nr. 21
AMENDEMENT VAN DE LEDEN BIJLEVELD-SCHOUTEN EN VAN MIDDELKOOP
Ontvangen 9 september 1999
De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:
I
In de considerans wordt na «tot stand te brengen» ingevoegd:
en daartoe het Burgerlijk Wetboek te wijzigen.
II
Artikel 1 en het daarboven geplaatste opschrift vervallen.
III
Artikel 2 en het daarboven geplaatste opschrift worden vervangen door:
Artikel 2
In Titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt een nieuw artikel
657 ingevoegd, luidende:
Artikel 657
1. De werknemer, die in Nederland arbeid verricht, kan de werkgever verzoeken
om aanpassing van de uit zijn arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling
voortvloeiende arbeidsduur, indien de werknemer ten minste een jaar voorafgaand
aan het beoogde tijdstip van ingang van die aanpassing in dienst is bij die
werkgever. Voor de berekening van de termijn van een jaar worden perioden
waarin arbeid wordt verricht, die elkaar opvolgen met een onderbreking van
niet meer dan drie maanden samengeteld. De vorige volzin is van overeenkomstige
toepassing op perioden waarin voor verschillende werkgevers arbeid wordt verricht
die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden
elkanders opvolger te zijn.
2. Het verzoek om aanpassing van de arbeidsduur wordt ten minste vier
maanden vóór het beoogde tijdstip van ingang van de aanpassing schriftelijk bij de werkgever ingediend onder opgave van het tijdstip
van ingang, de omvang van de aanpassing van de arbeidsduur per week of, als
de arbeidsduur over een ander tijdvak is overeengekomen over dat tijdvak en
de gewenste spreiding van de uren over de week of het anderszins overeengekomen
tijdvak. Het verzoek kan ten hoogste eenmaal per twee jaren worden gedaan.
3. De werkgever pleegt overleg met de werknemer over diens verzoek.
4. De werkgever willigt het verzoek van de werknemer om aanpassing van
de arbeidsduur in, voor zover het betreft het tijdstip van ingang en de omvang
van de aanpassing, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
verzetten.
5. De werkgever stelt de spreiding van de uren vast overeenkomstig de
wensen van de werknemer. De werkgever kan de gewenste spreiding van de uren
wijzigen, indien hij daarbij een zodanig belang heeft dat de wens van de werknemer
daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.
6. De beslissing op het verzoek om aanpassing van de arbeidsduur wordt
door de werkgever schriftelijk aan de werknemer meegedeeld. Indien de werkgever
het verzoek niet inwilligt of de spreiding van de uren vaststelt in afwijking
van de wensen van de werknemer, wordt dit onder schriftelijke opgave van de
redenen meegedeeld.
7. Bij vermindering van de arbeidsduur is in ieder geval sprake van een
zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang, indien die vermindering leidt tot ernstige
problemen:
a. voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen uren;
b. op het gebied van de veiligheid, of
c. van roostertechnische aard.
8. Bij vermeerdering van de arbeidsduur is in ieder geval sprake van een
zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang, indien die vermeerdering leidt tot
ernstige problemen:
a. van financiële of organisatorische aard;
b. wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk, of
c. omdat de vastgestelde formatieruimte of personeelsbegroting daartoe
ontoereikend is.
9. Indien de werkgever niet een maand voor het beoogde tijdstip van ingang
van de aanpassing op het verzoek heeft beslist, wordt de arbeidsduur aangepast
overeenkomstig het verzoek van de werknemer.
10. De werkgever kan de arbeidsverhouding van een werknemer niet beëindigen
wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte om aanpassing
van de arbeidsduur heeft verzocht.
11. Dit artikel vindt eveneens toepassing ten aanzien van ambtenaren als
bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet en personen als bedoeld in artikel
615.
12. Van dit artikel kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken.
IV
Artikel 3 en het daarboven geplaatste opschrift vervallen.
V
Na artikel 3 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 3a
Voor militaire ambtenaren wordt het recht op aanpassing van de arbeidsduur
geregeld bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister
van Defensie en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
met gebruikmaking van onbezoldigd verlof in verband met deeltijdarbeid.
Toelichting
Dit amendement strekt ertoe het recht op aanpassing van de arbeidsduur
onder te brengen in het BW zodat rechten en plichten van werknemer en werkgever
omtrent aanpassing arbeidsuur, evenals alle huidige en toekomstige verlofregelingen
overzichtelijk en logisch bij elkaar staan.
Daartoe wordt het kernartikel van het wetsvoorstel (artikel 2) naar het
Burgerlijk Wetboek verplaatst. In het verplaatste artikel is een elfde lid
ingevoegd dat bepaalt dat het artikel ook van toepassing is op ambtenaren
en op arbeidscontractanten («de personen bedoeld in artikel 615»).
Hiermee ontstaat een afwijking van de opzet van de arbeidsovereenkomst in
het BW (al opent artikel 615 de mogelijkheid dat bij wet de regels betreffende
de arbeidsovereenkomst van toepassing worden verklaard op arbeidscontractanten).
Wanneer evenwel een afzonderlijke regeling voor ambtenaren en arbeidscontractanten
in meer aangewezen regelingen tot stand gebracht wordt, kan te zijner tijd
het ingevoegde elfde lid weer vervallen.
In het BW-artikel zijn verder de volgende wijzigingen aangebracht. Het
tweede lid van het artikel (oud), betreffende militaire ambtenaren, is opgenomen
als nieuw artikel 3a van het wetsvoorstel. Artikel 3 van het wetsvoorstel,
betreffende het verbod van beëindiging van de arbeidsverhouding, is in
het BW-artikel opgenomen als tiende lid.
Bijleveld-Schouten
Van Middelkoop