26 991 Voedselveiligheid

Nr. 509 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 16 oktober 2017

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 5 september 2017 over het onderzoek naar fipronil in eieren (Kamerstuk 26 991, nr. 491).

De vragen en opmerkingen zijn op 11 september 2017 aan de Minister van Economische Zaken en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 13 oktober 2017 zijn de vragen beantwoord.

De fungerend voorzitter van de commissie, Ziengs

Adjunct-griffier van de commissie, Konings

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de opzet voor het onderzoek naar fipronil in eieren. Deze leden hebben hierover nog een aantal opmerkingen. Ook willen zij nog een aantal (deel)vragen toevoegen aan de onderzoeksopzet.

De leden van de VVD-fractie constateren dat de onderzoeksopzet in de vraagstelling erg gericht is op de crisis die ontstaan is na de vondst van fipronil in eieren. Op welke manier wordt geborgd dat er breder wordt gekeken dan alleen naar deze crisis, zodat van deze crisis geleerd kan worden en daarmee andere crises kunnen worden voorkomen? Heeft de onderzoekscommissie alleen een opdracht voor dit onderzoek of wordt van deze commissie ook gevraagd breder naar het functioneren van de verschillende actoren te kijken dan louter gedurende deze crisis? Is het gekozen tijdpad een realistisch tijdpad of zijn er onderdelen die naar verwachting meer tijd kosten? Welke mogelijkheden ziet het kabinet om ervoor te zorgen dat de onderzoekscommissie ook toeziet op de implementatie en uitvoering van de aanbevelingen, zoals eerder ook gebeurde bij toezichthoudende organisaties in de gezondheidszorg?

De leden van de VVD-fractie constateren dat in de onderzoeksopdracht het handelen van de ministeries en de betrokken bewindspersonen summier wordt genoemd. Gezien de toezegging in het debat om ook naar het eigen functioneren te kijken, vragen deze leden dit nadrukkelijk mee te nemen in het onderzoek, met name onder onderzoeksvraag 3.

De specifieke onderzoeksvragen beginnen met de rol en de verantwoordelijkheid van de verschillende actoren in de eierketen ten aanzien van de borging van de voedselveiligheid. De leden van de VVD-fractie willen graag de volgende (sub)vragen toevoegen aan de onderzoeksopzet:

  • Is de wetgeving voldoende duidelijk en niet multi-interpretabel?

  • Op welke manier worden wijzigingen van de wet- en regelgeving gecommuniceerd op een zodanige wijze dat ook een eenmansbedrijf hiervan kennis kan nemen?

  • Wat is de rol van de overheid en politiek hierin?

  • Wat was de bekendheid van de ongediertebestrijders/servicebedrijven met de wet en het gebruik van de middelen?

De leden van de VVD-fractie merken op dat in het debat aandacht is gevraagd voor de biocideverordening en de detergentenverordening. Naar aanleiding daarvan stellen deze leden de vraag of er een duidelijke scheidslijn is tussen deze verordeningen, zodat er geen grijs gebied bestaat tussen, in dit voorbeeld, het gebruik van een middel als bestrijdingsmiddel van bloedluis of het gebruik van een middel als beheersing van bloedluis.

Bij de rol van de verschillende actoren in de eierketen willen de leden van de VVD-nadrukkelijk meegeven dat er niet alleen vanuit deze crisis gedacht en gekeken moet worden, maar ook breder, zodat andere sectoren hiermee ook hun voordeel kunnen doen.

Bij de rol en verantwoordelijkheid van de verschillende actoren in de toezichtketen ten aanzien van de borging van de voedselveiligheid is het belangrijk om inzicht te krijgen in de verschillende vragen. Daarnaast willen de leden van de VVD-fractie zicht krijgen op hoe groot de kans is dat een bedrijf dat adverteert en op beurzen een product promoot, gecontroleerd wordt door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Ligt dit bij de NVWA of bij een andere organisatie?

De leden van de VVD-fractie zijn enigszins verbaasd dat de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) is opgenomen in de onderzoeksvraag, terwijl deze organisatie niet eerder naar voren is gebracht. Vanuit welke verantwoordelijkheid wordt zij betrokken bij dit onderzoek?

