantal nieuwe uitkeringen was einde 2e kwartaal 2016 nog 1.439, einde 2e kwartaal 2017 was dat 686. Dit is een daling met 52%.

Het aantal personen met een aansluitende uitkering6 na de WW zal de komende jaren echter toenemen. Na de piek in de instroom in de WW van de voorbije jaren, stromen werklozen met een lang dienstverband (met name de ouderen) vanuit de WW door naar de aansluitende uitkering. Eind 2e kwartaal 2016 was er in het primair onderwijs sprake van 2.561 uitkeringen vanuit de Aansluitende Uitkering. Dit is gegroeid naar 3.242 uitkeringen per einde 2e kwartaal 2017. Dit is een toename van 27%. Het Participatiefonds verwacht een verdere toename in 2018. Het gaat hier overigens niet alleen om leraren, maar om alle mensen die in het primair onderwijs hebben gewerkt, zoals onder meer onderwijsassistenten en ambulante begeleiders, en op grond daarvan een WW-uitkering krijgen. Het merendeel van de langdurig uitkeringsgerechtigden is ouder dan 55 jaar.

Over de uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid kan gemeld worden dat dit aantal in het po in 2016 bestaat uit 9.724 personen die een WAO, WIA of IVA uitkering ontvangen. Net als in alle andere arbeidsmarktsectoren loopt dit aantal al jaren terug, met name door de afgenomen instroom in de uitkering.

Onderwijs anders organiseren

De ramingen laten zien dat er sprake is van een stijgende lijn aan tekorten in de komende tien jaar. Er lijkt hier geen sprake van een probleem dat alleen op de korte termijn speelt. Mede hierom is onderzoek uitgevoerd naar scholen die het onderwijs anders organiseren. In dit onderzoek is de nadruk gelegd op de mate waarin dit anders organiseren er voor kan zorgen dat er minder fte’s aan leraren nodig zijn. Daarbij worden dan vaak taken van leraren overgenomen door anderen, zoals bijvoorbeeld het toezicht houden op leerlingen die aan het werk zijn of het organiseren van evenementen op de school. Op dit onderwerp wordt inhoudelijk ingegaan in de brief aan Uw kamer over de Lerarenagenda en het lerarentekort.

Samen met de scholen die het onderwijs anders organiseren zijn schattingen gemaakt hoeveel fte aan lerarenbanen hiermee bespaard zou kunnen worden. Op basis hiervan zijn scenario’s gemaakt met mogelijke opbrengsten als meer scholen het onderwijs anders zouden organiseren. Als 10% van de scholen, die dat nu niet doen, het onderwijs anders zou organiseren dan zou het geraamde tekort van ruim 4.100 fte aan leraren in 2022, afhankelijk van de gekozen methode, kunnen dalen met 400–1.200 fte.

Als 25% van de scholen overstapt op anders organiseren zou er in 2022 een daling van het tekort met duizend tot tweeduizend fte kunnen zijn.

Omvang personeel niet in loondienst verdubbelt

Uit financiële jaarverslagen van scholen in het primair onderwijs blijkt dat het aandeel personeel-niet-in-loondienst in de personeelslasten in de periode 2011–2015 vrijwel verdubbeld is. Daar is niet aangegeven wat de functie van dit personeel is, maar aannemelijk is dat een groot deel van de toename voor rekening van leraren komt. Het gaat om een stijging van 1.9% naar 3,7% van de totale personeelslasten.

Scholen leveren via salarisbureaus alleen gegevens over het personeel in loondienst. Dit betekent dat een deel van de omvang van het personeel niet in beeld is. Dit kan ook consequenties hebben voor bijvoorbeeld de lerarenramingen. Er worden vanuit het ministerie dan ook reeds activiteiten ondernomen om in de nabije toekomst gedetailleerde gegevens hierover te verzamelen.

Voortgezet onderwijs

Afgestudeerden lerarenopleidingen vinden makkelijker een baan

Uit enquêtes blijkt dat het aantal afgestudeerden van lerarenopleidingen dat na een half jaar in het onderwijs werkt in de periode 2013–2016 fors is gestegen van 70% naar 81%. Ook op de iets langere termijn (zowel na een, drie als vijf jaar) is te zien dat een hoger percentage van de afgestudeerden in het onderwijs werkt dan voorheen.

Aantal vacatures neemt toe

Voor het voortgezet onderwijs is de laatste jaren een stijging te zien in het aantal vacatures dat op internet wordt aangetroffen. Bij twee op de vijf vacatures voor leraren in het afgelopen jaar solliciteerden minder dan vijf kandidaten.

Raming tekort iets lager

Net als in het primair onderwijs wordt in het voortgezet onderwijs de komende jaren een tekort aan leraren verwacht. Dit tekort is in het vo echter veel kleiner dan in het po, zowel in absolute als in relatieve zin. In vergelijking met de arbeidsraming van vorig jaar wordt een iets geringer tekort voor de komende jaren verwacht. Geraamd wordt dat bij ongewijzigde omstandigheden er in 2022 een tekort is van 700 fte.

Dat de raming van het tekort iets lager uitvalt dan vorig jaar heeft als voornaamste reden dat leraren gemiddeld iets langer doorwerken tot hun pensionering. Verder heeft de eerdere leerlingdaling in het primair onderwijs inmiddels het voortgezet onderwijs bereikt. Daardoor zullen de komende jaren minder leraren nodig zijn, waardoor de omvangrijke groep die met pensioen gaat voor een groot deel door de nieuwe aanwas kan worden vervangen.

Vanzelfsprekend geldt ook in het voortgezet onderwijs de eerder genoemde kanttekening dat de ramingen verwachtingen opleveren die geldig zijn bij gelijkblijvende omstandigheden. En dezelfde ramingen kunnen er de oorzaak van zijn dat omstandigheden veranderen, door andere gedragingen van (potentiële) leraren en beleid dat gevoerd wordt.

Wat zijn de tekortvakken?

De tekorten in het voortgezet onderwijs hebben een andere structuur dan die in het primair onderwijs. Het is hier niet zozeer de regionale verdeling, maar vooral de verschillende vakken waar de tekortenproblematiek sterk verschilt. Er is in het voortgezet onderwijs sprake van een aantal tekortvakken: Natuurkunde, Scheikunde, Wiskunde, Informatica, Klassieke Talen, Duits en Frans. Voor deze vakken wordt de komende jaren een groeiend tekort verwacht. Voor de overige vakken worden er geen substantiële tekorten verwacht.

Het begrip tekort is relatief. We gaan voor het lerarentekort uit van de zogenaamde vacaturedruk: het aantal niet vervulde vacatures gedeeld door de totale werkgelegenheid voor het vak. Dat betekent dat daarbij de absolute omvang van een vak niet wordt meegerekend. Er zullen bijvoorbeeld veel vacatures zijn voor de grote vakken Nederlands en Engels. Maar omdat deze vakken beiden ongeveer 10% van het totaal aan lesuren in beslag nemen, betekent in dit geval een groot aantal vacatures nog niet dat er ook een groot tekort is. Er studeren bij de lerarenopleidingen voor deze vakken jaarlijks namelijk ook veel studenten af. Voor Klassieke Talen geldt een tegenovergestelde situatie: er worden relatief weinig lesuren in dit vak gegeven. Ondanks een niet zo groot aantal openstaande vacatures is er wel een hoog percentage moeilijk vervulbare vacatures kennen. Daardoor zijn de vakken Nederlands en Engels in de toekomst naar verwachting geen tekortvak en Klassieke Talen wel.

Onbevoegd gegeven lessen zorgen voor extra tekort

De ramingen nemen als startpunt dat alle vacatures vervuld zijn en dat nieuwe vacatures alleen vervuld worden door mensen met de juiste papieren. Een kanttekening hierbij is dat in het voortgezet onderwijs momenteel 4,8% van de lessen onbevoegd wordt gegeven. In de praktijk betekent dat meestal dat de docent wel een onderwijsbevoegdheid heeft maar niet voor het juiste vak. Als in de ramingen ingebouwd zou worden dat hiervoor bevoegd personeel moet worden gevonden, zijn de tekorten groter.

Het percentage onbevoegd gegeven lessen vertoont een dalende trend in het voortgezet onderwijs. In 2016 ging het om 4,8% van de lessen, tegen 5,1% in 2015 en 5,6% in 2014. Als onderscheid gemaakt wordt naar de verschillende onderwijssoorten is te zien dat het hoogste percentage onbevoegd gegeven lessen voorkomt in het vmbo (7,2%) en het laagste in het vwo (2,3%). Tussenposities zijn er voor de havo en de combinatieklassen (voornamelijk brugklassen)

Voor het vmbo geldt dat er relatief veel onbevoegdheid te vinden is in de beroepsgerichte vakken die daar gegeven worden, wat een belangrijke oorzaak is voor het hogere percentage onbevoegd gegeven lessen.

Het percentage bevoegd gegeven lessen is tussen 2014 en 2016 eveneens gedaald, van 88,2% naar 86,8%. Daarmee samenhangend is het percentage benoembaar gegeven lessen is gestegen van 6,2% in 2014 naar 8,3% in 2016. We spreken over benoembaar gegeven lessen als de docent in kwestie (nog) niet over de juiste bevoegdheid beschikt maar op grond van uitzonderingsregels deze lessen wel mag verzorgen (vaak als men nog in opleiding is of op grond van buitenlandse diploma’s).

Omvangrijke stille reserve vo en mbo

Ook in het voortgezet onderwijs is er een stille reserve. Het gaat hier om mensen die een onderwijsdiploma hebben voor het voortgezet onderwijs, en daarmee ook voor deze vakken in het middelbaar beroepsonderwijs. Gezocht is naar mensen die niet arbeidsongeschikt zijn en die niet in het onderwijs werken. Ook hier geldt dat vanwege technische redenen de onderzoeksgroep met name uit personen beneden de 50 jaar bestaat. Voor mensen met een lerarenbevoegdheid vo en mbo geldt dat er ruim 31.000 een andere baan hebben en 20.000 geen baan hebben en niet arbeidsongeschikt zijn. Dus bestaat de groep die in principe in aanmerking kan komen voor een baan in het voortgezet of middelbaar onderwijs uit minimaal 51.000 personen. Dat deze groep groter is dan in het primair onderwijs komt overigens omdat altijd al een kleiner deel van de afgestudeerden van de lerarenopleidingen vo en mbo daadwerkelijk in het onderwijs gaan werken dan bij de Pabo het geval is.

In alle regio’s is er een substantiële reserve naar rato van het aantal als leraar werkenden. Interessant is dat de verhoudingen werkzaam in het onderwijs – elders werkzaam – niet werkzaam ongeveer gelijk zijn bij de verschillende vakken. Dus ook voor de tekortvakken is er een substantiële stille reserve potentieel beschikbaar voor een baan in het onderwijs. Van degenen die elders werken zit een derde in de sector zorg en een kwart in de zakelijke dienstverlening. Een op de zeven werkt voor de overheid. Rekening houdend met leeftijd en geslacht wordt er buiten het onderwijs door twee derde van de werkzame stille reserve minder verdiend dan door vergelijkbare personen binnen het onderwijs.

Veel minder deeltijd aanstellingen dan in het po

In het voortgezet onderwijs heeft een op de twaalf medewerkers een kleinere deeltijdbaan. Acht op de twaalf heeft een voltijdsaanstelling. Ruim drie op de twaalf heeft een grotere deeltijdbaan (0,5–0,8 fte).

Uitkeringen

Het aantal WW-uitkeringen voor mensen die in het voortgezet onderwijs hebben gewerkt is het afgelopen jaar gedaald. Eind 2e kwartaal 2017 bedroeg dit aantal 2.171, einde 2e kwartaal 2016 was dit 2.243. Het aantal nieuwe uitkeringen was einde 2e kwartaal 2016 nog 380, einde 2e kwartaal 2017 was dat 334. Dit is een daling met 12%. Het gaat hier niet alleen om leraren maar om alle mensen die in het voortgezet onderwijs hebben gewerkt en op grond daarvan een WW-uitkering krijgen. Het merendeel van de langdurig uitkeringsgerechtigden is ouder dan 55 jaar.

Het aantal personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering afkomstig uit het vo bedraagt in 2016 4.016.

Personeel niet in loondienst neemt toe

In het voortgezet onderwijs is het aandeel personeel niet in loondienst in de personeelslasten in de periode 2011–2015 eveneens toegenomen, van 2,6% naar 3,4%. Hier geldt, net als in het primair onderwijs, dat het ministerie er naar streeft meer inzicht in deze groep te krijgen.

