B
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 29 oktober
1997 en het nader rapport d.d. 30 oktober 1997, aangeboden aan de Koningin
door de minister van Verkeer en Waterstaat. Het advies van de Raad van State
is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 20 oktober 1997, no. 97.005071, heeft Uwe Majesteit,
op voordracht van de Minister van Verkeer en Waterstaat, bij de Raad van State
ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting,
houdende wijziging van de Wet, houdende wijziging van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen
in verband met de invoering van het veilen van schaarse frequenties voor systemen
van digitale mobiele telecommunicatie (veilen frequenties mobiele telecommunicatie).
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 20 oktober
1997, no. 97.005071, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies
inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen.
Dit advies, gedateerd 29 oktober 1997, no. W09.970669, bied ik U hierbij aan.
1. Ingevolge het voorgestelde artikel 13k, achtste lid, kan de Minister
van Verkeer en Waterstaat het moment uitstellen waarop de radio-frequenties
kunnen worden gebruikt (artikel I, onderdeel D). Blijkens de toelichting acht
de regering een uitsluiting van bepaalde marktpartijen voor een periode van
twee jaar noodzakelijk, met de mogelijkheid tot verlenging van drie jaar (toelichting
op artikel I, onderdeel D).
De Raad van State is van oordeel dat in het wetsvoorstel zelf de bevoegdheid
van de minister niet voldoende concreet wordt omschreven. De Raad adviseert
dan ook, mede gelet op aanwijzing 214 van de Aanwijzingen voor de regelgeving
(Ar), om de beperking van het uitstel tot ten hoogste twee jaar, met de mogelijkheid
van verlenging tot drie jaar, in het voorgestelde artikel 13k, achtste lid,
op te nemen.
1. Voor het toekennen aan de minister van de bevoegdheid om het moment
uit te stellen waarop toegekende radio-frequenties daadwerkelijk mogen worden
gebruikt, is zeer bewust gekozen. Reeds vele malen is gebleken dat de ontwikkelingen
op de markt voor mobiele telecommunicatie zeer snel en vaak ook onvoorspelbaar
zijn. Het moet voor de minister dan ook mogelijk zijn flexibel, en zo nodig
op zeer korte termijn in te spelen op deze ontwikkelingen, met name waar het
de totstandkoming van mededinging op deze markt betreft.
Anders dan de Raad is ondergetekende van mening dat de bevoegdheid van
de minister in het voorgestelde artikel 13h, achtste lid, voldoende is geconcretiseerd
en bovendien uitdrukkelijk is geclausuleerd tot de twee in deze bepaling omschreven
situaties. De toelichting beoogt aan te geven dat de minister, op de in de
toelichting vermelde gronden, in ieder geval een tijdelijke uitsluiting van
twee jaar noodzakelijk acht.
Om de Raad op dit punt tegemoet te komen zal ondergetekende er zorg voor
dragen dat zowel de bestaande vergunninghouders als de aanvragers van een
nieuwe vergunning expliciet van deze tijdelijke uitsluiting op de hoogte zullen
worden gebracht, en dit in elk geval vermelden in het aanvraagdocument voor
de betreffende vergunningen.
2. Het wetsvoorstel zal door het vervallen van de naheffing zonder twijfel
enige financiële gevolgen hebben voor de Nederlandse staat.
Hierover ontbreekt een indicatie in de memorie van toelichting. De Raad
adviseert, mede gelet op aanwijzing 212, onder e, Ar om de memorie van toelichting
op dit punt aan te vullen.
2. Dit voorstel van de Raad is overgenomen.
3. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij
het advies behorende bijlage.
3. De redactionele kanttekening is overgenomen.
4. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om artikel 13ij aan te passen,
in die zin dat alleen die vergunninghouders die verplicht worden hun diensten
landelijk aan te bieden, de minister kunnen verzoeken toepassing te geven
aan artikel 13x. Hierdoor wordt voorkomen dat vergunninghouders die geen verplichting
tot landelijke dekking hebben, via de weg van artikel 13x op een relatief
eenvoudige wijze tot landelijke dekking zouden kunnen komen. Uit oogpunt van
eerlijke mededinging is dit ongewenst.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening
zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State,
H. D. Tjeenk Willink
Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en
de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
te zenden.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 29 oktober 1997, no.
W09.97.0669, met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
Memorie van toelichting
– In het algemeen deel, gelet op aanwijzing 89 van de Aanwijzingen
voor de regelgeving, na de eerste maal «richtlijn 96/2/EG» toevoegen:
van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 16 januari 1996 tot wijziging
van richtlijn nr. 90/388/EEG met betrekking tot mobiele en persoonlijke communicatie
(PbEG L 20) (hierna: richtlijn nr. 96/2/EG).