Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-200027293 nr. 1;2

27 293
Wet op het BTW-compensatiefonds

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet houdende wet op het BTW-compensatiefonds.

De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

18 september 2000

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut ! doen te weten:

Alzo Wij in overweging hebben genomen dat het wenselijk is gemeenten en provincies te compenseren voor de lasten van de heffing van omzetbelasting om daarmee de afweging tussen het zelf uitvoeren van activiteiten en het uitbesteden daarvan te verbeteren;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;

b. Zesde BTW-richtlijn; Richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977, betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag;

c. publiekrechtelijk lichaam: een provincie, dan wel een gemeente;

d. omzetbelasting: de belasting die wordt geheven in de lidstaten van de Europese Unie krachtens de nationale wetgeving die is gebaseerd op de Zesde BTW-richtlijn, alsmede de belasting die het karakter van een omzetbelasting heeft en krachtens de nationale wetgeving wordt geheven in de EVA-staten genoemd in artikel 2, onderdeel b, van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

e. bijdrage: bijdrage aan een publiekrechtelijk lichaam ter financiering van uitgaven inzake omzetbelasting onder bij deze wet te stellen voorwaarden;

f. tijdvak: kalendermaand waarin het recht op bijdrage of de verschuldigdheid ervan ontstaat;

g. fonds: het BTW-compensatiefonds;

h. uitkeringsjaar: het kalenderjaar waarover het recht op uitkering ontstaat.

i. de inspecteur: de inspecteur van de die bevoegd is voor de heffing van de omzetbelasting ten aanzien van een publiekrechtelijk lichaam waarop deze wet van toepassing is.

2. Voorzover niet anders is bepaald, hebben de begrippen die in deze wet en de daarop berustende bepalingen worden gebruikt en die zijn ontleend aan de Wet op de omzetbelasting 1968, dezelfde betekenis als de begrippen in die wet en de daarop berustende bepalingen.

Artikel 2

1. Er is een BTW-compensatiefonds.

2. Het fonds is een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 2 van de Comptabiliteitswet.

3. Onze Minister voert het beheer over de begroting van het fonds.

4. Het fonds wordt gevoed door voor ieder uitkeringsjaar bij wet een bedrag aan middelen van het Rijk ten behoeve van het fonds af te zonderen.

Onze Minister kan nadere regels stellen ter bepaling van de wijze van voeding van het fonds.

5. Ten gunste van de begroting van het fonds van enig jaar wordt het gerealiseerde batig saldo van het fonds van het voorafgaande jaar gebracht.

6. De uitgaven van het fonds worden gevormd door:

a. bijdragen;

b. de uitgaven ten behoeve van het beheer van het fonds.

Onze Minister kan nadere regels stellen ter bepaling van de wijze van uitkering van het fonds en het verstrekken van voorschotten.

7. Ten laste van de begroting van het fonds van enig jaar wordt het gerealiseerde nadelig saldo van het fonds van het voorafgaande jaar gebracht.

8. In afwijking van de artikelen 4, tweede lid, en 65, tweede lid, aanhef en onder a, van de Comptabiliteitswet hebben de begroting en de financiële verantwoording betrekking op de uitgaven en ontvangsten van het fonds.

9. De inspecteur verstrekt de gegevens die nodig zijn ten behoeve van het beheer van het fonds.

10. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de minimale hoogte van de bijdragen uit het fonds.

Onze Minister kan daarbij nadere regels stellen met betrekking tot de toepassing van een vereveningsfactor in verband met de budgettaire verwerking daarvan voorzover de bijdragen uit het fonds op grond van dit lid meer bedragen dan de bijdragen waarop recht bestaat op grond van de overige bepalingen van deze wet.

Onze Minister kan voorts nadere regels stellen met betrekking tot een verevening van de in de vorige volzin bedoelde uitgekeerde hogere bijdragen in een kalenderjaar met bijdragen over daarop volgende kalenderjaren voorzover laatstbedoelde bijdragen de minimale hoogte van de bijdragen uit het fonds in die jaren overtreffen.

11. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de toepassing van een vereveningsfactor op de bijdragen in verband met de budgettaire verwerking van bijdragen die samenhangen met bijdragen, anders dan vanwege betalingen op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968.

Artikel 3

Het publiekrechtelijk lichaam heeft recht op een bijdrage uit het fonds ter financiering van:

a. de omzetbelasting die aan het publiekrechtelijk lichaam in rekening is gebracht, dan wel van het publiekrechtelijk lichaam wordt geheven, ter zake van aan hem verrichte leveringen en verleende diensten;

b. de omzetbelasting die van het publiekrechtelijk lichaam wordt geheven ingevolge een door hem verrichte intracommunautaire verwerving;

c. de omzetbelasting die wordt geheven ter zake van de invoer van voor het publiekrechtelijk lichaam bestemde goederen;

voorzover die belasting betrekking heeft op goederen en diensten die het publiekrechtelijk lichaam bezigt anders dan in het kader van zijn onderneming.

Artikel 4

Bij algemene maatregel van bestuur kan het recht op een bijdrage geheel of gedeeltelijk worden uitgesloten voor de omzetbelasting op goederen en diensten welke worden gebezigd voor:

a. het bij wijze van subsidie in natura of als gift ter beschikking stellen of verstrekken van goederen of verlenen van diensten aan degenen bij wie, indien aan hen ter zake omzetbelasting in rekening is of zou zijn gebracht, deze in het geheel niet of hoofdzakelijk niet voor aftrek in aanmerking komt of zou komen;

b. het verrichten van prestaties, al dan niet tegen vergoeding, die, indien zij door een ondernemer worden verricht, zijn vrijgesteld ingevolge artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968.

Artikel 5

Het recht op bijdrage ontstaat op het tijdstip waarop de omzetbelasting aan het publiekrechtelijk lichaam in rekening wordt gebracht, dan wel op het tijdstip waarop de omzetbelasting wordt verschuldigd.

Artikel 6

1. De bijdrage wordt naar evenredigheid verschuldigd op het tijdstip waarop en voorzover redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het bedrag waarop de bijdrage betrekking heeft, niet of niet geheel zal worden betaald dan wel is terugontvangen.

2. De bijdrage wordt in ieder geval verschuldigd twee jaren na de opeisbaarheid van de vergoeding, voorzover deze op dat tijdstip nog niet is betaald.

Artikel 7

1. De bijdrage wordt bepaald overeenkomstig de bestemming van de goederen en diensten op het tijdstip waarop de omzetbelasting aan het publiekrechtelijk lichaam in rekening wordt gebracht, dan wel op het tijdstip waarop de omzetbelasting wordt verschuldigd.

2. Indien op het tijdstip waarop het publiekrechtelijk lichaam de goederen en diensten gaat bezigen, blijkt, dat de omzetbelasting ter financiering waarvan de bijdrage strekt voor een groter of kleiner gedeelte tot bijdrage heeft geleid dan waartoe het publiekrechtelijk lichaam op grond van het gebruik van de goederen en diensten is gerechtigd, wordt de te veel ontvangen bijdrage op dat tijdstip verschuldigd, dan wel ontstaat op dat tijdstip een recht op bijdrage ter hoogte van de te weinig ontvangen bijdrage.

Artikel 8

Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de bijdrage ingeval de goederen en diensten zowel worden bestemd of gebezigd in het kader van de onderneming van het publiekrechtelijk lichaam als in het kader van andere doeleinden van het publiekrechtelijk lichaam.

Artikel 9

1. De inspecteur als bedoeld in artikel 1, onderdeel i, is mede bevoegd voor de toepassing van deze wet ten aanzien van het publiekrechtelijk lichaam.

