Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201927428 nr. 355

27 428 Beleidsnota Biotechnologie

Nr. 355 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 april 2019

In de Kabinetsreactie1 op de Trendanalyse Biotechnologie 20162 is toegezegd uw Kamer over de voortgang van de in gang gezette acties te informeren. In deze voortgangsbrief beschrijf ik welke stappen zijn gezet om te komen tot modernisering van het veiligheidsbeleid op het gebied van de biotechnologie. Deze brief beantwoordt tevens het verzoek van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 28 maart 2019 om een reactie op het rapport «De stand van de gedachtewisseling over modernisering van het biotechnologiebeleid».

Het kabinet heeft in de genoemde Kabinetsreactie aangekondigd beleid en regulering voor veiligheid biotechnologie te willen moderniseren, zodat deze niet alleen kunnen meegroeien met snelle ontwikkelingen in de biotechnologie maar ook op voldoende maatschappelijk draagvlak kunnen rekenen. Voorts werd daarbij aangegeven dat beleid en regulering mogelijk moeten maken dat de kansen die biotechnologie biedt voor de samenleving zoveel mogelijk kunnen worden benut terwijl tegelijkertijd de veiligheid voor mens en milieu gewaarborgd blijft. In de kabinetsreactie zijn drie sporen geschetst waarlangs de modernisering van het biotechnologiebeleid gestalte wordt gegeven: het agenderen van de noodzaak tot modernisering van de EU-regelgeving, stakeholders betrekken bij de inhoudelijke vormgeving van beleidsmodernisering en de samenleving betrekken bij die modernisering om maatschappelijk draagvlak daarvoor te verkrijgen.

In deze brief beschrijf ik op hoofdlijnen welke activiteiten zijn ondernomen om invulling te geven aan de drie genoemde sporen. In de bijlage bij deze brief worden de resultaten daarvan uitgebreider toegelicht3.

Europees agenderen van de noodzaak voor modernisering van de EU regelgeving

Over de Nederlandse inzet tot agendering van een beleidsmodernisering in Europa heb ik u in mijn brief van 30 november 2018 geïnformeerd, naar aanleiding van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie over de uitleg van de Richtlijn 2001/18/EU (de ggo-richtlijn)4.

In reactie op recente Kamervragen inzake de regulering van gentherapie is ook de Nederlandse inzet in Europa voor dit toepassingsgebied van biotechnologie beschreven5.

Ik heb aldus op niet aflatende wijze bij de Europese Commissie aangedrongen op enerzijds Europese harmonisatie ter verdere verkleining van de verschillen in het «level playing field» tussen de verschillende Europese lidstaten en anderzijds het starten van een Europese discussie over actualisering en mogelijk zelfs herziening van Europees beleid en Europese regelgeving.

Daarnaast is de noodzaak voor beleidsmodernisering op ambtelijk niveau met de EU-lidstaten besproken. Hoewel de standpunten van de lidstaten nog zeer uiteenlopen, lijken zij bereid tot een discussie over dit onderwerp, maar is de Europese Commissie daarover aanzienlijk terughoudender. Omdat de huidige Europese Commissie dit jaar wordt opgevolgd door een nieuw te benoemen Commissie, is mijn inzet erop gericht om de noodzaak tot actualisering en modernisering van de Europese ggo-regelgeving expliciet op te doen nemen in het vast te stellen werkprogramma van de nieuwe Europese Commissie. Alleen dan kan voldoende politiek mandaat worden verkregen om een discussie daarover met gezag en op het juiste beleidsniveau te voeren.

Het doel is om ook op de langere termijn Europees beleid en regelgeving goed toegesneden te laten zijn op de voortgaande ontwikkelingen in de biotechnologie.

Stakeholders betrekken bij de inhoudelijke vormgeving van de modernisering

In de afgelopen periode is intensief met een brede groep van stakeholders overleg gevoerd om in beeld te krijgen welke wensen en voorkeuren zij vanuit hun respectievelijke invalshoeken hebben op het gebied van beleidsmodernisering. Het overleg is gevoerd met bedrijfsleven, beroepsverenigingen, belangenverenigingen, ethici, kennisinstellingen, NGO’s, overheden en maatschappelijke organisaties. Tijdens bijeenkomsten en werkgroepen in 2017 is samengewerkt om duidelijk krijgen welke bouwstenen van belang zijn voor een gemoderniseerd veiligheidsbeleid op het gebied van de biotechnologie. Fase 1 van die samenwerking is in oktober 2018 afgerond met het document «De stand van de gedachtewisseling over modernisering van het biotechnologiebeleid»6. Deze «stand van de gedachtewisseling» wil ik gebruiken als basis voor een voortgezette dialoog met de stakeholders waarin hun wensen en voorkeuren concreet gestalte moeten krijgen. De eerste bijeenkomst hierover vond plaats op 12 maart jongstleden. De deelnemers gaven aan dat zij deze dialoog waardevol vinden. Zij zijn bereid tot het voortzetten van het overleg over modernisering van het beleid, waarbij het totale speelveld is opgedeeld in drie onderdelen, de medische toepassingen (de rode biotechnologie) de industriële toepassingen (de witte biotechnologie) en de toepassingen in de land- en tuinbouw, inclusief de voedselproductie (de groene biotechnologie). Bovendien is afgesproken daarbij expliciet onderscheid te maken tussen aspecten die nationaal kunnen worden gerealiseerd en aspecten waarvoor Europese inzet noodzakelijk is. Aldus is Fase 2 van de samenwerking met stakeholders onlangs van start gegaan met als doel om binnen circa twee jaar een concrete uitwerking voorhanden te hebben van onderwerpen en thema’s die in het kader van beleidsmodernisering van belang worden geacht. Daarbij gaat het onder meer om het optimaliseren van de uitvoeringspraktijk van de vergunningverlening op het gebied van de biotechnologie, het waarborgen van de keuzevrijheid van burgers en professionele gebruikers ten aanzien van producten die wel of juist niet met ggo’s tot stand zijn voortgebracht en het ontwikkelen van instrumenten ten behoeve van het Europees beleid en regelgeving die goed toegesneden zijn op de technologische ontwikkelingen in de biotechnologie.

