Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 26485 nr. E |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 26485 nr. E |
Vastgesteld 18 september 2025
De vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei1 heeft nader schriftelijk overleg gevoerd met de Staatssecretaris Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over het ontwerpbesluit Implementatie richtlijn duurzaamheidsrapportering. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 14 februari 2025.
• De antwoordbrief van 12 september 2025.
De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, Karthaus
Aan de Staatssecretaris Rechtsbescherming
Den Haag, 14 februari 2025
De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 20 december over het ontwerpbesluit Implementatie richtlijn duurzaamheidsrapportering.2 De leden van de fractie van de BBB hebben naar aanleiding daarvan een aantal nadere vragen en opmerkingen. De fractieleden van JA21 sluiten zich aan bij deze vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de BBB
De fractieleden van de BBB danken u voor de uitgebreide beantwoording van de gestelde vragen over de Corporate Sustainability Reporting Directive (hierna: CSRD). De antwoorden hebben deze fractieleden echter niet gerustgesteld. Zij stellen dat er gewerkt wordt aan vereenvoudiging van regelgeving voor kleinere beursgenoteerde ondernemingen, maar dat daar inhoudelijk nog niets over bekend is. Daarnaast is er nu al een schaarste aan accountants en de gestelde accountantsverplichting zal die schaarste vergroten. Zeker nu uit uw beantwoording op de gestelde vragen blijkt dat er 3.000 tot 6.000 bedrijven in Nederland met deze verplichting te maken zullen krijgen, aldus deze leden.
Gebleken is dat in Europa de gevolgen van deze wet qua kosten en regeldruk verschillend worden ingeschat. Bent u bereid de ATR hier een onderzoek naar te laten doen? Zo nee, waarom niet?
Maritiem concern Boskalis denkt na over een splitsing van de onderneming als de voorgenomen EU-regels op het gebied van duurzaamheid (CSDDD) voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (toegespitst op actuele regels in de toeleveringsketen) niet veranderen. Tegelijkertijd krijgen deze concerns ook te maken met de CSRD. De topman van Boskalis noemt de koers van de EU «volstrekt van elke realiteit gespeend».3 Hij vreest straks niet meer te kunnen concurreren met bedrijven die niet onder de regels vallen. In uw beantwoording geeft u echter aan dat de kosten van duurzaamheidsrapportages voor beursgenoteerde bedrijven «verwaarloosbaar» zijn. De leden van de fractie van de BBB vragen of u kunt verklaren hoe het komt dat de systeemwereld en de mening van praktijkdeskundigen hier zo ver uiteenlopen. Kunt u hierbij ook ingaan op de stapeling van regels? Wat betekenen deze rapportageverplichtingen in uw ogen nu werkelijk voor de concurrentiepositie van internationale concerns als Boskalis?
Is Boskalis het enige bedrijf dat zich zorgen maakt? De fractieleden van de BBB ontvangen graag een toelichting hierop. Wat zijn de gevolgen voor Nederland als internationale bedrijven besluiten zich terug te trekken?
De arbeidsproductiviteit in de EU daalt terwijl die in de rest van de wereld stijgt, aldus de fractieleden van de BBB. Zou er een relatie kunnen zijn met de toegenomen regeldruk? Deze leden ontvangen graag een toelichting hierop.
De Europese Commissie geeft aan het mes in het aantal regels te willen gaan zetten. Zou dat geen reden kunnen zijn om deze rapportageverplichting «on hold» te zetten, onder het motto: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald? De fractieleden van de BBB ontvangen graag een toelichting hierop.
De brancheorganisatie voor accountants pleit inmiddels voor uitstel van invoering van CSRD-wetgeving.4 Zij vrezen voor rechtsongelijkheid, onduidelijkheid en mogelijke aanpassingen, terwijl de Europese Commissie juist het mes in het aantal regels wil gaan zetten. Bent u bereid dit verzoek tot uitstel in overweging te nemen? Zo nee, waarom niet?
De fractieleden van de BBB werden door Dutch Funds en Asset Management (DUFAS) gewezen op het risico van dubbele rapportagelasten vanwege een overlap tussen de CSRD en de Sustainable Financial Development Regulation-Verordening (SFDR). Dit risico wordt volgens de toelichting van het Implementatiebesluit5 voorkomen doordat fonds- en vermogensbeheerders niet onder de reikwijdte van de CSRD vallen voor zover het beleggingen van hun klanten betreft. Wordt deze tekst overgenomen in het finale implementatiebesluit om dubbele rapportagelasten, meer regeldruk en hogere kosten voor de pensioendeelnemers te voorkomen?
De fractieleden van de BBB zien door het woud van duurzaamheidsregels inmiddels het bos niet meer. Bent u bereid een technische briefing over de gevolgen van de invoering van duurzaamheidsregels zoals de CSRD, CSDDD en SFDR te organiseren in de Eerste Kamer?
De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk binnen vier weken.
Voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, S.M. Kluit
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 september 2025
Met interesse heb ik kennisgenomen van de nadere vragen die de leden van de fractie van de BBB hebben gesteld en waarbij de leden van de fractie van JA21 zich hebben aangesloten, naar aanleiding van de voorhang van het ontwerpbesluit implementatie richtlijn duurzaamheidsrapportering (hierna: het ontwerpbesluit). Ik beantwoord hieronder de vragen in de volgorde waarin ze zijn gesteld, in overeenstemming met de Ministers van Economische Zaken en van Financiën.
Bij de beantwoording neem ik de twee richtlijnvoorstellen uit de Omnibus I mee, die eind februari 2025 zijn gepresenteerd door de Europese Commissie en waarin de Richtlijn Duurzaamheidsrapportering (hierna: CSRD) wordt gewijzigd. In enkele vragen van de leden van de fractie van de BBB is al naar beide richtlijnvoorstellen verwezen. Ten eerste bevat Omnibus I een voorstel voor de zogenaamde de Stop-de-klok-richtlijn, die inmiddels is vastgesteld en gepubliceerd.6 Door deze richtlijn krijgen ondernemingen die vanaf boekjaar 2025 en boekjaar 2026 voor het eerst hadden moeten rapporteren ingevolge de CSRD twee jaar uitstel van de verplichtingen tot respectievelijk 2027 en 2028. Ten tweede heeft de Commissie een richtlijnvoorstel gepresenteerd waarin enkele inhoudelijke wijzigingen in de CSRD worden aangebracht (hierna: de ontwerp-wijzigingsrichtlijn).7 De belangrijkste wijziging betreft het voorstel tot het beperken van de reikwijdte van de CSRD tot grote ondernemingen met meer dan duizend werknemers. Volgens de Commissie leidt dat tot een afname van het aantal rapporteringsplichtige ondernemingen met tachtig procent. Verder wordt voorgesteld om de informatie die rapporterende ondernemingen moeten opvragen bij de ondernemingen in hun waardeketen (hun leveranciers en afnemers) te beperken tot de informatie die door de Europese Commissie zal worden vastgelegd in een vrijwillige standaard. Ook zij hier vermeld dat wordt voorgesteld het accountantsonderzoek van de duurzaamheidsrapportering blijvend te beperken tot een beperkte mate van zekerheid en niet, zoals nu nog in de CSRD staat, over enkele jaren de mogelijkheid te hebben om deze uit te breiden naar een redelijke mate van zekerheid. Daarnaast heeft de Commissie toegezegd de European Sustainability Reporting Standards (ESRS, de standaarden die de verplichtingen uit de CSRD uitwerken en die zijn neergelegd in een uitvoeringsverordening8 van de Commissie) te herzien door deze te vereenvoudigen en te stroomlijnen om ook daar de lasten te verminderen. Voor verdere details verwijs ik naar het BNC-fiche bij de richtlijnvoorstellen en naar het schriftelijk overleg dat naar aanleiding daarvan is gevoerd met de Tweede Kamer.9
Verder maak ik van deze gelegenheid gebruik om u erop te wijzen dat ik gelijktijdig met deze beantwoording van uw nadere vragen een nieuwe versie van het Implementatiebesluit richtlijn duurzaamheidsrapportering naar uw Kamer en de Tweede Kamer heb gestuurd, waarin de wijziging van de CSRD door de Stop-de-klok-richtlijn is verwerkt. Dit is in lijn met hetgeen daarover is aangekondigd in het voornoemde BNC-fiche. In die nieuwe versie zullen ook de grotendeels technische en redactionele wijzigingen worden meegenomen die zijn aangekondigd in de inleiding bij de beantwoording van de vragen van de Tweede Kamer in het kader van de voorhangprocedure.10 Naar aanleiding van de voorhangprocedure is commentaar ontvangen van de Raad voor de Jaarverslaggeving. Verder heeft de Europese Commissie in augustus 2024 een FAQ gepubliceerd waarin zij nadere technische toelichting geeft op een aantal bepalingen uit de CSRD. Beide stukken hebben geleid tot enkele redactionele en technische wijzigingen in het ontwerpbesluit en de nota van toelichting. De nota van wijziging die de Stop-de-klok-richtlijn verwerkt in het wetsvoorstel Implementatie richtlijn duurzaamheidsrapportering (Kamerstukken II 2024/25, 36 678) is recent aan de Tweede Kamer gezonden.
De leden van de fractie van de BBB vermelden dat gebleken is dat in Europa de gevolgen van deze wet qua kosten en regeldruk verschillend worden ingeschat. Zij vragen of ik bereid ben het ATR hier een onderzoek naar te laten doen en zo nee, waarom niet.
Dat er verschillende inschattingen zijn van de regeldrukgevolgen en kosten van de CSRD, zal mede een gevolg zijn van het feit dat die gevolgen en kosten lastig zijn in te schatten en per onderneming grote verschillen kunnen vertonen. Voor een internationaal chemiebedrijf of een levensmiddelenconcern zal de rapportering immers meer duurzaamheidsinformatie dienen te bevatten dan voor een louter in Nederland actieve dienstverlenende onderneming.
De Europese Commissie en EFRAG (de organisatie die de Europese Commissie heeft geadviseerd over de inhoud van de rapporteringsstandaarden) hebben beide onderzoek gedaan naar de lasten en de uitkomsten ervan neergelegd in twee impact assessments.11 De Commissie heeft daarbij aangetekend dat het onderzoek wel de geschatte totale omvang van die kosten heeft opgeleverd, maar niet de gemiddelde kosten per onderneming, omdat die door te veel omstandigheden worden beïnvloed. Op basis van die onderzoeken zijn in paragraaf 4 van de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit uitgebreid de gevolgen voor de regeldruk geschetst. Verder heeft het Ministerie van Economische Zaken een onderzoek laten uitvoeren door de Haagse Hogeschool naar de indirecte effecten van de CSRD (zonder de wijzigingen uit Omnibus I) op het Nederlandse MKB dat zich bevindt in de waardeketen van rapporterende ondernemingen.12 Uit dat onderzoek blijkt dat 24% van de respondenten duurzaamheidsgerelateerde dataverzoeken ontvangt. Die zijn overigens niet allemaal het gevolg van CSRD, maar ook van andere duurzaamheidsinitiatieven en wetgeving die er in veel sectoren zijn. Een meerderheid (60%) van de respondenten geeft aan goed of uitstekend aan de dataverzoeken te kunnen voldoen. Desalniettemin zijn er ook bedrijven die wel moeilijkheden ervaren bij het voldoen aan dataverzoeken, zoals verhoogde werkdruk, negatieve effecten op klantrelaties en zorgen over het delen van bedrijfsgevoelige informatie. Dit komt onder meer door een gebrek aan kennis en expertise, beperkte middelen en capaciteit en de complexiteit van de regelgeving.
De CSRD zoals die door het ontwerpbesluit wordt geïmplementeerd, wordt door het recente Omnibus-voorstel gewijzigd, waarmee de Commissie een belangrijke lastenverlichting beoogt. Een ATR-onderzoek zou daarom op korte termijn achterhaald zijn. Om die reden, omdat er al een aantal onderzoeken ligt en omdat de uitkomsten van een onderzoek door het ATR niet kunnen leiden tot een andere inrichting van het besluit, is een ATR-onderzoek niet opportuun. De richtlijn zal volledig geïmplementeerd moeten worden, evenals de beide richtlijnen uit Omnibus I. Daar waar de CSRD opties biedt, zijn die overgenomen indien ze kunnen leiden tot lastenverlichting (zie paragraaf 3.3 van de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit).
De leden verwijzen naar uitspraken van de topman van Maritiem concern Boskalis, die vreest straks niet meer te kunnen concurreren met bedrijven die niet onder de CSRD vallen. En zij verwijzen naar mijn antwoorden naar aanleiding van de eerste vragen van de Eerste Kamer, waarin ik volgens de fractieleden aangeef dat de kosten van duurzaamheidsrapportages voor beursgenoteerde bedrijven «verwaarloosbaar» zijn. Zij vragen of ik kan verklaren hoe het komt dat de systeemwereld en de mening van praktijkdeskundigen hier zo ver uiteenlopen en of ik daarbij kan ingaan op de stapeling van regels.
Ik acht de kosten voor de beursgenoteerde ondernemingen beslist niet «verwaarloosbaar». Vanaf het begin ben ik mij ervan bewust geweest dat deze nieuwe rapportageverplichting een forse belasting voor de desbetreffende ondernemingen betekent. In het BNC-fiche bij de CSRD is destijds al opgemerkt dat de «gevolgen voor de regeldruk bij de betrokken ondernemingen (...) omvangrijk zijn». De meningen lopen wat dat betreft dus niet zo uiteen. Omdat ik besef hoe omvangrijk die lasten van de huidige CSRD zijn, ben ik positief gestemd over de Omnibus-voorstellen die, mede door de voorgestelde lastenverlichting op het terrein van de CSRD-verplichtingen, de bedrijven in de EU en dus ook in Nederland weer concurrerender moeten maken. Die voorstellen leiden er bovendien toe dat de verschillende EU-regelingen voor duurzaamheidsrapportering, gepaste zorgvuldigheid (de Richtlijn CSDDD) en taxonomie beter met elkaar in lijn worden gebracht, teneinde de door de leden genoemde stapeling van regels te voorkomen. Ik verwijs graag naar het BNC-fiche dat over de Omnibus-voorstellen naar de Tweede Kamer is gestuurd.13 Tevens verwijs ik naar de beantwoording door de Minister van Economische Zaken van de vragen van de leden Martens-America en Aukje de Vries (beiden VVD) over de uitspraken van de topman van Boskalis.14
De leden vragen wat deze rapportageverplichtingen in mijn ogen betekenen voor de concurrentiepositie van internationale concerns als Boskalis.
De CSRD bevat een verplichting voor in de EU gevestigde dochtermaatschappijen om een verslag inzake de duurzaamheid openbaar te maken over het hele concern van hun moedermaatschappij als die laatste buiten de EU is gevestigd en in de EU een netto-omzet van meer dan € 150 miljoen heeft behaald. Dat is een belangrijke maatregel ter bevordering van een gelijk speelveld tussen ondernemingen in de EU en grote concerns buiten de EU. In het Omnibus-voorstel wordt die netto-omzetgrens verhoogd naar € 450 miljoen. Overigens is de EU niet de enige regio waar dergelijke rapportageverplichtingen bestaan of binnen enkele jaren worden ingevoerd. Een rapport uit 2024 van de IFRS Foundation (die de internationale jaarrekeningstandaarden opstelt) blijkt dat naast de EU 36 landen enige vorm van duurzaamheidsrapportering voor bepaalde ondernemingen (doorgaans beursvennootschappen en financiële instellingen) hebben ingevoerd of hebben aangekondigd die binnen een of twee jaar in te voeren, waaronder in Australië, Brazilië, China, Egypte, Japan, Maleisië, Nigeria, Filipijnen, Turkije, en het Verenigd Koninkrijk.15 Ook worden er door de IFRS Foundation internationale standaarden voorbereid voor duurzaamheidsrapportering. De EU staat hierin dus niet alleen en deze landen vergroten daarmee het gelijke speelveld.
Ten algemene blijkt bovendien uit het impact assessment van de Europese Commissie bij de CSRD dat op de middellange tot lange termijn wordt verwacht dat de voordelen voor bedrijven de (regeldruk)kosten op de korte termijn zullen overtreffen. Dat neemt niet weg dat de regeldrukeffecten, zeker op korte termijn, voelbaar zullen zijn. Het kabinet heeft daar oog voor en steunt in dat kader de inspanningen voor regeldrukvermindering van de Europese Commissie via het Omnibus I-voorstel.
De leden willen graag een toelichting of Boskalis het enige bedrijf is dat zich zorgen maakt.