De leden van de VVD-fractie zouden naar aanleiding van een aantal feiten, zoals het niet terug kunnen vinden in het systeem van een anonieme melding, aandacht willen vragen voor de ICT en het systeem dat zorg moet dragen voor een goede registratie. Is het niet terug kunnen vinden van een melding een incident of zijn er structurele verbeterpunten ten aanzien van het registratiesysteem?

Deze leden willen naast de «waarom»-vraag inzake strafrechtelijk onderzoek en handhavende acties ook graag een toelichting op wanneer wordt gekozen voor het starten van een strafrechtelijk onderzoek en in welke situaties wordt gekozen voor handhavende acties.

Onder onderzoeksvraag 3 is een vraag toegevoegd over de mate waarin de NVWA is toegerust om haar taken uit te voeren. De leden van de VVD-fractie willen hier graag de vraag aan toevoegen of de NVWA op dit moment efficiënt en effectief werkt en waar mogelijke verbeterpunten liggen. In het verlengde hiervan vragen deze leden of de verschillende taken, waaronder het opstellen van beleidsregels en het toezicht houden op de uitvoering daarvan, voldoende onafhankelijk van elkaar worden uitgevoerd. In hoeverre is het wenselijk dat deze taken, net als bij andere toezichthouders reeds is ingezet, meer van elkaar worden gescheiden? Daarnaast willen deze leden de vraag toevoegen in hoeverre de ontstane situatie zou zijn voorgevallen indien het Plan van aanpak NVWA 2020 volledig zou zijn uitgevoerd.

Er worden verschillende vragen gesteld over of er voldoende kennis aanwezig is. In aanvulling hierop willen de leden van de VVD-fractie graag weten of specifieke kennis, waaronder toxicologische kennis, per definitie bij iedere organisatie aanwezig moet zijn of dat deze kennis gedeeld kan worden tussen verschillende organisaties en op welke manier.

De leden van de VVD-fractie lezen tot slot dat in het onderzoek ook zal worden gekeken naar de verschillende EU-landen en de Europese Commissie. Deze leden willen graag inzichtelijk krijgen of alle lidstaten tijdens deze crisis daadwerkelijk dezelfde norm hebben gehanteerd en op welke wijze hierop voldoende is toegezien door de autoriteiten.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de onderzoeksopzet voor de evaluatie van de crisis inzake fipronil in eieren. Deze leden vinden het goed dat er een onafhankelijk onderzoek komt en dat hun verzoek om de onderzoeksvragen voor te leggen aan de Kamer is gehonoreerd. Zij hebben nog wel een aantal vragen.

De leden van de CDA-fractie vragen om bij centrale onderzoeksvraag 3, onderdeel 4 van de specifieke onderzoeksvragen, de vraag op te nemen hoe de besluitvorming binnen de departementen verliep en wat de rol daarin was van de desbetreffende bewindspersonen. Kan dit? Zo nee, waarom niet?

Deze leden vragen om aanvullend aan onderzoeksvraag 3, onderdeel 14 van de specifieke onderzoeksvragen, de vraag op te nemen of er mogelijk nog andere rapporten, waaronder rapporten van de European Food Safety Authority (EFSA), betrokken hadden moeten worden bij de risicobeoordeling door het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (bureau). Zij vragen ook om de vraag op te nemen wat het verschil was in de risicobeoordeling van bureau eind 2016 en die van juli 2017 en op basis van welke gegevens, en in het bijzonder in hoeverre de risicobeoordelingen van elkaar verschilden, is besloten tot verschillende wijzen van ingrijpen. Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie om bij deze vragen in te gaan op het verschil in beoordeling eind 2016 en die van juli 2017 ten aanzien van de veronderstelling bij de risicobeoordeling in juli 2017 dat er werd uitgegaan van een lange, dagelijkse blootstelling als aangegeven in de beantwoording van schriftelijke vragen.1

De leden van de CDA-fractie vragen zich af in hoeverre de voorbereiding van een strafrechtelijk onderzoek, zoals vermeld in Kamerstuk 26 991, nr. 489, het melden van onregelmatigheden ten aanzien van een bepaalde stof, in dit geval fipronil, aan sectorpartijen in de weg staat. Zijn er mogelijkheden om bij het instellen van de voorbereiding van een strafrechtelijk onderzoek ervoor te zorgen dat het gebruik van de stof wordt voorkomen? Deze leden dringen erop aan deze specifieke vragen in aanvulling op de vragen onder centrale onderzoeksvraag 3, onderdeel 16, van de specifieke onderzoeksvragen op te nemen in de lijst met vragen. Daarnaast vragen zij om in het onderzoek in te gaan op wat de voorbereiding van een strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de anonieme tip in november 2016 heeft ingehouden. Kan daarbij ingegaan worden op welke wijze het dossier is overgedragen en welke acties vervolgens zijn ondernomen? Kan tevens een beoordeling gegeven worden of dat adequaat is verlopen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie danken de ministers voor het toesturen van de onderzoeksopzet. Deze leden maken graag gebruik van de mogelijkheid tot het stellen van enkele aanvullende vragen en wensen de commissie-Sorgdrager alvast een voortvarend onderzoek toe.

De eerste onderzoeksvraag richt zich op de rol en verantwoordelijkheden van de verschillende actoren in de eierketen. In dat kader zouden deze leden graag zien dat de subvraag over hoe de zelfregulering in de sector werkte en wat hierin verbeterd kan worden, ook expliciet aandacht heeft voor de motivatie waarom de zelfregulering kennelijk tekortschoot en voor de relatie tussen de sector en de toezichtketen. In het bijzonder zijn zij geïnteresseerd in de rol en het functioneren van de Stichting Ketenborging in het verbinden van het private systeem van zelfregulering met het publieke toezicht.

Ten aanzien van de vierde onderzoeksvraag zouden leden van de D66-fractie ook graag de vraag beantwoord zien hoe de Europese afstemming van de NVWA verlopen is ten aanzien van de blootstellingsperiode en de dosering waarboven eieren teruggeroepen werden. Daar lijken namelijk in ieder geval tussen Nederland, België en Duitsland verschillen in gezeten te hebben, en voor toekomstige crises is het interessant te leren waarom en hoe deze ontstaan zijn. In het bijzonder zijn deze leden geïnteresseerd in de rol en het functioneren van de verbindingspersonen die de NVWA heeft aangesteld voor het onderhouden van de contacten met de Belgische en Duitse collega-organisaties.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie hebben kennisgenomen van de onderzoeksopzet en de planning van het onderzoek over fipronil in eieren. Deze leden hebben nog enkele vragen over de onderzoeksopzet.

De leden van de GroenLinks-fractie zijn blij dat naast de centrale en specifieke onderzoeksvragen mevrouw Sorgdrager de ruimte krijgt het onderzoek uit te breiden naar eigen inzicht.

De leden van de GroenLinks-fractie missen nog enkele essentiële vragen in de onderzoeksopzet, met name over de rol en het handelen van de NVWA. Deze leden willen graag duidelijkheid over de tips in november. Waarom kon de Kamer in eerste instantie niet worden medegedeeld dat er in november een tip over het gebruik van fipronil was binnengekomen? Waarom was het enkel noemen van dit feit een belemmering van het strafrechtelijk onderzoek? Hoe kan het dat eerst werd gesproken van één tip en dat er later twee bleken te zijn? Komt het vaker voor dat tips worden samengevoegd? Hoe concreet waren deze tips? Werd de naam Chickfriend in deze tips genoemd?

De leden van de GroenLinks-fractie zijn ook benieuwd hoe drukbezet de NVWA was ten tijde van de tip. Was er sprake een ondercapaciteit bij de NVWA in de maanden november en december? Deze leden zijn ook benieuwd waarom enkel is gekeken naar acuut volksgezondheidgevaar voor de afweging om wel of niet tot handhaving over te gaan. Waarom is niet gekeken naar voedselveiligheid, dierenwelzijn en de economische belangen van de sector? Wordt er altijd enkel gekeken naar acuut gevaar voor de volksgezondheid? Is er nog een heroverweging geweest over het wel of niet overgaan tot handhaving toen de EU-norm van het maximum residugehalte fipronil in eieren werd verlaagd per 1 januari 2017 naar 0,005mg/kg? Was de NVWA op de hoogte van deze verlaging? Tevens willen de leden van de GroenLinks-fractie graag het gestelde in de motie over een breder afwegingskader bij het onderzoek naar het handelen van NVWA (Kamerstuk 26 991, nr. 493) expliciet opgenomen zien in de onderzoeksopdracht.

