Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201527625 nr. 329

27 625 Waterbeleid

Nr. 329 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 oktober 2014

Via deze brief ga ik in op de toezegging die is gedaan tijdens het VAO Waterkwaliteit op 17 juni jl. om u vóór de begrotingsbehandeling te informeren over microplastics en geneesmiddelen in het water. Bij het verzoek werd verwezen naar de aangenomen motie (kamerstuk 33 400 XII, nr. 33) ingediend bij de begrotingsbehandeling 2013. De motie noemt specifiek de vermindering van directe en indirecte lozingen van geneesmiddelen uit ziekenhuizen en andere zorginstellingen.

Verder stuur ik u de appreciatie die u tijdens het AO Milieuraad 15 oktober jl. heeft gevraagd over het RIVM-rapport «Inventarisatie en prioritering van bronnen en emissies van microplastics1

Microplastics

Allereerst ga ik in op het rapport van het RIVM. De inventarisatie van het RIVM beschrijft via welke bronnen op het land microplastics in zee terecht komen. Het RIVM heeft de sectoren, processen en producten die in de nationale emissieregistratie staan als uitgangspunt genomen voor het inventariseren van deze bronnen, waar nodig aangevuld met gegevens van UNEP, Plastic Europe en kennis van experts op gebied van microplastics. Dit betekent dat is aangesloten bij de structuur van een betrouwbaar landelijk systeem van emissies van stoffen uit bronnen.

De bronnen zijn naast een aantal criteria gelegd zoals omvang van de emissie en mogelijkheden voor «quick win» maatregelen en vervolgens gescoord op basis van expert judgement. Er is bij de keuze van de criteria gekozen voor een kwalitatieve benadering. Hieruit is een prioritering naar voren gekomen. Deze prioritering geeft aan bij welke sectoren, producten of processen een emissiereductie het meest relevant, urgent of haalbaar is.

Dat gekozen is voor kwalitatieve criteria en een kwalitatieve invulling is logisch. Er zijn op dit moment nog onvoldoende harde data beschikbaar over emissies van microplastics in het milieu. Het kost tijd om in internationaal verband (OSPAR2 en internationale stroomgebieden) methodieken te ontwikkelen om de aanwezigheid van microplastics betrouwbaar te kunnen meten in het water.

Het doel is om uiterlijk in 2017 de eerste betrouwbare meetresultaten gereed te hebben ten behoeve van de actualisatie van het assessment van het Noordzeemilieu voor de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM).

Dit alles betekent dat de resultaten van deze inventarisatie een goede basis vormen om een keus te kunnen maken welke microplastic bronnen nader bekeken moeten worden. Maar het betekent ook dat een verdiepingsstudie nodig zal zijn om een accuraat beeld te krijgen van onder meer de emissie van de geprioriteerde bronnen. Op basis van het rapport van het RIVM zullen nu als eerste voor verf, lak en kleurstoffen en de schurende reinigingsmiddelen verdiepingsstudies uitgevoerd worden. Bij het uitvoeren van een verdiepingsstudie zullen de betreffende branches worden betrokken.

Dan wat betreft het microplastics beleid. Daar zet ik in op drie trajecten. Het eerste traject betreft het uitfaseren van microplastics in cosmetica in Nederland. De Nederlandse Cosmetica Vereniging (NCV) heeft bij haar leden geëvalueerd wat de voortgang is van het uitfaseren van plastic microbeads in haar producten. Ik ben blij met de vorderingen die de cosmeticabranche maakt. Alle leden van de NCV die plastic microbeads in cosmetica gebruiken, hebben dat inmiddels gestaakt of gaan dit beëindigen. Dit betekent dat op termijn plastic microbeads niet meer zullen voorkomen in scrub, tandpasta, zeep en bad- en doucheschuim. Voor de meerderheid van de bedrijven is dit voor 2017 gerealiseerd. Dit is 80% van de leden van de NCV. Onder deze bedrijven bevinden zich multinationals zoals Unilever, L’Oreal, Colgate Palmolive, Henkel en Johnson & Johnson. Dit zijn bedrijven met grote marktaandelen en daarmee is het effect op het assortiment producten met plastic microbeads op de Nederlandse markt groot. Bovendien strekt dit effect zich uit over een veel grotere markt vanwege het internationale karakter van de cosmetica-industrie.

Het tweede traject betreft het verminderen van emissies van microplastics uit andere bronnen dan cosmetica. Het RIVM-onderzoek «Inventarisatie en prioritering van bronnen en emissies van microplastics» en de nadere verkenning in overleg met de branches zijn daarvan onderdeel.

Het derde traject betreft het Europese spoor. Ik ben in overleg met stakeholders bezig met het formuleren van een voorstel voor een Europees verbod op microplastics in cosmetica. Dit voorstel zal vervolgens besproken worden met de Europese Commissie en lidstaten. Verkennende gesprekken met de Europese Commissie en diverse lidstaten lopen al. Verder werk ik binnen het internationale zeeverdrag OSPAR aan gezamenlijke maatregelen om microplastics in cosmetica en uit andere bronnen uit te faseren dan wel te beperken. Deze trajecten zullen ook worden opgenomen en nader worden toegelicht in het KRM-Programma van Maatregelen dat onderdeel zal uitmaken van het Nationaal Waterplan 2015–2021.

Het ontwerp van het nieuwe Nationaal Waterplan zal eind december ter inzage gaan.

Geneesmiddelen

Ten slotte informeer ik u over de laatste stand van zaken op het dossier geneesmiddelen in het milieu. Voor de aanpak van de belasting van geneesmiddelen naar het milieu volgt het kabinet een ketengerichte benadering. Uitgangspunt bij deze maatschappelijke opgave is het stimuleren van een brongerichte aanpak in het begin van de keten, aangevuld met maatregelen aan het einde van de keten.

