Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201226956 nr. 114

26 956 Beleidsnota Rampenbestrijding

Nr. 114 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 december2011

Tijdens het AO van 15 september 2011 (kamerstuk 22 343, nr. 270) naar aanleiding van de brand bij Chemie Pack heb ik met uw Kamer van gedachten gewisseld over de stappen die moeten worden gezet om het toezicht op risicovolle bedrijven verder te professionaliseren en – mede daardoor – de veiligheidscultuur bij bedrijven en overheden te verbeteren. Ook is gesproken over de wijze waarop ik mijn grip op dit proces kan versterken. Daarbij is het proces van RUD-vorming besproken, naast andere mogelijke stappen zoals het splitsen van vergunningverlening en toezicht en het onderbrengen van toezicht en handhaving bij één centrale organisatie. Ik heb toegezegd om met de bij dit vraagstuk betrokken partijen in overleg te treden en uw Kamer voor het einde van het jaar te informeren over de definitieve keuze. Met deze brief geef ik gevolg aan deze toezegging.

Naar aanleiding van het AO van 15 september 2011 heb ik bestuurlijk overleg gevoerd met vertegenwoordigers van provincies en gemeenten. Vervolgens heb ik op 23 november 2011 tijdens het begrotingsoverleg nogmaals met uw Kamer van gedachten gewisseld over de RUD-vorming en toezicht en handhaving bij BRZO-bedrijven.

Ik heb daarbij aangegeven dat er de afgelopen maanden belangrijke stappen met betrekking tot de RUD-vorming zijn gezet en dat de gedachten nu gelukkig voor een belangrijk deel in dezelfde richting gaan: wat IPO, VNG en VNO-NCW betreft moet er binnen de RUD-vorming worden gekomen tot circa vijf in BRZO-taken gespecialiseerde RUD’s.

Uw Kamer heeft daarna op 29 november 2011 de motie Houwers, Leegte en Van der Werf aangenomen1 waarin de regering onder meer wordt verzocht om het voorstel van IPO, VNG en VNO-NCW als uitgangspunt te nemen voor de definitieve vorming van de RUD’s en om het succes van de RUD’s voor eind 2014 met uw Kamer te evalueren. In de motie wordt overwogen dat de lokale overheden in eerste instantie zelf met een oplossing moeten komen voor de van belang zijnde duidelijke scheiding tussen vergunningverlening en handhaving.

Daarnaast heeft uw Kamer op 29 november 2011 de motie Van Tongeren aangenomen2 waarin de regering wordt gevraagd om nader onderzoek te doen naar de veiligheid van de 100 BRZO-bedrijven die blijkens de quick scan niet aan alle wettelijke vereisten voldoen of waarvan geen informatie beschikbaar was over 2009 en 2010. Voor het geval onverhoopt mocht blijken dat deze bedrijven niet aan alle veiligheidsvereisten voldoen, wordt de regering verzocht bij het bevoegd gezag op sancties aan te dringen en zo nodig zelf in het kader van het tweedelijnstoezicht sancties te treffen.

Overeenkomstig mijn toezegging op 15 september 2011 en naar aanleiding van bovengenoemde moties informeer ik uw Kamer als volgt over de mij voor ogen staande structuur.

Voor mij geldt als eerste prioriteit dat er binnen het landsdekkend stelsel van RUD’s, uiterlijk per 1 januari 2013, circa vijf in BRZO-taken gespecialiseerde RUD’s tot stand worden gebracht, in lijn met het eerder ingezette kabinetsbeleid3 en het voorstel van IPO, VNG en VNO-NCW.

Ik heb het IPO daarom gevraagd om dat voorstel samen met de gemeenten en in afstemming met de veiligheidsregio’s en de BRZO-bedrijven4 uit te werken in een definitieve regio-indeling en mij uiterlijk 1 februari 2012 te informeren welke RUD’s zich in de BRZO-taken zullen specialiseren. Ik heb daarbij aangegeven dat mijn voorkeur uitgaat naar het realiseren van de BRZO-RUD’s in die gebieden waar de BRZO-bedrijven het sterkst zijn geconcentreerd en ik heb er bij het IPO op aangedrongen er voor zorg te dragen dat de definitieve regio-indeling zo min mogelijk afstemmings- en coördinatielasten veroorzaakt.