De leden van de GroenLinks-fractie zouden ook graag willen dat er meer nadruk komt te liggen op de fouten die gemaakt zijn door de sector zelf. Hoe kan het dat het IKB-systeem niet adequaat heeft gewerkt? Hoe kan het dat de sector niet op de hoogte was dat Dega-16 niet mocht worden gebruikt voor het bestrijden van bloedluis? Hoe vaak wordt de site van College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) door de sectororganisaties bekeken? En hoe vaak gebeurt dit door individuele boeren? Welke mogelijkheden zijn er om het IKB-systeem adequaat te laten functioneren? Deze leden willen op dit aspect graag een concrete aanbeveling van de commissie Sorgdrager.

Wellicht ten overvloede willen de leden van de GroenLinks-fractie graag zien dat de commissie Sorgdrager expliciet wordt verzocht niet alleen in directe zin antwoorden te geven op alle onderzoeksvragen, maar ook daaruit voortvloeiende conclusies te expliciteren en concrete aanbevelingen te doen voor verbetering.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie nemen met instemming kennis van de reikwijdte van de onderzoeksvragen. Deze leden kunnen zich de volgende (aanvullende vragen) voorstellen.

Ten aanzien van onderzoeksvraag 1

In hoeverre verschilt de eierketen van andere voedselketens? Met andere woorden: in hoeverre zijn eventuele risico’s en lessen toe te passen op de gehele voedselketen?

Ten aanzien van onderzoeksvraag 2

In hoeverre waren biociden een prioriteit bij de NVWA en heeft prioritering van onderwerpen gevolgen gehad voor een eventuele tragere reactie op meldingen op dit gebied?

Ten aanzien van onderzoeksvraag 3

In hoeverre hebben reorganisaties en veranderplannen binnen de NVWA (niet zozeer in aantal fte maar vooral op het gebied van aanwezige kennis en processen) effect gehad op het functioneren van de NVWA? Wat is de relatie tot het Plan van aanpak NVWA 2020?

Ten aanzien van onderzoeksvraag 4

Het ligt voor de hand om specifiek te kijken naar het functioneren van het contact en de samenwerking met de Vlaamse Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen.

De leden van de SP-fractie wijzen er verder op dat er nog weinig bekend is over de verdere invulling van het onderzoek, zowel wie het uitvoert als de werkwijze. Deze leden dringen aan op het niet alleen bestuderen van alle relevante documenten, maar vooral het spreken van zoveel mogelijk betrokkenen binnen de toezichthouders, de departementen en de sector, alsmede experts van buiten.

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de opzet voor het evaluatieonderzoek naar de fipronilcrisis.

Deze leden vragen om een reactie op het bericht dat ook onderzoeksinstituten zijn besmet met fipronil.2 Deze leden vragen bovendien of de besmetting bij onderzoeksinstituten ook in het onderzoek betrokken wordt.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of beide ministers bereid zijn om de volgende vragen toe te voegen of vragen in de opzet hierover aan te scherpen:

Ten aanzien van onderzoeksvraag 1

Hoe kon het gebeuren dat het IKB-systeem misbruikt werd en wat is nodig om de kwaliteitscontrole in de keten middels dit keurmerk te verbeteren?

Ten aanzien van onderzoeksvraag 3, vragen inzake het handelen verschillende actoren

  • Waarom had de NVWA in november 2016 geen aanleiding om te denken dat fipronil in eieren of kippen terecht zou komen, terwijl de EFSA al in 2006 heeft gewezen op dit risico? Had deze kennis niet direct moeten leiden tot controles van eieren, stallen en pluimvee?

  • Hadden de activiteiten van het bedrijf Chickfriend eerder geblokkeerd kunnen worden, in het bijzonder na 19 juni en na 7 juli, aangezien nog tot 22 juli stallen zijn behandeld met fipronil? Waarom is na 7 juli zo lang op basis van incomplete administratie gehandeld? Hadden de 78 bedrijven die niet in de administratie stonden eerder in beeld gebracht kunnen worden? Waarom kon een bedrijf dat mede verantwoordelijk is voor een veilige voedselvoorziening zo lang op basis van incomplete administratie handelen?