Ik informeerde uw Kamer hierover per brief van 2 juni 2014 (Kamerstuk 27 652, nr. 318).

Samen met de ministeries van EZ, BZK en VWS werk ik met het Milieuplatform Zorginstellingen aan de doorontwikkeling van de «Milieuthermometer»: een certificeerbaar milieumanagementsysteem dat een duurzame bedrijfsvoering stimuleert en borgt. Bij deze doorontwikkeling zijn ook lokale overheden betrokken. Mijn inzet is om de verwijdering van medicijnresten uit het afvalwater van zorginstellingen op te nemen in het milieumanagementsysteem. Met de betrokken partijen wil ik ook afspraken maken in de vorm van een Green Deal om gezamenlijk te werken aan bewustwording van het belang van een duurzame bedrijfsvoering in de zorg. Ik verwacht deze Green Deal eind dit jaar te sluiten.

Eind mei is constructief met een delegatie van de farmaceutische industrie overlegd, vervolgoverleg is gepland. Doel van het overleg is te verkennen hoe de farmaceutische industrie concreet kan bijdragen aan de maatschappelijke opgave, in het bijzonder of en op welke wijze de industrie kan bijdragen aan oplossingen bij zorginstellingen.

Op 1 september verrichtte ik de openingshandeling van een proefterrein bij het Antonius Ziekenhuis in Sneek. Bedrijven kunnen op dit proefterrein hun innovatieve technologieën voor zuivering van resten van geneesmiddelen uit ziekenhuis- afvalwater in de praktijk testen en doorontwikkelen. Bij het bezoek werd duidelijk dat al een aantal bedrijven gebruik maakt van de locatie. Deze nieuwe technologieën zullen onder de aandacht gebracht worden van zorginstellingen in Nederland. Dit soort ontwikkelingen versterkt echter ook de Nederlandse positie op de internationale markt van waterzuivering.

Een aantal ziekenhuizen gebruikt of gaat binnenkort gebruik maken van een innovatieve technologie voor zuivering van afvalwater uit zorginstellingen. Naast het zuiveren van het rioolwater van het ziekenhuis, brengt deze techniek ook innovatieve oplossingen voor afval van ziekenhuizen en voedselresten en is dus ook van nut voor andere duurzaamheidthema’s. Ook draagt zij bij aan de verlaging van infectierisico’s en lost zij logistieke problemen op in ziekenhuizen, bijvoorbeeld door de vermindering van liftbewegingen. Daar waar nodig draagt het ministerie bij aan de toepassing van het systeem, bijvoorbeeld door het wegnemen van belemmeringen in de regelgeving.

Naast de hierboven genoemde ontwikkelingen die gericht zijn op de afname van directe lozingen uit zorginstellingen, is er een aantal projecten gaande waar zorginstellingen indirect werken aan de vermindering van de lozing van geneesmiddelen naar het water. Het ziekenhuis in Deventer werkt samen met het Waterschap Groot Salland aan een proef voor het kuurspecifiek inzamelen buiten het ziekenhuis van urine van patiënten die röntgencontrastmiddelen hebben gebruikt. Bijzondere aandacht binnen dit project is er voor het gedrag van patiënten. Ik heb contact met de projectleiding over de voortgang en eventuele wettelijke belemmeringen die men tegenkomt. Bij een positieve uitkomst zal bezien worden hoe deze maatregel verder kan worden verspreid. Ook span ik mij in om eventuele wettelijke belemmeringen weg te nemen. De bestuurlijke startbijeenkomst van dit project heeft recent plaatsgevonden. Het onderzoek start eind dit jaar.

Ook het Reinier de Graaf ziekenhuis in Delft werkt aan een apparaat en bijbehorend logistiek systeem om urine van patiënten in te zamelen. Het werkt hierbij samen met een innovatieve partij voor de verwerking van de ingezamelde urine. Mijn ministerie is al in dit vroege stadium van dit project in gesprek met de initiatiefnemers om te onderzoeken welke bijdrage geleverd kan worden.

Verder ben ik met de Minister van VWS in gesprek met de KNMP, beroeps- en brancheorganisatie voor apothekers, over het wegnemen van barrières bij apothekers voor het innemen van niet-gebruikte of oude geneesmiddelen. Een eerste stap daarin is het vergaren van goede voorbeelden van afspraken tussen gemeente en apotheker en afvalinzamelaars voor het inzamelen van oude of niet-gebruikte geneesmiddelen waarbij apothekers geen of minder barrières ondervinden. De volgende stap is om gezamenlijk deze goede voorbeelden onder de aandacht te gaan brengen bij partijen.

Ik ben in gesprek met de waterschappen en de drinkwaterbedrijven om te komen tot een plan van aanpak waarmee duidelijk wordt op welke wijze deze waterpartijen kunnen bijdragen aan de maatschappelijke opgave.

De Europese Commissie is gestart met het proces voor het opstellen van een strategie voor de aanpak van waterverontreiniging door farmaceutische stoffen. Op 11 september heeft hiervoor een workshop plaatsgevonden. Vertegenwoordigers van het Rijk hebben actief aan deze workshop bijgedragen, aandacht is gevraagd voor de ketengerichte aanpak. Ik blijf dit proces met grote belangstelling volgen en waar mogelijk invloed uitoefenen.

Zoals geschetst span ik mij in om te komen tot een gezamenlijk aanpak met alle relevante partijen.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

De OSPAR Regionale Zeeconventie is verantwoordelijk voor de bescherming van het mariene milieu en biodiversiteit van de Noordoost Atlantische Oceaan, waaronder de Noordzee.