26 695 Voortijdig school verlaten

Nr. 82 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juni 2011

In het Algemeen Overleg over thuiszitters d.d. 6 april 2011 (kamerstuk 26 695, nr. 81) stelde het lid Elias (VVD) misbruik van regelgeving rondom verzuim uit financieel belang aan de orde. Signalen over dergelijk misbruik zouden volgens het Kamerlid bij de Inspectie van het Onderwijs bekend zijn. Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten op 2 februari 2011 (Handelingen II 2010/11, nr. 47, item 4, blz. 25–56) heb ik aangegeven niet van dergelijke signalen op de hoogte te zijn.

Ik heb toegezegd hier schriftelijk op terug te komen.

Naar aanleiding van het debat heb ik navraag gedaan bij de inspectie. Daaruit blijkt dat er ook bij de inspectie geen concrete signalen hierover bekend zijn.

Er is dan ook geen verschil van inzicht tussen mij en de inspectie.

Overigens is mij niet duidelijk op welk financieel belang voor scholen de heer Elias doelt. Het melden van verzuim, ook voor 1 oktober, heeft geen invloed op de bekostiging omdat de leerling op school ingeschreven blijft. Als scholen echter kort na 1 oktober veel leerlingen uit zouden schrijven, dan leidt dat tot een controle door de Inspectie op het bewust «over de teldatum tillen». Voor een heel kleine groep kan er wel een financieel belang zijn. Leerlingen die vanaf het begin van het schooljaar tot de teldatum meer dan de helft van het aantal schooldagen zonder geldige reden hebben verzuimd, tellen niet mee. Maar ook daarvoor zijn geen concrete signalen dat bewust later gemeld wordt.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart

Naar boven