26 991
Voedselveiligheid

nr. 119
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 mei 2005

Zoals toegezegd bij brief van 3 februari 20051 informeren wij u hierbij over de verantwoordelijkheidsverdeling tussen VWS en LNV voor voedselveiligheid.

Over de gewenste taakverdeling hebben wij advies gevraagd aan twee onafhankelijke deskundigen. Het rapport van hen gaat hierbij2. Wij hebben het advies in grote lijnen gevolgd, en dus geopteerd voor de gezondheidsoptie, maar wel besloten de verantwoordelijkheid voor vleeskeuring eenduidig te beleggen bij LNV. De lange termijnoptie hebben wij verder niet in beschouwing genomen.

In deze brief wordt aldus de verantwoordelijkheidsverdeling op het terrein van voedselveiligheid tussen de Ministeries van VWS en LNV beschreven. Omdat de VWA bij de uitvoering van het beleid behalve op het gebied van voedselveiligheid ook een toezichtstaak heeft voor productveiligheid en genotsmiddelen, wordt in deze brief deze verantwoordelijkheid ook kort genoemd, zodat het hele werkterrein van de VWA wordt geadresseerd.

Oude verantwoordelijkheidsverdeling Ministeries van VWS en LNV

LNV en VWS hebben een gedeelde verantwoordelijkheid voor het beleid en de regelgeving met betrekking tot de voedselveiligheid.

VWS is verantwoordelijk voor de volksgezondheid, LNV voor voedselkwaliteit en de productie in de primaire fase.

De Minister van VWS is daarbij verantwoordelijk voor het stellen van eisen aan de bereiding en verhandeling van levensmiddelen ter bescherming van de volksgezondheid. Vanuit dit volksgezondheidsbelang geeft VWS de wettelijke kaders aan het levensmiddelenbedrijfsleven om veilig voedsel te produceren en te verhandelen. De Minister van VWS houdt bij het vaststellen van deze normen, uiteraard rekening met andere relevante maatschappelijke belangen. Bij het vaststellen van de normen speelt risicobeoordeling een grote rol.

Om aan deze normen te voldoen of wanneer normstelling ten aanzien van eindproducten niet mogelijk of onvoldoende is, dient het bedrijfsleven voedselveiligheidsplannen (hygiënecodes of HACCP-plannen) op te stellen en te gebruiken. Het is aan de Minister van VWS om deze goed te keuren en/of te (laten) controleren. Naast de hierboven beschreven verantwoordelijkheid voor voedselveiligheid heeft het Ministerie van VWS ook verantwoordelijkheid voor informatie aan de consument (etikettering), gezonde voeding, productveiligheid, letselbescherming en het gebruik van alcohol en tabak.

De Minister van LNV is verantwoordelijk voor de voedselveiligheid in de primaire productiefase van de voedselketen, zowel voor de plantaardige als voor de dierlijke productie. Daarbij moet in de eerste plaats worden gedacht aan de veiligheid van diervoeders, de productie op landbouwbedrijven en in de schakels in de vleessector (o.m. op basis van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, Landbouwwet). Het Ministerie van LNV heeft naast voedselveiligheid in de primaire fase ook de verantwoordelijkheid voor voedselkwaliteit. Hieronder wordt onder meer verstaan de maatschappelijke en/of wettelijke eisen en wensen die aan een product worden gesteld ten aanzien van dierenwelzijn, maatschappelijk verantwoord ondernemen, milieu en productinnovaties.

Binnen de uitoefening van de eigen verantwoordelijkheid door VWS en LNV vindt uiteraard afstemming plaats. Voor zover de door VWS te stellen normen van invloed zijn op de primaire productiefase, geschiedt de normstelling in overeenstemming met de Minister van LNV. Evenzo worden de eisen die de Minister van LNV aan het primaire productieproces stelt in relatie tot de bescherming van de volksgezondheid in overeenstemming met de Minister van VWS vastgesteld.

Nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling Ministeries van VWS en LNV

Op het gebied van voedselveiligheid is door de EU onlangs naast de Algemene Levensmiddelen Verordening (ALV, ook wel General Food Law genoemd)1, een nieuw«hygiënepakket»2 aangenomen (drie verorde-ningen en één richtlijn). Het hygiënepakket bevat enerzijds materiële normen inzake voedselveiligheid vanaf de primaire fase tot en met de verhandeling aan de consument, en anderzijds voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong. Deze regels zijn tevens van toepassing op de import en export van alle levensmiddelen.

