25 161
Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de positiebepaling van de Open Universiteit binnen het hoger onderwijs en wijziging van de bestuursorganisatie

nr. 4
VERSLAG

Vastgesteld 12 februari 1997

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen en gemaakte opmerkingen afdoende beantwoordt, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

I. ALGEMEEN DEEL

1. Inleiding

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel om onder meer de bestuursorganisatie van de Open Universiteit (OU) te veranderen. Zij kunnen dit wetsvoorstel niet los zien van de wijziging van de WHW in verband met de modernisering van de universitaire bestuursorganisatie (MUB).

In de memorie van toelichting wordt de indruk gewekt dat de beoogde taak op het terrein van de onderwijsinnovatie de belangrijkste reden tot indiening van dit wetsvoorstel is. De voorgestelde wijziging in de taak van de OU zou vrijwel automatisch leiden tot het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden zijn daar niet van overtuigd en vragen zich af of daarmee niet een ongewenst traject wordt ingeslagen. Het punt dat zij centraal willen stellen is de vraag in hoeverre de minister de OU nog ziet als een integraal onderdeel ven het universitaire bestel of impliciet bezig is de OU te privatiseren. Dat zouden deze leden een ongewenste ontwikkeling vinden. In het vervolg van de inbreng komen zij regelmatig op deze vraag terug. Een duidelijke stellingname van de minister zouden zij op prijs stellen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende voorstel van wet, waarvan versterking van de taak van de Open Universiteit op het gebied van de vernieuwing van het hoger onderwijs en herziening van de bestuursorganisatie de centrale themata zijn. Blijkens de considerans van het wetsvoorstel zijn het instellen van een eenhoofdig bestuursorgaan en een raad van toezicht de twee belangrijkste elementen van die herziening.

De accentverschuiving ten gunste van de onderwijsinnovatie mag volgens de leden van de CDA-fractie niet leiden tot een onderschikking van de onderwijstaak. In de memorie van toelichting wordt huns inziens dan ook terecht gesproken van een nevenschikking van die twee taken. Maar zal, zo vragen deze leden, de door het wetsvoorstel te bevorderen «marktgerichte oriëntatie» er niet makkelijk toe kunnen leiden dat de onderwijstaak gaandeweg buiten het bereik van de teruggetreden overheid toch feitelijk ondergeschikt wordt?

De leden van de VVD-fractie brengen wat betreft de twee hoofdpunten van het wetsvoorstel, de onderwijstaak en de bestuursstructuur, als hun mening naar voren dat zij hechten aan een serieuze aanpak van de tweeledige OU-taak. Om die reden hechten ze aan taakuitvoering door een meerhoofdige bestuursverantwoordelijkheid en aan optimale toegankelijkheid en begeleiding via regionale studiecentra.

De leden van de fractie van D66 herinneren eraan dat tijdens het algemeen overleg van 23 november 1995 is toegezegd dat het nu voorliggende wetsvoorstel binnen drie maanden bij de Tweede Kamer zou worden ingediend. De betreffende leden vragen zich af waarom dan pas op 10 december 1996 het wetsvoorstel is ingediend. Is dit niet rijkelijk laat?

Waar de minister stelt dat de OU «een grote impuls [zal] moeten geven aan de onderwijsinnovatie voor het hoger onderwijs», vragen de leden van de fractie van D66 zich af of de reguliere hoger-onderwijsinstellingen daar niet in de eerste plaats zelf aan moeten werken.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel inzake de positiebepaling en bestuursorganisatie van de OU. Deze leden constateren dat de tweeledige taakstelling van de OU, nl. afstandsonderwijs en innovatie van het hoger onderwijs, wordt herbevestigd. Het wetsvoorstel zou de voorwaarden moeten scheppen om de tweede taak, innovatie, een impuls te geven. Aan dit onderdeel van haar taakstelling is immers door de OU tot nu toe nauwelijks invulling gegeven. De leden van de SGP-fractie vinden het positief dat de innovatie een impuls krijgt, maar zij vragen zich sterk af of het wetsvoorstel de juiste kaders schept die garanties bieden voor daadwerkelijke realisering.

2. Positionering van de Open Universiteit in het hoger onderwijs

2.1. Eigen onderwijstaak

De leden van de PvdA-fractie achten het nuttig als de universiteiten zowel in het initiële traject als in post-academisch onderwijs meer ruimte inbouwen voor «open leren». Ook anderszins kunnen de universiteiten hun moderniseringstraject mede afstemmen op de expertise van de OU. In het kader van de studeerbaarheidsbevordering ligt hier een schone taak voor de OU. Met het totstandkomen van het consortium zou daar zelfs een meer structurele basis voor gelegd kunnen worden. Deze leden vragen zich af hoe het staat met dat consortium, hoe de relaties liggen met de verbetering van de studeerbaarheid en wat nu concreet de opzet is.

Voor de leden van de PvdA-fractie blijft hoe dan ook staan dat de OU primair een onderwijsvoorziening is. Dat de andere universiteiten nog niet voldoende doen aan open leren is reden hen uit te dagen. Met de discussie over differentiatie van de cursusduur en de bevordering van permanente educatie is een groei van deze vorm van onderwijs ook bij de andere universiteiten te verwachten. Of deze vervolgens zelf deze vorm van onderwijs ter hand nemen of de OU inschakelen zal de tijd leren. Op termijn kan de functie van de OU veranderen. Enigszins verbijsterd zijn de leden van de PvdA-fractie over de redenering die ten grondslag ligt aan de keuze voor de WOR voor de private sector. Op blz. 9 van de memorie wordt gesteld daarvoor gekozen kan worden omdat het verzorgen van hoger afstandsonderwijs en bijdragen aan onderwijsinnovatie geen typische overheidstaak zijn. Het is deze leden een raadsel waar die stelling op gebaseerd is en wat er de reden van is deze thans te betrekken. Het kan toch niet zo zijn dat universiteiten die onderwijs op meerdere manieren kunnen gaan aanbieden straks te horen krijgen dat de ene manier wel, de andere niet langer een overheidstaak is. Zo een standpunt is voor de leden van de PvdA-fractie niet te begrijpen en nodigt niet uit tot de beoogde vernieuwing van het onderwijsaanbod.

De leden van de PvdA-fractie hebben van meet af aan meer verwacht van de OU voor tweede-kans studenten. Er is een relatief groot contingent studenten met een voltooide studie in het hoger onderwijs. Dat is vanuit de oorspronkelijke bedoeling van de OU wellicht als een probleem te zien, met het oog op de toekomst gaat alles wat met permanente educatie te maken heeft een grotere rol spelen. En daar past het afstandleren in en dan kan toch niet op voorhand gesteld worden dat dit geen overheidstaak meer is. De leden van de PvdA-fractie ontvangen graag een duidelijke reactie op de vraag in hoeverre permanente educatie door de minister nog gezien wordt als een typische overheidstaak.

Terecht verwacht de minister een actief doelgroepenbeleid van de OU. Te hopen is dat met de voorgestelde instrumenten dat mogelijk wordt. Tegelijkertijd kan niet voorbij gegaan worden aan de permanente educatie. Vanuit die achtergrond vragen de leden van de PvdA-fractie een nadere toelichting op de opmerkingen over de (vernieuwde) bekostigingsrelatie. Voorts vragen deze leden in dit verband of het benadrukken van de marktoriëntatie bepaalde vernieuwingen niet onevenredig belemmert. Stel, er is een behoefte om voor vakgebieden waar het aantal studenten niet groot is, zoals theologie, op een vernieuwde wijze onderwijs aan te bieden. Het marktgebied daarvoor is klein. Houdt dat dan per definitie in dat hiervoor vernieuwende ontwikkelingen uit den boze zijn?

De leden van de CDA-fractie hechten eraan dat de OU een actief doelgroepenbeleid opzet, opdat meer tweede-kans studenten van deze vorm van onderwijs gebruik gaan maken om hun positie op de arbeidsmarkt te verbeteren. In de memorie van toelichting (blz. 4) worden, naast voorlichting, cursusprijzen en retributieregelingen daarvoor de geëigende instrumenten genoemd. Daarmee wordt impliciet gezegd dat die prijzen en regelingen voor tweede-kans studenten aanlokkelijk moeten zijn. Hoe kan de terugtredende overheid dat garanderen?

Naar de stellige overtuiging van deze leden zijn ook de spreiding en daarmee de bereikbaarheid van de studiecentra een belangrijk instrument voor zulk een doelgroepenbeleid. Zij betreuren het daarom, dat in het derde lid van art. 7.34 de studiecentra niet meer met name genoemd worden. Zoals eerder door deze leden is gesteld, is de regionale spreiding juist voor die gebieden waar geen of nagenoeg geen hoger-onderwijsinstellingen aanwezig zijn, van groot belang.

In het voorliggende wetsvoorstel wordt de beslissingsbevoegdheid over het oprichten of opheffen van studiecentra bij de OU gelegd, waarbij goedkeuring nodig is van de raad van toezicht. De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering nader in te gaan op de verantwoordingsplicht die de raad in dezen heeft tegenover de minister en op de mogelijkheden die deze behoudt om op een genoegzame spreiding van de studiecentra toe te zien.

Het valt te verwachten dat de universiteiten, nu hun studentenaantallen gaan dalen, zich meer zullen gaan richten op het segment van het afstandsonderwijs. De leden van de CDA-fractie tekenen daarbij aan dat zij het zouden betreuren als deze specifieke functie van de OU daardoor aangetast zou worden.

De leden van de VVD-fractie zijn voorstander van de tweeledige taakstelling van de OU. Echter ontwikkeling en uitvoering van de ene taak mag niet ten koste gaan van de andere.

Ten aanzien van de ene taak, zelfstandig open afstandsonderwijs verzorgen, biedt het wetsvoorstel onvoldoende wettelijke verankering tegen het opheffen van OU-studiecentra en OU-studierichtingen zonder goedkeuring van het parlement. De president kan onomkeerbare wijzigingen doorvoeren zonder toestemming van de minister. De leden van de VVD-fractie voelen voor een regeling dat effectuering van opheffing van studiecentra en studierichtingen eerst ministeriële toestemming met parlementaire goedkeuring behoeft. Zij menen dat toegankelijkheid van het open afstandsonderwijs voor de studentendoelgroepen niet mag verminderen door toegangsdrempels.

De minister erkent op bladzijde 3 de behoefte aan permanente educatie als uitgangspunt voor de eigen hoger afstandsonderwijstaak van de OU. Op bladzijde 9, punt 4.3.3, stelt de minister in een ander verband dat de OU daarmee overigens geen typische overheidstaak vervult. De leden van de VVD-fractie vragen de minister hoever de overheidsverantwoordelijkheid gaat voor permanente educatie en life long tele-learning. Ze vragen hem of hij daaraan consequenties verbindt voor zijn directe toezicht op instandhouding van voldoende studiecentra en opleidingsrichtingen.

De leden van de VVD-fractie vragen welke bevoegdheden studiecentra overhouden met dit wetsvoorstel. Welke regiocentra verdienen volgens de minister een bijzondere bescherming? Is hij niet van mening dat uit het oogpunt van overheidsverantwoordelijkheid voor permanente educatie en tweede-weg onderwijs geen regiocentra zouden mogen verdwijnen zonder parlementaire toestemming?

De minister stelt dat de OU zich in de afgelopen tien jaar vooral heeft toegelegd op afstandsonderwijs en de daarbij behorende productie van cursusmateriaal. Dat dit proces nu voltooid zou zijn, is de leden van de fractie van D66 te gemakkelijk gezegd. Vernieuwingen in deze onderwijssoort blijven altijd nodig, onder andere om het levenslang leren (tweede-kans-onderwijs, om-, her- en bijscholing) gestalte te kunnen blijven geven. De minister noemt zelf al de «behoefte aan permanente educatie». Hoe verhoudt dat zich tot elkaar? Zal de instroom van tweede-kans studenten niet ook al toenemen bijvoorbeeld vanwege lastiger omstandigheden in het regulier voortgezet onderwijs of een tweede generatie immigranten?

