Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 februari 2026
Op 2 april 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak
gedaan over het gebruik van bestrijdingsmiddelen nabij het Natura 2000-gebied Holtingerveld.
De Afdeling constateerde dat op basis van het beschikbare onderzoek niet kan worden
uitgesloten dat stoffen uit deze middelen significante effecten hebben op beschermde
habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden, en dat aanvullend onderzoek noodzakelijk
is.
Naar aanleiding hiervan heb ik Wageningen Research (WR) opdracht gegeven een verkennend
onderzoek uit te voeren. Hierbij bied ik u het rapport «Pesticiden in terrestrische
Natura 2000-gebieden» aan.
WR concludeert dat het aantal beschikbare meetgegevens zeer beperkt is en dat de kwaliteit
en vergelijkbaarheid van de data niet volledig is geborgd, onder meer ten aanzien
van monstername en tijdstip. Het is belangrijk te benadrukken dat de monsters zijn
verzameld in het kader van onderzoeken uitgevoerd door NGO’s. Dit betekent dat de
resultaten weliswaar bepaalde inzichten kunnen bieden, maar in de context van de gebruikte
onderzoeksmethoden en doelstellingen niet volledig representatief zijn voor alle Natura
2000-gebieden. Voor het formuleren van beleid is het dan ook van belang om aanvullend,
breder onderzoek te laten verrichten door onafhankelijke onderzoekers. Bij dit vervolgonderzoek
is het bovendien van belang om in brede zin te kijken naar mogelijke verspreidingsroutes,
zoals via lucht, oppervlaktewater, grondwater en fauna.
Het rapport wijst er op dat atmosferische depositie een belangrijke route is waarlangs
bestrijdingsmiddelen Natura 2000-gebieden kunnen bereiken, ook over grotere afstanden.
Hierdoor is de aanwezigheid van stoffen in natuurgebieden niet eenduidig te herleiden
tot individuele bedrijven en zijn beïnvloedingsmogelijkheden op uitsluitend bedrijfsniveau
beperkt. Het aantreffen van bestrijdingsmiddelen in natuurgebieden is bovendien niet
uniek voor Nederland; vergelijkbare bevindingen zijn ook bekend uit andere Europese
landen en de Verenigde Staten.
WR adviseert aanvullend onderzoek, onder meer gericht op de ontwikkeling van een monitoringsprotocol
en op een methodiek voor ecologische effectbeoordeling waarmee gemeten concentraties
beter kunnen worden geïnterpreteerd in termen van potentiële ecologische effecten.
Ik onderschrijf deze aanbevelingen en heb reeds opdracht gegeven voor dit vervolgonderzoek.
Over de voortgang van het vervolgonderzoek zal de Kamer worden geïnformeerd.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma