26 448 Structuur van de uitvoering werk en inkomen (SUWI)

Nr. 904 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN WERK EN PARTICIPATIE EN VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 juli 2026

Met de Hervormingagenda Inkomensondersteuning werken we aan een zekerder en begrijpelijker stelsel van inkomensondersteuning waarin (meer) werken loont. De Hervormingsagenda is vorig jaar gestart. In deze brief schetsen we de voortgang op de Hervormingsagenda en geven we invulling aan de eerdere toezegging om uw Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, voor de zomer te informeren over de Hervormingsagenda.

Vereenvoudiging van beleid en regelgeving in de sociale zekerheid is nodig om inkomenszekerheid en participatie van mensen te kunnen blijven garanderen. Het is daarnaast ook nodig om de uitvoering ervan toekomstbestendig te houden. Het huidige stelsel is dringend aan hervorming toe: het grote aantal regelingen, ingewikkelde berekeningen en toekenning van bedragen achteraf leiden tot grote onzekerheid, problematische terugvorderingen en niet-gebruik. Daarbij leiden de toeslagen tot een hoge marginale druk. Deze effecten weerhouden mensen ervan om (meer) te gaan werken, terwijl op de arbeidsmarkt iedereen nodig is. Dit blijkt ook uit verschillende rapporten en (parlementaire) commissies van afgelopen jaren: de Commissie sociaal minimum, de Staatscommissie Rechtsstaat, de OCTAS, de PEFD en het IBO Vereenvoudiging sociale zekerheid. Daarnaast is duidelijk dat de publieke dienstverleners als UWV, SVB en ook de gemeenten tegen de grenzen aan lopen van uitvoerbaarheid van het stelsel: meermaals wijzen zij daarop in hun knelpuntenbrieven.

Hervormingsagenda: scope, doelen en aanpak

De hervorming van inkomensondersteuning beslaat een groot deel van de sociale zekerheid, de toeslagen en aspecten van de fiscaliteit. De Hervormingsagenda richt zich op trajecten die bijdragen aan een zekerder en begrijpelijker stelsel voor mensen waarin (meer) werken loont. In deze brief ligt de focus op de sociale zekerheid en een aantal domeinoverstijgende onderwerpen. Complexiteit ontstaat namelijk ook deels door samenloop met toeslagen en belastingen. Veel mensen met een sociale uitkering zijn ook afhankelijk van een of meerdere toeslagen om rond te komen.

De vormgeving van de toeslagen beïnvloedt daarmee direct de effectiviteit van het beleid in de sociale zekerheid: zowel de inkomenszekerheid als de stap naar werk door uitkeringsgerechtigden. Daarnaast hebben mensen met meerdere regelingen tegelijkertijd te maken, waar verschillende begrippen, regels en betaalmomenten voor gelden en die onderling op elkaar inwerken bij nabetalingen en terugvorderingen. Een aantal onderwerpen in deze Hervormingsagenda zijn daarom domeinoverstijgend en daaraan werken de Minister van SZW, de Minister van Werk en Participatie en de Staatssecretaris van Financiën met elkaar samen. Het gaat om het vereenvoudigen van begrippen, een nieuwe kindregeling, de nieuwe financiering van kinderopvang, het verminderen van keteneffecten, het harmoniseren van betaalmomenten en het verminderen van de drempel tot arbeidsparticipatie als gevolg van terugvorderingen van toeslagen.

Daarnaast werkt de Staatssecretaris van Financiën ook voor het belasting- en toeslagenstelsel met een hervormingsagenda. Uw Kamer ontvangt deze Hervormingsagenda Fiscaliteit en Toeslagen voor het einde van dit jaar. In de Strategische agenda1 van de Staatssecretaris van Financiën zijn ambities geformuleerd voor het fiscale stelsel en toeslagen. Bijvoorbeeld om het toeslagensysteem eenvoudiger, duidelijker en rechtvaardiger te maken. Er loopt in dat kader een verkenning naar een zeker en actueel toeslagenstelsel, waarbij toeslagen kunnen worden toegekend op basis van actuele informatie. Hierover zal de Staatssecretaris van Financiën uw Kamer apart informeren.

Doelstellingen: begrijpelijk, zeker en (meer) werken loont

Met de Hervormingsagenda wordt ingezet op het realiseren van meer zekerheid, meer begrijpelijkheid van rechten en plichten en (meer) werken loont. Daarbij is het ook essentieel om de uitvoering houdbaarder en toekomstbestendiger te maken. Voor de toekomstbestendigheid van de sociale zekerheid is het daarom van groot belang dat regelingen voldoende activerend werken en geen armoedeval veroorzaken. Tegelijk is het van belang dat we mensen voldoende inkomenszekerheid en voorspelbaarheid bieden, en ondersteunen in de toeleiding naar werk. Want onzekerheid staat vaak in de weg van participatie of meer uren werk. Voor dit samenspel hebben we binnen de hervorming van de sociale zekerheid constant aandacht.

Meerjarige Routekaart met jaarlijks voorstellen ter besluitvorming

De Routekaart biedt een werkagenda voor de sociale zekerheid richting 2035 aan de hand van zeven inhoudelijke sporen, met een jaarlijks proces richting de budgettaire besluitvorming in het voorjaar. Deze brief geeft een actualisatie van de prioritering op de verschillende trajecten aan de hand van het Coalitieakkoord 2026–2030 en schetst de voortgang binnen de verschillende trajecten. De concrete uitwerking op de sporen volgt stapsgewijs: beleidsopties die binnen de trajecten worden uitgewerkt, worden steeds getoetst op wenselijkheid en uitvoerbaarheid. De opties moeten vervolgens gewogen worden in het kabinet en uw Kamer, inclusief de budgettaire randvoorwaarden. Hervorming en vereenvoudiging gaan altijd gepaard met politieke keuzes. De Hervormingsagenda biedt een divers palet aan onderwerpen en beleidsopties waar de politieke weging elke keer anders kan uitvallen. Het is vaak niet gratis, vereenvoudiging betekent in veel gevallen dat regelingen minder gericht worden en afhankelijk van de uitwerking gaan daar budgettaire effecten of negatieve inkomenseffecten mee gepaard. Als vereenvoudiging leidt tot hogere kosten, zullen daar ook middelen voor moeten worden gevonden. Soms zijn maatregelen budgetneutraal. Ten slotte kunnen vereenvoudigingen ook een besparing opleveren.

Financiering

Omdat er forse budgettaire uitdagingen zijn op de SZW-begroting en het kabinet wel de intentie heeft te vereenvoudigen, willen we jaarlijks uitdrukkelijk bekijken welke maatregelen binnen de budgettaire kaders mogelijk zijn. In dat kader wil het kabinet graag in gesprek met uw Kamer over het financieren van vereenvoudigingen en verbeteringen voor zowel mensen als de uitvoering door bijvoorbeeld een deel van de indexatie van de betreffende uitkeringsregeling in te zetten als dekking. Zo zouden hardheden en knelpunten die mensen raken, opgelost kunnen worden door voor een groep als geheel hetzelfde budget ter beschikking te stellen. Een (beperkt) negatief inkomenseffect voor een (beperkte) groep is soms de pijn die genomen moet worden om voor mensen een betere en doenbare regeling te krijgen. Vereenvoudiging draagt bij aan meer zekerheid en voorkomt een anders vastlopende uitvoering van sociale uitkeringen en toeslagen, waar door complexiteit anders keer op keer herstelacties nodig blijven. Die afweging willen we per traject samen met uw Kamer maken.

Samen werken aan de maatschappelijke opgave

In het verbeteren van de sociale zekerheid is de samenwerking met de publieke dienstverleners, sociale partners, lokale overheden, maatschappelijke organisaties en de mensen om wie het gaat cruciaal. UWV, SVB, gemeenten en de Landelijke Cliëntenraad melden jaarlijks hun signalen over waar mensen en de uitvoering in de knel komen. Daarnaast werken we samen op de ontwikkeling van beleidsopties en de voortgang van de agenda. Zodat er breed draagvlak ontstaat waar dit kabinet en volgende kabinetten op kunnen voortbouwen.

Voortgang Routekaart 7 sporen van de Hervormingsagenda richting 2035

Per spoor gaan we in op de opgave, ambitie en de stappen die het kabinet komende jaren zet. De voorstellen die onder de sporen worden uitgewerkt, moeten bijdragen aan een beter functionerend stelsel voor mensen en de publieke dienstverlening in 2035. Per spoor worden gerelateerde trajecten in samenhang opgepakt. Daarin staat het perspectief van mensen centraal:

  • 1. Borgen van een toereikend en toegankelijk sociaal minimum

  • 2. Zekere en begrijpelijke regelingen als vangnet en bij werkloosheid

  • 3. Vereenvoudiging gegevensdeling, begrippen en overgangsrecht

  • 4. Een zekere en begrijpelijke regeling voor arbeidsongeschiktheid

  • 5. Zekere en begrijpelijke financiële ondersteuning voor ouders

  • 6. Een voorspelbaar inkomen, door het voorkomen en verminderen van negatieve effecten van fouten, nabetalingen en terugvorderingen

  • 7. Betere toeleiding naar werk: via werk in inkomen voorzien

Borgen van een toereikend en toegankelijk sociaal minimum (spoor 1)

Het sociaal minimum vormt de ondergrens in het stelsel van sociale zekerheid. Om mensen in hun bestaanszekerheid te voorzien, streven we naar een toereikend en toegankelijk stelsel voor het sociaal minimum dat naadloos aansluit op alle andere regelingen in de sociale zekerheid.

Dit kabinet geeft in dit spoor prioriteit aan vereenvoudiging van armoederegelingen en proactieve dienstverlening in de sociale zekerheid. Daarnaast houdt het kabinet oog voor de toereikendheid van het inkomen, ook bij de uitwerking van het Coalitieakkoord.