Boskalis is zeker niet de enige onderneming die zich zorgen maakt. Er leven vooral zorgen onder de twee groepen grote ondernemingen die over boekjaar 2027 respectievelijk 2028 voor het eerst moet gaan rapporteren. Zij hebben nog niet de ervaring met het rapporteren over de zogenaamde niet-financiële informatie, die de groep ondernemingen die over boekjaar 2024 hebben gerapporteerd, al wel had. De onderwerpen in de Richtlijn niet-financiële informatie16 zijn dezelfde als in de CSRD, maar de rapporteringseisen conform de ESRS-standaarden zijn omvangrijker dan die in de NFRD. Doordat de rapporteringsverplichting voor die groep ondernemingen is uitgesteld van 2025 en 2026 naar respectievelijk 2027 en 2028, hebben deze ondernemingen wel meer tijd om zich voor te bereiden.
De leden vragen wat de gevolgen voor Nederland zijn als internationale bedrijven besluiten zich terug te trekken.
Wanneer het gaat om internationale ondernemingen die in Nederland hun hoofdkantoor hebben of een belangrijke vestiging met veel economische activiteiten, dan hebben de gevolgen vooral betrekking op het verlies van arbeidsplaatsen, het verlies van belastinginkomsten en verlies van inkomsten bij ondernemingen die goederen of diensten leveren aan dergelijke internationale ondernemingen. Afhankelijk van de aard van het bedrijf kan het vertrek ook leiden tot verlies van knowhow of innovatief vermogen. Overigens verwijs ik graag naar mijn antwoord op de voorlaatste vraag hierboven, waaruit blijkt dat er niet alleen in de EU, maar ook daarbuiten sprake is van een steeds groter gelijk speelveld, zodat het de vraag is of een vertrek uit Nederland om redenen van de CSRD opportuun is.
De leden wijzen erop dat de arbeidsproductiviteit in de EU daalt, terwijl die in de rest van de wereld stijgt. Zij vragen of er een relatie kan zijn met de toegenomen regeldruk en wensen een toelichting hierop.
De arbeidsproductiviteit is afhankelijk van veel factoren en de regeldruk kan er daar een van zijn. Volgens De Nederlandsche Bank (DNB) kan de overheid de productiviteit in het bedrijfsleven belemmeren door een te hoge regeldruk. Zij stelt dat de arbeidsproductiviteit kan stijgen als zowel bedrijven als de overheid proberen om administratieve lasten voor werknemers te verminderen, zodat zij zich op productievere taken kunnen richten.17 Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft op 16 oktober 2024 een artikel gepubliceerd over de achtergrond bij de daling van de arbeidsproductiviteitsgroei van Nederland sinds 2013.18 Die daling is volgens het CBS een trend die in veel hoge-inkomenslanden zichtbaar is, maar in Nederland nog sterker dan elders. Dit is volgens het CBS te verklaren is door een verschuiving van arbeid naar minder productieve bedrijfstakken en door het afschalen van de gaswinning in Groningen. Mario Draghi heeft er in zijn rapport «The future of European competitiveness» op gewezen dat het gat in de productiviteitsgroei tussen de VS en de EU grotendeels te wijten is aan de technologiesector en het feit dat de EU de digitale revolutie heeft gemist. De EU is volgens hem zwak in opkomende technologie die toekomstige groei kan bevorderen.19 Hij benoemt dat excessieve regeldruk en administratieve lasten de concurrentie van ondernemingen in de EU kunnen belemmeren en sectorale productiviteit negatief beïnvloeden, doordat ze de operationele kosten van bedrijven opdrijven en hindernissen opwerpen voor de start van nieuwe ondernemingen.20
Nu de Europese Commissie aangeeft het mes in het aantal regels te willen gaan zetten, vragen de leden zich af of dat geen reden zou kunnen zijn om deze rapportageverplichting «on hold» te zetten, onder het motto: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald en zij ontvangen graag een toelichting hierop.
