Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 14 april 2017
Op 29 september 2016 is de motie van het lid Dik-Faber1 over geschillenbeslechting tussen cliënten met een persoonsgebonden budget (pgb)
en zorgkantoren op mijn verzoek aangehouden om uit te zoeken wat de daadwerkelijke
situatie is met betrekking tot het in de motie aangekaarte probleem. Met deze brief
doe ik mijn toezegging gestand.
Samenvattend kom ik tot het oordeel dat budgethouders over voldoende mogelijkheden
beschikken om ook buiten de rechter om hun bezwaren tegen een pgb-beschikking kenbaar
te maken. Ik leid dit af uit de wijze waarop zorgkantoren in het algemeen omgaan met
klachten van pgb-budgethouders en de mogelijkheid voor cliënten met een persoonsgebonden
budget om zich te wenden tot de Nationale ombudsman. Hieronder vindt u een toelichting
op deze conclusie.
De zorgkantoren
Zorgkantoren zijn zelfstandige bestuursorganen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb). De mogelijkheid om bezwaar te kunnen maken tegen een beslissing van het zorgkantoor
en het hebben van een bezwaarcommissie vloeien hier logisch uit voort.
Ik ben bij de zorgkantoren daarom nagegaan welke procedure zij volgen indien een pgb-budgethouder
het niet eens is met hun beslissing. In grote lijnen komt het op het volgende neer.
Er gaat een brief naar de budgethouder waarin aangegeven wordt wat de reden is van
de afkeuring, de weigering of de bëeindiging van het pgb-budget. Deze brief is de
zogeheten beschikking. Bij alle zorgkantoren wordt aan iedere beschikking (zowel bij
een positief als een negatief besluit) een «bezwaarclausule» toegevoegd, waarin wordt
toegelicht dat het mogelijk is om een bezwaar in te dienen. Zorgkantoren geven in
deze brief veelal uitdrukkelijk aan dat het wenselijk is om bij onduidelijkheden eerst
telefonisch contact met het zorgkantoor te zoeken. De zorgkantoren geven aan dat de
toelichting van het zorgkantoor de reden van afwijzing vaak voldoende helder maakt
waardoor er geen behoefte meer bestaat tot het indienen van een formeel bezwaar. Soms
wordt door de toelichting van het zorgkantoor duidelijk dat de budgethouder/vertegenwoordiger
alsnog de benodigde stukken kan aanleveren waarna een nieuwe beoordeling volgt.
Geeft de toelichting van het zorgkantoor de budgethouder/vertegenwoordiger niet het gewenste antwoord of informatie, dan kan de budgethouder bezwaar aantekenen.
In de bezwaarprocedure wordt de cliënt uitgenodigd voor een hoorzitting door een interne
commissie. Vanuit het zorgkantoor zijn hier een aantal medewerkers aanwezig die allen
niet betrokken zijn geweest bij het primaire besluit waartegen bezwaar is gemaakt.
De cliënt kan ook kiezen voor een telefonische hoorzitting. Binnen dit proces wordt
ook wel een «voorbeoordeling» gemaakt, want als het bezwaar op te lossen is, hoeft
het niet tot «horen» te komen. Ook worden verzekerden in de gelegenheid gesteld hun
stellingen te bewijzen door nadere stukken in te dienen, iets wat zowel voor als na
de zitting kan plaatsvinden.
Vervolgens wordt de beslissing herbeoordeeld op basis van de op dat moment beschikbare
informatie en wordt een beslissing op bezwaar genomen.
In artikel 10.3.1 van de Wet langdurige zorg (Wlz) is voorts bepaald dat het uitvoeringsorgaan
(het zorgkantoor), alvorens een beslissing op bezwaar te nemen, het Zorginstituut
als onafhankelijk orgaan om advies moet vragen voorzover het geschil in kwestie het
recht op zorg betreft.
De zorgkantoren geven aan dat zij, als het enigszins mogelijk is, proberen te voorkomen
dat de gang naar de rechter moet worden gemaakt.
Indien de budgethouder het niet eens is met de beslissing op zijn bezwaarschrift kan
hij in beroep gaan bij de bestuursrechter.
De meeste budgethouders die bezwaar hebben tegen hun beschikking zullen bovenstaande
route volgen.
De Nationale ombudsman
Omdat de zorgkantoren zelfstandige bestuursorganen zijn in de zin van de Awb zijn
zij ook bestuursorgaan in de zin van de Wet Nationale ombudsman. Op die basis kunnen budgethouders ook bij de Nationale ombudsman terecht wanneer zij willen opkomen tegen een beslissing van een zorgkantoor.
De SKGZ is een geschilleninstantie voor de privaatrechtelijke zorgverzekeringen en
de (aanvullende) ziektekostenverzekeringen in het kader van de Zorgverzekeringswet.
De SKGZ behandelt geen bezwaarschriften in het kader van de publiekrechtelijke Wet
langdurige zorg en daarmee ook geen klachten over de zorgkantoren.
De budgethouder heeft dus verschillende mogelijkheden, zowel juridische als niet-juridische
om een beslissing van het zorgkantoor waar hij het niet mee eens is aan de orde te
stellen. Ik zie daarom geen reden om een aanvullende mogelijkheid voor bezwaar in
te stellen.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M.J. van Rijn