Nederland moet zijn huidige regelgeving en controlesystematiek in lijn brengen met deze EU-regelgeving. Het gehele hygiënepakket zal onder verantwoordelijkheid van de Minister van VWS binnen de reikwijdte van de Warenwet worden gebracht, met uitzondering van de normen voor de vleeskeuring en het toezicht daarop. Alle zaken rondom diervoeders (indirect van groot belang voor voedselveiligheid), dierenwelzijn en diergezondheid blijven vallen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van LNV.

De primaire verantwoordelijkheid voor de vleeskeuring, nu nog gedeeld door LNV en VWS, zal bij LNV komen te berusten. LNV wordt hierdoor verantwoordelijk voor de slacht en alle vleeskeuringen. In verband daarmee heeft VWS het voornemen de Vleeskeuringswet in te trekken. VWS blijft verantwoordelijk voor de bereiding en verhandeling van vleesgerelateerde producten als gehakt vlees, vleesbereidingen en vleesproducten na de slacht en vleeskeuring.

Genoemde overheveling van de primaire verantwoordelijkheid voor de vleeskeuring is ook praktisch goed mogelijk omdat regels voor de slacht en vleeskeuring een samenhangend geheel vormen, zowel wat betreft politieke verantwoordelijkheid als de desbetreffende EG-regels. Bovendien is de doelgroep van deze regels duidelijk omschreven, namelijk handelaren in vee en Nederlandse slachthuizen.

Met deze stap wordt de versnippering van de vleeskeuringswetgeving op een effectieve en transparante wijze opgelost.

Opgemerkt wordt dat ingevolge vorenstaande ook de voedselveiligheidsapecten voor de primaire productie onder de Warenwet vallen. Vanuit de één loket gedachte zal de goedkeuring van de hygiënecodes voor bedrijven in de primaire productie, gegeven de grote bemoeienis van LNV met dat deel van de keten, evenwel door de Minister van LNV geschieden.

Voedsel en Waren Autoriteit (VWA)

De VWA is verantwoordelijk voor toezicht, risicobeoordeling en risicocommunicatie. VWS en LNV zijn beide opdrachtgever voor de VWA. Dat blijft zo. De opdrachtverlening aan de VWA door VWS en LNV vindt plaats vanuit de beschreven verantwoordelijkheidsverdeling en op basis van de vastgestelde regelgeving. De VWA valt beheersmatig onder LNV.

Daarnaast geeft de VWA op basis van wetenschappelijke risicobeoordeling advies over de veiligheid van voedingsmiddelen en producten. Een wetsvoorstel waarin de onafhankelijkheid van de wetenschappelijke risicobeoordeling van de VWA wettelijk en organisatorisch wordt verankerd ligt op dit moment voor bij de Tweede Kamer. De VWA adviseert zowel de Minister van VWS als de Minister van LNV.

De officiële controles in het kader van eerdergenoemd hygiënepakket van de Europese Unie, zullen worden uitgevoerd door de VWA en deels, in de primaire productiefase, door de AID.

Privaatrechtelijke controleorganen als de stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (COKZ) en de stichting Controlebureau Pluimvee, Eieren en Eiproducten (CPE) zullen eveneens een rol blijven spelen. Die rol betreft naast controleactiviteiten onder regie van de VWA ook het namens de Minister van VWS erkennen van inrichtingen. Beide organen verrichten die werkzaamheden ook nu al, tot tevredenheid van alle betrokkenen. Op de langere termijn zal het toezicht op de naleving van de Warenwettelijke regels worden uitgeoefend door uitsluitend de VWA. De VWA is immers opgericht met het doel uit te groeien tot dé Nederlandse autoriteit voor voedsel en waren. Daartoe zal onderzocht worden in hoeverre het gewenst en mogelijk is de publieke taken van het COKZ en CPE op te laten gaan in de VWA. In dat geval hoeft de bij het CPE en COKZ opgebouwde deskundigheid in dit domein niet verloren te gaan.

Verantwoordelijkheidsverdeling consument-producent-overheid

In de aan uw Kamer toegezonden Nota Voedselveiligheid (Kamerstukken II 29 863, nr. 6) is beschreven hoe de verantwoordelijkheden tussen overheid, producenten en handelaren met betrekking tot levensmiddelen zijn verdeeld. De door uw Kamer ter zake gestelde vragen zullen op korte termijn worden beantwoord.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

J. F. Hoogervorst

De Minister van Landbouw, Natuur, en Voedselkwaliteit,

C. P. Veerman


XNoot
1

Kamerstukken II, 26 991 nr. 115.

XNoot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

Verordening (EG) nr. 178/2002 (PbEG L 31).

XNoot
2

Verordeningen (EG) nr. 852/2004, nr. 853/2004, en nr. 854/2004 (alle drie PbEU L 139 en L 226) en richtlijn nr. 2004/41/EG (PbEU L 157).

Naar boven