De Stop-de-klok-richtlijn uit het Omnibus I-pakket, die in de inleiding van deze brief is genoemd, voorziet in een uitstel van twee jaar voor de ondernemingen die voor het eerst over boekjaar 2025 en 2026 hadden moeten rapporteren. Voor het overige geldt de CSRD zoals die in 2022 is vastgesteld. De implementatietermijn van de CSRD verstreek in juli 2024. De Europese Commissie is inmiddels een inbreukprocedure tegen Nederland gestart wegens te late implementatie. Daarnaast heeft de Commissie Nederland onlangs nogmaals herinnerd aan de noodzaak om de CSRD op korte termijn te implementeren en aangegeven geen ruimte te zien voor uitstel. Ook in de EU is er in het kader van de onderhandelingen over het Omnibus I-voorstel geen draagvlak om de toepassing van de CSRD verdergaand te onderbreken. De meeste lidstaten hebben de richtlijn inmiddels geïmplementeerd en de eerste groep ondernemingen heeft reeds gerapporteerd.
De leden vragen of ik bereid ben om het verzoek van de brancheorganisatie voor accountants, dat pleit voor uitstel van invoering van CSRD-wetgeving in overweging te nemen en zo niet, waarom niet.21
Het pleidooi van de NBA waar de leden van de fractie van de BBB op doelen heeft betrekking op de groep grote beursvennootschappen, banken en verzekeringsmaatschappijen met meer dan vijfhonderd werknemers, die voor het eerst over boekjaar 2024 moesten rapporteren. Het kabinet heeft zich er tijdens de onderhandelingen over de Stop-de-klok-richtlijn voor ingezet om ook een uitstel voor deze eerste groep ondernemingen te realiseren. Daarvoor bleek echter niet genoeg draagvlak te zijn onder de lidstaten. Inmiddels is de «Stop-de-klok»-richtlijn vastgesteld en in werking getreden. Zoals aangegeven in het antwoord op de vorige vraag, heeft de Commissie laten weten dat zij geen ruimte ziet voor uitstel. Omdat de eerste groep niet onder het uitstel van de Stop-de-klok-richtlijn valt, kan niet worden tegemoetgekomen aan het verzoek van de NBA ten aanzien van die eerste groep. Wel blijft het kabinet zich ook tijdens de onderhandelingen over de ontwerp-wijzigingsrichtlijn ervoor inzetten om ook voor deze groep ondernemingen zo snel mogelijk de regeldruk te beperken en duidelijkheid te verkrijgen.
De leden vermelden dat zij door Dutch Funds en Asset Management (DUFAS) zijn gewezen op het risico van dubbele rapportagelasten vanwege een overlap tussen de CSRD en de Sustainable Financial Development Regulation-Verordening (SFDR). Dit risico wordt volgens de toelichting van het Implementatiebesluit22 voorkomen doordat fonds- en vermogensbeheerders niet onder de reikwijdte van de CSRD vallen voor zover het beleggingen van hun klanten betreft. Deze leden vragen of deze tekst wordt overgenomen in het finale implementatiebesluit om dubbele rapportagelasten, meer regeldruk en hogere kosten voor de pensioendeelnemers te voorkomen?
Conform de CSRD23 zijn beleggingsinstellingen en instellingen voor collectieve beleggingen in effecten (icbe’s) uitgezonderd van de rapporteringsverplichting. Een beheerder van een beleggingsinstelling of icbe dient wel te voldoen aan de duurzaamheidsrapporteringsverplichting indien zij een rechtspersoon is en voldoet aan artikel 2 van het implementatiebesluit. De verplichting geldt op het niveau van de entiteit, niet op het niveau van het product, en betreft de activiteiten van de beheerder. Dit betekent dat een beheerder dient te rapporteren over de vraag welke invloed duurzaamheidskwesties hebben op de beheerder en welke invloed de activiteiten van de beheerder zelf hebben op mens en milieu (zoals de duurzaamheidsimpact van het beleggingsbeleid van de beheerder). Dit zal in de nota van toelichting worden verduidelijkt. Ik ben het met deze leden eens dat het van belang is om de samenhang te bevorderen tussen de CSRD en de verschillende transparantievereisten die momenteel gelden voor onder andere aanbieders van beleggingsproducten en beleggingsadviseurs, die volgen uit de SFDR. Tijdens de onderhandelingen over het Omnibus I-voorstel vraag ik hier dan ook aandacht voor.
De leden vragen of ik bereid ben een technische briefing over de gevolgen van de invoering van duurzaamheidsregels zoals de CSRD, CSDDD en SFDR te organiseren in de Eerste Kamer.
