Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202025268 nr. 187

25 268 Zelfstandige bestuursorganen

29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde

Nr. 187 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 juli 2020

Hierbij bied ik u het rapport genaamd Evaluatie College gerechtelijk deskundigen van het WODC aan1. Ook zend ik u hierbij mijn reactie op het rapport en de aanbevelingen.

Op verzoek van het WODC heeft onderzoeksbureau DSP-groep een evaluatieonderzoek uitgevoerd naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren van het College gerechtelijk deskundigen (College). Het College is een zelfstandig bestuursorgaan en bestuurt het met de Wet deskundige in strafzaken ingestelde Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD). Op grond van artikel 39 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen moet het functioneren van zelfstandige bestuursorganen iedere vijf jaar worden geëvalueerd. De laatste evaluatie vond plaats in 2014.

Ik heb kennisgenomen van de bevindingen en ik dank het onderzoeksbureau voor het gedegen onderzoek, het inzichtelijke rapport en de aanbevelingen. Zoals het onderzoeksbureau in zijn rapport beschrijft zijn er in de onderzochte periode goede resultaten behaald en is er op een aantal punten nog winst te behalen.

Hieronder zal ik eerst op de algemene bevindingen van de onderzoekers ingaan. Vervolgens zal ik reageren op de aanbevelingen die de onderzoekers doen.

Algemene bevindingen

Het evaluatieonderzoek in 2014 maakte duidelijk dat het College en het NRGD naar behoren functioneerden en kwalitatief goede output leverden op het gebied van normering, toetsing en registratie. Mijn voorganger heeft destijds bij het aanbieden van het rapport een aantal aandachtspunten genoemd, waar het College vervolgens voor de daaropvolgende periode meerdere doelstellingen en ambities heeft geformuleerd.

Uit de evaluatie blijkt dat het College er in geslaagd is een aantal belangrijke doelstellingen en ambities te realiseren. Zo is het deskundigheidsgebied Forensische Psychologie en Forensische Orthopedagogiek (FPPO) doorontwikkeld en is het College succesvol gebleken in het aantrekken van buitenlandse deskundigen binnen het NRGD-stelsel. Voorts is het gelukt om de registratietermijn van een deskundige in het register van vier naar vijf jaar te verlengen en is de toetsingslast merkbaar lager geworden. In de onderzochte periode zijn drie deskundigheidsgebieden toegevoegd aan het register, waaronder twee kleine gebieden. Bovendien zijn normen en procedures op bepaalde deskundigheidsgebieden tussentijds aangescherpt en is het College betrokken bij diverse kwaliteitsverbeteringstrajecten binnen het werkveld. Uit de evaluatie blijkt dat over de volle breedte van de bevraagde partijen geoordeeld wordt dat het NRGD-stelsel objectief en onafhankelijk functioneert. De bevraagde partijen zijn tevens van oordeel dat de normen die worden gehanteerd bij de toelatingstoets goed afgeleid zijn van de state-of-the-art inzichten in de wetenschap en dat de leden van de verschillende toetsingsadviescommissies over de juiste deskundigheid beschikken.

Er was ook een aantal ambities ten tijde van de evaluatie nog niet of nog niet geheel gerealiseerd. Dit betreft het uitwerken van een beoordelingsstelsel voor Ad Hoc deskundigen en het uitbreiden van het NRGD-stelsel naar het bestuurs- en civielrecht. Ook lag het aantal nieuw genormeerde deskundigheidsgebieden lager dan beoogd. Ten aanzien van het uitwerken van een stelsel voor Ad Hoc deskundigen kan ik u melden dat het NRGD medio 2020 een viertal instrumenten heeft gepubliceerd om de kwaliteit van Ad Hoc deskundigen beter te borgen. Daarnaast wordt de komende tijd in kaart gebracht wat er nodig is om het NRGD-stelsel verder uit te breiden. Ook is sinds 2019 het budget van het NRGD structureel verhoogd om het onderhoud van de huidige onderzoeksgebieden in het register te faciliteren en streeft het NRGD ernaar om jaarlijks een nieuw onderzoeksgebied aan het register toe te voegen.

Aanbevelingen

Monitoren van de kwaliteit van geregistreerde deskundigen

De onderzoekers wijzen erop dat er geen (her)registratie mogelijk moet zijn van ondermaatse rapporteurs. Deze aanbeveling sluit aan bij de visie van het College. Het College wil de kwaliteit van forensische expertise in de rechtspleging niet alleen bevorderen, maar ook waarborgen. Het College heeft geen wettelijke onderzoeksbevoegdheid en kan daardoor bij signalen die men krijgt uit het werkveld geen grondig onderzoek doen. Daarnaast wil het College niet functioneren als tuchtcollege. Ze gaat wel in gesprek met de desbetreffende deskundige en geeft adviezen om de kwaliteit te verbeteren. Het College bekijkt daarnaast de mogelijkheid om de ontvangen signalen op uniforme wijze te gaan registreren, waardoor er bij de eerstvolgende verlengingsaanvraag van de deskundige ingegaan kan worden op de ontvangen signalen. Voorts wijzen de onderzoekers op het beperkte zicht dat het College heeft op de kwaliteit van een mondelinge toelichting van een deskundige ter zitting. Het College wil dit ook beter gaan monitoren door middel van de hierboven beschreven uniforme registratie van signalen uit het werkveld. Hierdoor kan bij een verlengingsaanvraag geëvalueerd worden of de deskundige voldoende in staat is een mondelinge toelichting ter terechtzitting te geven. Het College wil in overleg met het Openbaar Ministerie en de Zittende Magistratuur om te bezien of en hoe deze competentie objectief gemonitord kan worden. Met bovenstaande werkwijze beoogt het College de aanbevelingen van de onderzoekers op te volgen.

Beschikbare informatie over deskundigen in het register

In de praktijk blijkt het soms lastig te zijn om een deskundige te vinden die in het kader van de contra-expertise een rapport wil uitbrengen. Dit speelt met name op het terrein van de FPPO. Het College ziet meerwaarde om in het register als apart kenmerk van de deskundige op te nemen of deze beschikbaar is voor het verlenen van contra-expertise. De komende tijd zal het College nagaan welke deskundigen zich beschikbaar stellen voor contra-expertise en zal het onderzoeken of het mogelijk is dit, met toestemming van de betreffende deskundige, op te nemen in het register. Daarnaast bekijkt het College de komende tijd of er nog aanvullende informatie over de deskundigen in het register opgenomen kan worden die bijdraagt aan de vindbaarheid van deskundigen.

Deskundigen van private partijen en de politie

De onderzoekers constateren dat het overgrote deel van het technische onderzoek voor de rechterlijke macht wordt uitgevoerd door het NFI. Hierdoor zou er voor private partijen onvoldoende de mogelijkheid zijn om voldoende (recente) rapportages aan het NRGD te overleggen die uitgebracht zijn aan de rechterlijke macht, waardoor de deskundige niet geregistreerd kan worden. Het verder uitbreiden en ontwikkelen van forensische capaciteit bij private partijen en bij de politie heeft mijn aandacht. Ik verwijs daaromtrent naar de visie op forensisch onderzoek ten behoeve van de strafrechtketen die ik eind 2018 aan de Tweede Kamer heb gestuurd.2 Daarin is veel aandacht voor het uitbreiden en ontwikkelen van forensische capaciteit bij private partijen en bij de politie. Er wordt op dit moment via de One-Stop-Shop al het nodige werk uitgevoerd door private partijen en het NFI besteed ook rechtstreeks werk uit. De komende jaren zullen private partijen en de politie een grotere rol gaan spelen naast het NFI als forensisch topinstituut. In dat kader wijzen de onderzoekers er nog op dat de politiedeskundigheid beperkt inzichtelijk is. Ook dit heeft nadrukkelijk de aandacht bij het uitwerken van de visie. Essentiële voorwaarden waaraan voldaan moet zijn voordat forensisch onderzoek aan de politie kan worden overgedragen, zijn onder andere dat de politie de werkprocessen waar nodig accrediteert en dat regelgeving en/of beleid worden aangepast om medewerkers van de politie als forensische deskundigen te kunnen laten werken. Ik neem bovenstaande aandachtspunten van het onderzoeksbureau mee bij de verdere uitwerking en implementatie van de visie.

Toetsingsprocedure

De doorlooptijd van een aanvraag wordt in het rapport genoemd als aandachtspunt. Door verschillende maatregelen is de doorlooptijd de afgelopen periode al verkort. De opleiding van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie is gevisiteerd en vervolgens erkend door het NRGD. Hierdoor is de toetsingsprocedure bij het NRGD voor deskundigen van deze opleiding alleen een administratief proces met een korte doorlooptijd. Daarnaast is er een getrapte toetsing ingevoerd die voor tijdswinst zorgt. De bedoeling is dat de opleidingen van het NFI binnen afzienbare tijd ook door het NRGD worden erkend. Hierdoor zijn deskundigen die een opleiding van het NFI succesvol afronden en daarmee tekenbevoegd zijn, automatisch toelaatbaar tot het register. Deskundigen van private partijen kunnen zich ook laten registreren voor de onderzoeksgebieden waarvoor de opleiding van het NFI is erkend. Dit gebeurt via de reguliere toetsingsprocedure van het NRGD.

Voorts maakt het NRGD sinds 1,5 jaar gebruik van een digitaal systeem waarin de doorlooptijd van de toetsingsprocedure nauwkeuriger bijgehouden kan worden. Hierdoor kan het NRGD goed monitoren of de beoogde doorlooptijd wordt gehaald. Het streven blijft om de doorlooptijd het gehele jaar door te houden op de huidige gemiddelde doorlooptijd van drie maanden en deze bij voorkeur nog te verkorten.

De onderzoekers geven verder aan dat de geïnterviewden vinden dat het gebruikmaken van buitenlandse deskundigen onevenredig veel tijd kost. Gebruik maken van buitenlandse deskundigen blijft bij kleine deskundigheidsgebieden wel noodzakelijk. Er wordt zo veel mogelijk gewerkt met deskundigen die de Nederlandse taal beheersen en afkomstig zijn uit een land met een vergelijkbaar juridisch systeem, maar dit is niet altijd mogelijk. Na de erkenning van de opleidingen van het NFI is er echter sprake van één toetsingsprocedure in plaats van twee, waardoor het minder vaak voor zal komen dat er sprake is van de genoemde problematiek bij buitenlandse deskundigen.

Als laatste wijzen de onderzoekers erop dat een aanvrager zelf bepaalt welke rapporten ingediend worden voor de beoordeling van zijn aanvraag, om de commissie zo te voorzien in een verscheidenheid aan rapporten. De aanvrager is het beste in staat om te bepalen welke rapporten dat zijn, een aselecte steekproef volstaat hierbij niet. Het is echter niet de bedoeling dat een aanvrager een selectie aanbiedt die niet representatief is voor zijn werk. Het College neemt dit aandachtspunt ter harte en gaat de mogelijkheden onderzoeken om meer grip op een representatieve selectie van rapporten te krijgen.

Tot slot

Het NRGD bestaat inmiddels tien jaar en is onder leiding van het College uitgegroeid tot een volwassen organisatie. Daar waar een rechter voorheen geheel op basis van zijn eigen oordeel moest bepalen of een deskundige deskundig was, kan hij nu gebruik maken van de expertise van het NRGD en zijn commissies. De afgelopen jaren heeft het NRGD zich verder ontwikkeld als een professionele organisatie die met beperkte financiële middelen grote stappen heeft gezet. De aanbevelingen van het onderzoeksbureau neem ik ter harte en zullen, tezamen met de ambities uit 2014 die nog niet geheel gerealiseerd zijn, een plek krijgen in de toekomstplannen van het NRGD.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
2

Bijlage bij Kamerstukken 29 628 en 29 279, nr. 819