Ten aanzien van het optimaliseren van de uitvoeringspraktijk bij de vergunningverlening zijn in 2017 en 2018 bovendien twee succesvolle samenwerkingsprojecten afgerond waarin praktische knelpunten zijn geïdentificeerd en opgelost. Daarnaast is, mede naar aanleiding van een advies7 van de Commissie Genetische Modificatie (COGEM) besloten tot het schrappen van de vergunningplicht voor ingeperkt gebruik op inperkingsniveau II, zodat met een meldingsplicht volstaan kan worden.

De samenleving betrekken ten behoeve van maatschappelijk draagvlak

Om de samenleving te betrekken bij de beleidsmodernisering is in 2017 een publiekswebsite over biotechnologie ingesteld8. Het doel daarvan is om het brede publiek te informeren over actuele ontwikkelingen in de biotechnologie. Tevens is een onderzoek uitgevoerd naar publieksopvattingen in Nederland over moderne biotechnologie9. Hieruit bleek onder andere dat deelnemers aan het onderzoek scherp onderscheid maken tussen verschillende toepassingen. Zo kunnen toepassingen met een duidelijk nut, zoals het uitbannen van ziektes en honger, veelal op goedkeuring rekenen, terwijl deelnemers kritisch zijn als winstbejag of plezier het voornaamste oogmerk is. Met de website en het onderzoek is een eerste aanzet gegeven tot uitvoering van de Motie Bosma/Van der Velde10 en is het publiek betrokken bij de gedachtenvorming over huidige ontwikkelingen in de biotechnologie.

Zodra in de komende fasen van de beleidsmodernisering specifieke onderwerpen zich aandienen over biotechnologische en/of beleidsontwikkelingen die een voortgezette betrokkenheid van het bredere publiek rechtvaardigen, dan zal ik overwegen opnieuw gebruik te maken van het instrumentarium dat in het kader van het genoemde publieksonderzoek is ontwikkeld.

Overige activiteiten in het kader van de modernisering

Over ontwikkelingen in de biotechnologie en de mogelijke beleidsconsequenties daarvan word ik voortdurend op de hoogte gehouden door signaleringen, onderzoeken en adviezen van de Commissie Genetische Modificatie (COGEM) en het RIVM. Dit stelt mij in staat actuele ontwikkelingen op de voet te volgen en daarop – indien dat noodzakelijk is – tijdig te kunnen inspelen. Nadere details over de voornaamste signaleringen, onderzoeken en adviezen in dit verband, worden in de bijlage bij deze brief nader toegelicht11.

Momenteel vindt een evaluatie plaats van het Besluit en de Regeling ggo milieubeheer 2013. Deze evaluatie is destijds aan uw Kamer toegezegd en de resultaten van deze evaluatie zijn eveneens van belang voor de verdere ontwikkeling van beleid en regelgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid van toepassingen in de biotechnologie. De resultaten van deze evaluatie zal ik u deze zomer, voorzien van een beleidsreactie, doen toekomen.

Tot slot

Op Europees gebied blijft Nederland pleiten voor modernisering van het biotechnologiebeleid. Nederland vindt het dringend noodzakelijk om de Europese ggo-regelgeving te actualiseren en zo nodig aan te passen in het licht van de voortschrijdende biotechnologische ontwikkelingen. Nederland maakt zich sterk voor een concreet en toereikend politiek mandaat hiertoe in het werkprogramma van de nieuwe Europese Commissie, dat een essentiële voorwaarde is om ook in Europa stappen tot beleidsmodernisering te kunnen zetten en daarover op het juiste beleidsniveau dialogen te kunnen entameren.

Het realiseren van een gemoderniseerd biotechnologiebeleid is echter, ook gezien het internationale karakter van het beleid en de regelgeving, niet op korte termijn te verwachten. Anderzijds is de maatschappelijke urgentie hoog om te komen tot verbeteringen in Europees beleid en regelgeving. De inbreng van stakeholders is daarbij van groot belang, evenals voldoende draagvlak daarvoor in de samenleving. De in deze brief beschreven activiteiten in het kader van de beleidsmodernisering, alsook de tussenresultaten daarvan, bevestigen mijn beeld dat het noodzakelijk is door te gaan op de ingeslagen weg. Ik zal mij daarvoor de komende periode blijven inzetten en u van belangrijke ontwikkelingen op de hoogte houden.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer


X Noot
1

Kamerstuk 27 428, nr. 335

X Noot
2

Kamerstuk 27 428, nr. 330

X Noot
3

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
4

Kamerstuk 27 428, nr. 353

X Noot
5

Aanhangsel Handelingen II 2018/2019, nrs. 1349 en 1351

X Noot
7

CGM/181108-02, advies COGEM d.d. 8 november 2018

X Noot
10

Kamerstuk 27 428, nr. 340

X Noot
11

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl