nr. 13
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 mei 2001
Hierbij bied ik u aan – mede namens mijn ambtgenoot van Justitie –
mijn antwoord op een vraag van het lid Dittrich (D66) gesteld tijdens het
wetgevingsoverleg op 23 april jl. van het wetsvoorstel tot wijziging van het
Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten omtrent de toepassing van
maatregelen in het belang van het onderzoek en enige andere onderwerpen (Kamerstukken
II 2000–2001, 26 983, nr. 11).
Bij gelegenheid van het wetgevingsoverleg op 23 april jl. inzake bovenvermeld
wetsvoorstel van de Minister van Justitie heeft het Tweede Kamerlid Dittrich
(D66) de Minister van Justitie en ondergetekende gevraagd om een schriftelijke
reactie inzake langdurig verblijf van psychiatrische patiënten in een
politiecel, die verdacht worden van het plegen van een strafbaar feit (Kamerstukken
II 2000–2001, 26 983, nr. 11 p. 20).
De aanleiding van dit verzoek vormt kennelijk een brief van de Vereniging
Ypsilon aan de gemeenteraad van Amsterdam. In deze brief vraagt Ypsilon aandacht
voor de omstandigheid dat het in Amsterdam vrijwel dagelijks voorkomt dat
psychiatrische patiënten langer dan 6 uur in een politiecel verblijven.
In deze brief zal ik – mede namens de Minister van Justitie –
ingaan op het verzoek van het Tweede Kamerlid Dittrich.
De verantwoordelijkheid voor het bieden van directe hulpverlening aan
en opvang van personen in een crisissituatie ligt bij de betrokken lokale
organisaties: de GG & GD, de politie, de zorgverzekeraars en instellingen
voor de geestelijke gezondheidszorg. De gemeenten hebben daarbij een coördinerende
en regisserende rol om deze gezamenlijke verantwoordelijkheid in de praktijk
op een adequate wijze gestalte te geven. De taak en de verantwoordelijkheden
van de rijksoverheid in dezen bestaan uit het scheppen van de juiste randvoorwaarden,
zoals het beschikbaar stellen van toereikende financiële middelen en
het ontwerpen van de benodigde wettelijke kaders. Deze rol van de rijksoverheid
bij hulpverlening aan mensen in een crisissituatie is verwoord
in de brief die ik begin 2000 aan de Tweede Kamer zond (Kamerstukken II 1999–2000,
25 424, nr. 25).
Mijn reactie naar aanleiding van deze problematiek in Amsterdam moet dan
ook in de context van deze brief worden bezien.
De afgelopen jaren hebben zich in Amsterdam regelmatig problemen voorgedaan
bij de plaatsing van psychiatrische patiënten die in een acute crisissituatie
verkeren. Deze problemen bestaan uit het langer verblijven in een politiecel
dan strikt noodzakelijk en uit het plaatsen van psychiatrische patiënten
uit Amsterdam in ggz-instellingen elders in het land.
Om aan de hiervoor geschetste problemen een einde te maken, hebben de
gemeente Amsterdam, de ggz-instellingen, de politie, de GG & GD, de lokale
huisartsen vereniging, het maatschappelijk werk en woningbouwcorporaties,
in oktober 2000 het zogeheten Amstelzorgakkoord ondertekend. Dit mede in vervolg
op diverse overleggen die ik met de Amsterdamse ggz-instellingen heb gevoerd
en waaruit bleek dat de betrokken problematiek in belangrijke mate wordt veroorzaakt
door onvoldoende samenwerking tussen de verantwoordelijke organisaties en
een niet toereikende organisatie van de acute zorgverlening.
Het Amstelzorgakkoord ziet op verbetering van deze samenwerking en organisatie,
niet alleen op het terrein van de ggz, maar ook op het terrein van de maatschappelijke
opvang.
Een aantal onderdelen van het Amstelzorgakkoord is gerealiseerd, waaronder
een eerste screening die de GG & GD sedert februari 2001 uitvoert bij
aanmeldingen door de politie van personen in acute crisissituatie. Het komt
echter nog steeds voor dat psychiatrische patiënten langer dan strikt
noodzakelijk in een politiecel verblijven. Volgens de betrokken partijen van
het Amstelzorgakkoord houdt dit verband met de omstandigheid dat er onvoldoende
crisisbedden beschikbaar zijn. Ik merk daar het volgende over op.
In het kader van de wachtlijstproblematiek in de geestelijke gezondheidszorg
is er begin 2001 f 82,5 mln. beschikbaar gesteld voor de aanpak van wachtlijsten.
Hiervoor dienden de zorgaanbieders met het zorgkantoor productie-afspraken
te maken. Daarnaast hebben op initiatief van de Taskforce Aanpak Wachtlijsten
de zorgkantoren in overleg met de aanbieders regionale wachtlijstplannen opgesteld,
waarin wordt aangegeven welke afspraken er in aanvulling op de gemaakte afspraken
uit de f 82,5 mln. in 2001 nodig zijn om de wachtlijsten aan te pakken.
Voor die aanvullende afspraken is in 2001 f 90 mln. beschikbaar. Ik heb
daarbij expliciet aangegeven dat deze middelen ook kunnen worden aangewend
voor crisisopvang. De Amsterdamse regio heb ik nog eens nadrukkelijk gewezen
op deze mogelijkheid. Om aanspraak te kunnen maken op de beschikbare middelen,
dient het Zorgkantoor Amsterdam een aanvraag in te dienen bij het College
Tarieven Gezondheidszorg. Inmiddels hebben het Zorgkantoor Amsterdam en de
betrokken ggz-instellingen om het tekort aan crisisplaatsen weg te werken,
reeds bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een regionaal
wachtlijstplan ingediend.
Dit plan is geheel gewijd aan de problemen die zich voordoen in Amsterdam
op het gebied van de acute psychiatrie. Het plan heeft betrekking op een uitbreiding
van het aantal crisisplaatsen en het realiseren van een zogeheten «voorportaal»,
waarin psychiatrische patiënten geplaatst kunnen worden, als alternatief
voor het verblijf in een politiecel, in afwachting van de opname in een ggz –
of andere instelling. In dit plan hebben alle betrokken partijen (de ggz-instellingen
en het zorgkantoor) gegarandeerd dat geen enkele persoon die in een acute
crisis verkeert, onnodig lang in een politiecel meer behoeft te verblijven
in afwachting van plaatsing in een geschikte instelling, mits de daarvoor
vereiste financiële middelen beschikbaar worden gesteld.
De besluitvorming op de aanvraag van het Zorgkantoor Amsterdam en de andere
aanvragen in het kader van de wachtlijstmiddelen vindt plaats door het College
Tarieven Gezondheidszorg. Naar verwachting zal deze besluitvorming omstreeks
medio juni plaatsvinden.
Gelet op het bovenstaande bestaat er thans geen aanleiding om op rijksniveau
aanvullende maatregelen te treffen in Amsterdam inzake verblijf van psychiatrische
patiënten in een politiecel.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers