25 410
Wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van leerwegen in de hogere leerjaren van het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend beroepsonderwijs, alsmede van leerwegondersteunend en praktijkonderwijs (regeling leerwegen mavo en vbo; invoering leerwegondersteunend en praktijkonderwijs)

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet houdende wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van leerwegen in de hogere leerjaren van het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend beroepsonderwijs, alsmede van leerwegondersteunend en praktijkonderwijs (regeling leerwegen mavo en vbo; invoering leerwegondersteunend en praktijkonderwijs).

De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

19 juni 1997

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot verbetering van de aansluiting van het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend beroepsonderwijs op het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt, door deze onderwijsvormen meer het karakter te geven van voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs;

dat het in verband daarmee noodzakelijk is de Wet op het voortgezet onderwijs te wijzigen door het invoeren van leerwegen in de hogere leerjaren van het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend beroepsonderwijs, door het invoeren van leerwegondersteunend onderwijs als voorziening voor leerlingen die met behulp daarvan dit onderwijs met goed gevolg kunnen voltooien, door het invoeren van de verplichting voor scholen om deel te nemen aan een samenwerkingsverband, alsmede door het in de wet opnemen van scholen en afdelingen voor praktijkonderwijs die tot taak hebben het verzorgen van niet-diplomagericht onderwijs;

dat het mede in verband met de afloop van de geldigheidsduur van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs noodzakelijk is het voortgezet speciaal onderwijs aan leerlingen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden, aan moeilijk lerende kinderen en aan zeer moeilijk opvoedbare kinderen binnen het voortgezet onderwijs te positioneren, ten einde te bevorderen dat zo veel mogelijk van deze leerlingen de leerwegen van het voortgezet onderwijs met goed gevolg voltooien en dat de in het voortgezet speciaal onderwijs aanwezige deskundigheid zo veel mogelijk ten behoeve van het voortgezet onderwijs kan worden ingezet;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I. WIJZIGING WET OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS

De Wet op het voortgezet onderwijs wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 5 wordt onder verlettering van onderdeel d tot onderdeel e een nieuw onderdeel d ingevoegd, luidende:

d. praktijkonderwijs;.

B

In artikel 9 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. De aanduiding «1.» voor het eerste lid, en het tweede lid vervallen.

2. Voor de tekst wordt een volzin ingevoegd, luidende: Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs is het onderwijs dat is ingericht ter voorbereiding op aansluitend beroepsonderwijs dan wel op hoger algemeen voortgezet onderwijs, en dat mede algemene vorming omvat.

3. In de tweede volzin wordt «Middelbaar» vervangen door: Het middelbaar.

C

Na artikel 9 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10. Theoretische leerweg en sectoren m.a.v.o.

1. Aan scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs wordt onderwijs in de theoretische leerweg gegeven.

2. De theoretische leerweg omvat een samenhangend onderwijsprogramma, gericht op:

a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming,

b. een voorbereiding op naar inhoud verwante opleidingen in het aansluitend beroepsonderwijs, en

c. een voorbereiding op het hoger algemeen voortgezet onderwijs.

3. Het onderwijs in de theoretische leerweg kan met ingang van het derde leerjaar worden gegeven, en wordt uiterlijk met ingang van het vierde leerjaar gegeven in de volgende sectoren:

a. techniek,

b. zorg en welzijn,

c. economie, en

d. landbouw.

4. Het onderwijs in de theoretische leerweg bestaat voor elke sector uit:

a. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle sectoren gelijk is,

b. een sectordeel, dat kenmerkend is voor die sector, en

c. een vrij deel, dat bestaat uit door de leerling te kiezen vakken en andere programma-onderdelen.

5. Het gemeenschappelijk deel van de theoretische leerweg omvat Nederlandse taal, Engelse taal, maatschappijleer, lichamelijk opvoeding en ten minste één van de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans of drama.

6. Het sectordeel van de theoretische leerweg omvat wat betreft:

a. de sector techniek: wiskunde en natuur- en scheikunde I,

b. de sector zorg en welzijn: natuurleer en, ter keuze van de leerling, wiskunde of mens en maatschappij;

c. de sector economie: economie en, ter keuze van de leerling, wiskunde, Franse taal of Duitse taal,

d. de sector landbouw: wiskunde en, ter keuze van de leerling, natuurleer of natuur- en scheikunde I.

7. Het vrije deel van de theoretische leerweg:

a. omvat door de leerling te kiezen vakken, genoemd in het zesde lid,

b. kan omvatten natuur- en scheikunde II, geschiedenis en staatsinrichting, aardrijkskunde, biologie, Spaanse taal, Turkse taal, Arabische taal, vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans, drama, door de leerling te kiezen, en

c. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programma-onderdelen.

8. Het bevoegd gezag beslist welke keuzetaal, genoemd in het zesde lid, onderdeel c, en welke vakken, genoemd in het zevende lid, onderdeel b, worden aangeboden. Het bevoegd gezag kan tevens besluiten dat door het bevoegd gezag aan te wijzen vakken en andere programma-onderdelen, bedoeld in het zevende lid, onderdeel c, door alle leerlingen in het vrije deel moeten worden gevolgd.

9. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld omtrent de mogelijkheid vrijstelling te verlenen van onderdelen van dit artikel ten behoeve van leerlingen met bijzondere kenmerken, alsmede leerlingen als bedoeld in artikel 16. Onverminderd het zesde en zevende lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld het door alle leerlingen in het derde leerjaar te volgen minimum aantal vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd.

10. De in het negende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.

D

Artikel 10a wordt vervangen door:

Artikel 10a. Voorbereidend beroepsonderwijs

Voorbereidend beroepsonderwijs is het onderwijs dat is ingericht ter voorbereiding op aansluitend beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b, c en d, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en dat mede algemene vorming omvat. Het voorbereidend beroepsonderwijs wordt gegeven aan scholen met een cursusduur van vier jaren.

E

Na artikel 10a worden acht nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 10b. Beroepsgerichte leerweg en sectoren v.b.o.

1. Aan scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs wordt onderwijs in de beroepsgerichte leerweg gegeven.

2. De beroepsgerichte leerweg omvat een samenhangend onderwijsprogramma, gericht op:

a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming, en

b. een voorbereiding op naar inhoud verwante opleidingen in het aansluitend beroepsonderwijs.

3. Het onderwijs in de beroepsgerichte leerweg kan met ingang van het derde leerjaar worden gegeven, en wordt uiterlijk met ingang van het vierde leerjaar gegeven in een of meer van de volgende sectoren:

a. techniek,

b. zorg en welzijn,

c. economie, en

d. landbouw.

4. Het onderwijs in de beroepsgerichte leerweg bestaat voor elke sector uit:

a. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle sectoren gelijk is,

b. een sectordeel, dat kenmerkend is voor die sector, en

c. een vrij deel, dat bestaat uit door de leerling te kiezen afdelingsvakken, dan wel intrasectoraal te kiezen programma-onderdelen van een of meer afdelingen binnen de desbetreffende sector, mogelijkerwijs aangevuld met andere te kiezen programma-onderdelen.

5. Het gemeenschappelijk deel van de beroepsgerichte leerweg omvat Nederlandse taal, Engelse taal, maatschappijleer, lichamelijk opvoeding en ten minste één van de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans of drama.

6. Het sectordeel van de beroepsgerichte leerweg omvat wat betreft:

a. de sector techniek: wiskunde en natuur- en scheikunde I,

b. de sector zorg en welzijn: natuurleer en, ter keuze van de leerling, wiskunde of mens en maatschappij,

c. de sector economie: economie en, ter keuze van de leerling, wiskunde, Franse taal of Duitse taal,

d. de sector landbouw: wiskunde en, ter keuze van de leerling, natuurleer of natuur- en scheikunde I.

7. Het vrije deel van de beroepsgerichte leerweg:

a. omvat door de leerling te kiezen bij de sector behorende afdelingsvakken of intrasectoraal te kiezen programma-onderdelen,

b. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programma-onderdelen.

8. Het bevoegd gezag beslist welke keuzetaal, genoemd in het zesde lid, onderdeel c, en welke vakken, genoemd in het zevende lid, onderdeel a, worden aangeboden. Het bevoegd gezag kan tevens besluiten dat door het bevoegd gezag aan te wijzen vakken en andere programma-onderdelen, bedoeld in het zevende lid, onderdeel b, door alle leerlingen in het vrije deel moeten worden gevolgd.

9. Bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld:

a. de afdelingsvakken en intrasectoraal te kiezen programma-onderdelen, bedoeld in het zevende lid, onderdeel a,

b. voorschriften met betrekking tot intrasectoraal te kiezen programma-onderdelen, en

c. voorschriften omtrent de mogelijkheid vrijstelling te verlenen van onderdelen van dit artikel ten behoeve van leerlingen met bijzondere kenmerken, alsmede leerlingen als bedoeld in artikel 16.

Onverminderd het zesde en zevende lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld het door alle leerlingen in het derde leerjaar te volgen minimum aantal vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd.

10. De in het negende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.

Artikel 10c. Afdelingen voorbereidend beroepsonderwijs

De sectoren, genoemd in artikel 10b, derde lid, omvatten elk een of meer afdelingen, onderscheiden als volgt:

a. de sector techniek:

1. bouwtechniek,

2. metaaltechniek,

3. elektrotechniek,

4. voertuigentechniek,

5. installatietechniek,

6. grafische techniek,

7. transport en logistiek,

8. afdelingen, aangewezen ingevolge artikel 24, zesde lid,

b. de sector zorg en welzijn:

1. verzorging,

2. uiterlijke verzorging,

c. de sector economie:

1. administratie,

2. commerciële dienstverlening,

3. mode en commercie,

4. consumptief,

d. de sector landbouw:

1. landbouw en natuurlijke omgeving,

2. levensmiddelentechnologie.

Artikel 10d. Gemengde leerweg en sectoren scholengemeenschap m.a.v.o.-v.b.o.

1. Aan een scholengemeenschap waarvan ten minste een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en een school voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaken, kan, naast het onderwijs in de leerwegen, genoemd in de artikelen 10 en 10b, onderwijs in de gemengde leerweg worden gegeven. In afwijking van de eerste volzin, kan Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij onder door hem te stellen voorwaarden, op aanvraag van het bevoegd gezag van een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, ten behoeve van het daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs en in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, toestaan dat onderwijs in de gemengde leerweg wordt gegeven.

2. De gemengde leerweg omvat een samenhangend onderwijsprogramma, gericht op:

a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming, en

b. een voorbereiding op naar inhoud verwante opleidingen in het aansluitend beroepsonderwijs.

3. Het onderwijs in de gemengde leerweg kan met ingang van het derde leerjaar worden gegeven, en wordt uiterlijk met ingang van het vierde leerjaar gegeven in een of meer van de volgende sectoren:

a. techniek,

b. zorg en welzijn,

c. economie, en

d. landbouw.

4. Het onderwijs in de gemengde leerweg bestaat voor elke sector uit:

a. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle sectoren gelijk is,

b. een sectordeel, dat kenmerkend is voor die sector, en

c. een vrij deel, dat bestaat uit een door de leerling te kiezen afdelingsvak, dan wel intrasectoraal te kiezen andere programma-onderdelen van een of meer afdelingen binnen de desbetreffende sector, mogelijkerwijs aangevuld met andere te kiezen programma-onderdelen.

5. Het gemeenschappelijk deel van de gemengde leerweg omvat Nederlandse taal, Engelse taal, maatschappijleer, lichamelijk opvoeding en ten minste één van de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans of drama.

6. Het sectordeel van de gemengde leerweg omvat wat betreft:

a. de sector techniek: wiskunde en natuur- en scheikunde I,

b. de sector zorg en welzijn: natuurleer en, ter keuze van de leerling, wiskunde of mens en maatschappij;

c. de sector economie: economie en, ter keuze van de leerling, wiskunde, Franse taal of Duitse taal,

d. de sector landbouw: wiskunde en, ter keuze van de leerling, natuurleer of natuur- en scheikunde I.

7. Het vrije deel van de gemengde leerweg:

a. omvat door de leerling te kiezen vakken, genoemd in het zesde lid,

b. omvat door de leerling te kiezen bij de sector behorende afdelingsvakken of intrasectoraal te kiezen programma-onderdelen,

c. kan omvatten natuur- en scheikunde II, geschiedenis en staatsinrichting, aardrijkskunde, biologie, Spaanse taal, Turkse taal, Arabische taal, vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek, dans, drama, door de leerling te kiezen, en

d. kan omvatten door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en programma-onderdelen.

8. Het bevoegd gezag beslist welke keuzetaal, genoemd in het zesde lid, onderdeel c, en welke vakken, genoemd in het zevende lid, onderdelen b en c, worden aangeboden. Het bevoegd gezag kan tevens besluiten dat door het bevoegd gezag aan te wijzen vakken en andere programma-onderdelen, bedoeld in het zevende lid, onderdeel d, door alle leerlingen in het vrije deel moeten worden gevolgd.

9. Bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld:

a. de afdelingsvakken en intrasectoraal te kiezen programma-onderdelen, bedoeld in het zevende lid, onderdeel b,

b. voorschriften met betrekking tot intrasectoraal te kiezen programma-onderdelen, en

c. voorschriften omtrent de mogelijkheid vrijstelling te verlenen van onderdelen van dit artikel ten behoeve van leerlingen met bijzondere kenmerken, alsmede leerlingen als bedoeld in artikel 16.

Onverminderd het zesde en zevende lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld het door alle leerlingen in het derde leerjaar te volgen minimum aantal vakken waarin eindexamen kan worden afgelegd.

10. De in het negende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.

Artikel 10e. Leerwegondersteunend onderwijs

1. Leerwegondersteunend onderwijs wordt verzorgd ter voorbereiding op of gedurende het volgen van onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in de artikelen 10, 10b en 10d, ten behoeve van de leerling voor wie vaststaat dat een orthopedagogische en orthodidactische benadering is geboden met het oog op het afsluiten van het onderwijs in een van deze leerwegen. Leerwegondersteunend onderwijs wordt zodanig in het onderwijs geïntegreerd en ingericht dat de leerling een ononderbroken ontwikkelingsproces, gericht op het afsluiten als bedoeld in de eerste volzin, kan volgen.

2. Leerwegondersteunend onderwijs wordt verzorgd, indien de leerling met behulp van de voorzieningen, bedoeld in artikel 24, derde lid, onderdeel e, niet een ononderbroken ontwikkelingsproces als bedoeld in het eerste lid, kan volgen.

Artikel 10f. Praktijkonderwijs

1. Praktijkonderwijs wordt gegeven aan scholen voor praktijkonderwijs, alsmede aan afdelingen voor praktijkonderwijs, verbonden aan scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs en aan scholengemeenschappen waarvan ten minste een school voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaakt.

2. Praktijkonderwijs is onderwijs voor leerlingen voor wie vaststaat dat

a. overwegend een orthopedagogische en orthodidactische benadering is geboden, en

b. het volgen van het onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in de artikelen 10, 10b en 10d, al dan niet in combinatie met het volgen van leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 10e, niet leidt tot het behalen van een diploma of certificaten als bedoeld in artikel 29.

3. Praktijkonderwijs bestaat uit een gedeelte waarin aangepast theoretisch onderwijs, persoonlijkheidsvorming en het aanleren van sociale vaardigheden worden verzorgd, en een gedeelte waarin de leerling wordt voorbereid op het uitoefenen van functies op de arbeidsmarkt. Praktijkonderwijs wordt zodanig ingericht dat de kerndoelen van de basisvorming zo veel mogelijk kunnen worden bereikt. Praktijkonderwijs bereidt de leerling voor op functies binnen de regionale arbeidsmarkt op een niveau dat ligt onder het niveau van de assistentopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

4. Het bevoegd gezag van een school voor praktijkonderwijs of van een school met een afdeling voor praktijkonderwijs kan, met inachtneming van de tweede volzin van het derde lid, indien dat ten behoeve van de leerling noodzakelijk is, bij het aanbieden van dat onderwijs afwijken van de voorschriften, gegeven bij of krachtens de artikelen 11a tot en met 11c, 22 en 29.

5. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld met betrekking tot de vakken die het praktijkonderwijs omvat, alsmede met betrekking tot het aantal uren dat het onderricht in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep gedurende een schoolweek ten hoogste omvat.

6. De in het vijfde lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.

Artikel 10g. Toelating praktijkonderwijs; regionale verwijzingscommissie

1. Aan de ouders van een leerling van wie het bevoegd gezag van de school waar de leerling zich aanmeldt dan wel van de school waaraan de leerling is ingeschreven, redelijkerwijs kan aannemen dat deze niet in staat is het onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in de artikelen 10, 10b en 10d, al dan niet in combinatie met leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 10e, met een diploma of schriftelijk bewijs als bedoeld in artikel 29, derde lid, af te sluiten, kan het bevoegd gezag voorstellen deze leerling in plaats daarvan praktijkonderwijs te doen volgen.

2. Het bevoegd gezag van de school of afdeling voor praktijkonderwijs beslist, in overeenstemming met de andere bevoegde gezagsorganen in het in artikel 10h bedoelde samenwerkingsverband en na overleg met de ouders van de in het eerste lid bedoelde leerling, over de toelating van de leerling tot het praktijkonderwijs. Alvorens de beslissing tot toelating wordt genomen, legt het bevoegd gezag van de school waaraan de leerling voorafgaand aan de toelating tot het praktijkonderwijs was of is ingeschreven, een op de desbetreffende leerling betrekking hebbend onderwijskundig rapport, alsmede de op schrift gestelde zienswijze van de ouders, over aan een door Onze Minister ingestelde dan wel erkende regionale verwijzingscommissie. Geen leerling wordt toegelaten tot het praktijkonderwijs dan nadat de regionale verwijzingscommissie heeft bepaald dat de leerling tot dat onderwijs toelaatbaar is. De desbetreffende leerling kan de toelating tot een school of afdeling voor praktijkonderwijs binnen het samenwerkingsverband niet worden geweigerd.

3. Het bevoegd gezag van de school of afdeling voor praktijkonderwijs waaraan de leerling wordt toegelaten, stelt, na overleg met de ouders, voor de leerling een handelingsplan op. Het handelingsplan bevat een omschrijving van de wijze waarop voor de desbetreffende leerling het praktijkonderwijs met inachtneming van artikel 10f, derde lid, wordt verzorgd.

4. Indien de regionale verwijzingscommissie bepaalt dat de leerling niet tot het praktijkonderwijs toelaatbaar is, brengt zij advies uit aan de ouders van de leerling en het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag, over de wijze waarop de leerling op de school waar hij is ingeschreven, naar het oordeel van de verwijzingscommissie zou moeten worden begeleid.

5. Een beschikking van een regionale verwijzingscommissie omtrent de toelaatbaarheid van een leerling is geen besluit als bedoeld in artikel 8:4, onderdeel e, van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de taak, samenstelling, werkwijze en subsidie van de regionale verwijzingscommissies.

7. De in het zesde lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wenst wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.

Artikel 10h. Aansluiting bij samenwerkingsverband; commissie leerlingzorg

1. Het bevoegd gezag van een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, van een scholengemeenschap waarvan ten minste deel uitmaakt een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, of van een school voor praktijkonderwijs, is aangesloten bij een samenwerkingsverband met twee of meer andere van deze scholen of scholengemeenschappen. Een samenwerkingsverband omvat ten minste één school voor praktijkonderwijs en drie scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voor voorbereidend beroepsonderwijs, waaronder in ieder geval een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en een school voor voorbereidend beroepsonderwijs. Het samenwerkingsverband heeft tot doel zo veel mogelijk leerlingen voor wie vaststaat dat een orthopedagogische en orthodidactische benadering is geboden, deel te laten nemen aan het onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in de artikelen 10, 10b en 10d.

2. Indien een bevoegd gezag wenst deel te nemen aan een samenwerkingsverband, wordt deze deelname door het samenwerkingsverband niet geweigerd. Het bevoegd gezag kan ten aanzien van een school slechts deelnemen aan één samenwerkingsverband. Onze Minister kan onder door hem te stellen voorwaarden toestaan dat van de tweede volzin wordt afgeweken.

3. De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband dragen gezamenlijk zorg voor een toereikende organisatie en deskundige ondersteuning van het onderwijs voor leerlingen voor wie een orthopedagogische en orthodidactische benadering is geboden, alsmede voor overdracht van de deskundigheid op dit gebied tussen de scholen in het samenwerkingsverband.

4. De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband stellen gezamenlijk een commissie leerlingzorg in. De commissie leerlingzorg beslist over de toelaatbaarheid tot het leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 10e.

5. De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband stellen jaarlijks gezamenlijk een zorgplan vast. Het zorgplan bevat in ieder geval:

a. de maatregelen die zijn getroffen om zo veel mogelijk leerlingen als bedoeld in het eerste lid deel te laten nemen aan het onderwijs in een van de leerwegen, verzorgd door een of meer van de aan het samenwerkingsverband deelnemende scholen,

b. een omschrijving van de in het derde lid bedoelde organisatie, ondersteuning en overdracht,

c. een reglement voor de commissie leerlingzorg,

d. een omschrijving van de wijze waarop de ouders van leerlingen als bedoeld in het derde lid, informatie wordt verstrekt over de uitvoering van het derde en vierde lid, en

e. de te verwachten resultaten.

6. De bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband kunnen hun in het derde, vierde en vijfde lid opgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan een door hen gezamenlijk in te stellen orgaan.

7. Het bevoegd gezag van de school waar de leerling ten aanzien van wie de commissie leerlingzorg de toelaatbaarheid tot het leerwegondersteunend onderwijs heeft vastgesteld, leerwegondersteunend onderwijs gaat volgen, stelt voor die leerling een handelingsplan op. Het handelingsplan bevat een omschrijving van de wijze waarop voor de desbetreffende leerling het leerwegondersteunend onderwijs wordt verzorgd.

Artikel 11. Nadere voorschriften samenwerkingsverbanden

1. Op aanvraag van het bevoegd gezag van een in artikel 10h, eerste lid, bedoelde school kan Onze Minister toestaan dat het bevoegd gezag zijn deelname aan een samenwerkingsverband ten aanzien van die school beëindigt, indien:

a. het bevoegd gezag kan aantonen dat alle bevoegde gezagsorganen in het betrokken samenwerkingsverband hiermee instemmen,

b. het bevoegd gezag kan aantonen dat hij ten aanzien van die school aan een ander samenwerkingsverband deelneemt,

c. met alle bevoegde gezagsorganen in het betrokken samenwerkingsverband een regeling is getroffen met betrekking tot de financiële en personele consequenties,

d. door de beëindiging van de deelname geen aanspraken ontstaan op werkloosheidsuitkeringen voor personeel dat werkzaam is aan de scholen in het samenwerkingsverband, waaronder de school ten aanzien waarvan de deelname wordt beëindigd, en

e. de inspectie een positief advies heeft uitgebracht.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de samenwerkingsverbanden.

F

In artikel 11a, eerste lid, wordt «artikelen 7 tot en met 10a» vervangen door: artikelen 7, 8, 9, 10a en 10f.

G

In artikel 11e worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «de artikelen 7 tot en met 10a» vervangen door: de artikelen 7, 8, 9 en 10a.

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «de artikelen 7 tot en met 10a» vervangen door: de artikelen 7, 8, 9 en 10a.

H

In artikel 11f, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. De zinsnede «de artikelen 7 tot en met 9 en 10a» wordt vervangen door: de artikelen 7, 8, 9 en 10a.

2. Een volzin wordt toegevoegd, luidende: Het in de eerste volzin bedoelde onderwijs wordt verzorgd ten behoeve van leerlingen die niet in staat zijn het onderwijs in de leerweg, genoemd in artikel 10b, af te sluiten met een diploma als bedoeld in artikel 29, derde lid.

I

Aan artikel 19 worden twee nieuwe leden toegevoegd, luidende:

4. Aan een school voor voorbereidend beroepsonderwijs of aan een scholengemeenschap waarvan ten minste een school voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaakt, kan een nevenvestiging zijn verbonden, indien de nevenvestiging is tot stand gebracht op de wijze en voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel V, derde lid, of VIII, vierde lid, van de Wet van ....... 1998 (Stb. ...).

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan ten behoeve van het voorbereidend beroepsonderwijs, verzorgd in agrarische opleidingscentra als bedoeld in artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, worden vastgesteld dat het bepaalde bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is.

J

In artikel 21 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. De zinsnede «de artikelen 7 tot en met 10a» wordt vervangen door: de artikelen 7, 8, 9, 10a en 10f.

2. Na de eerste volzin wordt een volzin ingevoegd, luidende: Een scholengemeenschap waarvan in ieder geval een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en een school voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaken, kan voor deze scholen de aanduiding «voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs» hanteren.

K

In artikel 22 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het opschrift komt te luiden:

Artikel 22. Overige voorschriften inrichting onderwijs.

2. In het eerste lid, derde volzin, wordt «artikelen 7 tot en met 10a» vervangen door: artikelen 7, 8, 9 en 10a.

3. In het derde lid worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a. Onderdeel a komt te luiden:

a. de vakken en de groepen van vakken waarin aan scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en aan scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, onderwijs ten behoeve van alle leerlingen moet worden verzorgd, en de vakken die gedurende de periode van basisvorming in combinatie met elkaar kunnen worden gegeven en getoetst;.

b. In onderdeel b wordt na «de eerste drie leerjaren en» ingevoegd: , wat betreft het onderwijs aan scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en hoger algemeen voortgezet onderwijs,.

4. Het vierde lid vervalt.

L

In artikel 24 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift vervalt de zinsnede «v.w.o., h.a.v.o., m.a.v.o. en v.b.o.».

2. In het eerste lid wordt de zinsnede «bedoeld in de artikelen 7 tot en met 10a» vervangen door: als bedoeld in de artikelen 7, 8, 9, 10a en 10f,.

M

In artikel 24a, eerste lid, wordt de zinsnede «artikelen 7 tot en met 10a» vervangen door: artikelen 7, 8, 9, 10a en 10f,.

N

In artikel 27 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «artikelen 7 tot en met 9» vervangen door «artikelen 7, 8, 9 en 10a» en vervalt de zinsnede «een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs».

2. Aan het derde lid worden twee volzinnen toegevoegd, luidende: Een leerling mag geen praktijkonderwijs meer volgen aan een school of afdeling voor praktijkonderwijs na afloop van het schooljaar waarin hij de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt. Op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, gedaan in het in de eerste volzin bedoelde schooljaar, kan de inspectie toestaan dat de leerling het daaropvolgende schooljaar praktijkonderwijs kan blijven volgen, indien zij van mening is dat zonder het volgen dan dit schooljaar de leerling niet voldoende is voorbereid op de functies, bedoeld in artikel 10f, derde lid, derde volzin.

3. Het negende lid wordt vernummerd tot tiende lid.

4. Na het achtste lid wordt een nieuw negende lid ingevoegd, luidende:

9. Indien het verzoek, bedoeld in het vijfde of zesde lid, een leerling betreft die leerwegondersteunend onderwijs volgt, willigt de inspectie dat verzoek niet in dan nadat zij kennis heeft genomen van een op de desbetreffende leerling betrekking hebbend advies van de commissie leerlingzorg, bedoeld in artikel 10h, vierde lid.

O

In artikel 28a, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. De zinsnede «artikelen 7 tot en met 10a» wordt vervangen door: artikelen 7, 8, 9 en 10a,.

2. Een derde volzin wordt toegevoegd, luidende: De eerste volzin is niet van toepassing op de vakken waarin de leerling van een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voor voorbereidend beroepsonderwijs, een eindexamen aflegt als bedoeld in artikel 29.

P

In artikel 29 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «en voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs» vervangen door: , voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs.

2. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde tot en met zevende lid tot tweede tot en met zesde lid.

3. In het derde lid wordt na de eerste volzin een volzin ingevoegd, luidende: Leerlingen van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs voor zover het betreft het onderwijs dat is ingericht ter voorbereiding op aansluitend beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, die met goed gevolg een gedeelte van het examenprogramma hebben afgelegd, ontvangen een schriftelijk bewijs.

4. In het vierde lid, eerste volzin, vervalt de zinsnede «, behalve indien het tweede lid, tweede volzin, toepassing heeft gevonden,» en wordt na «eindexamens» ingevoegd «, alsmede omtrent programma-onderdelen».

Q

In artikel 30, eerste lid, wordt «artikel 29, vierde lid» vervangen door: 29, derde lid.

R

In artikel 32, eerste en tweede lid, wordt «en lager beroepsonderwijs» telkens vervangen door: , voorbereidend beroepsonderwijs en praktijkonderwijs.

S

In artikel 32a worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift wordt «dagschool voor v.w.o., a.v.o. of v.b.o.» vervangen door: school.

2. In het eerste lid wordt de zinsnede «dagschool voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, een dagschool voor algemeen voortgezet onderwijs of een school voor voorbereidend beroepsonderwijs» vervangen door: school.

T

In het opschrift van artikel 32b wordt «dagschool voor v.w.o., a.v.o. of v.b.o.» vervangen door: school.

U

In het eerste artikel 32c (Document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding) worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid vervalt de zinsnede «van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, een school voor algemeen voortgezet onderwijs of een school voor voorbereidend beroepsonderwijs».

2. In het derde lid wordt de zinsnede «de in het eerste lid genoemde scholen» vervangen door: de school.

V

In het tweede artikel 32c (Vaststelling directiestatuut school voor v.w.o., a.v.o. en v.b.o.) worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift vervalt «school voor v.w.o., a.v.o. en v.b.o.».

2. In het eerste lid vervalt de zinsnede «voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs».

W

In artikel 33 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt «en voorbereidend beroepsonderwijs» vervangen door: , voorbereidend beroepsonderwijs en praktijkonderwijs.

2. In het vierde lid wordt «dagschool» vervangen door «school» en wordt «of voor voorbereidend beroepsonderwijs» vervangen door «, voor voorbereidend beroepsonderwijs, of voor praktijkonderwijs».

3. In het achtste lid wordt de zinsnede «artikelen 7 tot en met 10a» vervangen door: artikelen 7, 8, 9, 10a en 10f,.

X

In artikel 35, tweede lid, wordt de zinsnede «aan scholen voor middelbaar en lager algemeen voortgezet onderwijs en aan scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs» vervangen door: , aan scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, aan scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs en aan scholen voor praktijkonderwijs.

Y

In artikel 38a worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift vervalt «v.w.o., a.v.o. en v.b.o.».

2. In het eerste lid vervallen de zinsnede «voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs» en het woord «overeenkomstige».

Z

Aan artikel 53b, eerste lid, wordt een tweede volzin toegevoegd, luidende: Voor de toepassing van de eerste volzin, onderdeel b, wordt onder «het geven van onderwijs» niet begrepen het geven van leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 10e, en het uitoefenen van taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 10h, zesde lid, door personeel afkomstig van de in laatstgenoemd artikel bedoelde bevoegde gezagsorganen in een samenwerkingsverband.

AA

In artikel 56 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt «artikel 29, eerste en tweede lid» vervangen door: artikel 29, eerste lid.

2. In het tweede lid wordt «Artikel 29, derde en vijfde lid» vervangen door: Artikel 29, tweede en vierde lid.

BB

In artikel 58, eerste lid, wordt «van artikel 22» vervangen door: gegeven bij en krachtens de artikelen 10, 10b, 10d, 22 en 24.

CC

In artikel 61 wordt «artikel 5, onderdeel d» vervangen door: artikel 5, onderdeel e.

DD

Artikel 64, eerste lid, komt als volgt te luiden:

1. In deze afdeling wordt onder school verstaan:

a. een school als bedoeld in afdeling I van titel II,

b. een afdeling als bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, onderdelen b en c, en 10f, eerste lid, en

c. een afdeling voor voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 10c.

EE

In artikel 66, vierde lid, wordt na de eerste volzin een nieuwe tweede volzin ingevoegd, luidende: Een verzoek tot opneming in het plan van een school voor praktijkonderwijs dan wel van een afdeling voor praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 10f, eerste lid, wordt gedaan in overeenstemming met de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband waarvan die school dan wel die afdeling deel gaat uitmaken, en gaat vergezeld van een advies van de gemeente waarin die school dan wel die afdeling wordt gevestigd.

FF

In artikel 69 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt «dagscholen» vervangen door: scholen.

2. In het eerste lid, onderdeel g, wordt «artikel 10a, tweede lid, de onderdelen a tot en met g» vervangen door: artikel 10c, onderdeel a, onder 1 tot en met 7.

3. In het eerste lid, onderdeel h, wordt «artikel 10a, tweede lid, de onderdelen h tot en met l» vervangen door: artikel 10c, onderdelen b en c, onder 1, 3 en 4.

4. In het eerste lid, onderdeel i, wordt «artikel 10a, tweede lid, onderdeel m» vervangen door: artikel 10c, onderdeel c, onder 2.

5. In het eerste lid, onderdeel j, wordt «artikel 10a, tweede lid, de onderdelen n tot en met o» vervangen door: artikel 10c, onderdeel d.

6. In het eerste lid, onderdeel k, wordt «artikel 10a, tweede lid, de onderdelen a tot en met g, dan wel h tot en met l, dan wel m, dan wel n tot en met o» wordt vervangen door: artikel 10c, onderdelen a, onder 1 tot en met 7, onderscheidenlijk b en c, onderscheidenlijk d.

7. In de tweede volzin van het eerste lid wordt

a. «artikel 10a, tweede lid, de onderdelen a tot en met g, onderscheidenlijk h tot en met l» vervangen door: artikel 10c, onderdeel a, onder 1 tot en met 7, onderscheidenlijk de onderdelen b en c.

b. «de onderdelen a tot en met g» vervangen door: onderdeel a, onder 1 tot en met 7.

c. «de onderdelen h tot en met l» vervangen door: de onderdelen b en c.

8. Het tweede lid komt als volgt te luiden:

2. Voor nieuw te vormen afdelingen uit de sectoren, genoemd in artikel 10c, onderdeel a, onder 1 tot en met 7, onderscheidenlijk b, onderscheidenlijk c, onderscheidenlijk d, aan een reeds bekostigde school voor voorbereidend beroepsonderwijs waaraan nog geen in artikel 10c genoemde afdelingen zijn verbonden, is het eerste lid, onderdeel k, van toepassing. Tevens geldt voor de afdelingen uit de sectoren, genoemd in artikel 10c, onderdeel a, onderscheidenlijk de onderdelen b en c, dat ten minste twee van de in artikel 10c, onderdeel a, onder 1 tot en met 7, onderscheidenlijk in de onderdelen b en c genoemde afdelingen aan de school worden verbonden.

9. Het derde lid komt als volgt te luiden:

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld omtrent opneming in het plan, van afdelingen uit de sectoren, genoemd in artikel 10c, onderdeel a, onder 1 tot en met 7, onderscheidenlijk onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel c, onderscheidenlijk onderdeel d, verbonden aan scholen waaraan reeds in artikel 10c genoemde afdelingen zijn verbonden.

GG

Vóór artikel 76a wordt in het opschrift van hoofdstuk I «en voor v.b.o.» vervangen door: , voor v.b.o. en voor praktijkonderwijs.

HH

In artikel 76a wordt de zinsnede «en voor voorbereidend beroepsonderwijs» vervangen door: , voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs.

II

In artikel 76d, eerste lid, onderdeel c, wordt de zinsnede «en voor voorbereidend beroepsonderwijs» vervangen door: , voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs.

JJ

In artikel 77 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid komt de tweede volzin als volgt te luiden: De uitgaven, bedoeld in de artikelen 96g en 96h, alsmede de overschrijdingsbedragen, bedoeld in de artikelen 96i tot en met 96k, blijven ten laste van de gemeente.

2. In het derde lid wordt na «artikel 75b, eerste lid,» ingevoegd: alsmede met betrekking tot de scholen voor praktijkonderwijs.

3. Na het derde lid wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld omtrent de vaststelling en uitkering van een bedrag ten behoeve van de leerlingen die leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs volgen, in aanvulling op de vergoeding, berekend op grond van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde. Het bedrag wordt binnen het raam van de door de begrotingswetgever daartoe beschikbaar gestelde middelen vastgesteld en uitgekeerd.

KK

Vóór artikel 84 vervalt in het opschrift van paragraaf 2 de zinsnede «van de scholen voor v.w.o., a.v.o. en v.b.o.».

LL

In artikel 84 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift vervalt «v.w.o., a.v.o. en v.b.o.».

2. In het eerste lid vervalt de zinsnede «voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs».

MM

In artikel 85a, eerste lid, wordt de zinsnede «in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het algemeen voortgezet onderwijs of het voorbereidend beroepsonderwijs» vervangen door: in het voortgezet onderwijs.

NN

Vóór artikel 85b vervalt in het opschrift van paragraaf 2a de zinsnede «van de scholen voor v.w.o., a.v.o. en v.b.o.».

OO

In artikel 85b, eerste volzin, vervalt de zinsnede «voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs».

PP

Vóór artikel 89 vervalt in het opschrift van paragraaf 3 de zinsnede «van de scholen voor v.w.o., a.v.o. en v.b.o.».

QQ

In artikel 89 wordt de zinsnede «in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het algemeen voortgezet onderwijs of het voorbereidend beroepsonderwijs» telkens vervangen door: in het voortgezet onderwijs.

RR

Vóór artikel 96b vervalt in het opschrift van paragraaf 1 de zinsnede «van de scholen».

SS

Vóór artikel 96d vervalt in het opschrift van paragraaf 2 de zinsnede «van de scholen voor v.w.o., a.v.o. en v.b.o.».

TT

In artikel 96d, eerste lid, vervalt de zinsnede «voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs».

UU

Vóór artikel 96d.2 vervalt in het opschrift van paragraaf 2a de zinsnede «van de scholen voor v.w.o., a.v.o. en v.b.o.».

VV

In artikel 96d.2 vervalt de zinsnede «voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs».

WW

In artikel 96g worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift vervalt telkens de zinsnede «voor v.w.o., a.v.o. of v.b.o.»

2. In het eerste lid vervalt telkens de zinsnede «voor v.w.o., a.v.o. of v.b.o.»

XX

In artikel 96h worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift vervalt de zinsnede «voor v.w.o., a.v.o. of v.b.o.»

2. In het eerste lid vervalt de zinsnede «voor v.w.o., a.v.o. of v.b.o.» en wordt de zinsnede «voor het v.w.o., a.v.o. of v.b.o.» vervangen door «ten behoeve van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het algemeen voortgezet onderwijs, het voorbereidend beroepsonderwijs of het praktijkonderwijs».

YY

Vóór artikel 96i vervalt in het opschrift van paragraaf 7 de zinsnede «voor v.w.o. en a.v.o.»

ZZ

In artikel 96i worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift vervalt de zinsnede «voor v.w.o., a.v.o. en v.b.o.»

2. In het eerste lid vervalt de zinsnede «voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voor voorbereidend beroepsonderwijs».

AAA

In artikel 96j worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift vervalt de zinsnede «voor v.w.o., a.v.o. en v.b.o.»

2. In het eerste lid vervalt de zinsnede «voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voor voorbereidend beroepsonderwijs».

BBB

In het opschrift van artikel 96k vervalt de zinsnede «voor v.w.o., a.v.o. en v.b.o.»

CCC

In artikel 96m, tweede lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Aan het slot van onderdeel d wordt toegevoegd: en.

2. Aan het slot van onderdeel e vervalt «en» en wordt de komma vervangen door een punt.

3. Onderdeel f vervalt.

DDD

Artikel 96n vervalt.

EEE

In artikel 96o worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift vervalt de zinsnede «scholen voor v.w.o., a.v.o. en v.b.o.».

2. In het eerste lid vervalt de zinsnede «voor zover het betreft scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs».

FFF

In artikel 99 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift vervalt de zinsnede «scholen voor v.w.o., a.v.o. en v.b.o.».

2. In het eerste lid vervalt de zinsnede «van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs».

3. In het zesde lid, onderdeel a, wordt «in het eerste lid bedoelde school» vervangen door «school voor voortgezet onderwijs» en wordt in onderdeel b «in het eerste lid bedoelde scholen» vervangen door «scholen voor voortgezet onderwijs».

GGG

In artikel 102a worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift vervalt de zinsnede «voor v.w.o., a.v.o. en v.b.o.»

2. In het eerste lid vervalt de zinsnede «voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, scholen voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs».

HHH

In artikel 107 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het tweede lid, onderdeel a, wordt «artikel 10a, tweede lid, de onderdelen a tot en met g, dan wel h tot en met l, dan wel m, dan wel n tot en met o, dan wel p» vervangen door: artikel 10c, onderdelen a, onder 1 tot en met 8, dan wel b en c, onder 1, 3 en 4, dan wel c, onder 2, dan wel d.

2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «artikel 10a, tweede lid, de onderdelen a tot en met g, dan wel h tot en met l, dan wel m, dan wel n tot en met o, dan wel p» vervangen door: artikel 10c, onderdelen a, onder 1 tot en met 8, dan wel b en c, onder 1, 3 en 4, dan wel c, onder 2, dan wel d.

3. In het tweede lid, onderdeel c, wordt «artikel 10a, tweede lid, de onderdelen a tot en met g, dan wel h tot en met l, dan wel m, dan wel n tot en met o, dan wel p» vervangen door: artikel 10c, onderdelen a, onder 1 tot en met 8, dan wel b en c, onder 1, 3 en 4, dan wel c, onder 2, dan wel d.

4. In het tweede lid, onderdeel d, wordt «artikel 10a, tweede lid, de onderdelen a tot en met g, h tot en met l, h tot en met l, m, n tot en met o, en p» vervangen door: artikel 10c, onderdelen a, onder 1 tot en met 8, dan wel b en c, onder 1, 3 en 4, dan wel c, onder 2, dan wel d.

III

Na artikel 108 wordt een nieuw artikel 109 ingevoegd, luidende:

Artikel 109. Opheffing dan wel beëindiging bekostiging van scholen voor praktijkonderwijs en nevenvestigingen voor praktijkonderwijs

1. De artikelen 107 en 108, met uitzondering van het vijfde lid, tweede volzin, zijn niet van toepassing op scholen voor praktijkonderwijs en op afdelingen voor praktijkonderwijs. Een openbare school of afdeling voor praktijkonderwijs wordt opgeheven dan wel de aanspraak op bekostiging ten behoeve van een zodanige bijzondere school of afdeling wordt beëindigd, indien de school of afdeling niet langer voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden, waartoe in ieder geval behoren het aantal leerlingen dat de school of afdeling bezoekt, en het evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen. Artikel 108, vijfde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op nevenvestigingen, bedoeld in artikel 19, vierde lid.

JJJ

In artikel 110a, eerste lid, wordt de zinsnede «artikel 107 of 110» vervangen door: artikel 107, 109 of 110.

ARTIKEL II. OMZETTING SCHOLEN EN AFDELINGEN INDIVIDUEEL VOORBEREIDEND BEROEPSONDERWIJS IN SCHOLEN EN AFDELINGEN LEERWEGONDERSTEUNEND ONDERWIJS OF AFDELINGEN PRAKTIJKONDERWIJS

1. Met ingang van 1 augustus 1998 zijn de afdelingen voor individueel voorbereidend beroepsonderwijs die op grond van de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften zoals die luidden op 31 juli 1998, aan scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs of scholengemeenschappen waarvan ten minste een school voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaakt, zijn verbonden, afdelingen voor leerwegondersteunend onderwijs verbonden aan die scholen of scholengemeenschappen. Indien aan een in de eerste volzin bedoelde school of scholengemeenschap twee of meer afdelingen voor individueel voorbereidend beroepsonderwijs zijn verbonden, worden zij gezamenlijk één afdeling voor leerwegondersteunend onderwijs.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de scholen voor individueel voorbereidend beroepsonderwijs, met dien verstande dat deze scholen voor leerwegondersteunend onderwijs zijn.

3. Op de in het eerste lid bedoelde afdelingen voor leerwegondersteunend onderwijs en op de in het tweede lid bedoelde scholen voor leerwegondersteunend onderwijs blijven tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip van toepassing de voorschriften met betrekking tot het individueel voorbereidend beroepsonderwijs, vastgesteld bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs zoals die voorschriften luidden op 31 juli 1998. In afwijking van de eerste volzin zijn op de in de eerste volzin bedoelde afdelingen en scholen voor leerwegondersteunend onderwijs ter zake van de inhoud van het onderwijs van toepassing de voorschriften met betrekking tot het leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 10e van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet.

4. Van de in het derde lid, eerste volzin, bedoelde voorschriften die bij wet of algemene maatregel van bestuur zijn vastgesteld, kan in verband met nieuwe ontwikkelingen worden afgeweken bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk ministeriële regeling.

5. Uiterlijk met ingang van 1 augustus 2002 kan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen of, voor zover het betreft het landbouwonderwijs, Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, in afwijking van het eerste en tweede lid, op aanvraag van het bevoegd gezag van een in het eerste lid bedoelde school voor voorbereidend beroepsonderwijs waaraan een afdeling voor leerwegondersteunend onderwijs is verbonden onderscheidenlijk van een in het tweede lid bedoelde school voor leerwegondersteunend onderwijs de aan die school verbonden afdeling voor leerwegondersteunend onderwijs onderscheidenlijk die school voor leerwegondersteunend onderwijs in aanmerking brengen voor bekostiging als afdeling voor praktijkonderwijs onderscheidenlijk als school voor praktijkonderwijs, tenzij dat niet in overeenstemming is met een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen. Het bevoegd gezag overlegt bij zijn aanvraag het advies van de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 10h van de Wet op het voortgezet onderwijs, deel uitmaakt, alsmede het advies van de gemeente waarin de afdeling voor praktijkonderwijs onderscheidenlijk school voor praktijkonderwijs is gevestigd.

6. Bij ministeriële regeling worden ten behoeve van de afdelingen onderscheidenlijk scholen voor praktijkonderwijs, bedoeld in het vijfde lid, voorschriften vastgesteld met betrekking tot de bekostiging en rechtspositionele voorschriften. De voorschriften zijn op de in de eerste volzin bedoelde afdelingen onderscheidenlijk scholen van toepassing tot 1 augustus 2002.

7. Het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag zendt een aanvraag om toepassing van het vijfde lid uiterlijk 1 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het schooljaar waarop de aanvraag betrekking heeft, aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen dan wel aan Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Onze Minister beslist binnen drie maanden op de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen drie maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister het bevoegd gezag daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

ARTIKEL III. (SO)VSO-LOM-SCHOLEN: SPECIAAL VOORTGEZET ONDERWIJS

1. Met ingang van 1 augustus 1998 worden scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs voor zover het betreft het voortgezet speciaal onderwijs, bezocht door kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden, bedoeld in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals die wet luidde op 31 juli 1998, aangeduid als scholen voor speciaal voortgezet onderwijs, onderscheidenlijk als afdelingen voor speciaal voortgezet onderwijs.

2. Tot het tijdstip met ingang waarvan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen toepassing geeft aan artikel IV, eerste of tweede lid, of artikel V, eerste lid, blijven ten aanzien van de in het eerste lid genoemde scholen en afdelingen voor speciaal voortgezet onderwijs van toepassing de voorschriften, vastgesteld bij of krachtens de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals die voorschriften luidden op 31 juli 1998.

3. Van de in het tweede lid bedoelde voorschriften die bij wet of algemene maatregel van bestuur zijn vastgesteld, kan in verband met nieuwe ontwikkelingen worden afgeweken bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk ministeriële regeling.

ARTIKEL IV. (SO)VSO-LOM-SCHOLEN ALS AFDELING VOOR LEERWEGONDERSTEUNEND ONDERWIJS

1. Uiterlijk voor 1 augustus 2002 brengt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op aanvraag van het bevoegd gezag van een in artikel III, eerste lid, bedoelde school die school onderscheidenlijk de aan die school verbonden afdeling in aanmerking voor bekostiging als afdeling voor leerwegondersteunend onderwijs, verbonden aan een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs die staat onder het bestuur van een bevoegd gezag dat tevens bevoegd gezag is van in ieder geval een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, aan een school voor voorbereidend beroepsonderwijs of aan een scholengemeenschap waarvan ten minste een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en een school voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaken, tenzij dat niet in overeenstemming is met een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen. Op de in de eerste volzin bedoelde afdelingen voor leerwegondersteunend onderwijs zijn ter zake van de inhoud van het onderwijs van toepassing de voorschriften met betrekking tot het leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 10e van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet.

2. Bij ministeriële regeling worden ten behoeve van de afdelingen, bedoeld in het eerste lid, voorschriften vastgesteld met betrekking tot de bekostiging en rechtspositionele voorschriften. De voorschriften zijn op de in de eerste volzin bedoelde afdelingen van toepassing tot 1 augustus 2002.

3. Het bevoegd gezag van een in artikel III bedoelde school kan bij zijn aanvraag, bedoeld in het eerste lid, en in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school of scholengemeenschap waaraan de afdeling voor leerwegondersteunend onderwijs zal worden verbonden, tevens verzoeken om die afdeling voor leerwegondersteunend onderwijs als nevenvestiging aan te merken, indien de in artikel III bedoelde school voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs voor zover het betreft het voortgezet speciaal onderwijs, voorafgaand aan de aanvraag, als een zelfstandige school functioneerde. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen willigt de in de eerste volzin bedoelde aanvraag in, tenzij dat niet in overeenstemming is met een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen.

4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden vastgesteld omtrent het in het derde lid bepaalde.

5. Het bevoegd gezag zendt een aanvraag om toepassing van het eerste en derde lid uiterlijk 1 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het schooljaar waarop de aanvraag betrekking heeft, aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Onze Minister beslist binnen drie maanden op de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen drie maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister het bevoegd gezag daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

ARTIKEL V. (SO)VSO-LOM-SCHOLEN ALS AFDELING VOOR PRAKTIJKONDERWIJS ONDER DE WVO

1. In afwijking van artikel IV, kan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op aanvraag van het bevoegd gezag van een in artikel III, eerste lid, bedoelde school die school onderscheidenlijk de aan die school verbonden afdeling uiterlijk voor 1 augustus 2002 in aanmerking brengen voor bekostiging als school voor praktijkonderwijs onderscheidenlijk als afdeling voor praktijkonderwijs, verbonden aan een school voor voorbereidend beroepsonderwijs of aan een scholengemeenschap waarvan ten minste een school voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaakt, tenzij dat niet in overeenstemming is met een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen.

2. Het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag overlegt bij zijn aanvraag het advies van de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel XIII van deze wet deel uitmaakt, alsmede het advies van de gemeente waarin de in artikel III, eerste lid, bedoelde school is gevestigd.

3. Artikel IV, tweede, derde, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL VI. VOORZIENING VOOR (SO)VSO-LOM-SCHOLEN I.G.V. NIET-TOEPASSING ARTIKELEN IV EN V

1. Uiterlijk tot 1 augustus 2002 kan het bevoegd gezag van een in artikel III, eerste lid, bedoelde school in overeenstemming met de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband waarvan het bevoegd gezag ten aanzien van die school onderscheidenlijk van de aan die school verbonden afdeling deel uitmaakt, mededeling doen aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen dat, in afwijking van de artikelen IV en V:

a. de taken en bevoegdheden ten behoeve van de ondersteuning van het onderwijs voor leerlingen voor wie een orthopedagogische en orthodidactische benadering is geboden, worden overgedragen aan een door de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband gezamenlijk in te stellen orgaan, en

b. de leerlingen van die school onderscheidenlijk van de aan die school verbonden afdeling worden ingeschreven aan een of meer andere scholen in het samenwerkingsverband waaraan een afdeling voor leerwegondersteunend onderwijs is verbonden.

2. De in het eerste lid bedoelde mededeling bevat in ieder geval een omschrijving van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde ondersteuning, en geeft in ieder geval aan op welke wijze binnen het samenwerkingsverband de leerlingen van de in artikel III, eerste lid, bedoelde school onderscheidenlijk van de aan die school verbonden afdeling worden opgevangen door de andere bevoegde gezagsorganen. De mededeling geeft tevens aan dat ten behoeve van het personeel van de in artikel III, eerste lid, bedoelde school onderscheidenlijk van de aan die school verbonden afdeling adequate voorzieningen zijn getroffen bij een of meer van de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband, dan wel bij het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde orgaan.

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften vastgesteld omtrent het eerste en tweede lid. De algemene maatregel van bestuur bevat in ieder geval voorschriften met betrekking tot:

a. de beëindiging van de bekostiging van de in artikel III, eerste lid, bedoelde school onderscheidenlijk de aan die school verbonden afdeling,

b. de bekostiging van de andere scholen in het samenwerkingsverband waaraan de leerlingen worden ingeschreven, en

c. de rechtspositie van het personeel van de in artikel III, eerste lid, bedoelde school onderscheidenlijk de aan die school verbonden afdeling, waaronder in ieder geval begrepen voorschriften met betrekking tot het behoud van de aanspraak op salariëring conform de schaal die gold voor de functie op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip waarop toepassing wordt gegeven aan het eerste en tweede lid.

ARTIKEL VII. (SO)VSO-MLK-SCHOOL: SPECIAAL VOORTGEZET ONDERWIJS

1. Met ingang van 1 augustus 1998 worden scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs voor zover het betreft het voortgezet speciaal onderwijs, bezocht door moeilijk lerende kinderen, bedoeld in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals die wet luidde op 31 juli 1998, aangeduid als scholen voor speciaal voortgezet onderwijs, onderscheidenlijk als afdelingen voor speciaal voortgezet onderwijs.

2. Tot het tijdstip met ingang waarvan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen toepassing geeft aan artikel VIII, eerste lid, blijven ten aanzien van de in het eerste lid genoemde scholen en afdelingen voor speciaal voortgezet onderwijs van toepassing de voorschriften, vastgesteld bij of krachtens de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals die voorschriften luidden op 31 juli 1998.

3. Van de in het tweede lid bedoelde voorschriften die bij wet of algemene maatregel van bestuur zijn vastgesteld, kan in verband met nieuwe ontwikkelingen worden afgeweken bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk bij ministeriële regeling.

ARTIKEL VIII. (SO)VSO-MLK-SCHOLEN ONDER DE WVO

1. Uiterlijk voor 1 augustus 2002 brengt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op aanvraag van het bevoegd gezag van een in artikel VII, eerste lid, bedoelde school die school onderscheidenlijk de aan die school verbonden afdeling in aanmerking voor bekostiging als school voor praktijkonderwijs onderscheidenlijk als afdeling voor praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet, verbonden aan een school voor voorbereidend beroepsonderwijs of aan een scholengemeenschap waarvan ten minste een school voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaakt, tenzij dat niet in overeenstemming is met een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen.

2. In afwijking van het eerste lid, kan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op aanvraag van het bevoegd gezag een in artikel VII, eerste lid, bedoelde afdeling voor speciaal voortgezet onderwijs in aanmerking brengen voor bekostiging als school voor praktijkonderwijs, indien ten minste een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen aantal leerlingen onderwijs aan die afdeling volgt, tenzij dat niet in overeenstemming is met een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de afdelingen voor speciaal voortgezet onderwijs die zijn verbonden aan twee of meer in artikel VII, eerste lid, bedoelde scholen, met dien verstande dat de aanvraag wordt ingediend door de bevoegde gezagsorganen van die scholen gezamenlijk.

3. Het bevoegd gezag overlegt bij zijn aanvraag het advies van de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel XIII van deze wet deel uitmaakt, alsmede van de gemeente waarin de in artikel VII, eerste lid, bedoelde school is gevestigd.

4. Artikel IV, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

5. Het bevoegd gezag zendt een aanvraag om toepassing van het eerste lid uiterlijk 1 december van het voorafgaande kalenderjaar voorafgaand aan het schooljaar waarop de aanvraag betrekking heeft, aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Onze Minister beslist binnen drie maanden op de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen drie maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister het bevoegd gezag daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

ARTIKEL IX. (SO)VSO-ZMOK-SCHOLEN: SPECIAAL VOORTGEZET ONDERWIJS

1. Met ingang van 1 augustus 1998 worden scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs voor zover het betreft het voortgezet speciaal onderwijs, bezocht door zeer moeilijk opvoedbare kinderen, bedoeld in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals die wet luidde op 31 juli 1998, aangeduid als scholen voor speciaal voortgezet onderwijs, onderscheidenlijk als afdelingen voor speciaal voortgezet onderwijs.

2. Tot het tijdstip met ingang waarvan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen toepassing geeft aan artikel X, eerste lid, blijven ten aanzien van de in het eerste lid genoemde scholen en afdelingen voor speciaal voortgezet onderwijs van toepassing de voorschriften, vastgesteld bij of krachtens de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals die voorschriften luidden op 31 juli 1998.

3. Van de in het tweede lid bedoelde voorschriften die bij wet of algemene maatregel van bestuur zijn vastgesteld, kan in verband met nieuwe ontwikkelingen worden afgeweken bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk bij ministeriële regeling.

ARTIKEL X. (SO)VSO-ZMOK-SCHOLEN ONDER DE WVO

1. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een in artikel IX, eerste lid, bedoelde school de school onderscheidenlijk de aan de school verbonden afdeling in aanmerking brengen voor bekostiging als

a. school voor leerwegondersteunend onderwijs,

b. afdeling voor leerwegondersteunend onderwijs, verbonden aan een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs die staat onder het bestuur van een bevoegd gezag dat tevens bevoegd gezag is van in ieder geval een school voor voorbereidend beroepsonderwijs,

c. afdeling voor leerwegondersteunend onderwijs, verbonden aan een school voor voorbereidend beroepsonderwijs,

d. school voor praktijkonderwijs, of

e. afdeling voor praktijkonderwijs, verbonden aan een school voor voorbereidend beroepsonderwijs of aan een scholengemeenschap waarvan ten minste een school voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaakt, tenzij dat niet in overeenstemming is met een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen. Op de in de eerste volzin, onderdelen a tot en met c, bedoelde scholen en afdelingen voor leerwegondersteunend onderwijs zijn ter zake van de inhoud van het onderwijs van toepassing de voorschriften met betrekking tot het leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel 10e van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet.

2. Indien de aanvraag betrekking heeft op het eerste lid, onderdeel d of e, overlegt het bevoegd gezag bij zijn aanvraag het advies van de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel XIII van deze wet deel uitmaakt, alsmede van de gemeente waarin de in artikel IX, eerste lid, bedoelde school is gevestigd.

3. Artikel IV, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

4. Het bevoegd gezag zendt een aanvraag om toepassing van het tweede lid uiterlijk 1 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het schooljaar waarop de aanvraag betrekking heeft, aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Onze Minister beslist binnen drie maanden op de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen drie maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister het bevoegd gezag daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

ARTIKEL XI. OPHEFFING DAN WEL BEËINDIGING BEKOSTIGING VAN SCHOLEN EN AFDELINGEN VOOR LEERWEGONDERSTEUNEND ONDERWIJS

1. Met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip worden de scholen voor leerwegondersteunend onderwijs en de afdelingen voor leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel II, tweede lid, onderscheidenlijk in de artikelen II, eerste lid, IV, eerste lid, en X, eerste lid, onderdelen a tot en met c, opgeheven voor zover het openbaar onderwijs betreft, dan wel gaat de aanspraak op bekostiging ten behoeve van die scholen en afdelingen verloren voor zover het bijzonder onderwijs betreft.

2. De leerlingen die op de dag voorafgaand aan het in het eerste lid bedoelde tijdstip zijn ingeschreven aan de in het eerste lid bedoelde scholen en afdelingen, zijn met ingang van dat tijdstip ten behoeve van het volgen van leerwegondersteunend onderwijs als bedoeld in artikel 10e van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet, ingeschreven aan de school waaraan die scholen voor leerwegondersteunend worden verbonden onderscheidenlijk aan de school waaraan die afdelingen op de dag voorafgaand aan dat tijdstip waren verbonden.

3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de nevenvestigingen, bedoeld in artikel IV, derde lid.

ARTIKEL XII. AANVRAAG EN AANSLUITING BIJ SAMENWERKINGSVERBAND

Een aanvraag als bedoeld in artikel II, vijfde lid, artikel IV, eerste en derde lid, artikel V, eerste lid, artikel VIII, eerste lid, en artikel X, eerste lid, kan het bevoegd gezag van de in die artikelen bedoelde scholen, niet doen voordat het bevoegd gezag is aangesloten bij een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 10h van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet.

ARTIKEL XIII. AANSLUITING BIJ SAMENWERKINGSVERBAND DOOR SCHOLEN EN AFDELINGEN VOOR SPECIAAL VOORTGEZET ONDERWIJS

1. In afwijking van artikel 10h van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet, sluiten het bevoegd gezag van een school voor speciaal voortgezet onderwijs, het bevoegd gezag van een school waaraan een afdeling voor speciaal voortgezet onderwijs is verbonden en het bevoegd gezag van een school voor leerwegondersteunend onderwijs, zich uiterlijk met ingang van 1 januari 1999 aan bij een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 10h van de Wet op het voortgezet onderwijs.

2. Artikel 10h, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet, is van toepassing.

3. In de periode van 1 augustus 1998 tot en met 31 juli 2002 wordt een besluit van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 10h van de Wet op het voortgezet onderwijs, slechts genomen met de instemming van het bevoegd gezag van elk van de aangesloten scholen, bedoeld in het eerste lid.

ARTIKEL XIV. VOORZIENING T.A.V. SAMENWERKINGSVERBANDEN; TOELATING TOT LEERWEGONDERSTEUNEND ONDERWIJS

1. Uiterlijk met ingang van 1 januari 1999 voldoet het bevoegd gezag van een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, een scholengemeenschap waarvan ten minste deel uitmaakt een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor voorbereidend beroepsonderwijs en een school voor praktijkonderwijs aan artikel 10h van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet.

2. Indien het bevoegd gezag op 31 juli 1998 is aangesloten bij een samenwerkingsverband als bedoeld in de Regeling regionale samenwerkingsverbanden vo-vso 1997–1998 (Uitleg OCenW-Regelingen 1997, nr. 2 en 3), voldoet hij met ingang van 1 augustus 1998 aan artikel 10h van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet. De op basis van de genoemde regeling tot stand gekomen samenwerkingsverbanden zijn met ingang van 1 augustus 1998 samenwerkingsverbanden als bedoeld in artikel 10h van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet.

3. Onverminderd het eerste lid en in afwijking van het daargenoemde artikel 10h van de Wet op het voortgezet onderwijs, zijn tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip met betrekking tot de toelating van leerlingen tot de scholen voor leerwegondersteunend onderwijs en de afdelingen voor leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in de artikelen II, IV en X van deze wet, van overeenkomstige toepassing de voorschriften omtrent de toelating tot het praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 10g van de Wet op het voortgezet zoals luidend ingevolge deze wet. Een regionale verwijzingscommissie neemt een besluit op grond van de eerste volzin telkens voor een periode van ten hoogste twee jaar.

4. Het derde lid is niet van toepassing ten aanzien van leerlingen die overeenkomstig de op 31 juli 1998 geldende voorschriften reeds met ingang van 1 augustus 1998 waren toegelaten tot de in artikel II, eerste lid, bedoelde afdelingen voor individueel voorbereidend beroepsonderwijs, en de in artikel III, eerste lid, en artikel IX, eerste lid, bedoelde scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

ARTIKEL XV. TIJDELIJKE REGELING NIEUWE BEVOEGDHEIDSEISEN

1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld omtrent de gronden waarop en de procedure volgens welke voor bepaalde tijd kan worden afgeweken van artikel 33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het voortgezet onderwijs, ten aanzien van leraren die in vaste dienst zijn verbonden aan een school als bedoeld in artikel 9 of artikel 10a van die wet zoals die wet luidde op 31 juli 1998, dan wel van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals die wet luidde op 31 juli 1998.

2. Leraren die op de dag voorafgaand aan het tijdstip waarop Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen toepassing geeft aan artikel IV, eerste of derde lid, artikel V, eerste lid, artikel VIII, eerste of tweede lid, of artikel X, eerste lid, verbonden zijn aan de desbetreffende school voor voortgezet speciaal onderwijs of school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs voor zover het betreft het voortgezet speciaal onderwijs, bezocht door kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden, moeilijk lerende kinderen of zeer moeilijk opvoedbare kinderen, bedoeld in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals die wet luidde op 31 juli 1998, worden met ingang van dat tijdstip, volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven regels, bevoegd tot het geven van onderwijs, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs.

ARTIKEL XVI. SALARISGARANTIE; NADERE VOORSCHRIFTEN BIJ MINISTERIËLE REGELING

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ten behoeve van het personeel dat op de dag voorafgaand aan het tijdstip met ingang waarvan aan de artikelen II, IV, V, VIII en X toepassing wordt gegeven, was verbonden aan

a. een in artikel II, eerste en tweede lid, V, eerste lid, VIII, eerste lid, of X, eerste lid, bedoelde school voor voorbereidend beroepsonderwijs of scholengemeenschap waarvan ten minste een school voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaakt,

b. een in artikel III, eerste lid, VII, eerste lid, of IX, eerste lid, bedoelde school voor speciaal voortgezet onderwijs of afdeling voor speciaal voortgezet onderwijs, of

c. een in artikel IV, eerste lid, of X, eerste lid, bedoelde school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of scholengemeenschap waarvan ten minste een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en een school voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaken, voorschriften vastgesteld met betrekking tot het behoud van de aanspraak op salariëring conform de schaal die gold voor de functie ten tijde van het in de aanhef bedoelde tijdstip.

2. Ten behoeve van een goede uitvoering van het eerste lid door de bevoegde gezagsorganen van de in het eerste lid bedoelde scholen en scholengemeenschappen, wordt volgens bij ministeriële regeling vast te stellen voorschriften de omvang van de normatieve personele bekostiging, vastgesteld op basis van de ministeriële regeling, bedoeld in de artikelen II, zesde lid, IV, tweede lid, V, derde lid, VIII, vierde lid, en X, derde lid, normatief verhoogd dan wel verlaagd. De ministeriële regeling bevat tevens voorschriften met betrekking tot:

a. de periode en de mate waarin de in de eerste volzin bedoelde verhoging dan wel verlaging van de omvang van de bekostiging wordt toegepast, en

b. de afrekening van de personeelskosten die betrekking hebben op de periode voor het in het eerste lid bedoelde tijdstip ten aanzien van de scholen en afdelingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

3. De in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet eerder in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.

ARTIKEL XVII. INVOERING LEERWEGEN

1. Het bevoegd gezag van een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs verzorgt met ingang van het schooljaar 1998–1999 het onderwijs met het oog op de bij en krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet, gegeven voorschriften vanaf het eerste leerjaar.

2. In de leerjaren waarin geen toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, blijven de voorschriften bij en krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs zoals die wet luidde op 31 juli 1998, van toepassing.

ARTIKEL XVIII. VOORZIENING T.A.V. ONDERWIJS IN DE LEERWEGEN

1. In afwijking van de artikelen 10, vijfde en zesde lid, onderdelen b en d, 10b, vijfde en zesde lid, onderdelen b en d, en 10d, vijfde en zesde lid, onderdelen b en d, van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet, gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de volgende voorschriften:

a. het gemeenschappelijk deel van elke leerweg omvat in plaats van «maatschappijleer»: maatschappijleer I;

b. het sectordeel van elke leerweg omvat:

1°. wat betreft de sector zorg en welzijn en de sector landbouw in plaats van «natuurleer»: biologie, en

2°. wat betreft de sector zorg en welzijn in plaats van «mens en maatschappij»: maatschappijleer II, geschiedenis en staatsinrichting, of aardrijkskunde, ter keuze van de leerling, met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke van deze vakken wordt of worden aangeboden.

2. Alvorens een voordracht te doen tot een koninklijk besluit als bedoeld in het eerste lid, overlegt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over zijn desbetreffende voornemen met de beide kamers der Staten-Generaal.

ARTIKEL XIX. AFBOUW EXAMENS EN STAATSEXAMENS OUDE STIJL

A

1. In het jaar 2001 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het eindexamen of het staatsexamen middelbaar algemeen voortgezet onderwijs volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften. Degenen die in dat jaar dit eindexamen of staatsexamen hebben afgelegd en zijn afgewezen, worden in het jaar 2002 voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld dit eindexamen of staatsexamen af te leggen.

2. In het schooljaar 2000–2001 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het eindexamen voorbereidend beroepsonderwijs volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften. Degenen die in dat schooljaar dit eindexamen hebben afgelegd en zijn afgewezen, worden in het schooljaar 2001–2002 voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld dit eindexamen af te leggen.

3. In het studiejaar 2000–2001 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het examen van een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover gericht op het behalen van het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde voorschriften. Degenen die in dat studiejaar dit examen hebben afgelegd en zijn afgewezen, worden in het studiejaar 2001–2002 voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld dit examen af te leggen.

4. In afwijking van het eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, tweede volzin, worden degenen ten aanzien van wie de inspectie artikel 27, vijfde tot en met zevende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs heeft toegepast, in het jaar 2003 onderscheidenlijk in het schooljaar 2002–2003 voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld het in het eerste of tweede lid bedoelde eindexamen of staatsexamen af te leggen.

B

Bij ministeriële regeling kan worden afgeweken van de op 31 juli 1998 geldende voorschriften die ingevolge onderdeel A blijven gelden, voor zover dit voor een goede gang van zaken noodzakelijk is.

ARTIKEL XX. OMZETTING AFDELINGEN VOORBEREIDEND BEROEPSONDERWIJS

1. Van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs wordt de op 31 juli 1998 aan die school verbonden afdeling mechanische techniek, afdeling motorvoertuigentechniek of afdeling consumptieve techniek met ingang van 1 augustus 1998 omgezet in respectievelijk de afdeling metaaltechniek, afdeling voertuigentechniek of afdeling consumptief.

2. Van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs wordt de op 31 juli 1998 aan die school verbonden afdeling verkoop of afdeling handel met ingang van 1 augustus 1998 omgezet in de afdeling commerciële dienstverlening.

3. Indien aan een school voor voorbereidend beroepsonderwijs op 31 juli 1998 zowel een afdeling verkoop als een afdeling handel is verbonden, worden beide afdelingen met ingang van 1 augustus 1998 samengevoegd tot de afdeling commerciële dienstverlening.

ARTIKEL XXI. OMZETTING EXPERIMENTEN TRANSPORT EN LOGISTIEK IN AFDELINGEN TRANSPORT EN LOGISTIEK

1. Met ingang van 1 augustus 1998 kan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op aanvraag van het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend beroepsonderwijs waaraan op grond van artikel 25 van de Wet op het voortgezet onderwijs, een experiment «transport en logistiek» is toegestaan, dit experiment voor bekostiging in aanmerking brengen als afdeling transport en logistiek, bedoeld in artikel 10c, onderdeel a, onder 7, van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet, tenzij dat niet in overeenstemming is met een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen.

2. Indien Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen een in het eerste lid bedoeld experiment voor bekostiging als afdeling transport en logistiek in aanmerking brengt, zijn de leerlingen die op 31 juli 1998 waren ingeschreven aan de school waaraan het experiment werd verzorgd en in het derde of vierde leerjaar het onderwijs van het experiment volgden, leerlingen van de afdeling transport en logistiek.

3. Indien Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen een in het eerste lid bedoeld experiment niet voor bekostiging als afdeling transport en logistiek in aanmerking brengt, kunnen de leerlingen die op 31 juli 1998 waren ingeschreven aan de school waaraan het experiment werd verzorgd en in het derde of vierde leerjaar het onderwijs van het experiment volgden, dit onderwijs blijven volgen totdat zij met toepassing van artikel XVIII, onderdeel A, tweede lid, het eindexamen voorbereidend beroepsonderwijs hebben afgelegd.

4. Het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag zendt een aanvraag om toepassing van het eerste lid uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Onze Minister beslist binnen drie maanden op de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen drie maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister het bevoegd gezag daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

ARTIKEL XXII. TIJDELIJKE AFWIJKING I.V.M. GOEDE INVOERING

Voor zover deze wet daarin niet voorziet, alsmede indien nodig in afwijking van het bij en krachtens deze wet bepaalde, kunnen bij ministeriële regeling voor bepaalde tijd regels worden vastgesteld ten behoeve van een goede invoering van de door deze wet gewijzigde of toegevoegde bepalingen van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs. Ten behoeve van de goede invoering van de in de eerste volzin bedoelde gewijzigde of toegevoegde bepalingen kan bij ministeriële regeling voor bepaalde tijd eveneens worden afgeweken van het overigens bepaalde bij en krachtens de in die volzin genoemde wetten.

ARTIKEL XXIII. TUSSENTIJDSE RAPPORTAGE INVOERINGSPROCES

1. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, voor 1 augustus 2000 een verslag aan de beide Kamers der Staten-Generaal over de voortgang van het in de artikelen II tot en met VIII, en XI tot en met XXI geregelde proces, alsmede over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van artikel 77, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet. Indien uit dat verslag onvoldoende voortgang blijkt, geeft het verslag de oorzaken daarvan aan, en vermeldt het de ter oplossing daarvan te treffen maatregelen ten aanzien van het genoemde proces, onderscheidenlijk doet het voorstellen voor het vaststellen van een later tijdstip van inwerkingtreding van genoemd artikel 77 dan genoemd in artikel XXVIII, eerste lid, onderdeel a.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het in de artikelen IX en X geregelde proces, met dien verstande dat Onze voornoemde Ministers voor 1 augustus 2002 een verslag zenden.

ARTIKEL XXIV. WIJZIGING WET EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS

De Wet educatie en beroepsonderwijs wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.3.3 wordt «artikel 10a» vervangen door: artikel 10c, onderdeel d,.

B

Het opschrift van titel 6 van hoofdstuk 2 komt te luiden:

TITEL 6. SCHOLENGEMEENSCHAP ROC OF AOC MET SCHOOL VOOR VOORTGEZET ONDERWIJS; VOORSCHRIFTEN T.A.V. VBO IN AOC

C

In artikel 2.6 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het opschrift wordt «ROC-school» vervangen door: ROC of AOC-school.

2. Aan het eerste lid wordt voor de punt ingevoegd: , dan wel een agrarisch opleidingscentrum en een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 9 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

D

Na artikel 2.6 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.6a. Voorschriften t.a.v. vbo in AOC

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan ten behoeve van het voorbereidend beroepsonderwijs, verzorgd in agrarische opleidingscentra, worden vastgesteld dat het bepaalde bij of krachtens deze wet geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is.

E

Artikel 7.3.4, eerste en tweede lid, komt te luiden als volgt:

1. Opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs omvatten het onderwijs dat noodzakelijk is voor het behalen van het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, dan wel voor het behalen van onderdelen van dat diploma.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de voor het behalen van elk van de in het eerste lid genoemde diploma's of onderdelen daarvan noodzakelijke vakken en andere programma-onderdelen, en omtrent de cursusduur.

F

In artikel 8.1.1, vijfde lid, wordt na «derde lid» ingevoegd: en met inachtneming van het krachtens artikel 8.2.2 bepaalde,.

G

In artikel 8.2.1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt na «artikel 7.2.2, eerste lid, is» ingevoegd: met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 8.2.2.

2. In het eerste lid wordt, onder verlettering van de onderdelen c en d tot onderdelen d en e, een nieuw onderdeel c ingevoegd, luidende:

c. een diploma mavo-vbo,.

3. In het derde lid wordt «Voor de inschrijving voor een vakopleiding en een middenkaderopleiding kan het bevoegd gezag» vervangen door: Onverminderd het bepaalde krachtens artikel 8.2.2, kan het bevoegd gezag voor de inschrijving voor een vakopleiding of een middenkaderopleiding.

4. Het vierde lid komt als volgt te luiden:

4. Onverminderd het bepaalde krachtens artikel 8.2.2, gelden voor de inschrijving voor een assistentopleiding of basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, en voor de inschrijving voor een opleiding educatie, geen vooropleidingseisen.

H

Na artikel 8.2.1 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 8.2.2. Nadere vooropleidingseisen

1. Op voorstel van organisaties in het voortgezet onderwijs, de landelijke organen, bedoeld in artikel 9.2.1, tweede lid, onderdeel a, en de commissies onderwijs-bedrijfsleven, bedoeld in artikel 9.2.1, derde lid, worden bij ministeriële regeling aangewezen de sectoren, bedoeld in de artikelen 10, 10b en 10d van de Wet op het voortgezet onderwijs, waarop het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, het diploma voorbereidend beroepsonderwijs en het diploma mavo-vbo betrekking moeten hebben, alsmede vakken en andere programma-onderdelen die deel moeten hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van een van deze diploma's, om te kunnen worden ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e.

2. In de ministeriële regeling kan onderscheid worden gemaakt naar groepen van deelnemers, dan wel kan worden bepaald dat de regeling niet van toepassing is op groepen van deelnemers.

ARTIKEL XXV. WIJZIGING WET OP HET BASISONDERWIJS

In artikel 51, derde lid, van de Wet op het basisonderwijs zoals dat luidde op 31 juli 1998 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Onderdeel c vervalt.

2. Onderdeel d wordt verletterd tot onderdeel c.

ARTIKEL XXVI. WIJZIGING INTERIMWET OP HET SPECIAAL ONDERWIJS EN HET VOORTGEZET SPECIAAL ONDERWIJS

In artikel 59, derde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals dat luidde op 31 juli 1998 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Onderdeel c vervalt.

2. Onderdeel d wordt verletterd tot onderdeel c.

ARTIKEL XXVII. WIJZIGINGEN IN VERBAND MET HET VOORSTEL VAN WET TOT WIJZIGING VAN DE WVO, WHW EN WEB I.V.M. VERBETERING VAN DE AANSLUITING VAN HET VWO EN HET HAVO OP HET HOGER ONDERWIJS (PROFIELEN VOORTGEZET ONDERWIJS)

Indien deze wet in werking treedt op of na het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 14 december 1996 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbetering van de aansluiting van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs op het hoger onderwijs (profielen voortgezet onderwijs; kamerstukken 1996/97, 25 168) tot wet wordt verheven en in werking treedt, wordt deze wet als volgt gewijzigd:

A

In artikel I, onderdeel J, wordt in de aanhef na «artikel 21» ingevoegd: , eerste lid,.

B

Artikel I, onderdeel K, komt als volgt te luiden:

K

In artikel 22 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid, derde volzin, wordt «artikelen 7 tot en met 10a» vervangen door: artikelen 7, 8, 9 en 10a.

2. In het derde lid vervalt aan het slot van onderdeel a «en», en wordt onderdeel b verletterd tot onderdeel c.

3. In het derde lid wordt na onderdeel a een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

b. voor het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend beroepsonderwijs:

1°. het aantal lessen dat – behoudens godsdienst- of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan bijzondere scholen – gedurende de cursus mag worden besteed aan het onderwijs in andere, door het bevoegd gezag te kiezen vakken,

2°. het aantal lessen dat gedurende de cursus in alle vakken te zamen moet worden verzorgd, met inbegrip van de studielessen,

3°. de duur van de lessen en van de studielessen, en.

C

Artikel I, onderdeel R, komt als volgt te luiden:

R

In artikel 32, eerste en tweede lid, wordt «en voorbereidend beroepsonderwijs» telkens vervangen door: , voorbereidend beroepsonderwijs en praktijkonderwijs.

D

Artikel I, onderdeel BB, komt als volgt te luiden:

BB

In artikel 58, eerste lid, wordt «van de artikelen 11a tot en met 11f» vervangen door: , gegeven bij of krachtens de artikelen 10, 10b, 10d, 11a tot en met 11f, 12 tot en met 15, 22 en 24.

E

In artikel I, onderdeel DD, wordt in het voorgestelde artikel 64, eerste lid, onderdeel b, de zinsnede «onderdelen b en c» vervangen door: onderdeel b.

F

In artikel 110 wordt de zinsnede «eerste lid onder b en c» vervangen door: eerste lid, onderdeel b.

G

Artikel XXIV, onderdeel E, vervalt.

ARTIKEL XXVIII. INWERKINGTREDING

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 augustus 1998, met uitzondering van:

a. artikel I, onderdelen JJ, onder 3, tot en met VV, EEE en FFF, die in werking treden met ingang van 1 augustus 2002,

b. de artikelen I, onderdelen CCC en DDD, XXV en XXVI, die in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en terugwerken tot en met 1 januari 1996, en

c. artikel XXI, dat in werking treedt met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven,

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Naar boven