Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202127858 nr. 529

27 858 Gewasbeschermingsbeleid

Nr. 529 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR MEDISCHE ZORG

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 februari 2021

Het kabinet deelt de zorgen van de Kamer over de risico’s van resistente schimmels en houdt daarom de ontwikkeling van de azolenresistentie bij Aspergillus fumigatus nauwlettend in de gaten.

In het debat van 5 januari jl. over de stand van zaken COVID-19 (Handelingen II 2020/21, nr. 40, debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus), heb ik mijn toezegging herhaald dat ik hierover een brief aan de Tweede Kamer zal sturen. Met deze brief, die ik u doe toekomen mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, voldoe ik aan deze toezegging.

De afgelopen jaren is meer inzicht verkregen in de mogelijke bronnen van resistentieontwikkeling. De Tweede Kamer is daarover ook geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nrs. 225, 229, 411, 460).

Aspergillus fumigatus is een schimmelsoort die algemeen voorkomt in het milieu en sporen verspreidt, die overal aanwezig zijn. Het inademen van deze sporen leidt bij gezonde mensen niet tot problemen, maar kan bij patiënten met een verzwakt immuunsysteem, ernstige griep, of met al bestaande afwijkingen in de longen, leiden tot een infectie in de longen. De schimmel A. fumigatus is steeds vaker resistent tegen medicijnen in de groep azolen, hetgeen de behandeling van infecties met A. fumigatus moeilijker maakt. Azool-bevattende middelen zijn belangrijk voor de bestrijding van schimmelinfecties bij de mens, maar hebben ook toepassingen in biociden, in gewasbeschermingsmiddelen, in diergeneesmiddelen en in cosmetische producten.

Volksgezondheid

Voor patiënten met een verzwakt immuunsysteem, ernstige griep, of met bestaande longafwijkingen is een infectie met een schimmel, met Aspergillus, en zeker met een resistente schimmel altijd een groot probleem.

Patiënten met COVID-19

Het Expertisecentrum Schimmelinfecties heeft mij het volgende gemeld. Uit voorlopige analyses blijken Aspergillus infecties voor te komen bij 10 tot 20% van de COVID-19 patiënten op de IC, en blijkt dat patiënten mét Aspergillus meer kans hebben om te overlijden dan COVID-19 patiënten zonder Aspergillus (51% vs. 33%). Momenteel wordt onderzocht hoe het beste om kan worden gegaan met deze schimmelinfectie bij COVID-19-patiënten, waarbij met name wordt gekeken naar risicofactoren, snelle diagnose en optimale behandeling. Overigens betreft waarschijnlijk slechts een klein deel van de schimmelinfecties een infectie met een resistente schimmel.

De analyse van de eerste golf is bijna afgerond en de resultaten zullen naar verwachting medio maart beschikbaar zijn. Onderzoek naar de tweede golf zal nog enkele maanden duren.

Beroepsgroepen hebben een voorlopig behandeladvies opgesteld. Daarin staat dat COVID-19-patiënten op de IC laagdrempelig en regelmatig onderzocht moeten worden op de aanwezigheid van Aspergillus. Indien er aanwijzingen worden gevonden voor aspergillose, wordt geadviseerd hiervoor ook behandeling te starten.

Op dit moment brengen het Expertisecentrum Schimmelinfecties en het RIVM de verschillende schimmels in beeld en onderzoeken zij de resistentiepatronen van deze schimmels. Dit onderzoek zal naar verwachting eind mei zijn afgerond.

Antibiotica resistentie en antimicrobiële resistentie

Binnenkort ontvangt u een brief over de stand van zaken met betrekking tot de aanpak van antibiotica resistentie. We richten ons echter niet alleen meer op ABR, maar ook op het inzicht en vóórkomen van resistentie bij andere microben, zoals schimmels en virussen. De surveillance van antimicrobiële resistentie zal door het RIVM in samenwerking met betrokken stakeholders, zoals zorginstellingen, opgepakt worden en de beschikbare middelen voor onderzoek en innovatie zullen ook ingezet worden voor de bestrijding van resistente schimmels en virussen.

Bronnen van resistentie-ontwikkeling

Het kabinet heeft opdracht gegeven voor een breed onderzoek om meer inzicht te verkrijgen in de mogelijke bronnen van resistentie-ontwikkeling in het milieu. Dit onderzoek heeft zich gericht op bronnen waarbij werd voldaan aan criteria voor resistentieontwikkeling. Dit blijken uitsluitend situaties te zijn waarbij azolen als biociden of gewasbeschermingsmiddelen worden ingezet. Bij het gebruik van azolen als diergeneesmiddel of als toevoegmiddel in cosmetica is resistentieontwikkeling minder waarschijnlijk. Uit dit onderzoek is gebleken dat resistentievorming zich voordoet in tenminste drie hotspots, namelijk bloembollenafval, industrieel groenafval en houtafval. In dit onderzoek zijn in andere mogelijke hotspots, zoals GFT-afval, graan en maiskuilvoer, geen sporen van azolenresistentie aangetroffen (Kamerstuk 27 858, nr. 411). De Kamer is geïnformeerd over aanvullend onderzoek naar het bloembollenafval. Dit onderzoek bevestigde de resistentieontwikkeling in bloembollenafval (Kamerstuk 27 858, nr. 460). Daarna heeft het kabinet opdracht gegeven voor verdiepend onderzoek naar de hotspots in hout- en industrieel groenafval en aanvullend onderzoek naar de mogelijke hotspots in het loof van aardappelen, uien en aardbeien.

De resultaten hiervan komen naar verwachting in het tweede kwartaal ter beschikking, en zullen door de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) aan uw Kamer worden gezonden.

Toelating gewasbeschermingsmiddelen en biociden

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft uw Kamer geïnformeerd over het advies van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) (Kamerstuk 27 858, nr. 486) over de vraag of de resultaten in het onderzoeksrapport van het RIVM (Kamerstuk 27 858, nr. 460) aanleiding gaven om de toelating van gewasbeschermingsmiddelen op basis van azolen te heroverwegen of dat aan het gebruik van azolen aanvullende voorwaarden gesteld moesten worden betreffende de wijze van opslag en de verwerking van plantenafval uit de bollenteelt. Naar aanleiding van dit advies heeft de Minister van LNV aangegeven dat gezamenlijk met de bloembollensector en de professionele afvalverwerkingsbedrijven afspraken gemaakt zullen worden om het met azolen behandelde bollenafval zo snel mogelijk na het ontstaan te verwerken, zodat de resistentieontwikkeling in de afvalhopen van bloembollen wordt voorkomen. Het Kabinet is voornemens om de resistentieontwikkeling onder de aandacht van de Europese Commissie te brengen (Kamerstuk 27 858, nr. 486).

Mogelijke oplossingen

De Minister van LNV heeft tijdens het AO gewasbeschermingsmiddelen op 31 oktober 2019 toegezegd om met de sector in gesprek te gaan om tot een structurele aanpak van de resistentieontwikkeling te komen. De Minister heeft met de sector gesprekken gehad en het Ctgb heeft op verzoek van het ministerie afspraken gemaakt met de sector. Het Ctgb heeft met verschillende partijen, waaronder de bloembollensector, gewerkt aan het vinden van een oplossing voor deze problematiek. De partijen hebben gezamenlijk de complexe afvalstromen van het bloembollenafval, de afvalketen en maatregelen voor het veilig opslaan en verwerken in kaart gebracht. Het Ctgb zal op korte termijn de betreffende toelatingen aanpassen om de resistentieontwikkeling in het afval te voorkomen.

Verder is het Ministerie van LNV in gesprek met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om te verkennen op welke wijze, indien noodzakelijk, via wetswijziging bloembollenafvalhopen verboden kunnen worden. Voor de andere genoemde eventuele hotspots met toepassingen in gewasbescherming of biociden die in de lopende onderzoeken worden geïdentificeerd zullen indien noodzakelijk maatregelen worden genomen door de Minister van LNV en de Staatssecretaris van IenW.