  • Hoe is de NVWA omgegaan met meldingen door getroffen pluimveehouders, die niet in de administratie stonden? Hoe heeft de communicatie met deze pluimveehouders plaatsgevonden? Heeft het officieel blokkeren van deze bedrijven niet onnodig veel tijd in beslag genomen?

  • Hoe kan de communicatie met ondernemers worden verbeterd? Wordt de ervaren onduidelijkheid bij ondernemers over de communicatie van de NVWA expliciet meegenomen in het onderzoek, bijvoorbeeld de ervaren onduidelijkheid over regelmatig wijzigende protocollen?

  • Was de overheid voldoende voorbereid op het adviseren van pluimveehouders over alternatieven voor het ruimen van dieren? Had eerder gecommuniceerd kunnen worden over alternatieven voor het ruimen van dieren?

  • Waarom is niet eerder opgeschaald richting de bewindspersonen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Economische Zaken, gezien de ernst van de crisis? Hoe wordt de onduidelijkheid verklaard in de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Economische Zaken? Hoe is deze verantwoordelijkheidsverdeling formeel ingericht? Hoe kunnen de verantwoordelijke bewindspersonen in de toekomst daadkrachtiger optreden?

Ten aanzien van onderzoeksvraag 3, vragen inzake communicatie

  • Hoe had onnodige onrust bij consumenten voorkomen kunnen worden in de communicatie door de NVWA? Was de communicatie van de NVWA bij het programma Nieuwsuur over gezondheidsrisico’s afgestemd met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)? Hoe kan deze communicatie in de toekomst worden verbeterd?

  • Hoe kan de onduidelijkheid over veiligheidsnormen voor fipronil worden verklaard? In hoeverre is sprake van een verschil in veiligheidsnormen per EU-lidstaat en de omgang met deze veiligheidsnormen? Hoe kunnen veiligheidsnormen en de omgang met veiligheidsnormen worden geharmoniseerd?

  • Was het noodzakelijk om op basis van de geldende normen miljoenen eieren uit de schappen te halen?

  • Welke actie is door de overheid ondernomen om het consumentenvertrouwen in binnen- en buitenland te herstellen? Hebben deze maatregelen voldoende gewerkt?

Ten aanzien van onderzoeksvraag 3, vragen over crisismaatregelen

  • In hoeverre hebben maatregelen als garantstelling, overbruggingskredieten, het borgstellingsfonds en uitstel van betalingen tot oplossingen geleid voor bedrijven om te kunnen overleven?

  • Zijn de mogelijkheden voor compensatie voldoende benut, ook in vergelijking met andere landen (in het bijzonder België)? Was er sprake van een gelijk speelveld met andere lidstaten door het hanteren van verschillende crisismaatregelen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

De leden van de PvdD-fractie spreken hun afkeuring uit over de strategie van het kabinet om de beantwoording van de geëigende vragen over de fipronilcrisis af te schuiven op een onderzoekscommissie onder leiding van mevrouw Sorgdrager. Veel van de vragen over de affaire hadden nu al beantwoord kunnen en moeten worden door de verantwoordelijke bewindspersonen. Een evaluatie kan nooit kwaad, maar mag niet dienen als excuus om weg te lopen voor de eigen en huidige verantwoordelijkheid. Dat gebeurt nu wel en de leden van de PvdD-fractie vinden dat zeer kwalijk.

Ook vragen deze leden zich af wat nu precies de meerwaarde zou zijn van dit onderzoek, gelet op het feit dat de Onderzoeksraad Voor Veiligheid (OVV) al een onderzoek gaat doen naar de fipronilcrisis en het functioneren van het voedselsysteem. Kan het kabinet bevestigen dat de OVV daar ook daadwerkelijk wettelijke bevoegdheden heeft die de commissie-Sorgdrager ontbeert? Kan het kabinet deze verschillen in bevoegdheden uiteenzetten, en voorzien van een nadere duiding met betrekking tot de vraag met welke bevoegdheden de waarheidsvinding het beste wordt gediend?