De minister wenst de verantwoordelijkheid voor de studiecentra te verschuiven van hemzelf naar de OU. In het algemeen overleg van 23 november 1995 zegde de minister toe ervoor te zorgen dat er geen onomkeerbare stappen ondernomen zouden worden, onder andere voor wat betreft de studiecentra. De leden van de fractie van D66 is echter gebleken dat de personele bezetting in studiecentra met name in «buitenregionale» studiecentra sterk wordt afgeslankt en dat er telematica voor terugkomt! Hoe kan deze ontwikkeling verklaard worden? Is voor kennisinfrastructuur niet juist personele aanwezigheid van belang? Hoe verhoudt dit zich tot de opmerkingen van de minister dat de regionale studiecentra van groot belang zijn voor het voortbestaan van de OU?

Wat betreft het verzorgen van (afstands)onderwijs door de OU stellen de leden van de SGP-fractie de vraag hoe het staat met de maatschappelijke acceptatie van de OU-certificaten resp. diploma's, vooral wat betreft de werkgevers.

2.2. Innovatie

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat de universiteiten veel kunnen leren van de in de OU opgedane expertise. Vastleggen dat de OU zich naast de onderwijstaak expliciet bezig houdt met onderwijsinnovatie geeft meer duidelijkheid voor de toekomst. Het zou de minister dan vervolgens wel gesierd hebben als hij concreet had aangegeven wat in dat opzicht van de OU verwacht mag worden. In de memorie van toelichting wordt op bladzijde 2 gesteld dat de OU een grote impuls moet geven aan de onderwijsinnovatie. Dat dat kan staat buiten discussie, maar is het de bedoeling dat ook af te dwingen? Die vraag wordt vooral ingegeven door de talloze opmerkingen over de marktgerichte oriëntatie. Die doet toch wel komisch aan als het de OU zelf zou zijn die de beoogde vernieuwing moet betalen. Als dat niet de bedoeling is, wat is dan de reden van de opmerking op blz. 13 van de memorie dat de OU zich voorneemt een structureel budget aan te wenden voor de onderwijsinnovatietaak. Kortom: de taakuitbreiding is als signaal goed, de vraag blijft onder welke (ook financiële) condities deze zijn beslag krijgt. Mocht de innovatietaak niet goed uit de verf komen, dan is nog niet direct duidelijk waar dat aan ligt en dus zal een beoordeling van de resultaten van de OU lastig zijn. Hoe stelt de minister zich straks de beoordeling van de doelrealisatie voor? Die vraag is niet alleen relevant om tot een zuiver oordeel over het functioneren van de OU te kunnen komen, maar ook om aan de orde te krijgen welke rol de minister in deze speelt. De instelling wordt «op afstand» geplaatst, krijgt daarom ook een raad van toezicht en toch wordt herhaaldelijk gesteld dat er geëvalueerd zal worden (zie blz. 5 en 13). Wie gaat er straks evalueren? Hoe ziet de minister de rol van de raad van toezicht, zo vragen deze leden zich af.

Het consortium waarin de OU en andere instellingen van hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen ten gunste van de vernieuwing van het hoger onderwijs zullen gaan samenwerken, heeft de warme instemming van de CDA-fractie. Wel achten deze leden het van belang, dat er een tijdige evaluatie plaatsvindt van deze nieuwe vorm van innovatiebeleid. Deze evaluatie dient, naar de opvatting van genoemde leden, ook het bereik te betreffen van het te ontwikkelen onderwijsmateriaal voor die universiteiten en hogescholen die in eerste instantie niet in het consortium participeren.

Ten aanzien van de andere taak van de OU, het in samenwerking met Nederlandse en Vlaamse onderwijsinstellingen bijdragen aan vernieuwing van het hoger onderwijs, biedt het wetsvoorstel onvoldoende garanties voor resultaat. Voor een innovatieconsortium of nieuw samenwerkingsinstituut is geen enkele wettelijke voorziening getroffen. De leden van de VVD-fractie menen dat een innovatieconsortium voor hoger onderwijs zich moet kunnen richten op gezamenlijke inspanningen van universitair onderwijs en beroepsonderwijs.