Het stelsel moet in de eerste plaats eenvoudiger: het aantal armoederegelingen moet omlaag, regelingen moeten begrijpelijker en toegankelijker worden gemaakt en beter op elkaar aansluiten. Op dit moment moeten mensen soms te veel landelijke en gemeentelijke regelingen stapelen om rond te komen, en bovendien zijn veel regelingen te ingewikkeld voor mensen. Zoals in het Coalitieakkoord opgenomen werken we samen met gemeenten aan vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen, zodat je kan rondkomen ongeacht je postcode.

Dit maakt voor mensen het aanbod en de aanvraag van regelingen overzichtelijker. Armoede-, schulden- en re-integratiebeleid van gemeenten wordt hierbij ook meer geüniformeerd.

Niet alleen kunnen de regelingen en de interactie ertussen eenvoudiger, ook de dienstverlening hiertoe kan beter: de overheid moet meer moeite doen om te zorgen dat mensen daadwerkelijk ontvangen waar zij recht op hebben via proactieve dienstverlening. Automatisch waar dat kan, met persoonlijk contact waar nodig. Daarnaast is het cruciaal dat de overheid werkt aan vertrouwen. Dat betekent onder meer dat de overheid levert wat ze belooft. Want zolang er mensen zijn die geen vertrouwen hebben in de overheid en als gevolg daarvan een regeling niet aanvragen, lukt het niet om mensen daadwerkelijk te geven waar zij recht op hebben.

Verbetering en vereenvoudiging van het armoedebeleid en inkomensregelingen

In het Coalitieakkoord is afgesproken om in overleg met gemeenten te werken aan vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen, zodat mensen kunnen rondkomen ongeacht de postcode. Dit maakt voor mensen het aanbod en de aanvraag van regelingen overzichtelijker. In de eerste voortgangsrapportage van het Nationaal Programma Armoede en Schulden, die op 10 maart jl. aan uw Kamer is aanboden, is beschreven welke stappen in de afgelopen periode zijn gezet om te komen tot beter en eenvoudiger armoedebeleid. Zo heeft Divosa op verzoek van de VNG een verkenning gedaan om te komen tot toegankelijker en effectiever gemeentelijk armoedebeleid, heeft SZW verkend welke regelingen beter landelijk kunnen worden uitgevoerd of worden geharmoniseerd en hebben Nibud en KWIZ een analyse gemaakt van de effectiviteit van het gemeentelijk armoedebeleid. Deze verkenningen worden betrokken bij de uitwerking van de ambitie uit het Coalitieakkoord.

Proactieve dienstverlening

Proactieve dienstverlening draagt bij aan het tegengaan van het niet-gebruik van uitkeringen en andere sociale voorzieningen, zodat mensen gerichter worden benaderd en ondersteund bij het vinden van werk, inkomen, opleiding en meedoen in de samenleving. Op korte termijn werken UWV, SVB en gemeenten samen in fysieke en digitale adviesloketten aan het faciliteren van (vooringevulde) aanvragen voor inkomensondersteuning. Op korte termijn is ook de inzet gegevensdeling mogelijk te maken voor proactieve dienstverlening bij regelingen met een hoog niet-gebruik, zoals de AIO, algemene bijstand en schuldhulpverlening. Over de financiering van proactieve dienstverlening bij bijzondere bijstand en de studietoeslag gaan wij nader met uw Kamer in gesprek. Daarnaast komen er op korte termijn experimenten met gegevensdeling voor betere (proactieve) dienstverlening in gemeenten die koploper willen zijn en bij UWV en de SVB, passend binnen hun capaciteit.

Op middellange termijn streven we ernaar de goede mogelijkheden voor gegevensuitwisseling voor proactieve dienstverlening te vergroten met andere publieke dienstverleners, zoals de Belastingdienst, Dienst Toeslagen, DUO en waterschappen. Op middellange termijn verkennen we ook waar automatische toekenning mogelijk en wenselijk is, te beginnen met gemeentelijke minimaregelingen, de Toeslagenwet en de kwijtschelding van de lokale belastingen. Specifiek voor de kwijtschelding van lokale belastingen voor mensen met een Wajong- of WIA-uitkering is aan lokale overheden gevraagd de eerder gecommuniceerde, tijdelijke oplossing te continueren. Over een eventuele structurele oplossing vindt overleg plaats tussen alle betrokken departementen (SZW, BZK, IenW en FIN) en de medeoverheden (VNG, Unie van Waterschappen).

Op lange termijn blijven we werken aan betere datakwaliteit en meer datadeling, met het oog op dataminimalisatie. We verkennen welke stappen mogelijk zijn in de richting van persoonsgerichte proactieve dienstverlening en automatische toekenning als eindbeeld. Minder regelingen en minder voorwaarden in het stelsel dragen daaraan bij. Essentieel is ook dat bij het (her)ontwerp van regelingen gekeken wordt naar de benodigde gegevens en de beschikbaarheid daarvan. En dat de burger zo mogelijk slechts eenmaal gevraagd wordt om zijn gegevens en die vervolgens hergebruikt worden voor meerdere processen als dat nodig is. De andere sporen van deze Hervormingsagenda moeten daar dan ook aan gaan bijdragen.

Toereikendheid van het inkomen op sociaal minimum

De vorige brief over de Hervormingsagenda bevatte een analyse van de toereikendheid van het sociaal minimum2. Deze analyse liet zien dat huishoudens met een inkomen op het sociaal minimum in principe voldoende inkomen hebben voor minimaal noodzakelijke uitgaven, als zij de uren werken waar zij toe in staat zijn, alle landelijke regelingen aanvragen waar zij recht op hebben, goed met geld kunnen omgaan en geen onvermijdbare hoge uitgaven hebben. Een aantal huishoudtypen heeft ook enige ruimte om tegenvallers op te vangen, al is deze ruimte beperkt. Wel zijn veel huishoudens sterk afhankelijk van toeslagen om rond te komen. Bovendien kunnen zich in de praktijk situaties voordoen waarin het niet lukt om rond te komen, bijvoorbeeld doordat mensen niet alle regelingen waar zij recht op hebben aanvragen (niet-gebruik) of te maken hebben met hoge onvermijdbare kosten (zoals een hoge energierekening) of schulden. Dat onderstreept dat het belangrijk is om te blijven werken aan vereenvoudiging en het beter bereiken van kwetsbare groepen. Op dit moment zijn er geen nieuwe inzichten die de conclusies van die analyse wezenlijk veranderen. Daarom beschouwt het kabinet dit onderdeel in het kader van de Hervormingsagenda als afgerond. Uiteraard houdt het kabinet in de toekomst oog voor de toereikendheid van het inkomen, ook bij de uitwerking van het Coalitieakkoord.

Sluitend vangnet

In 2024 is de motie Welzijn aangenomen over groepen onder het sociaal minimum3. In 2022 hebben Panteia, Muzus, VU Amsterdam en Hogeschool Utrecht in opdracht van het Ministerie van SZW een onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten op mensen in de sociale zekerheid. Daarnaast heeft de Commissie Sociaal Minimum in 2023 onderzocht op welke manieren het socialezekerheidsstelsel tekort kan schieten. Hieruit kwamen geen nieuwe groepen in beeld die onder het sociaal minimum zitten. Deze onderzoeken hebben een aantal aanknopingspunten opgeleverd, die worden terugvertaald in de aanpak van deze Hervormingsagenda.

Zekere en begrijpelijke regelingen als vangnet en bij werkloosheid (spoor 2)

In Nederland bestaat er een solide stelsel van regelingen voor het vangnet en werkloosheid. De regelingen moeten bestaanszekerheid bieden. Daarbij moeten mensen erop kunnen vertrouwen dat het daadwerkelijk loont, wanneer zij (meer) gaan werken. Waar nodig bieden we passende ondersteuning om mensen uiteindelijk de stap naar werk te laten zetten. Hierbij streven we naar meer eenduidigheid en een meer toegankelijke dienstverlening in de ondersteuning aan werkgevers, werkzoekenden en werkenden.

Het vangnet bestaat uit verschillende regelingen op het niveau van het sociaal minimum, zoals de Participatiewet, de Toeslagenwet en de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO). Er is sprake van een hoog niet-gebruik van de Participatiewet en potentieel ook voor de Toeslagenwet, blijkt uit onderzoek van de Nederlandse Arbeidsinspectie. Zo zou potentieel 68% van de Wajongers de aanvulling uit de Toeslagenwet niet aanvragen. Een deel van de mensen moet bovendien zowel beroep doen op drie regelingen: de Participatiewet, Toeslagenwet als een UWV-uitkering om rond te komen. Naast de vangnetregelingen kennen we in Nederland een werkloosheidsverzekering (WW) en een nabestaandenverzekering (Anw), waarna een deel van beide groepen uitstroomt in de Participatiewet. Ook hebben deze sociale uitkeringen, hoewel oorspronkelijk voortkomend uit eigen vormgeving (voorziening, werknemersverzekering en volksverzekering) met vergelijkbare begrippen, voorwaarden en vraagstukken te maken. In spoor 2 wordt daarom de vormgeving van deze landelijke sociale uitkeringen bezien: de vangnet- en werkloosheidsregelingen op zichzelf en in samenhang.

Dit kabinet geeft in dit spoor prioriteit aan hervorming van de WW en wil daarbij de kansen voor vereenvoudiging van de WW betrekken, mede naar aanleiding van de uitgebreide knelpuntenanalyse uit 2023. Daarnaast geeft het kabinet prioriteit aan hervorming van de Participatiewet en wil in dat kader mogelijke kansen voor vereenvoudiging van de Toeslagenwet bezien.

Participatiewet

Het vorige kabinet heeft al flinke stappen gezet in de hervorming van de Participatiewet. De wet Participatiewet in balans is in werking getreden en ook zijn er stappen gezet in de fundamentele herziening. Zo is er een bundel beleidsopties aan uw Kamer aangeboden, die verdere uitwerking geven aan hoe een verdere herziening van de Participatiewet eruit kan zien4. Het kabinet is voornemens om in te zetten op een verdere hervorming van de Participatiewet. Hierbij wordt meer uitgaan van vertrouwen het vertrekpunt, met eenvoudiger regels, maar als het vertrouwen wordt beschaamd, handhaven we streng. Daarnaast willen we dat meer mensen de weg naar werk en participatie vinden vanuit de Participatiewet. Hiervoor kan intensieve begeleiding een rol spelen, het investeren in gemeenschappen en een goede samenwerking met (sociale) werkgevers. Mensen die door een chronische ziekte of beperking structureel niet kunnen werken, worden in de Participatiewet niet goed ondersteund. Voor hen verkent het kabinet een andere oplossing. Wij zullen uw Kamer nader informeren over de voorgenomen hervormingen van de Participatiewet in een separate brief. Hierin komen wij ook terug op de manier waarop wij uitvoering willen geven aan de motie van de leden Ceder en Flach die verzoekt tot het ontwerpen van een apart wettelijk regime voor chronisch zieken in de bijstand, passend bij hun situatie5.

Toeslagenwet (TW)

De Toeslagenwet biedt aanvullende inkomensondersteuning als een loondervingsuitkering (zoals WW of WIA) of een Wajonguitkering minder is dan het sociaal minimum. Hiermee wordt voor veel mensen een inkomen ter hoogte van het sociaal minimum geborgd. Echter, de Toeslagenwet is een moeilijke wet voor mensen om te begrijpen en voor UWV om uit te voeren. Er is sprake van een potentieel hoog niet-gebruik waardoor mensen mogelijk niet de aanvulling krijgen waar zij recht op hebben en zij potentieel onnodig onder het sociaal minimum leven. Het kabinet heeft een verkenning uitgevoerd naar mogelijke vereenvoudigingen van de Toeslagenwet. Deze verkenning is op 9 juli jl. aan uw Kamer aangeboden. Sommige vereenvoudigingsopties uit deze verkenning vereisen een heroverweging van de principiële uitgangspunten van de werknemersverzekeringen, de Toeslagenwet en de bijstand. Ook zijn de budgettaire consequenties van deze opties substantieel. In het kader van de Hervormingsagenda zullen deze opties verder worden verkend.

Werkloosheidswet (WW)

De WW biedt een vangnet bij tijdelijk inkomensverlies vanwege onvrijwillige werkloosheid. Hoewel de wet voor de meerderheid van de uitkeringsgerechtigden doenlijk is en doet wat ze beoogt, ervaart een deel van de WW-gerechtigden knelpunten6. Deze knelpunten gaan over informatievoorziening en persoonlijke dienstverlening, maar ook over de wet- en regelgeving en uitvoeringsvraagstukken. Deze inzichten bieden een goede basis om gericht verder te werken aan vereenvoudiging van de WW, zodat de wet zekerder en begrijpelijker wordt. De focus binnen de WW ligt eerst op de hervorming van de WW, voortkomend uit het Coalitieakkoord. Deze hervormingen op de WW bieden ook kansen om enkele knelpunten op te lossen en zo de WW te vereenvoudigen. Samen met UWV wordt op dit moment verkend welke vereenvoudigingen samen met de hervormingen uit het Coalitieakkoord kunnen worden uitgewerkt. In het najaar van 2026 informeren wij uw Kamer hier nader over.

Algemene nabestaandenwet (Anw)

De Anw biedt inkomensondersteuning aan nabestaanden. Nabestaanden met minderjarige kinderen die aan de voorwaarden voldoen, hebben recht op een Anw-uitkering totdat het jongste kind 18 jaar is. Er zijn in 2026 twee onderzoeken opgeleverd. Het eerste onderzoek naar de internationale juridische ruimte voor veranderingen aan de Anw is op 31 maart 2026 gepubliceerd7. Omdat de Anw momenteel al grotendeels is beperkt tot de minimumeisen van de IAO-verdragen, concludeert emeritus-professor mr. Pennings in het rapport dat verdere aanpassingen die in overeenstemming blijven met de IAO-verdragen (121 en 128) waarschijnlijk zullen leiden tot uitzonderingsposities en aparte regelingen binnen het bestaande stelsel. Dit doorkruist de algemene beleidswens voor harmonisatie en vereenvoudiging van het stelsel en bemoeilijkt de coördinatie tussen verschillende uitvoerders en gemeenten. Gezien de relatief kleine doelgroep van circa 7.100 Anw-ontvangers met minderjarige kinderen staat de benodigde capaciteit voor implementatie en uitvoering van de genoemde wijzigingsopties uit het rapport niet in verhouding tot de mogelijke effecten8. Om deze reden wordt vereenvoudiging van de Anw in spoor 2 gedeprioriteerd.

Vereenvoudiging gegevensdeling, begrippen en overgangsrecht (spoor 3)

De sociale zekerheid heeft zich afgelopen decennia ontwikkeld tot een fijn vertakt stelsel met vele regelingen. Deze regelingen hebben zich vaak los van elkaar in hun eigen context ontwikkeld. Hierdoor zijn voorwaarden van regelingen niet altijd eenduidig. Een voorbeeld hiervan is het verschil in definities rond de veelvoorkomende begrippen partner, vermogen en inkomen. Hierdoor ontstaat verwarring bij mensen en moeten zij vaak extra informatie aanleveren, waardoor automatisering in de uitvoering moeilijker is. Mensen en publieke dienstverleners zijn gebaat bij een stelsel van eenduidige begrippen, ondersteund door goede gegevens waardoor mensen zo min mogelijk zelf hoeven aan te leveren en er snel duidelijkheid is over het recht op- en de hoogte van inkomensondersteunende regelingen. Daarnaast wordt bij wijziging van regelingen bestaand recht vaak ongemoeid gelaten. Hierdoor neemt de complexiteit toe, omdat er dan veel verschillende regels voor feitelijk vergelijkbare omstandigheden ontstaan. Tot slot zijn de grondslagen rond gegevensdeling per uitvoeringsorganisatie en regeling apart geregeld. Dit kan gevolgen hebben voor rechtszekerheid rond gegevensbescherming. Het is dus van belang om zoveel mogelijk (onderdelen) van regelingen te harmoniseren en standaardiseren. Daarom wordt er aan een voorstel voor eenvoudiger gegevensdeling gewerkt en worden mogelijkheden verkend tot vereenvoudiging van begrippen en een andere omgang met het overgangsrecht.

Dit kabinet geeft in dit spoor prioriteit aan vereenvoudiging van gegevensdeling en harmonisatie van de begrippen inkomen, partner en vermogen inbegrepen het partnerbegrip AOW. Omdat er nog geen financiële dekking voor harmonisatie van deze begrippen is, wil het kabinet hierover graag in gesprek met uw Kamer. Daarnaast zal het kabinet bij voorkomende grote hervormingen eenvoudige oplossingen voor overgangsrecht serieus overwegen en uitwerken.

Vereenvoudiging en versterking gegevensbescherming

Zoals ook aangegeven in de Voortgangsbrief over de Werkagenda SUWI9 werken we aan een wetsvoorstel om de grondslagen voor het verwerken van gegevens specifieker te maken en een inzichtelijke en eenduidige opbouw te geven.

Dit is het wetsvoorstel vereenvoudiging en versterking gegevensbescherming sociale zekerheid (WVVG). Daarmee bieden we meer duidelijkheid aan mensen en professionals welke organisaties in het domein van werk en inkomen persoonsgegevens verwerken en waarom. Dit geeft mensen meer inzicht in hoe besluiten tot stand komen en draagt bij aan vereenvoudiging van wetgeving. Bij het moderniseren van de grondslagen houden we rekening met de wendbaarheid van de dienstverlening. De ervaring leert dat het ontbreken van grondslagen voor gegevensverwerking soms een belemmering vormt voor UWV, SVB en gemeenten om nieuwe vormen van publieke dienstverlening voor mensen te ontwikkelen of snel te acteren op onvoorziene maatschappelijke situaties. Om goed in te spelen op nieuwe beleidswensen voor de praktijk is het wenselijk dat er sneller aanpassingen aan de grondslagen kunnen worden gedaan. Daar moet de nieuwe opbouw aan bijdragen. De voorbereiding van dit wetsvoorstel vergt zeker nog heel 2026.

Vereenvoudiging van de begrippen inkomen, vermogen en partner

In het Coalitieakkoord is opgenomen dat we begrippen en voorwaarden willen harmoniseren. De begrippen partner, vermogen en inkomen zijn belangrijke parameters in het stelsel van inkomensondersteuning. Recht en hoogte van veel inkomensondersteunende regelingen zijn afhankelijk van deze begrippen. De afgelopen periode is verkend op welke manier harmonisatie en standaardisatie van deze begrippen een deel van de huidige complexiteit kan verminderen. Op basis van de uitkomsten van deze analyses zijn betrokken departementen en publieke dienstverleners tot gezamenlijke adviezen gekomen ten aanzien van deze drie begrippen. Onderzocht wordt of de geharmoniseerde begrippen via wetgeving in de verschillende inkomensondersteunende regelingen kunnen worden verankerd. Dit zijn meerjarige trajecten die voor iedere regeling een eigen tijdpad volgen. Voor een aantal regelingen zijn potentiële opties uitgewerkt en aan uw Kamer aangeboden, zoals het AOW-partnerbegrip en voorstellen voor vereenvoudigde begrippen inkomen, partner en vermogen in Participatiewet in balans spoor 2. Of worden de adviezen over de te harmoniseren begrippen betrokken bij trajecten om wetgeving binnen afzienbare termijn aan te passen, zoals het traject van een nieuwe kindregeling. Voor andere begrippen wordt aangesloten bij moment van wijzigingen van wetten. Afhankelijk van de uitwerking gaan daar inkomenseffecten en budgettaire effecten mee gepaard. De budgettaire gevolgen moeten ook van financiële dekking worden voorzien, die op dit moment nog ontbreekt.

