Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202025422 nr. 260

25 422 Opwerking van radioactief materiaal

Nr. 260 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR MILIEU EN WONEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 december 2019

Tijdens het Algemeen Overleg Nucleaire Veiligheid op 27 november 2019, heb ik toegezegd uw Kamer te informeren, over de export van uranium door URENCO en de daarvoor afgesloten contracten, ook in relatie tot non-proliferatie aspecten.

Vragen door de leden Von Martels en Van den Berg over vervoer van uranium naar Rusland (aan de orde gekomen ook tijdens het Algemeen Overleg Staatsdeelnemingen op 21 november 2019 met de Minister van Financiën) zijn eerder beantwoord1.

Hierbij voldoe ik, mede namens de Ministers van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, en de Minister van Financiën, aan de toezegging. In aanvulling op eerder gevoerde correspondentie2 met uw Kamer, licht ik hierbij het wettelijk kader toe, welke rol en verantwoordelijkheid de verschillende ministeries hebben in relatie tot URENCO, en hoe het stelsel van waarborgen is ingericht.

Grondstof vs. afval

Gezien de opmerkingen die gemaakt zijn tijdens het debat en de gestelde vragen, acht ik het van belang om, voordat ik inga op de export van verarmd uranium (in de vorm van UF6) door URENCO, stil te staan bij de definitie van radioactief afval.

Volgens de Nederlandse wet- en regelgeving3 kan een radioactieve stof (als bijvoorbeeld verarmd UF6) als afvalstof worden aangemerkt, indien voor deze stof geen gebruik of product- of materiaalhergebruik is voorzien. Dit is in lijn met de definitie van radioactieve afvalstoffen van Euratom en het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA).

Verarmd uranium dat ontstaat bij het verrijkingsproces kán hergebruikt worden; door herverrijking kan er een tussenproduct van gemaakt worden voor de productie van brandstof voor kernreactoren. In dat geval is het verarmd uranium een grondstof en geen afval. In 2008 heeft de Raad van State4 dat bevestigd. Het is toegestaan het verarmd uranium als grondstof te vervoeren en te exporteren mits in bezit van de juiste vergunningen, waarmee onder meer wordt getoetst of er wordt voldaan aan de van toepassing zijnde nationale en internationale voorschriften en eisen ten aanzien van de veiligheid en de beveiliging. URENCO als bedrijf besluit wanneer geen verder hergebruik voor het verarmd UF6 is voorzien.

Contracten van URENCO

Zoals eerder gemeld1, gaat sinds 2009 geen verarmd uranium van URENCO Nederland naar verrijkingsfabrieken in Rusland en heeft URENCO Nederland geen plannen om dit in de toekomst te hervatten.

De Minister van Financiën is aandeelhouder van Ultra Centrifuge Nederland (UCN). UCN houdt de Nederlandse aandelen (1/3) in URENCO. De bedrijfsvoering, waaronder het sluiten van contracten, is een bevoegdheid van het bestuur van URENCO, niet van de aandeelhouder. Als aandeelhouder van UCN heeft de staat geen inzicht in contracten die URENCO als privaat bedrijf sluit.

Waarborgen

Voor het kabinet is het zo effectief mogelijk borgen van de publieke belangen van non-proliferatie en veiligheid prioriteit. Hieronder wordt verstaan: nucleaire veiligheidsrisico’s, stralingsbescherming en het waarborgen dat (verrijkt) uranium en de centrifugetechnologie niet in verkeerde handen komen.

Landen die partij zijn bij het internationale Non-proliferatieverdrag (NPV), waaronder ook Rusland, zijn gebonden aan verplichtingen die voortvloeien uit dit verdrag. Het NPV verbiedt de proliferatie van kernwapens en bevordert het vreedzame gebruik van nucleaire technologie.

URENCO-faciliteiten en uranium zijn onderworpen aan een uitgebreid stelsel van vergunningen en (internationaal) toezicht om veiligheid, non-proliferatie en civiel eindgebruik van het uranium te waarborgen.

Op URENCO rust een internationale verplichting een splijtstoffenboekhouding te voeren. Toezicht hierop wordt gevoerd in het kader van het Euratom-verdrag en het Non-proliferatieverdrag door Euratom respectievelijk het IAEA. Daarmee wordt ook toezicht gehouden op de omvang van de aan- en afvoerstromen van splijtstoffen.

Ook biedt het zogenoemde Joint Committee (JC) de benodigde waarborgen. Dit comité houdt toezicht op de naleving van het Verdrag van Almelo5 en de daarin opgenomen verplichtingen m.b.t non-proliferatie, nucleaire waarborgen en security.

Voorts is voor de export buiten de EU, naast een vervoersvergunning, altijd een exportvergunning vereist. De vergunning wordt slechts afgegeven onder strikte voorwaarden waarmee de veiligheid is gegarandeerd. Zo is er een formele overheidsgarantie (Government-to-Government Assurance) vereist over civiel eindgebruik, fysieke beveiliging en eventuele wederexport. Een verdere vereiste is dat het materiaal te allen tijde onder toezicht van het IAEA staat, zolang het materiaal onder de jurisdictie van het ontvangende land valt. Deze werkwijze vloeit voort uit de richtlijnen van de Nuclear Suppliers Group (NSG) waar de drieverdragspartijen van URENCO (Duitsland, Nederland en het Verenigde Koninkrijk) en ook Rusland lid van zijn.

In Nederland is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking verantwoordelijk voor het verlenen van een exportvergunning vanuit Nederland voor dual-use goederen, dat wil zeggen goederen die voor zowel civiele toepassingen als voor militaire toepassingen kunnen worden gebruikt, op grond van de dual-use-verordening (EU Vo 428/2009). Over individuele exportvergunningen, waaronder die van URENCO Nederland, worden – gezien de bedrijfsgevoeligheid van deze informatie – geen uitspraken gedaan.

Transportveiligheid

De ANVS is verantwoordelijk voor het verlenen van de vervoersvergunningen op grond van de Kernenergiewet. Voor het vervoer van uranium op Nederlands grondgebied, ook in geval van doorvoer, is een vervoersvergunning nodig.

Bij de vergunningverlening hanteert de ANVS als toetsingskader de Kernenergiewet, het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen en de Algemene wet bestuursrecht. Daarbij wordt getoetst of er wordt voldaan aan de van toepassing zijnde nationale en internationale eisen ten aanzien van de veiligheid en de beveiliging. Aan de vergunning worden voorschriften hierover verbonden. Aan elke vervoersvergunning wordt ook het voorschrift verbonden, dat het transport alleen mag plaatsvinden indien de vergunninghouder voorafgaand aan ieder transport zich ervan heeft vergewist dat de ontvanger bevoegd is de splijtstoffen te ontvangen. Dit houdt in dat er ook een geldende invoer/uitvoer(export)vergunning aanwezig moet zijn.

De vervoersvergunning wordt verleend voor een periode van maximaal drie jaar.

Ik merk op dat indien aan de eisen voor de veiligheid en de fysieke beveiliging wordt voldaan, er geen juridische gronden zijn om deze vergunning te weigeren.

De Minister voor Milieu en Wonen, S. van Veldhoven-Van der Meer


X Noot
1

Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 1045

X Noot
2

Bijvoorbeeld: Kamerstuk 25 422, nr. 139

X Noot
3

Besluit kerninstallaties splijtstoffen en ertsen (BKSE) gelezen in samenhang met het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming (Bbs).

X Noot
4

Uitspraak van de Raad van State ECLI:NL:RVS:2008:BD0361, van 23 april 2008