Voor mij geldt, uitgaande van het gezamenlijke voorstel van VNO-NCW, VNG en IPO, als volgende prioriteit de coördinatie van de BRZO-RUD’s. Ik heb het IPO in verband hiermee verzocht om binnen het kader van het Programma Uitvoering met Ambitie uiterlijk 1 februari 2012 een plan van aanpak aan te leveren. In dat plan van aanpak moet in ieder geval de rol- en werkverdeling tussen de BRZO-RUD’s aan de orde zijn, de rol- en werkverdeling tussen de BRZO-RUD’s en de overige RUD’s, de relatie met de betrokken bevoegde gemeenten en de provincies, alsmede de overgang van taken zoals die nu in het kader van het LAT risicobeheersing bedrijven worden verricht. In het plan van aanpak moet daarnaast de scheiding tussen vergunningverlening en handhaving een prominente plek krijgen.

In de derde plaats ben ik voornemens om nauwgezet de voortgang te monitoren van de hiervoor beschreven aanpak, gericht op de realisatie van de BRZO-RUD’s, binnen het landsdekkend stelsel van RUD’s per uiterlijk 1 januari 2013. Uiterlijk 1 februari 2012 zal de monitoringsopzet opgeleverd worden door het Programma Uitvoering met Ambitie. Vanuit dat programma is overigens ondersteuning beschikbaar ten behoeve van alle betrokken partijen.

Na de realisatie van de RUD’s zal het succes daarvan voor eind 2014 worden geëvalueerd, zoals is verzocht in de motie Houwers. Op de aanpak van de evaluatie kom ik later terug.

In vervolg op de motie van Tongeren heb ik de VROM-Inspectie (die in 2012 samen met de Inspectie Verkeer en Waterstaat opgaat in de Inspectie Leefomgeving en Transport) verzocht om een stevige invulling van de (interbestuurlijke) toezichtsrol. Daarvan maakt het in de motie gevraagde nadere onderzoek naar de bewuste 100 BRZO-bedrijven deel uit. In het begrotingsdebat op 23 november 2011 heb ik uw Kamer al aangegeven dat in het eerste kwartaal van 2012 de eerste jaarrapportage van het LAT-rb beschikbaar zal komen. De VROM-Inspectie zal spoedig daarna rapporteren over het gevraagde onderzoek.

Tenslotte merk ik op dat de voorbereiding van de in mijn brief van 14 juli 2011 genoemde no regret maatregelen inmiddels is gestart. Het gaat daarbij om (meer) centrale sturing van de uitvoering van de BRZO-taken door de BRZO-RUD’s en de handhaving door het bevoegd gezag. Meer concreet betreft dit het wettelijk borgen van kwaliteitscriteria en de daadwerkelijke toepassing daarvan, het borgen van de uniforme toepassing van een landelijke handhavingsstrategie en een betere beschikbaarheid van toezichts- en handhavingsinformatie voor alle betrokken instanties.

Een stevige invulling van het (interbestuurlijk) toezicht vormt het sluitstuk op het voorgaande. De VROM-Inspectie mag ieder bedrijf betreden, inlichtingen vorderen, gegevens en bescheiden inzien, monsters nemen, etc. Dat kan bijvoorbeeld steekproefsgewijs of als contracheck op de kwaliteit van het toezicht van de (toekomstige) BRZO-RUD’s. Eventueel geconstateerde tekortkomingen worden niet alleen besproken met het betrokken bedrijf maar ook met de BRZO-RUD en het bevoegd gezag. In het kader van het interbestuurlijk toezicht staan mij straks de bevoegdheden van de Wet revitalisering generiek toezicht ter beschikking, waaronder handhaving in de plaats en op kosten van een nalatige provincie. Na de inwerkingtreding van de Wet revitalisering generiek toezicht (in de loop van 2012) behoort handhaving in de plaats van en op kosten van een nalatige gemeente niet langer tot mijn bevoegdheid maar tot die van de provincie.

Tenslotte zal ik in het perspectief van de in deze brief genoemde maatregelen nog

onderzoeken of de huidige en toekomstige bevoegdheden die mij en de VROM-Inspectie ter beschikking staan, toereikend zijn.

Met de in deze brief geschetste lijn geef ik invulling aan mijn verantwoordelijkheid om een stelsel te creëren dat de juiste condities biedt voor adequaat toezicht en handhaving. De verantwoordelijkheid voor een juiste taakuitvoering binnen dit stelsel ligt bij het bevoegd gezag, voor wie de RUD’s straks werken.

Uiteindelijk zijn het natuurlijk de bedrijven die er door een goede veiligheidscultuur c.q. bedrijfsvoering voor moeten zorgen dat de risico’s voor mens en omgeving tot een minimum worden beperkt.

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

J. J. Atsma


X Noot
3

Brief aan uw Kamer van 15 juli 2011, TK 31 953, nr. 41.

X Noot
4

Waaronder mede begrepen de chemische bedrijven IPPC categorie 4.