Ik ben bereid om medewerkers een technische briefing te laten verzorgen over de gevolgen van de invoering van duurzaamheidsregels indien uw Kamer daarom verzoekt. Waarbij ik erop wil wijzen dat de drie genoemde regelingen onder de verantwoordelijkheid van verschillende bewindspersonen vallen. Ik zou u in overweging willen geven dat een technische briefing relevant kan zijn pas nadat de wijzigingsrichtlijn uit het Omnibus I-pakket is afgerond, omdat het voor die tijd niet duidelijk is hoe de duurzaamheidsregels er precies uit zullen komen te zien. Het streven van het Poolse Voorzitterschap is om eind juni 2025 een Raadspositie vast te stellen. Wanneer daarna ook het Europees Parlement zijn positie heeft bepaald, gaan de trilogen van start. Na vaststelling van de wijzigingsrichtlijn in de Raad en het Europees Parlement, op z’n vroegst eind dit jaar, zal het kabinet de implementatie van de omnibuswijzigingen ter hand nemen. In het kader van de parlementaire behandeling van de wetgeving ter implementatie van die richtlijn kan wellicht al een deel van de vragen worden beantwoord die er bij uw Kamer leven.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A.C.L. Rutte
Samenstelling:
Van Gasteren (BBB), Van Langen-Visbeek (BBB) (ondervoorzitter), Oplaat (BBB), Panman (BBB), Crone (GroenLinks-PvdA), Kluit (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Thijsssen (GroenLinks-PvdA), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Vos (GroenLinks-PvdA), Van Ballekom (VVD), Straus (VVD), Petersen (VVD), Bovens (CDA), Prins (CDA), Aerdts (D66), Dittrich (D66), Van Strien, (PVV), Visseren-Hamakers (PvdD), Baumgarten (JA21), Van Aelst-den Uijl (SP), Holterhues (ChristenUnie), Dessing (FVD), Schalk (SGP), Perin-Gopie (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL)
Richtlijn (EU) 2025/794 van het Europees Parlement en de Raad van 14 april 2025
tot wijziging van de Richtlijnen (EU) 2022/2464 en (EU) 2024/1760 wat betreft de datums waarop lidstaten bepaalde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering en passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven moeten toepassen.
Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijzing van de Richtlijnen 2006/43/EG, 2013/34/EU, (EU) 2022/2464 en (EU) 2024/1760 wat betreft bepaalde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering door ondernemingen en passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven (hierna: wijzigingsrichtlijn), COM (2025) 81.
Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/2772 van de Commissie van 31 juli 2023 tot aanvulling van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad wat betreft standaarden voor duurzaamheidsrapportering, PbEU 2023, L 284.
Impact Assessment, 21 april 2021, SWD(2021) 150 final; EFRAG’s Cover Letter on the Cost-benefit analysis of the First Set of draft ESRS, Cost-benefit analysis of the First Set of draft ESRS prepared by CEPS and Milieu, november 2022, https://www.efrag.org/Assets/Download?assetUrl=%2Fsites%2Fwebpublishing%2FSiteAssets%2F05%2520EFRAGs%2520Cover%2520Letter%2520on%2520the%2520Cost-benefit%2520analysis.pdf.
Duurzaamheidsinformatie: De effecten van de CSRD op het mkb – Onderzoeksverslag voor het Ministerie van Economische Zaken door de Haagse Hogeschool, februari 2025, zie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/02/28/duurzaamheidsinformatie-de-effecten-van-de-csrd-op-het-mkb.
Beantwoording door de Minister van Economische Zaken, mede namens de Minister van Buitelandse Zaken, de Minister van Financiën en de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d. 19 juni 2025, 2025Z05062
Richtlijn 2014/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen (PbEU 2014, L 330).
Zie voor het rapport uit september 2024: https://commission.europa.eu/topics/eu-competitiveness/draghi-report_en, Part A. A competitiveness strategy for Europe, p, 5.
https://commission.europa.eu/topics/eu-competitiveness/draghi-report_en, Part B | In-depth analysis and recommendations, p. 317.
Artikel 1, vierde lid, van de Jaarrekeningenrichtlijn 2013/34/EU, zoals gewijzigd door de CSRD.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26485-E.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.