Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 maart 2026
Tijdens de Regeling van Werkzaamheden van 10 maart 2026 is gevraagd om een brief met
een reactie op berichtgeving in het Algemeen Dagblad (AD) van 5 maart 2026 over UWV.
In het AD-artikel ging het in de kern om twee zaken:
Ad 1: UWV al langere tijd op hoogte van fouten in de vaststelling van WIA-uitkeringen
Naar de informatiestromen heeft de Algemene Rekenkamer op verzoek van de toenmalige
Minister van SZW onafhankelijk onderzoek gedaan1. De Algemene Rekenkamer heeft in het onderzoek een tijdlijn opgenomen met de signalen
over fouten en werking van het kwaliteitsmanagementsysteem bij de divisie sociaal-medische
zaken (p. 22). Hieruit blijkt dat er binnen UWV inderdaad al langer signalen waren
over mogelijke fouten bij de vaststelling van WIA-uitkeringen, maar de Rekenkamer
nuanceert dit ook als zij op pagina 25 schrijft: «Tegelijk ontbrak het bij UWV aan concrete duiding van en doorvragen op deze signalen,
waardoor tot op zekere hoogte onzeker bleef wat ze betekenden ... Dit gebrek aan concrete
duiding gaf ruimte om signalen af te zwakken. Dat gebeurde ook. In rapportages en
interviews kwamen we tegen dat het ging om «kleine fouten», en «administratieve fouten»
en dat «het al jaren zo is» ook waren er geluiden over de onafhankelijke toetsing
die te kritisch zou zijn. Fouten waren «in het voordeel van de cliënt». We stellen
vast dat deze duiding voor de RvB geruststellend werkte.»
Ad 2: Invloed UWV-top op Kamerbrieven
In aanloop naar de brief van 4 september 2024 (Kamerstuk 26 448, nr. 767), waarin is aangekondigd dat mogelijk tienduizenden mensen een te hoge of een te
lage WIA-uitkering hebben ontvangen, is er intensief contact geweest tussen UWV en
SZW. Het is gebruikelijk dat ministeries en uitvoeringsorganisaties afstemming zoeken
bij Kamerbrieven. Dat past ook bij de gelijkwaardige verhouding tussen beleid en uitvoering,
die het kabinet voorstaat, zodat alle perspectieven goed worden gewogen.
Daarbij kan het voorkomen dat het ministerie en de uitvoeringsorganisatie een verschil
van inzicht hebben. Uiteindelijk is het de Minister die beslist wat er in een Kamerbrief
komt. Dat is ook in dit geval gebeurd. Zoals blijkt uit het AD-artikel ging het gesprek
tussen de top van UWV en het Ministerie van SZW over het wel of niet opnemen in de
Kamerbrief van voorlopige cijfers over de omvang van de problematiek. Er was in die
periode nog veel onzeker en onduidelijk. Het was daardoor ook niet altijd evident
welke informatie en inzichten betrouwbaar genoeg waren om te delen. Daarnaast ging
het over het laten uitvoeren van een onafhankelijk onderzoek. De toenmalige Minister
van SZW heeft besloten om de voorlopige cijfers met een toelichting op te nemen in
de brief aan uw Kamer met het oog op zoveel mogelijk transparantie en heeft besloten
om de Algemene Rekenkamer te verzoeken een onafhankelijk onderzoek te verrichten naar
de sturing en verantwoording binnen UWV en tussen SZW en UWV.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.A. Vijlbrief