De leden van de PvdD-fractie zijn voorts zeer verbaasd over de aard van de vragen in de voorgestelde onderzoeksopzet van de commissie-Sorgdrager. Als het kabinet, om maar een voorbeeld te noemen, niet weet wat de verantwoordelijkheid van de ILT en de NVWA is op het gebruik van biociden in de primaire sector, en een onderzoekscommissie nodig heeft om dat duidelijk te krijgen, is er sprake van zeer ernstige tekortkomingen in het kabinet.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie stellen voor dat het onderzoek minstens duidelijkheid biedt over de procedures die bij de NVWA en al haar onderdelen worden gevolgd. Dus niet alleen maar vragen: heeft bureau het EFSA-rapport uit 2006 betrokken bij de risicobeoordeling (er waren meer relevante rapporten beschikbaar), maar ook: welke informatie wordt betrokken bij risicobeoordelingen, werd daar in dit geval vanaf geweken en waarom? Verder is het van groot belang helderheid te krijgen op de normen die door de NVWA gehandhaafd moeten worden en de taken die bij deze organisatie zijn belegd, en op de vraag welke capaciteit nodig is, zowel kwantitatief als kwalitatief, om deze handhaving waar te kunnen maken. Niet alleen reflecterend op deze crisis, maar structureel.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de opzet van het onderzoek naar de fipronilcrisis. Deze leden hebben nog enkele vragen en suggesties.

De leden van de SGP-fractie constateren dat er onduidelijkheid is over de vraag of Dega-16, zonder fipronil, gebruikt had mogen worden bij de reiniging van stallen. De bewindslieden geven aan dat voor gebruik van Dega-16 in de pluimveehouderij toelating en registratie vereist is, omdat het een biocide zou zijn. Deze leden zetten hierbij vraagtekens. Volgens het Ctgb is geen sprake van een biocide als de werking louter een fysieke of mechanische is. Bij Dega-16 lijkt sprake te zijn van een dergelijke fysieke of mechanische werking. Zo zorgen etherische oliën, zoals ook in Dega-16 zat, voor verstopping van de luchtwegen van insecten en niet voor bijvoorbeeld aantasting van het zenuwstelsel. Zij willen er verder op wijzen dat volgens Skal Biocontrole plantaardige oliën ingezet mogen worden als acaricide tegen teken en mijten. Ook stallen van onderzoeksinstituten van de Wageningen Universiteit en van Schothorst Feed Research zijn, met kennisname van de ingrediënten, gereinigd met Dega-16. Als Dega-16 dan al een biocide zou zijn, hoe hadden pluimveehouders dit dan moeten weten? Zijn de bewindslieden bereid dit punt expliciet mee te nemen in de onderzoeksopzet?

De leden van de SGP-fractie constateren dat de indruk bestaat dat de betrokken bewindslieden pas in een later stadium in actie kwamen. Hadden zij eerder in actie kunnen en moeten komen? Deze leden horen daarom graag of de rol van de betrokken bewindslieden expliciet meegenomen wordt in de onderzoeksopzet.

De leden van de SGP-fractie zetten verschillende vraagtekens bij de wijze waarop ei-codes zijn gepubliceerd. In omliggende landen werden alleen ei-codes gepubliceerd indien sprake was van potentiële overschrijding van de grenswaarde voor acute gezondheidsrisico’s (0,72 mg fipronil/kg ei). De NVWA publiceerde alle codes van eieren die mogelijk meer dan 0,005 mg fipronil/kg ei bevatten. Dit heeft in de ogen van deze leden veel onnodige onrust veroorzaakt. Wordt in het onderzoek meegenomen in hoeverre deze wijze van publiceren verplicht dan wel noodzakelijk was?

De leden van de SGP-fractie merken op dat er veel discussie is over de wijze waarop de NVWA de signalen in november 2016 over gebruik van fipronil in de pluimveehouderij opgepakt heeft. Dit wordt, terecht, meegenomen in de discussie. De leden van de SGP-fractie vragen om daarbij ook te bezien waarom niet alleen niet is gekozen voor handhaving, maar ook niet voor een waarschuwing richting de sector(organisaties). Alleen al een waarschuwingssignaal had veel narigheid kunnen voorkomen. Deze leden vragen verder om bij het onderzoek ook te kijken naar de vraag hoeveel schade voorkomen had kunnen worden als in november 2016 handhaving gestart was dan wel een waarschuwing afgegeven was. Is daarbij de veronderstelling juist dat, ook al was de totale financiële schade ongeveer even groot geweest, de verdeling over ondernemers er heel anders had uitgezien? Hoe moet worden omgegaan met het feit dat er veel ondernemers zijn waarbij na november 2016 schade is ontstaan, terwijl de overheid dit waarschijnlijk had kunnen voorkomen?

De afgelopen weken zijn uit voorzorg ook veel schone eieren vernietigd, zo hebben de leden van de SGP-fractie vernomen. De NVWA stelde zich streng op. Vrijgave van individuele schone stallen of locaties op besmette bedrijven verliep moeizaam. Dit geldt overigens helaas nog steeds. Deze leden zien graag dat in de onderzoeksopzet dit punt expliciet meegenomen wordt. Was het voorkomen van vernietiging van schone eieren door een meer flexibele opstelling van de NVWA gewenst geweest?

De leden van de SGP-fractie hebben verder nog enkele vragen over de actuele situatie, die mogelijk ook voor het onderzoek relevant zijn. Deze leden hebben begrepen dat voor mest nog geen Maximum Residue Limit (MRL) is vastgesteld, met dus de facto een nultolerantie. Ze hebben ook begrepen dat België een MRL van 0,01 mg fipronil/kg mest hanteert en dat deskundigen een MRL van 0,05 zelfs verantwoord achten. Willen de bewindslieden zo snel mogelijk een MRL voor mest op laten stellen? De leden van de SGP-fractie hebben verder begrepen dat pluimveehouders maximaal een keer per acht dagen een ambtelijk monster mogen laten nemen. Leidt dit niet tot onnodige vertraging?

II Reactie van de ministers

Wij hebben kennis genomen van de inbreng van uw Kamer. De onderzoeksopdracht wordt op dit moment door mevrouw Sorgdrager aangescherpt mede aan de hand van de door uw Kamer opgeworpen vragen. De aan ons aangereikte onderzoeksvragen vanuit maatschappelijke organisaties en de pluimveesector hebben wij doorgeleid aan mevrouw Sorgdrager, zodat zij ook die kan benutten om haar onderzoeksopdracht aan te scherpen. De inhoud van de motie van het lid Grashoff (Kamerstuk 26 991, nr. 493) over een breder afwegingskader bij het onderzoek naar het handelen van NVWA hebben wij voorgelegd aan mevrouw Sorgdrager en wordt betrokken bij de uitwerking van de onderzoeksopdracht. In deze brief gaan wij alvast in op door uw Kamer gestelde vragen die niet door mevrouw Sorgdrager opgepakt zullen worden in haar onderzoek.

Door de leden van de fractie van de SGP is opgemerkt dat er nog weinig bekend is over de verdere invulling en inrichting van het onderzoek, zowel wie het uitvoert als de werkwijze. Mevrouw Sorgdrager zal voor haar onderzoek worden ondersteund door een secretariaat. Mevrouw Sorgdrager heeft laten weten in haar aanpak naast bestudering van schriftelijke stukken ook uitvoerig te willen spreken met betrokken actoren. Zij zal bij haar onderzoek een klankbordgroep van deskundigen betrekken.

De leden van de fractie van de VVD vragen welke mogelijkheden het kabinet ziet om ervoor te zorgen dat de onderzoekscommissie ook toeziet op de implementatie en uitvoering van de aanbevelingen, zoals eerder ook gebeurde bij toezichthoudende organisaties in de gezondheidszorg.

Wij hebben mevrouw Sorgdrager gevraagd onderzoek te verrichten. Het kabinet wil niet vooruitlopen op haar bevindingen en de resultaten van het onderzoek. Wel zal het kabinet mevrouw Sorgdrager vragen om bij eventuele aanbevelingen ook advies te geven over de wijze van implementatie en uitvoering daarvan.

De leden van de fractie van de CU vragen hoe de onduidelijkheid wordt verklaard in de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Economische Zaken? Hoe is deze verantwoordelijkheidsverdeling formeel ingericht?