Europese Unie

Het ontwikkelen van resistentie van A. fumigatus tegen azolen houdt niet op bij de grenzen van Nederland. Al eerder heeft het kabinet deze problematiek onder de aandacht gebracht van de Europese Commissie en in maart 2020 heeft de Minister van LNV dit naar aanleiding van het advies van het Ctgb opnieuw gedaan. Het Ministerie van LNV heeft de Europese Commissie gevraagd om een integraal plan van aanpak op te stellen om het ontstaan van resistentie als gevolg van het gebruik van azool bevattende gewasbeschermingsmiddelen te voorkomen. Daarnaast vraagt de Minister van LNV de Europese Commissie om de voorwaarden voor goedkeuring van de betreffende stoffen opnieuw te bezien in relatie tot de resistentieontwikkeling. Nederland heeft op verzoek van de Europese Commissie de diverse onderzoeksrapporten over de resistentieontwikkeling toegestuurd en zal dit ook doen met de rapporten van de nog lopende onderzoeken zodra deze beschikbaar zijn. De Commissie overweegt op dit moment om een mandaat te verstrekken aan EFSA om deze onderzoeksresultaten te beoordelen. De problematiek en de beschikbare Nederlandse onderzoeksresultaten zijn ook onder de aandacht gebracht in de Europese gremia voor de beoordeling van biociden. Het kabinet zal de recente onderzoeksbevindingen over Covid-19 en A. fumigatus eveneens onder de aandacht brengen van de Europese Commissie.

In 2014 heeft de Kamer de motie van het lid Ouwehand (Kamerstuk 27 858, nr. 222) aangenomen, die het kabinet verzoekt om vijf azolen van de markt te halen. Op grond van de Gewasbeschermingsverordening (EG 1107/2009) worden werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen alleen goedgekeurd respectievelijk toegelaten als uit een wetenschappelijke beoordeling blijkt dat deze veilig voor mens, dier en milieu kunnen worden toegepast.

Inmiddels is de Europese goedkeuring van de werkzame stoffen propiconazool en epoxiconazool vervallen. Conform de Verordening worden werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen periodiek opnieuw beoordeeld. Het is de verwachting dat in de tweede helft van dit jaar besluitvorming zal voorliggen over de werkzame stoffen tebuconazool en difenoconazool. De toelating van de werkzame stof bromuconazool loopt nog tot en met 31 januari 2024.

Voor biociden is de Biocidenverordening (EG 528/2012) van kracht. De azolen propiconazool en tebuconazool zijn voor hun schimmelwerende werking goedgekeurd als werkzame stof in biociden, onder andere in houtverduurzamingsmiddelen.

Voor de werkzame stof propiconazool in houtverduurzamingsmiddelen vindt momenteel een Europese herbeoordeling plaats. De Europese Commissie heeft hiervoor een procedurele verlenging voorgesteld tot eind 2022, omdat de beoordeling buiten de schuld van de aanvrager niet tijdig kan worden afgerond.

Nederland zal zich van stemming onthouden met een kritische stemverklaring, waarin wordt aangedrongen om de beoordeling eerder af te ronden, inclusief de afweging van het maatschappelijk belang en de beschikbaarheid van alternatieven voor houtverduurzaming.

Een meerderheid van de azolen wordt op dit moment op Europees niveau herbeoordeeld – een proces dat voor gewasbeschermingsmiddelen naar verwachting nog de komende 1–2 jaar duurt; voor biociden duurt dit waarschijnlijk enkele jaren langer.

Het kabinet heeft bij de Europese Commissie aangedrongen om de onderzoeksresultaten over hotspots van resistentie-ontwikkeling in die herbeoordeling mee te nemen.

De Minister voor Medische Zorg, T. van Ark