Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 maart 2016
Hierbij informeer ik u over de personen die in de Basisregistratie Personen (BRP)
geregistreerd staan als uitgesloten van het kiesrecht.
In vervolg op mijn brief van 1 juli 2015 inzake de evaluatie van de gecombineerde
provinciale staten, waterschapsverkiezingen en eilandsraadverkiezingen van 18 maart
20151 en mijn toezegging tijdens het algemeen overleg van 12 november 2015 uw kamer schriftelijk
nader te informeren over de personen die in de BRP zijn uitgesloten van het kiesrecht
bericht ik u over de laatste stand van zaken en de genomen maatregelen.2
Tijdens het algemeen overleg van 12 november 2015 inzake de evaluatie van de verkiezingen
hebben wij o.a. gesproken over de registratie van personen die volgens de BRP zijn
uitgesloten van het kiesrecht, maar waarvan in een aantal gevallen de desbetreffende
gemeenten niet de documenten kon achterhalen waarop de uitsluitingen zijn gebaseerd.
Door het lid Wolbert (PvdA) zijn tijdens het overleg vragen gesteld over de beleidslijn
om van personen waar geen documentatie over de uitsluiting beschikbaar is, het kiesrecht
terug te geven. Ik deel de mening dat het opheffen van een uitsluiting geen automatisme
kan zijn. Het college van burgemeester en wethouders heeft de actieve plicht om de
kiesgerechtigdheid van ingezetenen van de gemeenten op correcte wijze te registreren.
Om die reden worden dan ook alle gevallen waarin in de BRP sprake is van ontzetting
uit het kiesrecht thans individueel onderzocht op de correctheid van de registratie.
Wanneer er een geldige onderbouwing is voor de uitsluiting, blijft de uitsluiting
vanzelfsprekend in stand. Echter, in die gevallen waarin er geen (geldige) onderbouwing
bestaat voor de uitsluiting van het kiesrecht, kan de uitsluiting niet in stand worden
gelaten. Dergelijke onjuiste registratie kan bijvoorbeeld zijn ontstaan, doordat een
wetswijziging niet goed is verwerkt: in 2008 kwam de uitsluiting van onder curatele
gestelde wilsonbekwamen te vervallen. Bekend is dat gemeenten in een aantal gevallen
het opheffen van deze uitsluitingen niet op correcte wijze in de BRP hebben verwerkt.
Krachtens artikel D 1 van de Kieswet is het in eerste instantie de plicht van burgemeester
en wethouders om de juiste registratie van de kiesgerechtigdheid van ingezetenen te
verzorgen. Daarbij kan een uitsluiting pas in aanmerking worden genomen wanneer dat blijkt uit de documentatie die daaraan ten grondslag
ligt. Deze beleidslijn neem ik opnieuw als uitgangspunt voor de gemeenten voor het
komende referendum op 6 april a.s.
In mijn brief van 26 februari 20153 heb ik eerder mijn beleidslijn uiteengezet dat zekerheid moet bestaan of een uitsluiting
van het kiesrecht terecht is. Ik heb de Rijksdienst voor identiteitsgegevens van BZK
verzocht de gemeenten te ondersteunen bij het zoveel als mogelijk achterhalen van
de brongegevens waarop de registratie tot uitsluiting van het kiesrecht berust en
mij te berichten omtrent de resultaten van de acties van de gemeenten. De gezamenlijke
inspanningen hebben geleid tot verlaging van het aantal kiezers dat is geregistreerd
als ontzet uit het kiesrecht tot 56. Voor deze personen moet nog duidelijk worden
of zij op dit moment terecht of onterecht zijn uitgesloten van het kiesrecht. De Rijksdienst
voor identiteitgegevens zal in samenwerking met de betrokken gemeenten dit jaar nog
één maal een poging te doen om zoveel als mogelijk de van het kiesrecht uitgesloten
personen in het BRP waar nog twijfel bestaat over de juistheid van de registratie
te onderzoeken of de reden voor de uitsluiting kan worden gestaafd met onderbouwende
documenten. Ik hanteer daarbij de datum van 1 september 2016 als uiterste termijn
voor de gemeenten om te zorgen dat het BRP alleen van het kiesrecht uitgesloten personen
bevat waarvan een deugdelijke onderbouwing aanwezig is met de reden van uitsluiting.
Over het bovenstaande heb ik een brief gezonden aan de colleges van burgemeester en
wethouders van die gemeenten, waarin nog gevallen van uitsluiting van het kiesrecht
bekend zijn (zie bijlage)4.
Met het oog op de toekomst ben ik voor nieuwe gevallen van ontzetting uit het kiesrecht
met de Minister van Veiligheid en Justitie en met het Openbaar Ministerie in overleg
over een doelmatiger inrichting van de registratie van personen die zijn uitgesloten
van het kiesrecht als gevolg van rechterlijke uitspraken. Voorts onderzoek ik of de
bewaartermijn van de ambtsberichten, op basis waarvan uitsluiting van het kiesrecht
in de BRP wordt vermeld, bij gemeenten kan worden verlengd. Het overleg hierover met
de gemeenten is gestart, waarbij gedacht wordt aan een minimum bewaartermijn van de
duur van de uitsluiting van het kiesrecht plus 1 jaar.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
R.H.A. Plasterk