Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201825268 nr. 165

25 268 Zelfstandige bestuursorganen

Nr. 165 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 juli 2018

Hierbij bied ik u aan het rapport inzake de vijfjaarlijkse wettelijke evaluatie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR). De evaluatie is uitgevoerd door het adviesbureau PricewaterhouseCoopers (hierna: PWC). Het rapport treft u aan als bijlage bij deze brief1.

Op grond van artikel 39 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen ontvangen de beide Kamers der Staten-Generaal elke vijf jaar een verslag ten behoeve van de beoordeling van de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het functioneren van een zelfstandig bestuursorgaan. Bijgaand rapport bevat een evaluatie van het CBR over de periode 2013 tot en met 2016. Daarnaast heeft PWC ook aanbevelingen gedaan hoe het CBR kan anticiperen op externe ontwikkelingen.

Het CBR is een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan (hierna: ZBO) belast met een verkeersveiligheidstaak: het beoordelen van de rijvaardigheid en medische geschiktheid van bestuurders en de vakbekwaamheid van professionals in transport en logistiek.

Het CBR komt van een periode dat ze onder verscherpt toezicht heeft gestaan en is omgevormd van een privaatrechtelijk naar een publiekrechtelijk ZBO. In 2013 is het CBR gestart als publiekrechtelijk ZBO en is het verscherpt toezicht opgeheven. Dit is de eerste evaluatie van het CBR als publiekrechtelijk ZBO.

In de evaluatieperiode heeft het CBR een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Er zijn veel stappen gezet die hebben geleid tot een verbetering van de bedrijfs-voering en het CBR is in stabieler financieel vaarwater gekomen. Dat neemt niet weg dat de executiekracht van het CBR, dat wil zeggen de capaciteit om ideeën en plannen die aanwezig zijn binnen de organisatie om te zetten in resultaat, nog nadrukkelijk aandacht behoeft. Dit is nodig om de laatste stappen te kunnen zetten naar een ook op langere termijn gezonde organisatie die klaar is voor de toekomst.

PWC schetst in het rapport een aantal belangrijke aandachtspunten. Deze hebben ten dele betrekking op de resterende problemen in de bedrijfsvoering, zoals de relatief hoge personeelskosten per fte en de verdere professionalisering van de ICT, en ten dele op het innovatievermogen en de executiekracht van het CBR. Daarnaast doet PWC de aanbeveling om de wendbaarheid van de organisatie te vergroten om toekomstige marktfluctuaties en maatschappelijke en technologische ontwikkelingen beter op te kunnen vangen en zodoende de afgesproken normen over doorlooptijden en reserveringstermijnen structureel te kunnen halen. De recente ontwikkelingen rondom de wachttijdenproblematiek en de behandeltermijnen bij de beoordelingen op rijgeschiktheid ondersteunen deze aanbeveling.

De directie van het CBR ziet het evaluatierapport als een waardevolle reflectie op waar zij staan als organisatie. Zij zien de conclusies en aanbevelingen als bekrachtiging van de strategische koers 2018–2022 die in 2017 is bepaald. Het CBR erkent dat hen nog het nodige te doen staat om de dagelijkse bedrijfsvoering te verbeteren. Het CBR ziet in de evaluatie de juiste aanknopingspunten om hieraan te werken.

Personeelskosten

PWC constateert dat de personeelskosten per fte relatief hoog zijn bij het CBR ten opzichte van andere, vergelijkbare uitvoeringsorganisaties in het publieke domein. Daarnaast is sprake van een relatief hoog aantal verlofdagen, met name door het aantal extra verlofdagen voor werknemers boven de 58. In het recent bereikte CAO-akkoord zijn afspraken gemaakt over de afbouw van het aantal verlofdagen. De totale personele kosten blijven echter hoog en vormen een grote kostenpost voor de organisatie. Ik zie de beheersing van de hoogte en opbouw van de personele kosten als een belangrijke factor om tot financiële stabiliteit te komen. Ik zal dit meenemen als onderdeel van de set doelmatigheidsindicatoren die het CBR en mijn ministerie op korte termijn gezamenlijk gaan ontwikkelen. Een ander aandachtspunt is dat het CBR nog niet beschikt over een model voor strategische personeelsplanning. Dit is in ontwikkeling. Ik vind het belangrijk dat het CBR hierover beschikt en zal sturen op de doorontwikkeling en implementatie daarvan door het CBR.

ICT

PWC constateert dat het CBR de afgelopen jaren een aantal belangrijke stappen heeft gezet op ICT-gebied. Er zijn reeds belangrijke vernieuwingen doorgevoerd, zoals de digitalisering van het theorie-examen, maar PWC concludeert ook dat er nog een flinke opgave resteert om te komen tot een betrouwbare en logische ICT-infrastructuur. Ik herken deze constatering en zal de inspanningen die het CBR doet om te komen tot verdere professionalisering van de ICT nauwlettend blijven volgen. Het is goed dat het CBR op korte termijn een audit op de ICT laat uitvoeren.

Doelmatigheid en doeltreffendheid

PWC adviseert het CBR en het Ministerie van IenW om nog eens goed te kijken naar de wijze waarop de doelmatigheid en doeltreffendheid van de organisatie worden gemonitord. Op korte termijn gaan het CBR en mijn ministerie een set doelmatigheidsindicatoren ontwikkelen op basis van reeds beschikbare verantwoordingsinformatie. Bij het ontwikkelen van indicatoren voor het monitoren van de doeltreffendheid gaat het allereerst om de kwaliteit van de producten en uiteindelijk om het maatschappelijk effect daarvan. De Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) wordt gevraagd te verkennen wat de mogelijkheden zijn om hiervoor indicatoren te formuleren.

KPI-scores voor doorlooptijden en reserveringstermijnen

PWC gaat in het rapport ook in op de mate waarin de afgesproken normen over doorlooptijden en reserveringstermijnen zijn gehaald in de evaluatieperiode. In de periode 2013 tot en met 2016 was de ontwikkeling van de KPI-scores over het algemeen gunstig. Uitzondering daarop waren de divisies Rijvaardigheid en CCV (de divisie voor beroepsexamens en vakbekwaamheid), waar in 2016 de KPI voor de reserveringstermijn voor praktijkexamens niet werd gehaald door een onverwacht hoog aantal examenaanvragen. Inmiddels is duidelijk dat de toename van het aantal praktijkexamens in 2016 geen incident was en dat de vraag zelfs nog verder is toegenomen, waardoor de KPI’s voor de reserveringstermijnen nog steeds niet gehaald worden. Zoals ik u onlangs heb gemeld in mijn brief naar aanleiding van de vragen van het lid Von Martels (CDA) over «wachtrijen voor het afleggen van een rijexamen» heeft het CBR een plan gemaakt met maatregelen voor het behalen van de KPI’s voor zowel de korte als de langere termijn waarbij zowel de vraag- als de aanbodkant worden betrokken (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 2167). Dit plan zal ik een dezer dagen aan uw Kamer toesturen. In het plan wordt door het CBR ook aandacht besteed aan de voorgestelde maatregelen om de behandeltermijnen bij het beoordelen op rijgeschiktheid te verkorten en de voorlichting daarover te verbeteren, dit mede in reactie op de recente brief van de Nationale ombudsman aan het CBR over dit onderwerp.

Eigen vermogen

De onderzoekers stellen vast dat het CBR meer executiekracht en wendbaarheid nodig heeft. Hiervoor moet het eigen vermogen, dat nu nog een relatief beperkte omvang heeft, substantieel toenemen. Mijn ministerie zal met het CBR afspraken maken over het benodigde vermogen en hoe dat bereikt kan worden. Hiervoor kan het noodzakelijk zijn om nog langere tijd enkele producten zoals theorie-examens boven de kostprijs aan te blijven bieden.

Governance

PWC constateert dat de sturingsrelatie tussen het Ministerie van IenW en het CBR is verbeterd in de evaluatieperiode. Daarbij concludeert PWC dat mijn ministerie vooral procesmatig invulling heeft gegeven aan haar rol als eigenaar. Ik deel de aanbeveling van PWC dat het voor het wegnemen van de resterende problemen in de bedrijfsvoering van het CBR van belang is om meer inhoudelijk sturing aan het CBR te geven vanuit de eigenaarsrol. Ik neem deze aanbeveling ter harte. Ik ben bezig de eigenaarsrol van het ministerie ten aanzien van ZBO’s verder te versterken en de werking van de driehoek met de ZBO’s, opdrachtgever(s) en eigenaar verder te verbeteren en te intensiveren. De contacten tussen de drie rollen in relatie tot het CBR zijn inmiddels versterkt en zullen in de komende periode verder worden uitgebouwd.

Toekomst

Naast een evaluatie van de afgelopen periode heb ik PWC eveneens gevraagd te kijken naar de ontwikkelingen en uitdagingen voor het CBR voor de nabije toekomst. Duidelijk is dat de technologische ontwikkelingen in de voertuig- en mobiliteitssector snel gaan; het CBR heeft innovatie- en executiekracht nodig om goed op deze ontwikkelingen in te kunnen spelen. PWC geeft aan dat dit, naast de aandachtspunten in de bedrijfsvoering, een belangrijke uitdaging voor het CBR zal worden. Belangrijkste aandachtspunten voor productinnovatie bij het CBR zijn de verdere modernisering van het (praktijk)examen en het inzetten van nieuwe technische instrumenten bij het proces na het innemen van een rijbewijs door de politie. Daarnaast vergt het beter adviseren over en toetsen van de rijgeschiktheid aandacht. Dit vraagt naast innovatie van het CBR ook samenwerking in de keten, waar bijvoorbeeld ook Rijkswaterstaat en de Rijksdienst Wegverkeer deel van uitmaken. De aanbeveling aan het ministerie is daarom om hier, met name in relatie tot de keten, een stevige regierol in te nemen en op korte termijn een strategische verkenning met het CBR uit te voeren. Het Ministerie van IenW zal deze verkenning in 2018 uitvoeren.

Ik deel de conclusie van PWC dat het CBR de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en zich als organisatie zowel financieel als organisatorisch heeft ontwikkeld. En dit in een periode waarin er een stevig beroep is gedaan op het CBR. Ik herken ook de aandachtspunten die in het rapport worden genoemd en deel de aanbevelingen van PWC. Ik zal ervoor zorgen dat de aanbevelingen die aan het Ministerie van IenW als eigenaar en opdrachtgever zijn gericht worden opgepakt. Het CBR is en gaat aan de slag met de aan hen gerichte aanbevelingen. Ik blijf hierover in gesprek met het CBR en zal waar dat passend is hierover afspraken maken met het CBR.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.