Middelbaar beroepsonderwijs

Situatie mbo vaak vergelijkbaar met vo

Een deel van de informatie over leraren in het middelbaar beroepsonderwijs is hierboven bij het voortgezet onderwijs te vinden. Leraren met een eerste- of tweedegraads bevoegdheid kunnen hiermee zowel op het vo als het mbo werken. Bij de reeds genoemde informatie gaat het om:

  • Afgestudeerden van de lerarenopleidingen: zowel op korte als langere termijn hebben deze personen vaker een baan in het onderwijs.

  • Tekortvakken: De avo-vakken Natuurkunde, Scheikunde, Wiskunde, Informatica komen ook op het mbo voor. Op het mbo zijn verder als tekortvakken te benoemen de technische en beroepsgerichte onderdelen van de opleidingen.

  • Stille reserve: 51.000 personen met een lesbevoegdheid die niet in het vo of mbo werken.

Aantal vacatures neemt toe

Voor het middelbaar beroeps onderwijs is de laatste jaren een stijging te zien in het aantal vacatures dat op internet wordt aangetroffen. Bij een op de drie vacatures voor leraren solliciteren minder dan 5 kandidaten.

Raming voor het mbo

Een groot deel van de instroom van leraren in het mbo is niet afkomstig van de lerarenopleiding maar van het bedrijfsleven. Daarom is het mbo ook geen «gesloten systeem» waarover exacte ramingen kunnen worden gemaakt als voor het po en vo. Wel kunnen we de verwachte vraag naar leraren in kaart brengen en kijken naar de concurrerende arbeidsmarkt.

De vraag naar nieuwe instroom van leraren neemt de komende twee jaar wat toe en daarna weer iets af, om in 2024 weer iets te stijgen. De hoogte van de instroom is in eerste instantie terug te voeren op het feit dat het mbo de komende jaren te maken heeft met een grote uitstroom van ouder personeel. De daling daarna is weer terug te voeren op de verwachte daling in leerlingaantallen.

De Nederlandse arbeidsmarkt trekt momenteel snel aan, waarbij diverse geluiden te horen zijn over een tekort aan (technische) vakmensen. Grotendeels zijn het juist die vakmensen waar het mbo uit put om leraren van «buiten» aan te trekken.

De verwachting is dat het mbo de komende jaren tekorten kan verwachten op het soort vakken waar het vo dat ook heeft, met daarnaast een steviger concurrentie met de totale arbeidsmarkt.

Onderzoek naar verbetering informatie over leraren

In nauwe samenwerking met de MBO Raad is een onderzoek uitgevoerd bij een tweetal ROC’s naar de mogelijkheden om gegevens te verzamelen op basis van bestaande bestanden bij de instellingen om daarmee meer informatie over leraren beschikbaar te maken, bijvoorbeeld voor de arbeidsmarktramingen.

Veel minder deeltijd aanstellingen dan in het po

In het middelbaar beroepsonderwijs heeft iets minder dan twee derde van de leraren een voltijdsaanstelling. Ruim een kwart heeft een grotere deeltijdbaan (0,5–0,8 fte) en een op de elf een kleinere deeltijdbaan.

Uitkeringen

Het aantal WW-uitkeringen voor mensen die in het middelbaar beroepsonderwijs hebben gewerkt is het afgelopen jaar licht gedaald. Eind 2e kwartaal 2017 bedroeg dit aantal 976, einde 2e kwartaal 2016 was dit nog 994. Het aantal nieuwe uitkeringen was einde 2e kwartaal 2016 nog 169, einde 2e kwartaal 2017 was dat 156. Dit is een daling met 8%.Het gaat hier om alle mensen die in het middelbaar beroepsonderwijs hebben gewerkt en op grond daarvan een WW-uitkering krijgen.

Het aantal personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering afkomstig uit het mbo bedraagt in 2016 2.845.

Personeel in loondienst redelijk stabiel

In de periode 2011–2015 is het aandeel van personeel niet in loondienst op de totale personeelslasten gestegen van 8,8% naar 9.5%. Dat het aandeel personeel niet in loondienst in het mbo veel hoger is dan in het vo en het po heeft onder andere te maken met het feit dat in het mbo meer wordt gewerkt met mensen die nog deels in het bedrijfsleven werken en met de inhuur van specifieke deskundigen voor een deel van het jaar.

Voor alle sectoren: banenafspraak

De banenafspraak en quotumwet geven alle werkgevers in Nederland de opdracht om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen. De overheid en onderwijssectoren hebben hierin een voorbeeldrol (25.000 extra banen in 2024). Recent is echter duidelijk geworden dat de overheid (inclusief de onderwijssectoren) de doelstelling van de banenafspraak voor 2016 niet heeft gehaald. Duidelijk is dat ook de onderwijssectoren moeite hebben met het halen van de doelstelling. Veel ondersteunende functies die geschikt zijn voor mensen uit de doelgroep zijn beperkt aanwezig in het onderwijs, of zijn uitbesteed. Denk daarbij aan conciërges, schoonmakers, banen in de groenvoorziening en catering.

Inmiddels heeft de Staatssecretaris van SZW een brief naar Uw Kamer gestuurd.7 In deze brief wordt de stand van zaken van de banenafspraak bij de overheid uiteengezet. Er wordt een aantal maatregelen aangekondigd om de uiteindelijke doelstelling van de banenafspraak alsnog te halen. Daarnaast wordt het quotum (individuele opdracht per werkgever) voor 2019 geactiveerd. De heffing die de instellingen wordt opgelegd als zij dit quotum niet halen, wordt met een jaar uitgesteld (2020 i.p.v. 2019).

Met deze maatregelen wordt het in 2019 inzichtelijk voor individuele werkgevers in de overheids-en onderwijssectoren in hoeverre zij aan de doelstelling voldoen.

Inmiddels wordt er in de onderwijssectoren alles aan gedaan om arbeidsbeperkten te plaatsen. De voortgang wordt besproken in ieder bestuurlijk overleg tussen OCW en de sectorraden. Onderling wordt er veel aan kennisuitwisseling gedaan en samengewerkt. Ook wordt er veel informatie, zoals nieuws, business cases en informatie over regelingen waarvan gebruik gemaakt kan worden, verstrekt via de websites van onder andere het Ministerie van SZW, het VSO, de PO-Raad en de VO-raad. Voor zowel het primair onderwijs als het voortgezet onderwijs is inmiddels een «goede voorbeeldenboek» ontwikkeld om instellingen te helpen om arbeidsbeperkten in dienst te nemen.8 Er zijn onder andere voorbeelden opgenomen van assistent-conciërges, administratieve ondersteuning en een medewerker reprografie, maar ook functies in de klas zoals iemand die instructies aan leerlingen geeft in het bedienen van de heftruck, iemand die ondersteunt bij de biologie sectie op school en zorgassistenten.

Tot slot

Bovenstaand zijn recente en te verwachten ontwikkelingen op de arbeidsmarkt geschetst. Om voldoende leraren van hoge kwaliteit in het onderwijs te blijven houden zijn er inspanningen nodig, waarvan de aard en ernst per sector verschillen. OCW staat hier niet alleen voor, samen met de sociale partners en de gehele onderwijsketen zijn hier plannen voor ontwikkeld. In de brieven over het lerarentekort en de voortgang van de lerarenagenda kunt u hier meer over lezen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Met name Natuurkunde, Scheikunde, Wiskunde, Informatica, Klassieke Talen, Duits en Frans.

X Noot
3

Zie o.a. de vorige Arbeidsmarktbrief uit november 2016, Kamerstuk 27 923, nr. 232.

X Noot
4

De vorige ramingen verwachtten in het schooljaar 2020/21 een tekort van ruim 4.000 fte aan leraren en op de langere termijn een tekort van 10.000 fte in 2025.

X Noot
5

Vergelijkbare personen betekent hier: gecorrigeerd op invloeden van verschillen in leeftijdsgroepen en geslacht.

X Noot
6

De aansluitende uitkering is een uitkering die volgt op de WW nadat de WW-duur is verlopen. Deze uitkering is opgenomen in de bovenwettelijke regeling WOPO, die onderdeel is van de cao po.

X Noot
7

Brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, inzake Activering quotum arbeidsbeperkten d.d. 8 september 2017 van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mw. Jetta Klijnsma (Kamerstuk 34 352, nr. 65).

X Noot
8

Het rapport met goede voorbeelden in het po is hier te vinden: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/10/01/zonder-waarde-geen-plaatsing

Het rapport met goede voorbeelden in het vo is hier te vinden: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2017/09/28/bekend-maakt-bemind

Naar boven