Op 20 mei 2005 hebben de Minister van VWS en de Minister van LNV u geïnformeerd over de verantwoordelijkheidsverdeling tussen VWS en LNV voor voedselveiligheid (Kamerstuk 26 991, nr. 119). Er zijn in de tussentijd geen wijzigingen in deze verantwoordelijkheidsverdeling geweest en derhalve geldt deze verdeling op dit moment tussen het Ministerie van VWS en het Ministerie van EZ.

De leden van fractie van de VVD vragen vanuit welke verantwoordelijkheid de ILT betrokken wordt bij dit onderzoek?

In onze brief van 3 augustus jl. (Kamerstuk 26 991, nr. 486). hebben wij aangegeven dat de biocidenwetgeving onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu valt. Deze wetgeving is van toepassing op middelen die ingezet worden om stallen te behandelen ter bestrijding van bloedluizen. Vanuit deze verantwoordelijkheid wordt de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) betrokken bij het onderzoek.

De leden van de fractie van de CU hebben vragen gesteld over de toereikendheid en de benutting van voorzieningen die zijn getroffen ten aanzien van de financiële gevolgen voor de betrokken ondernemingen.

Vanaf begin augustus is met vertegenwoordigers van de pluimveesector gesproken over de mogelijkheden om acute liquiditeitsproblemen van de betrokken ondernemingen te voorkomen. Daarbij zijn verschillende voorzieningen onderzocht en benoemd, zowel publiek als privaat. In welke mate gebruik is gemaakt van deze verschillende voorzieningen is ons op dit moment nog niet bekend. Via de economische impactanalyse die wij laten uitvoeren door Wageningen Economic Research houden wij een vinger aan de pols ten aanzien van de economische gevolgen voor ondernemingen. Vertegenwoordigers van de sector zijn hierbij betrokken. In onze brief van 23 augustus 2017 hebben wij u hierover geïnformeerd (Kamerstuk 26 991, nr. 489).

Helaas lijden vaker bedrijven schade door oneerbare praktijken en is de overheid niet in staat voor alle bedrijven de schade daarvan te compenseren. Verder zijn bij het vraagstuk van compensatie de Europese staatssteunkaders van belang. In dit geval is er strikt genomen geen sprake van overmacht maar van financiële schade die veroorzaakt is door menselijk handelen.

De leden van de fractie van de SGP vragen of het Kabinet bereid is zo snel mogelijk een Maximum Residue Limit voor mest op te laten stellen.

Het RIVM is hierover advies gevraagd. Na afronding van dit onderzoek door het RIVM wordt een standpunt bepaald door de betrokken ministeries. De uitkomst hiervan wordt besproken met vertegenwoordigers van de pluimveesector.

De leden van de fractie van de SGP vragen of pluimveehouders maximaal één keer per acht dagen een ambtelijk monster mogen laten nemen en of dit niet leidt tot onnodige vertraging? Pluimveehouders mogen inderdaad maximaal één keer per 8 dagen een ambtelijk monster laten nemen. Dit geldt voor bemonsteringen voor zowel ei, vlees als mest. Aangenomen wordt namelijk dat de hoeveelheid fipronil in deze 8 dagen halveert, waardoor vaker bemonsteren geen meerwaarde heeft. Herbemonstering kan na 8 dagen opnieuw worden aangevraagd, dan wel eerder indien er conforme resultaten van private laboratoria kunnen worden overlegd.

De leden van de fractie van de VVD vragen of het gekozen tijdpad een realistisch tijdpad is of dat er onderdelen zijn die naar verwachting meer tijd kosten.

De onderzoeksopdracht wordt door mevrouw Sorgdrager op basis van de door u aangereikte vragen aangescherpt en van focus voorzien. Daarna kan het onderzoek starten. Wij zullen u nader informeren over het tijdpad mocht blijken dat voor het onderzoek meer tijd nodig is dan eerder is voorzien.


X Noot
1

Antwoord op vragen van de leden Lodders, Geurts, Dik-Faber en De Groot over fipronil in eieren, Aanhangsel Handelingen 2016–2017, nr. 2464.

Naar boven