nr. 79
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 5 november 1999
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen
op 19 november 1999.
De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal
wordt onderworpen kan door of namens een van de Kamers of door ten minste
vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer
of door de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk
van Aruba te kennen worden gegeven uiterlijk op 19 december 1999.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel
5, eerste en tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen,
de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, heb ik de eer U hierbij ter
stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 15 december 1998 te Santo
Domingo tot stand gekomen verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en
de Dominicaanse Republiek inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden
grondgebieden, met bijlage (Trb. 1999, 11).1
Een toelichtende nota bij dit verdrag treft U eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt voor het gehele Koninkrijk gevraagd.
Aan de Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba is verzocht
hogergenoemde stukken op 19 november 1999 over te leggen aan de Staten van
de Nederlandse Antillen en de Staten van Aruba.
De Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba zijn
van deze overlegging in kennis gesteld.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. J. van Aartsen
TOELICHTENDE NOTA
Het verdrag
Het op 15 december 1998 te Santo Domingo totstandgekomen Verdrag tussen
het Koninkrijk der Nederlanden en de Dominicaanse Republiek inzake luchtdiensten
tussen en via hun onderscheiden grondgebieden beoogt een formele basis te
geven aan de vluchten van Martinair, dat reeds enige jaren het luchtvervoer
tussen Nederland en de Dominicaanse Republiek verricht. Deze vluchten waren
echter steeds onderhevig aan toestemming vooraf die voor niet langer dan een
half jaar werd verstrekt. Op grond van het verdrag zal de aan te wijzen luchtvaartmaatschappij
van elk land automatisch het recht hebben de overeengekomen vluchten op de
in de bijlage omschreven routes te vliegen. De aanwijzing aan iedere zijde
van die luchtvaartmaatschappijen geschiedt, zoals internationaal gebruikelijk
is, door de Verdragsluitende Partijen (artikel 3).
Aangezien het in de praktijk de luchtvaartautoriteiten zijn die toezicht
houden op het gebruik van de verleende rechten, krijgen zij op grond van het
verdrag de bevoegdheid om de verleende vergunning in te trekken of op te schorten
(artikel 4). Onder de luchtvaartautoriteiten wordt voor wat het Koninkrijk
der Nederlanden betreft verstaan de Minister van Verkeer en Waterstaat en
de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst (artikel 1, onder b).
De rechten die de Verdragsluitende Partijen elkaar verlenen voor het verrichten
van internationaal luchtvervoer door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen
(artikel 2), vloeien voort uit het op 7 december 1944 te Chicago totstandgekomen
Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Stb. H. 165; laatstelijk
Trb. 1999, 108). Daarnaast wordt nog bepaald dat de aangewezen luchtvaartmaatschappijen
de plicht hebben de dienstregeling ter goedkeuring voor te leggen aan de luchtvaartautoriteiten
van de andere Verdragsluitende Partij (artikel 8). Door deze verplichting
blijven de luchtvaartautoriteiten op de hoogte van de voorgenomen diensten.
Het verdrag bevat voor het overige de op luchtvaartgebied gebruikelijke
bepalingen ten aanzien van te ontplooien zakelijke activiteiten (artikel 6),
de vermijding van dubbele belastingheffing (artikel 10), de mogelijkheid van
het vrijelijk overmaken van gelden naar het eigen grondgebied (artikel 11)
en de bevordering van de veiligheid van de luchtvaart (artikel 14). Voor wat
de door de respectieve luchtvaartmaatschappijen te hanteren tarieven betreft,
is nog bepaald dat uitsluitend de partij op wiens grondgebied de betreffende
vlucht aanvangt, de zeggenschap zal hebben over de hoogte van het voor die
vlucht geldend tarief (artikel 5).
De bijlage
De bijlage, die een integrerend onderdeel van het verdrag vormt, is voor
zover het de routes betreft, aan te merken als zijnde van uitvoerende aard.
Verdragen tot wijziging van de bijlage voor wat betreft de routes behoeven
op grond van artikel 7, onderdeel f, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking
verdragen geen parlementaire goedkeuring, tenzij de Staten-Generaal zich thans
het recht tot goedkeuring voorbehouden.
Koninkrijkspositie
De regeringen van de Nederlandse Antillen en Aruba hebben te kennen gegeven
geen medegelding te wensen. Het verdrag zal derhalve wat het Koninkrijk betreft
alleen voor Nederland gelden. De regeringen van de Nederlandse Antillen en
Aruba hebben verder medegedeeld van mening te zijn dat het verdrag de Nederlandse
Antillen en Aruba wel anderszins raakt, in de zin van artikel
2, tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen. Het
verdrag zal derhalve tegelijk met de overlegging aan de Staten-Generaal, aan
de Staten van de Nederlandse Antillen en van Aruba worden overgelegd.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. J. van Aartsen