2. Voor het einde van de maand volgend op het tijdvak waarin het recht op bijdrage is ontstaan, dan wel een eerder verstrekte bijdrage geheel of gedeeltelijk verschuldigd is geworden, wordt daarvan opgave gedaan. De inspecteur kan bij beschikking afwijken van de opgave. Binnen een kalenderjaar kan de inspecteur voorts bij beschikking afwijken van de opgaven die zijn gedaan met betrekking tot dat jaar indien blijkt dat op grond daarvan voor een onjuist bedrag bijdrage is verstrekt. Voorzover blijkt dat voor een onjuist bedrag bijdrage is verstrekt wordt deze uitbetaald, teruggevorderd dan wel verrekend met omzetbelasting met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tiende lid, over de minimale hoogte van de bijdrage.

3. Na afloop van het kalenderjaar stelt de inspecteur de bijdrage over dat jaar op grond van de bepalingen van deze wet bij beschikking vast. Het verschil tussen de bij de in de vorige volzin bedoelde beschikking vastgestelde bijdrage en de over het kalenderjaar verstrekte bijdrage wordt uitbetaald, teruggevorderd dan wel verrekend met omzetbelasting met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, tiende lid, over de minimale hoogte van de bijdrage.

4. Indien uiterlijk vijf jaren na het einde van het kalenderjaar blijkt dat bijdrage over dat jaar is verstrekt tot een hoger of lager bedrag dan waarop het publiekrechtelijk lichaam op grond van deze wet recht heeft, stelt de inspecteur de hoogte van de bijdrage over het desbetreffende kalenderjaar vast bij beschikking en wordt het verschil met de over dat kalenderjaar verstrekte bijdrage uitbetaald, teruggevorderd dan wel verrekend met omzetbelasting en de daarover berekende heffingsrente. Voor de toepassing van dit lid wordt rente berekend op grond van het vijfde lid beschouwd als bijdrage.

5. In de gevallen bedoeld in het vierde lid wordt rente berekend. Hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing als ware de bijdrage omzetbelasting, met dien verstande dat rente wordt berekend met ingang van de eerste dag van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft.

6. Hetgeen voor de omzetbelasting onherroepelijk komt vast te staan, geldt mede ten aanzien van de toepassing van deze wet.

7. In afwijking in zoverre van de hoofdstukken 6, 7 en 8 van de Algemene wet bestuursrecht is, met betrekking tot het bezwaar tegen een op de voet van het tweede, het derde lid of het vierde lid genomen beschikking, met betrekking tot beroep ter zake van een uitspraak op het desbetreffende bezwaar, alsmede met betrekking tot beroep in cassatie ter zake van de desbetreffende rechterlijke uitspraak, hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.

8. De artikelen 47, 48 tot en met 56 en 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 34 van de Wet op de omzetbelasting 1968 zijn van overeenkomstige toepassing.

9. Onze Minister kan nadere regels stellen ter uitvoering van hetgeen in dit artikel is bepaald.

Artikel 10

Het tweede lid van artikel 229b van de Gemeentewet komt als volgt te luiden:

2. Onder de in het eerste lid bedoelde lasten worden mede verstaan:

a. bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa;

b. de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het BTW-compensatie- fonds recht geeft op een bijdrage uit het fonds.

Artikel 11

Het tweede lid van artikel 225 van de Provinciewet komt als volgt te luiden:

2. Onder de in het eerste lid bedoelde lasten worden mede verstaan:

a. bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa;

b. de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het BTW-compensatie- fonds recht geeft op een bijdrage uit het fonds.

Artikel 12

Het tweede lid van artikel 15.33 van de Wet milieubeheer wordt vernummerd tot lid drie. Het tweede lid komt als volgt te luiden:

2. Onder de in het eerste lid bedoelde kosten wordt mede verstaan de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het fonds.

Artikel 13

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2002.

Artikel 14

Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het BTW-compensatiefonds.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad wordt geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Financiën,

De Staatssecretaris van Financiën,

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,