Vereenvoudiging partnerbegrip AOW

Het kabinet heeft in dit kader al vereenvoudiging en harmonisatie van het partnerbegrip in de AOW verkend. Het huidige begrip sluit niet goed meer aan bij de veranderde samenleving, kan onduidelijk en onvoorspelbaar zijn en door mensen als inbreuk op de persoonlijke levenssfeer worden ervaren. Met een objectief partnerbegrip wordt de AOW eenvoudiger en wordt het begrip zoveel mogelijk geharmoniseerd met het Awir-partnerbegrip voor de toeslagen. In de uitwerking wordt ook het oplossen van het knelpunt «duurzaam gescheiden leven in verpleeghuissituaties» meegenomen. Daarnaast blijkt uit de maatschappelijke kosten-baten analyse (MKBA) – in oktober 2025 met uw Kamer gedeeld – dat het objectief partnerbegrip er ook voor zorgt dat er meer ouderen gaan samenwonen en mantelzorgen, wat positieve effecten heeft op de doorstroming op woningmarkt en de druk op de informele zorg. Tijdens de Begrotingsbehandeling SZW in maart jl. hebben de leden Van Ark (CDA) en Neijenhuis (D66) het kabinet per motie opgeroepen om aan de slag te gaan met het harmoniseren van het partnerbegrip en hiervoor een voorstel inclusief dekking te doen (Kamerstuk 36 800 XV, nr. 71). Uw Kamer heeft deze motie aangenomen en het kabinet is hiermee bezig. Uw Kamer wordt hier bij Prinsjesdag nader over geïnformeerd.

Ook wordt onderzocht wat de impact is op AIO-gerechtigden die met verschillende begrippen te maken kunnen krijgen als de AOW het objectief partnerbegrip gaat hanteren en de AIO niet. Er wordt in de uitwerking bezien of het mogelijk is om gelijktijdig met de AOW ook in de AIO het objectief partnerbegrip toe te gaan passen om complexiteit te voorkomen.

Vereenvoudiging kostendelersnorm

De kostendelersnorm is opgenomen in de Participatiewet, AIO, Anw en de Toeslagenwet. Vereenvoudiging van de kostendelersnorm is eerder in de Hervormingsagenda opgenomen omdat vereenvoudiging ervan een positief effect kan hebben op de inkomenszekerheid van kostendelers en op de uitvoerbaarheid voor UWV, gemeenten en de SVB, en de aanname dat aanpassing of afschaffing zou kunnen leiden tot het bevorderen van woningdelen. Een dergelijke maatregel is echter kostbaar en heeft ook nadelige effecten. Zo kan het bijvoorbeeld leiden tot een verminderde prikkel tot werken en toename van het aantal mensen in de bijstand. Ook ontstaat een niet uit te leggen voordeel voor kostendelers ten opzichte van gehuwden. Op 6 februari jl. heeft de Minister van VRO het rapport «Verkenning varianten kostendelersnorm en het effect op woningdelen» met uw Kamer gedeeld. Dit rapport laat zien dat het aanpassen van de kostendelersnorm geen doelmatige manier om woningdelen te bevorderen en dat de kostendelersnorm voor veel mensen niet een doorslaggevende reden blijkt om niet te gaan woningdelen. Er zijn ook geen middelen gereserveerd om de kostendelersnorm aan te passen of af te schaffen. Op dit moment geeft het kabinet dan ook prioriteit aan andere in de Hervormingsagenda opgenomen maatregelen voor vereenvoudiging.

Vereenvoudiging van overgangsrecht

Overgangsrecht maakt het stelsel complex. De sociale zekerheid kent een opeenvolging van regelingen die in verschillende perioden zijn ingevoerd, gewijzigd en vervangen. Daardoor kunnen verschillende regels gelden voor soortgelijke situaties, afhankelijk van het moment van instroom in een regeling of leeftijd van de gerechtigde. Overgangsrecht is bedoeld om burgers te beschermen tegen ingrijpende gevolgen van wijzigingen in beleid of regelgeving en is vanwege deze grote gevolgen in veel gevallen aangewezen. Daarnaast kan overgangsrecht het resultaat zijn van politieke keuzes voor een zachte landing bij beleidswijzigingen en de omgang met bestaande rechten bij stelselwijzigingen. Overgangsrecht is bedoeld om de burger te behoeden voor grote veranderingen, maar burgers kunnen gelijktijdig te maken krijgen met meerdere verschillende regelingen, ieder met eigen voorwaarden, regels en verrekeningen.

Langdurig overgangsrecht is voor uitvoerders niet houdbaar. Zij moeten nog jarenlang systemen, processen en specialistische kennis over oudere regelgeving langdurig in stand moeten houden voor soms een kleine groep rechthebbenden. Dit is complex. Een voorbeeld is de regeling Bijstand Buitenland die wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en een ander voorbeeld is de WAO (Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering), uitgevoerd door UWV. In het geval van Bijstand Buitenland ontvangt een klein aantal Nederlanders die in het buitenland leven financiële hulp, omdat zij geen beroep kunnen doen op voorzieningen in het land waar ze wonen. Vanaf 1 januari 1996 is de regeling afgesloten voor nieuwe instroom. In januari 2026 bedroeg de regeling nog 73 gerechtigden. Veel van deze gerechtigden verkeren in een kwetsbare positie en hebben beperkt doenvermogen, onder meer vanwege hun leeftijd, langdurige afhankelijkheid van de regeling en beperkte mogelijkheden om hun inkomen aan te vullen. In geval van de WAO gaat het om circa 137.100 (in 2025) uitkeringsgerechtigden. Het UWV blijft de WAO voor bestaande gevallen uitvoeren, ook al neemt het aantal ontvangers gestaag af. Hiervoor moet het UWV nog lang specifieke kennis, systemen en beoordelingsprocessen in stand houden.

Naarmate de doelgroep van een regeling kleiner wordt, lopen de uitvoeringslasten per gerechtigde op. Budgettair speelt de afweging tussen structurele kosten voor de uitvoering bij de instandhouding van overgangsrechten en de hoge incidentele kosten bij een eventuele afkoop van overgangsrecht. In sommige gevallen kunnen de nog lopende rechten van een regeling worden afgekocht om de afbouw van de regeling te versnellen. Afschaffing van de Bijstand Buitenland bespaart bijvoorbeeld jaarlijks ca. € 250.000 aan variabele uitvoeringskosten. Een eventuele afkoop loopt echter al snel in de tientallen miljoenen aan incidentele kosten. Het kabinet vindt het belangrijk om expliciete keuzes te maken over bestaand overgangsrecht en mogelijk toekomstig overgangsrecht bij regelingen die worden afgeschaft of hervormd.

Het kabinet zal daarom bij voorkomende grote hervormingen eenvoudige oplossingen voor overgangsrecht uitwerken. Hierbij zullen de langjarige uitvoeringskosten inzichtelijk worden gemaakt.

Een zekere en begrijpelijke regeling voor arbeidsongeschiktheid (spoor 4)

Wanneer mensen langdurig ziek of arbeidsongeschikt raken is dat bijzonder ingrijpend. Het is een gebeurtenis die iedereen kan overkomen, maar die bijna niemand alleen kan dragen. Daarom is het van groot belang dat mensen weten dat zij in zo’n geval kunnen terugvallen op inkomensondersteuning. We hebben in Nederland een stelsel dat hierin voorziet. De regelingen verschillen echter voor verschillende groepen mensen, bijvoorbeeld omdat iemand wel of geen werkgever heeft of omdat iemand duurzaam arbeidsongeschikt is. En ook binnen regelingen zijn er regels die maken dat de specifieke situatie waarin iemand zich op een bepaald moment bevindt, veel impact kan hebben op waar iemand precies recht op heeft. Dit alles maakt het geheel aan regelingen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid complex en soms moeilijk uitlegbaar. Het is moeilijk voor mensen die ervan afhankelijk zijn om de regels goed te doorgronden en dit kan leiden tot onzekerheid, bijvoorbeeld over hun inkomen in de toekomst. Dat kan ook participatie, waar dat nog wel mogelijk is, in de weg staan. Daarnaast heeft de complexiteit negatieve impact op de uitvoerbaarheid van de regelingen. Dit signaal geeft UWV als dienstverlener af en dit is ook zichtbaar in de ontstane achterstanden bij sociaal-medische beoordelingen en speelt ook mee bij de problemen met de kwaliteit van de beoordelingen.

We willen toewerken naar een eindbeeld waarin mensen die langdurig ziek of arbeidsongeschiktheid zijn, in een goed passende regeling terecht komen. Een regeling die hen ondersteuning biedt wanneer dat nodig is, begeleiding terug naar werk biedt wanneer dat kan, en waarin (meer) gaan werken vanuit de uitkeringssituatie loont.

In dit spoor geeft het kabinet prioriteit aan verbetering en vereenvoudiging van het arbeidsongeschiktheidsstelsel, en zet hiervoor in op oplossingen voor de korte én lange termijn. Voor de lange termijn betrekt het kabinet de kansen voor doelgroepen binnen de huidige Participatiewet en Anw. Voor de doelgroep zonder arbeidsvermogen in de Participatiewet onderzoekt het kabinet daarnaast de mogelijkheid van een aparte regeling. Tot slot ziet het kabinet het belang in van vereenvoudiging van de dagloonvaststelling, aangezien dit nu te complex is en tot fouten leidt. Over de vereenvoudigingsopties hiertoe gaat het kabinet later dit jaar graag met uw Kamer in gesprek.

Verbetering en vereenvoudiging van de WIA

Werkenden in loondienst die tijdelijk of voor altijd arbeidsongeschikt zijn, kunnen na twee jaar ziekte aanspraak maken op de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De WIA is een verzekering waar iedereen die in loondienst werkt aan deelneemt en waarvoor werkgevers premies afdragen. Het vorige kabinet heeft een onafhankelijke commissie (OCTAS) gevraagd oplossingsrichtingen voor te stellen voor een toekomstig arbeidsongeschiktheids-stelsel waarin minder hardheden worden ervaren en dat beter uitvoerbaar is. In de Kamerbrief van januari 2025 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangegeven hoe hij opvolging zou willen geven aan de adviezen van OCTAS, waarbij werd aangegeven dat het terugbrengen van het aantal regelingen in de WIA een goede manier zou zijn om een noodzakelijke vereenvoudigingsslag te realiseren. In het IBO WIA is daarnaast onderzocht welke verklaringen er zijn voor de stijgende instroom in de arbeidsongeschiktheids-regelingen en werden aanbevelingen gedaan voor de korte termijn om de WIA weer uitvoerbaar te maken.

In het Coalitieakkoord zijn concrete korte en middellange termijn maatregelen opgenomen die in lijn zijn met de aanbevelingen uit OCTAS en het IBO. Maatregelen zijn nodig omdat de uitvoering van de WIA nu vastloopt, met lange wachtlijsten voor beoordelingen en veel voorschotten. Het kabinet is voornemens te investeren in taakherschikking. Dit houdt in dat taken die nu uitsluitend door verzekeringsartsen worden gedaan door andere professionals worden opgepakt. Ook wil het kabinet de samenwerking tussen verzekerings- en bedrijfsartsen versterken en voorwaarden stellen aan WIA-herbeoordelingen10. Daarnaast gaat het kabinet graag in gesprek met vakbeweging en werkgevers om te komen tot een goed werkende en uitvoerbare arbeidsongeschiktheidsregeling. In dat gesprek zal ook worden gesproken over het voornemen uit het coalitieakkoord om de IVA en het daarmee samenhangende duurzaamheidscriterium in de WIA af te schaffen. Uit verschillende onderzoeken komt namelijk dat dit criterium een goede uitvoering belemmert.

Totdat er effecten zichtbaar gaan zijn van bovenstaande maatregelen, blijft UWV werken aan het effectief sturen op de prioritering van de belangrijkste dienstverlening en het efficiënter inrichten van processen. Ook neemt de Minister van SZW maatregelen om op korte termijn een eerste stap te zetten in het verlichten van de huidige druk op UWV11. Daar zijn bij de financiële besluitvorming in het voorjaar van 2025 middelen voor gereserveerd. Daarmee worden het structureel invoeren van praktisch beoordelen en het voorstel om het advies van de bedrijfsarts leidend te maken van de toets op de re-integratie inspanningen (RIV-toets) gefinancierd. Dit helpt om de druk op de uitvoering te verlichten, maar ook met deze maatregelen zullen de achterstanden op sociaal-medische beoordelingen de komende jaren naar verwachting nog fors gaan toenemen.

Ook onderzoekt het kabinet een knelpunt rondom de verhoogde uitkering bij hulpbehoevendheid die bestaat voor de WIA, Wajong, WAO en WAZ.12 Er zijn nu uitkeringsgerechtigden die nauwelijks iets van deze verhoging overhouden omdat andere toeslagen omlaag gaan. Het kabinet verkent of deze tegemoetkoming voor hulpbehoevendheidskosten een andere vormgeving vraagt, en hoe dit dan vormgegeven kan worden.

Lange termijnvisie op arbeidsongeschiktheidsstelsel

Uiteindelijk zijn meer fundamentele maatregelen nodig om te zorgen dat de WIA eenvoudiger en beter uitvoerbaar wordt en blijft voor de toekomst. Het komen tot een eenvoudiger en begrijpelijk arbeidsongeschiktheidsstelsel is een complexe opgave maar heeft absoluut prioriteit. Waarbij er ook nadrukkelijk wordt gekeken naar het preventieve aspect, namelijk het voorkomen van ziekte en arbeidsongeschiktheid en waarbij breder wordt gekeken naar de betekenis van werk in de huidige samenleving en de ziekmakende aspecten daarvan, zoals werkdruk, gebrek aan zingeving en administratieve lastendruk. We zullen bij de uitwerking van lange termijn opties breder kijken dan de ideeën uit OCTAS en het IBO. En breder dan alleen de WIA, omdat sociale zekerheidsregelingen waarmee mensen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid te maken kunnen krijgen, onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Als eerste stap wordt op dit moment gewerkt aan een visie op hoe een toekomstig arbeidsongeschiktheidsstelsel eruit zou kunnen zien. De ambtelijke uitwerking van deze visie wordt naar verwachting in de zomer van 2026 afgerond.

Herziening dagloonsystematiek

Momenteel vindt een verkenning plaats van mogelijkheden om de dagloonsystematiek te herzien. Hierbij verkennen SZW en UWV samen welke aanpassingen kunnen helpen om complexiteit te verkleinen en de foutgevoeligheid van de dagloonvaststelling van de werknemersverzekeringen (WIA, WW, ZW en WAZO) te verminderen. Veranderingen in de regelgeving rondom de dagloonvaststelling kunnen leiden tot grote gevolgen voor uitkeringsgerechtigden, werkgevers en de uitvoering door UWV. Het is dus belangrijk om de gevolgen van deze oplossingsrichtingen zorgvuldig en samen met alle belanghebbenden in kaart te brengen. Het streven is om in de tweede helft van 2026 nadere informatie over de voortgang van dit traject te delen met uw Kamer.

Geen arbeidsvermogen zonder arbeidsongeschiktheidsverzekering

Ook in andere regelingen, zoals in de Participatiewet, is er een groep mensen die niet kan werken door ziekte of handicap. Deze doelgroep binnen de Participatiewet groeit. Eén van de vraagstukken binnen de herziening van de Participatiewet is hoe mensen die structureel geen arbeidsvermogen hebben, beter kunnen worden ondersteund. De knelpunten die mensen ervaren is dat het inkomen niet toereikend is, onvoldoende zekerheid biedt en de verplichtingen gericht op werk en ontwikkeling naar werk niet naleefbaar zijn. Deze kenmerken passen bij het vangnetkarakter en de aanname dat mensen tijdelijk afhankelijk zijn van dit vangnet. In de Kamer wordt breed gedragen dat de Participatiewet niet passend is voor mensen bij wie arbeidsvermogen ontbreekt. In het Coalitieakkoord is opgenomen dat mensen in de bijstand die niet kunnen werken, niet steeds worden gevraagd dit wel te doen. De Minister van Werk en Participatie heeft naar aanleiding van de moties Ceder c.s.13, Rikkers-Oosterkamp14 en Ceder-Flach15 aan de Kamer toegezegd beleidsopties te onderzoeken om voor chronisch zieken een apart wettelijk regime te ontwerpen.

We onderzoeken opties binnen de Participatiewet: gericht op de werk- en re-integratieverplichtingen, werk aantrekkelijker maken voor mensen die door ziekte of gebrek niet meer uren kunnen werken en dus afhankelijk blijven van de bijstand en de dienstverlening gericht op meedoen. Daarnaast onderzoeken we of een apart wettelijk regime mogelijk is voor mensen die langdurig geen arbeidsvermogen hebben. Afhankelijk van de keuzes die gemaakt moeten worden, zal het verbeteren van de Participatiewet gepaard gaan met aanzienlijke financiële effecten. Het is daarbij goed om te vermelden dat er op dit moment geen financiële middelen beschikbaar zijn. Daarnaast zijn ook zaken zoals de afbakening van de doelgroep en de uitvoerbaarheid belangrijke dilemma’s om tot oplossingen te komen.

Daarnaast werkt het kabinet aan het wetsvoorstel Wet Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen, dat een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandig ondernemers introduceert. Dit draagt bij aan een gelijker speelveld tussen werknemers en zelfstandigen en meer bescherming tegen inkomensterugval door arbeidsongeschiktheid voor mensen die hiertegen nu niet (verplicht) zijn verzekerd.

Algemene nabestaandenwet (Anw)

Via de Anw wordt aan nabestaanden die arbeidsongeschikt zijn tot aan de pensioenleeftijd een uitkering verstrekt, omdat deze mensen niet zelfstandig in hun inkomen kunnen voorzien. De voorwaarden verschillen voor de Anw en de andere AO-regelingen. Er zijn circa 11.000 Anw-ontvangers die arbeidsongeschikt zijn. Gezien de relatief kleine doelgroep staat de benodigde capaciteit voor implementatie en uitvoering van wijzigingsopties niet in verhouding tot de mogelijke effecten, zoals ook in spoor 2 staat beschreven. Om deze reden wordt vereenvoudiging van de Anw als zodanig gedeprioriteerd, maar blijft de toekomstige ondersteuning aan de doelgroep arbeidsongeschikten in de Anw wel betrokken worden bij de uitwerking van lange termijn beleidsopties voor verbetering van het arbeidsongeschiktheidsstelsel.

Zekere en begrijpelijke financiële ondersteuning voor ouders (spoor 5)

De financiële ondersteuning van ouders met minderjarige kinderen komt voort uit de maatschappelijke wens om ouders in staat te stellen goed voor hun kinderen te zorgen en dit beiden met werk te kunnen combineren. In de kern zijn er drie grote regelingen: de kinderbijslag, het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag.

Voor een deel van de ouders is het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag ingewikkeld.

De toeslagen, waaronder het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag zijn voor een deel van de ouders complex en leiden tot (hoge) terugvorderingen, niet-gebruik en een hoge marginale druk. Het is van belang dat ouders tijdig wijzigingen doorgeven. Als dat niet (tijdig) lukt, kunnen zij te veel toeslag ontvangen en moeten zij dit terugbetalen. Ook dragen beide regelingen voor sommige ouders bij aan een hoge marginale druk, waardoor werken minder loont. Meer werken leidt tot een beperkte stijging van het inkomen naast onzekerheid over mogelijke terugvorderingen, omdat ouders (deels) het recht op deze toeslagen verliezen en soms ook meer uren opvang moeten afnemen. Angst voor terugvorderingen of voor de overheid is voor sommige mensen een aanleiding om geen aanvraag te doen, terwijl zij wel recht hebben op de kindregelingen. Het niet-gebruik van het kindgebonden budget ligt op circa 8,5%16. Ook zijn er nog andere groepen ouders voor wie de kindregelingen ingewikkeld kunnen zijn, zoals ouders die gaan scheiden en ouders met kinderen die intensieve zorg krijgen of die hogere kosten maken om onderwijsredenen.

Daarnaast is de internationale uitvoering van de twee kindregelingen complex, onder andere vanwege twee verschillende wettelijke kaders en twee regelingen (Awir en Suwi). Dit leidt tot ingewikkelde berekeningen en betalingen voor zowel de uitvoerders als de ouders.

In dit spoor geeft het kabinet daarom prioriteit aan een nieuwe kindregeling: meer zekerheid en eenvoud voor gezinnen door de kinderbijslag en het kindgebonden budget samen te voegen tot één nieuwe regeling met één wettelijk kader binnen het sociale zekerheidsstelsel. Ook zet het kabinet de plannen voor een nieuw financieringsstelsel voor kinderopvang door. Tot slot zet het kabinet zich in voor vergroting van de bestaanszekerheid voor kinderen in gezinnen in Caribisch Nederland.

Aan de slag met een nieuwe kindregeling

Dit kabinet wil meer zekerheid en eenvoud bieden door gezinnen met kinderen nog beter te ondersteunen. Een eerste stap is om de kinderbijslag en het kindgebonden budget samen te voegen tot één nieuwe regeling met één wettelijk kader binnen het sociale zekerheidsstelsel. Zes principes en uitgangspunten zijn hierbij leidend. Voor elk van deze principes en uitgangspunten geldt dat er verschillende keuzes en mogelijke afruilen zijn, waarover uw Kamer onlangs per brief is geïnformeerd.

Het voornaamste principe in de vormgeving van een nieuwe kindregeling is dat de ontwikkeling en ontplooiing van het kind centraal moet staan. Dit houdt in dat kinderen gelijke kansen krijgen, zich kunnen ontwikkelen en volwaardig kunnen meedoen. Daarnaast is zekerheid en voorspelbaarheid van het inkomen van ouders van belang. Daarom wordt, naast de huidige aanpak van actuele inkomensgegevens, verkend of het gebruik van historische inkomensgegevens voor meer rust in de huishoudportemonnee kan zorgen. Ook is het belangrijk dat ouders vertrouwen hebben in de overheid. De inzet is daarom om ouders zoveel mogelijk te ontlasten in het doen van een aanvraag of het wijzigen van gegevens. Een ouder-kind portaal kan de toegankelijkheid van de dienstverlening voor ouders en de gegevensuitwisseling tussen de betrokken uitvoeringsorganisaties verbeteren. Daarom is het portaal ook onderdeel van de verdere uitwerking. Verder moet werken meer gaan lonen voor ouders en is het daarom belangrijk dat de drempel om de arbeidsmarkt te betreden bij de nieuwe kindregeling zo laag mogelijk blijft. Speciale aandacht gaat onder andere uit naar het eenvoudiger maken van regelingen voor specifieke doelgroepen, waaronder alleenstaande ouders en ouders met kinderen die een intensieve zorgbehoefte hebben.

Deze uitgangspunten worden voor zover mogelijk ook meegenomen bij de vormgeving van een structurele inkomensafhankelijke kindregeling voor Caribisch Nederland.

Herziening financieringsstelsel kinderopvang

Voor de kinderopvangtoeslag heeft het kabinet al richting bepaald. In 2029 wordt een nieuwe financieringssystematiek ingevoerd die eenvoudiger en zekerder is voor ouders. In plaats van een inkomensafhankelijke toeslag komt er voor werkende ouders een inkomensonafhankelijke vergoeding voor kinderopvang die rechtstreeks naar kinderopvangorganisaties gaat. Dit betekent dat het inkomen niet meer bepaalt hoe hoog de tegemoetkoming is, waardoor (meer) werken voor minder onzekerheid zorgt. Als gevolg van de vereenvoudigingen en het verschuiven van de geldstroom van ouders naar kinderopvangorganisaties wordt er in de nieuwe financieringssystematiek niet meer teruggevorderd bij ouders. Uw Kamer is in april geïnformeerd over de stand van zaken17.

Inkomensondersteuning ouders en kinderopvang Caribisch Nederland

Voor Caribisch Nederland is onze ambitie om ouders gelijkwaardig aan ouders in Europees Nederland financieel te ondersteunen. De vormgeving kan verschillen, maar verschillen moeten uitlegbaar zijn (comply or explain). Zo kan de andere uitgangssituatie bij het huidige stelsel van inkomensondersteuning in Caribisch Nederland leiden tot andere keuzes in de vormgeving. Zo werken we samen met de Openbare Lichamen en betrokken ministeries aan het financieel toegankelijk maken van de kinderopvang in Caribisch Nederland voor alle ouders. Kinderopvangorganisaties kunnen sinds juli 2020 via de tijdelijke subsidieregeling financiering kinderopvang BES subsidie ontvangen voor het uitvoeren van kinderopvang. Ouders betalen een beperkte inkomensonafhankelijke eigen bijdrage, waardoor kinderopvang financieel toegankelijk wordt voor alle ouders,. Op 1 januari 2026 is de Wet Kinderopvang BES in werking getreden die deze vorm van financiering structureel maakt en daarnaast zorgt voor eisen aan de kwaliteit en veiligheid en het toezicht daarop. Voor Caribisch Nederland ligt er daarnaast een opgave om de bestaanszekerheid te vergroten voor gezinnen met kinderen via een inkomensafhankelijke kindregeling.

Een voorspelbaar inkomen, via voorkomen en verminderen van negatieve effecten van fouten, nabetalingen en terugvorderingen (spoor 6)

De complexiteit van regelingen leidt tot fouten van zowel mensen als publieke dienstverleners, met mogelijke terugvorderingen en nabetalingen als gevolg. De onzekerheid of mensen uitgekeerde bedragen wel mogen houden kan een drempel vormen om (meer) te werken of een uitkering aan te vragen. Dit is onwenselijk. Het kabinet werkt daarom aan een voorspelbaarder stelsel met meer inkomenszekerheid. We werken daarnaast via de inzet op preventie aan het voorkomen van fouten van mensen. En als toch een fout gemaakt wordt, wil het kabinet deze via het wetsvoorstel Wet handhaving sociale zekerheid niet meteen bestraffen, maar waar nodig passend handhaven. Als terugvorderingen en nabetalingen toch plaatsvinden, zou dit begrijpelijk en evenredig moeten gebeuren. Het kabinet verbetert hiertoe het vorderingenbeleid.

In dit spoor geeft het kabinet prioriteit aan hervorming van het beleid gericht op handhaving, terugvordering en nabetalingen aan mensen. Daarnaast streven we naar meer samenhang in betaalmomenten van inkomensregelingen als een ontwikkelrichting voor de langere termijn. De verbeteringen binnen het huidige stelsel van toeslagen ten aanzien van terugvorderingen moeten er daarnaast toe leiden dat, zolang er nog toeslagen bestaan, de drempel tot arbeidsparticipatie wordt verlaagd.

Herijking handhaving

Speerpunt bij een betrouwbare sociale zekerheid is een meer passende handhaving waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en met de mogelijke impact op mensen. Het wetsvoorstel Handhaving sociale zekerheid biedt voldoende handhavingsinstrumenten en geeft UWV, SVB en gemeenten meer ruimte om rekening te houden met de persoonlijke situatie van mensen. Het wetsvoorstel is aan uw Kamer aangeboden voor behandeling, en bij behandeling voor de zomer zal ingezet worden op implementatie per 1 januari 2027.

Aanpak preventie van fouten en overtredingen

Om de noodzaak tot handhaving te voorkomen, werken we aan duidelijke rechten en plichten. We onderzoeken veelvoorkomende fouten en doen voorstellen voor aanpassing in wet- en regelgeving of dienstverlening. Om risico’s op fouten in te schatten wordt geleerd van ervaringen van mensen. Het continu meewegen van hun ervaringen moet leiden tot begrijpelijkere regels en dus minder fouten en terugvorderingen. De regel die bij UWV het vaakst wordt overtreden is de verplichting om vakantie en verblijf in het buitenland te melden. Momenteel wordt gekeken welke opties er zijn om het aantal overtredingen te verkleinen.

Modernisering vorderingenbeleid en keteneffecten van nabetalingen

Naar aanleiding van de kinderopvangtoeslagaffaire zijn de politieke en maatschappelijke visies op vorderingen binnen de sociale zekerheid veranderd. Naast gerichte uitkeringen die efficiënt worden uitgevoerd, hecht men nu ook een groter belang aan de burger bij wie de diverse terugvorderingen terecht komen. Met het wetsvoorstel modernisering vorderingenbeleid wordt gewerkt aan meer balans in het wettelijk kader rond vorderingen. Zo wordt een recht op nabetalingen geïntroduceerd bij fouten van de overheid. Ook wordt voorgesteld om nabetalingen als gevolg van een fout door de overheid of een bezwaar- of beroepsprocedure niet meer in alle inkomensafhankelijke regelingen door te laten werken. Voor het voorkomen van deze zogenoemde keteneffecten zijn middelen vrijgemaakt en lopen vergaande gesprekken met de publieke dienstverleners. Over de voortgang van het totale wetsvoorstel wordt u binnenkort geïnformeerd in een aparte brief.

Bruto terugvorderen

Mensen krijgen een uitkering netto uitgekeerd, na afdracht van loonheffing. Als sprake is van een terugvordering die de jaargrens overschrijdt, moeten zij deze bruto betalen. Het verschil, de loonheffing, hebben zij niet op hun rekening ontvangen, maar is door UWV namens hen afgedragen aan de Belastingdienst. Bij een terugvordering moeten mensen dit deel wel terugbetalen. Het gaat jaarlijks om zo’n 50.000 vorderingen.

Meestal krijgen zij een vergelijkbaar bedrag terug nadat zij de terugbetaling opgeven als negatief inkomen bij de aangifte inkomstenbelasting. Dit vinden mensen complex, zij moeten soms lang wachten tot teruggave en zij krijgen niet altijd een even hoog bedrag terug. In 2025 was een oplossing uitgewerkt. Inzet was het in bepaalde gevallen kwijtschelden van de afgedragen loonheffing. Nadeel van deze oplossing was dat er een financieel voordeel kan ontstaan voor mensen. De verminderde vordering kan ook in mindering worden gebracht op zijn belastbaar inkomen. Het vorige kabinet had incidentele middelen gereserveerd om op korte termijn een pilot te kunnen starten, zodat vervolgens een structurele oplossing zonder dit financiële voordeel uitgewerkt zou kunnen worden18. Bij de voorjaarsbesluitvorming 2026 zijn deze incidentele middelen vanwege noodzakelijke budgettaire afwegingen anders bestemd. Dit noopt tot herprioritering van de inzet op dit onderwerp voor de komende jaren.

Drempels arbeidsparticipatie door terugvorderingen van toeslagen

Mensen gaan er doorgaans op vooruit als ze vanuit een uitkeringssituatie gaan werken. Toch ervaren sommige mensen een drempel om (meer) te gaan werken vanwege onzekerheid over de gevolgen voor hun uitkering en toeslagen. Dit kabinet wil deze onzekerheid temperen. In dit kader werkt Dienst Toeslagen aan het beter inschatten van voorschotten, met als doel het aantal en de hoogte van terugvorderingen te verminderen. Daarnaast werkt het Ministerie van Financiën aan een wetstraject proactieve dienstverlening voor toeslagen. Dit moet mensen met én zonder aangevraagde toeslag helpen zicht te krijgen op hun financiële situatie en zo terugvorderingen verminderen. Tot slot loopt er een verkenning naar het automatisch toekennen van toeslagen in de actualiteit waar een Kamerbrief voor de zomer over volgt. De volledige verkenning wordt begin 2027 opgeleverd.

Harmoniseren betaaldata

In het Coalitieakkoord is opgenomen dat het kabinet streeft naar het harmoniseren van betaalmomenten. Het is van belang dat mensen duidelijkheid en inzicht hebben in wanneer en over hoeveel middelen zij kunnen beschikken. Dit kan bijdragen aan een voorspelbaar besteedbaar inkomen en geeft mensen grip op hun uitgaven. Het kabinet heeft in 2025 onderzoek gedaan naar de mogelijkheden. Het onderzoek en de kabinetsreactie worden na de zomer aan uw Kamer aangeboden. In de kabinetsreactie op dit onderzoek gaan we in op de uitkomsten en schetsen we welke vervolgstappen kansrijk en haalbaar zijn, evenals op welke onderdelen nadere uitwerking nodig is of waar uniformeren niet wenselijk is. Het bevorderen van meer samenhang in betaalmomenten zien we als een ontwikkelrichting voor de langere termijn, waarbij eventuele aanpassingen stapsgewijs en op logische momenten kunnen worden overwogen. Aandachtspunten hierbij zijn dat het harmoniseren van betaalmomenten slechts een deeloplossing is en er momenteel geen budget voor deze maatregel is gereserveerd.

Betere toeleiding naar werk: via werk in inkomen voorzien (spoor 7)

In Nederland hebben we iedereen nodig. Toch staan nog te veel mensen ongewild langs de kant. Dat is zonde – voor henzelf én voor onze samenleving. Want iedereen heeft talenten en kan op zijn of haar eigen manier bijdragen. Bovendien hebben we iedereen hard nodig op deze krappe en veranderende arbeidsmarkt. Voor opgaven zoals de energietransitie, woningbouw en de zorg zijn de komende jaren ontzettend veel mensen nodig. Kansen genoeg dus.

Werk betekent meer dan alleen een inkomen. Het geeft structuur, eigenwaarde, sociale contacten en vertrouwen in de toekomst. Daarom zou meedoen in de samenleving – via werk of als dat (nog) niet lukt op een andere manier – voor iedereen het uitgangspunt moeten zijn. Van de 13,4 miljoen Nederlanders tussen de 15 en 75 jaar hebben 9,8 miljoen mensen werk. Dat betekent dat ongeveer 3,6 miljoen mensen niet werken. Voor een groot deel van hen is daar een duidelijke reden voor: zij volgen onderwijs, zijn met pensioen of kunnen door ziekte of beperkingen niet werken. Maar er is ook een grote groep mensen die wél wil en kan bijdragen, maar onvoldoende kansen of ondersteuning krijgt.

Actieprogramma Nederland Werkt

Nederland heeft behoefte aan een nieuwe blik op werk. Een arbeidsmarkt waarin we voorkomen dat mensen hun baan verliezen en waarin werknemers duurzaam inzetbaar zijn en zich blijven ontwikkelen. Een arbeidsmarkt waarin niet beperkingen, maar mogelijkheden centraal staan. En een sociale zekerheidsstelsel waarin mensen die onverhoopt werkloos raken of met gezondheidsproblemen te maken krijgen, door passende ondersteuning sneller perspectief krijgen op werk of deelname aan de samenleving op andere wijze. Met dienstverlening die dichtbij mensen is, bijvoorbeeld via de 35 Regionale Werkcentra waar werkenden, werkzoekenden en werkgevers terecht kunnen voor hulp bij scholing en werk.

Met het Actieprogramma Nederland Werkt bouwen we aan die verandering. Het kabinet wil samen met sociale partners, werkgevers, UWV, gemeenten, Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB), opleiders en andere organisaties werken aan een brede beweging waarin we samenwerken vanuit één overtuiging: iedereen die wil en kan bijdragen, moet daar ook de kans voor krijgen. Want Nederland werkt pas echt als iedereen mee kan doen. De komende periode werkt het kabinet dit programma verder uit in samenwerking met de relevante partners. In het najaar informeert de Minister van Werk en Participatie uw Kamer verder over de contouren van het actieprogramma.

De maatregelen die eerder in dit spoor al waren opgenomen, wil het kabinet verder brengen via het actieprogramma Nederland Werkt. Het kabinet geeft prioriteit aan de realisatie van één Werkcentrum in iedere arbeidsmarktregio en het stimuleren van het gebruik van Ontwikkelpaden als standaard instrument om mensen te ondersteunen in het vinden en behouden van werk. Ook wil het kabinet sociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk versterken en toekomstbestendig maken. Tot slot streeft het kabinet naar een nieuwe banenafspraak voor mensen met een arbeidsbeperking, waarin de ondersteuningsbehoefte van mensen leidend is. Over oplossingsrichtingen gaan we later dit jaar graag met uw Kamer in gesprek.

Een Werkcentrum in iedere arbeidsmarktregio

Het kabinet neemt met de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur maatregelen om arbeidsmarktdienstverlening toegankelijker te maken en samenwerking in de arbeidsmarktregio’s te versterken. In iedere arbeidsmarktregio vormt het Werkcentrum het gezamenlijke regionale loket waarin eerdere loketten zijn samengevoegd. Werkzoekenden, werkenden en werkgevers kunnen hier terecht met vragen over werk, scholing en personeelsvraagstukken. Om uitvoering te geven aan de diverse maatregelen ter versterking van de arbeidsmarktinfrastructuur is wijziging van wet- en regelgeving nodig. Een voorgenomen wetswijziging van wet SUWI creëert grondslagen en taken waarmee de (regionale) publiek-private samenwerking wordt versterkt en belemmeringen voor passende dienstverlening worden weggenomen. Het conceptwetsvoorstel zal naar verwachting rond de zomer van 2026 aan uw Kamer worden aangeboden. In de Kamerbrief van 23 maart 2026 is een nadere toelichting op de voortgang van de hervorming gegeven19.

Ontwikkelpaden: via scholing aan het werk

Het afgelopen jaar hebben veel sectoren in samenwerking met SZW, OCW, werkgevers en onderwijspartners sectorale Ontwikkelpaden gemaakt en gelanceerd20. Per 22 mei 2026 zijn 47 Ontwikkelpaden erkend door de Minister van SZW, binnen sectoren als techniek, zorg, onderwijs, groen, schoonmaak, transport & logistiek en detailhandel. Komend jaar volgen nog meer Ontwikkelpaden. Tot en met 2027 kunnen werkgevers de SLIM-scholingssubsidie aanvragen voor bekostiging van opleidingen uit de Ontwikkelpaden van maatschappelijk cruciale sectoren (kinderopvang, onderwijs, zorg, techniek, bouw en energie, ICT en groen). Hiermee stimuleren we de instroom van werkzoekenden en doorstroom of overstappen van werkenden in cruciale sectoren. Sectoren en werkgevers nemen hun Ontwikkelpaden in gebruik. SZW ondersteunt samen met landelijke partners21 de publiek-private ingebruikname van Ontwikkelpaden door de samenwerkende partners in de arbeidsmarktregio’s voor de matching van werkzoekenden. Ambitie is dat Ontwikkelpaden een standaard instrument zijn in de dienstverlening van de regionale Werkcentra, gemeenten, UWV, SBB en sociale partners. Veel arbeidsmarktregio’s hebben Ontwikkelpaden al opgenomen in hun regionale meerjarenagenda’s.

Komend jaar werken we aan de professionalisering van de ketensamenwerking rondom Ontwikkelpaden, zodat sectoren gebruiksvriendelijker en sneller Ontwikkelpaden kunnen beheren en onderhouden.

Samen met landelijke partners werken we toe naar de situatie dat Ontwikkelpaden gebruikt worden voor verschillende doelgroepen zoals jongeren, nieuwkomers en mensen met een beperking. De eerste ervaringen met Ontwikkelpaden laten zien dat voor instroom van werkzoekenden het vaak nodig is dat gestart wordt met een voorschakeltraject. Ten behoeve van opschaling van en publiek-private samenwerking op voorschakeltrajecten ter voorbereiding op instroom op een functie uit een Ontwikkelpad via praktijkgerichte scholing, willen we de inzet ervan verankeren in wet- en regelgeving.

Versterking sociale infrastructuur

Voor mensen die niet of niet direct kunnen werken bij een reguliere werkgever zijn er sociaal ontwikkelbedrijven. Zij bieden mensen de kans om mee te doen via werk. Als opstap naar werk bij een reguliere werkgever, als beschutte werkplek of als vangnet wanneer werken bij een reguliere werkgever (tijdelijk) niet lukt. Het kabinet vindt het belangrijk dat sociaal ontwikkelbedrijven deze rol ook in de toekomst kunnen blijven vervullen. Daarom neemt het kabinet verschillende maatregelen om de sociale infrastructuur te versterken en toekomstbestendig te maken. Voor het zomerreces ontvangt uw Kamer een voortgangsbrief over sociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk. In die brief wordt een beeld geschetst van de staat van de sociale infrastructuur in Nederland en de manier waarop gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven werken aan een toekomstbestendige infrastructuur. Daarnaast wordt uitgebreid ingegaan op de stand van zaken rond beschut werk en de stappen die het kabinet zet om beschut werk verder te versterken en te bevorderen.

Verbeteringen banenafspraak

Juist voor mensen met een arbeidsbeperking is aan het werk gaan en blijven nog niet altijd vanzelfsprekend. En ook voor werkgevers ligt het lang niet altijd voor de hand om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te hebben. Dat moet veranderen. We moeten als maatschappij blijven kijken naar wat mensen wél kunnen. We streven daarom naar een nieuwe banenafspraak voor mensen met een arbeidsbeperking, waarin de ondersteuningsbehoefte leidend is. In de brief van 19 juni 2025 is de Staatssecretaris van Participatie en Integratie uitgebreid ingegaan op de langetermijnvisie op de banenafspraak. In samenspraak met sociale partners, (vertegenwoordigers van) ervaringsdeskundigen, gemeenten en UWV zijn we tot een aantal uitgangspunten gekomen. Belangrijkste knelpunt op dit moment is dat er te veel mensen met een beperking niet onder de doelgroep banenafspraak vallen. Hier willen we in de nieuwe banenafspraak anders mee omgaan. Uw Kamer wordt rond de zomer 2026 verder geïnformeerd over de uitwerking van oplossingsrichtingen.

De ontwikkeling van een langetermijnvisie betekent niet dat we stoppen met het verbeteren van de huidige banenafspraak. Afgelopen periode zijn er verschillende stappen gezet om de doelgroep te verbreden. Het gaat om een beperkte verbreding, waarbij groepen mensen worden toegevoegd die dezelfde kenmerken en ondersteuningsbehoefte hebben als mensen die al tot de doelgroep banenafspraak behoren. Per 1 januari 2026 zijn de volgende groepen toegevoegd aan het doelgroepregister:

  • • Mensen met een Wajong-uitkering die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben en die werken bij een reguliere werkgever;

  • • Mensen met een IVA-uitkering die werken met loondispensatie

Daarnaast wordt gewerkt aan een wetsvoorstel waarmee mensen in de WIA en de WW die niet zelfstandig het WML kunnen verdienen, opgenomen kunnen worden in het doelgroepregister banenafspraak. Ook is de bedoeling met datzelfde wetsvoorstel loonkostensubsidie beschikbaar te maken in de WIA en de WW, zodat UWV dit instrument ook in kan zetten. Het kabinet zal de uitgangspunten van dit wetsvoorstel aan uw Kamer aanbieden in een brief voor de zomer.

Naast de verbreding bevat het wetsvoorstel het voornemen om ook in de Wajong het instrument loondispensatie te vervangen door loonkostensubsidie. Tot slot zetten we op korte termijn in op het verder stimuleren van inclusief werkgeverschap door bijvoorbeeld het Sociale Innovatie Fonds (SIF) op bredere schaal voort te zetten en verdere uitvoering van de subsidieregeling inclusieve technologie.

Hervormingsagenda vraagt om keuzes van kabinet en Kamer

Zoals aangegeven in de inleiding van deze brief zal deze Hervormingsagenda met politieke keuzes gepaard gaan, die aan het kabinet en uw Kamer zijn. Hervorming en vereenvoudiging is urgent en nodig, maar niet gratis, omdat vereenvoudiging in veel gevallen ook zal betekenen dat regelingen minder gericht worden. Afhankelijk van de uitwerking gaan daar inkomenseffecten of budgettaire effecten mee gepaard. Budgettaire gevolgen zullen van financiële dekking moeten worden voorzien. Maar het levert ook iets op. Een stelsel wat meer zekerheid een voorspelbaarheid biedt, geeft mensen ook grip terug op hun leven. En het maakt de stap naar werk en meer uren werk eenvoudiger. Voor het draagvlak voor en de houdbaarheid van onze sociale zekerheid is daarbij essentieel dat werken voldoende loont. Dit blijven belangrijke uitgangspunten in de Hervormingsagenda.

In de concrete uitwerking van beleidsopties voor verschillende wetten zal de haalbaarheid en uitvoerbaarheid worden getoetst en zullen de keuzes zorgvuldig in kaart worden gebracht en aan uw Kamer voorgelegd. Daaruit zal duidelijk worden dat er mogelijkheden zijn, maar voor hervorming ook keuzes dienen te worden gemaakt. Met het jaarlijkse proces van de Hervormingsagenda richting budgettaire besluitvorming worden deze keuzes gefaciliteerd. De Hervormingsagenda is een werkagenda voor de sociale zekerheid met ambitie, waarvan concrete uitwerking op de sporen stapsgewijs komt en vervolgens politiek gewogen moet worden, inclusief de budgettaire randvoorwaarden. Met de organisatie van een jaarlijks proces streven wij naar realisatie van voorstellen die bijdragen aan een betere bestaanszekerheid voor mensen en een toekomstbestendige, houdbare uitvoering van de sociale zekerheid.

De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief


X Noot
1

Kamerstukken II, 2025/26, 32 140, nr. 309

X Noot
2

Kamerstukken II 2024–2025, 26 448 nr. 849, bijlage 1.

X Noot
3

Kamerstukken II 2024–2025, 36 600 XV, nr. 65.

X Noot
4

Kamerstukken II 2024/25, 34 352, nr. 344

X Noot
5

Kamerstukken II 2025/26, 34 352, nr. 355

X Noot
6

Dit blijkt uit het onderzoeksrapport «Waar knelt de WW». Zie Bijlage bij Kamerstukken II, 2023/24, 26 448, nr. 736

X Noot
8

Het rapport is vooral een juridische basis voor discussies over de Anw. Er is niet uitgebreid onderzocht wat de gevolgen voor de uitvoering zijn.

X Noot
9

Kamerstukken II 2025/26, nr. 26 448, 859

X Noot
10

IBO WIA: Werk aan de WIA – naar een stelsel dat weer werkt (2025)

X Noot
11

Zie Kamerstukken II 2024–2025, 26 448, nr. 846.

X Noot
12

Zie Bijlage I bij Kamerstukken II 2024–2025, 26 448, nr. 849.

X Noot
13

Kamerstukken II 2024–2025, 36 600 XV, nr. 86

X Noot
14

Kamerstukken II 2024–2025, 36 600 XV, nr. 69

X Noot
15

Kamerstukken II 2025–2026, 34 352, nr. 355

X Noot
16

Centraal Planbureau: Onbenut recht: het niet-gebruik van huur- en zorgtoeslag en het kindgebonden budget (2025). Dit zijn vooral huishoudens met een hoger inkomen. Lagere inkomensgroepen met recht op een hoog bedrag aan het kindgebonden budget worden goed bereikt.

X Noot
17

Kamerstukken II, 2025–2026, 31 322, nr. 584

X Noot
18

Kamerstukken II, 2025–2026, 17 050, nr. 612

X Noot
19

Kamerstukken II 2025–2026, 33 566/26 544, nr. 110

X Noot
20

Ontwikkelpaden zijn landelijke overzichten van functies met bijbehorende opleidingen. Ze maken inzichtelijk hoe werkzoekenden en werkenden kunnen in- en doorstromen in sectoren of kunnen overstappen tussen sectoren met behulp van praktijkgerichte scholing. Sectoren zijn eigenaar van hun eigen Ontwikkelpad. De Minister van SZW erkent Ontwikkelpaden op basis van de SLIM-regeling.

X Noot
21

Het Landelijk Ondersteuningsteam Regionale Arbeidsmarkt, de stichting NL onderneemt maatschappelijk! (gelieerd aan VNO-NCW), de Landelijke Werkgeversservicepunten gemeenten en UWV, SBB, MBO-raad, VH en NRTO zijn betrokken bij deze aanpak.

Naar boven