De leden van de VVD-fractie vragen of de president van de OU tegelijk president zal zijn van het samenwerkingsconsortium of innovatie-instituut, gezien de initiërende verantwoordelijkheid van de OU. Hoe stelt de minister zich voor dat een president in één persoon volledig verantwoordelijk kan zijn voor OU en consortium tegelijk? De hier aan het woord zijnde leden zien niet de voordelen van één president boven een college van bestuur met een heldere taakafbakening. Ook zijn zij niet onder de indruk van de toelichting door de minister, dat een consortium geen wettelijke voorziening behoeft enkel omdat de innovatietaak reeds als wettelijke taak is opgenomen.

De leden van de VVD-fractie hebben tal van vragen uit zorg dat het consortium een luchtkasteel zal blijven. Waar berust het voorzitterschap van het consortium? Hoe is de continuïteit gewaarborgd? Heeft de minister aanwijsbare tekenen voor een gedeelde inzet in gemeenschappelijke inspanningen tussen deelnemende instellingen? Dreigt er een wachtlijst? Wanneer is het begin van het consortium voorzien? Wat zijn de financiële consequenties voor OU en andere hoger onderwijsinstellingen? Hoe kan de minister nu al volhouden dat versterking van de onderwijsinnovatietaak door instelling van een consortium uitvoerbaar is binnen de bestaande bekostigingen van de OU? Wil de minister geen handreiking doen in de vorm van een wettelijke voorziening ter bevordering van een gemeenschappelijke inzet in antwoord op het initiatief van de OU?

Wat betreft het consortium voor de hoger-onderwijsinnovatie vragen de leden van de fractie van D66 zich af waarom de minister aanneemt dat deze nu, anders dan in het verleden, wel van de grond zal komen. Deze leden delen de mening van de Onderwijsraad dat de opportuniteit van het wetsvoorstel aangaande de innovatietaak onvoldoende is aangetoond. De reactie van de minister daarop wekt de indruk van vrijblijvende betrokkenheid van de OU, in tegenstelling tot het gelijktijdig door de minister voorgestane idee van de OU als voortrekker van innovatie in het hoger onderwijs. De leden van de fractie van D66 vragen de minister hierop te reageren.

De vrees van deze leden (ook al uitgesproken in het algemeen overleg) dat de OU in het consortium als het ware zal worden leeggezogen en later afgedankt, is gebleven. Hoe denkt de minister dat te voorkomen? Wat wordt bedoeld met een «herkenbare en substantiële inbreng» van de overige partners in het samenwerkingsverband? Welke middelen verwacht de minister dat zij beschikbaar stellen? Gaat de versterking van de innovatietaak van de OU niet ten koste van de onderwijstaak? Hoe komt het bekostigingsarrangement voor de innovatietaak tot stand? Bovendien zullen in de beginfase slechts enkele instellingen in het consortium participeren. Op grond waarvan zijn die instellingen gekozen? Hoe wordt free-rider-gedrag voorkomen door de hoger-onderwijsinstellingen die niet aan het consortium deelnemen?

De leden van de SGP-fractie constateren dat de verantwoordelijkheid voor de onderwijsinnovatie opnieuw wordt gelegd bij de OU. In de afgelopen jaren is gebleken dat de OU niet in staat was om deze verantwoordelijkheid waar te maken. De OU achtte haar onderwijsproces, het open-afstandsonderwijs, belangrijker. De leden van de SGP-fractie vragen of uit deze ervaring niet de lering moet worden getrokken dat voor de innovatietaakstelling, die in feite het belang van de OU overstijgt, de verantwoordelijkheid niet opnieuw geheel of grotendeels bij de OU dient te worden gelegd. Weliswaar is sprake van een consortium, maar in de wet wordt daarover niets geregeld. Bovendien is het consortium beperkt van samenstelling. Verder valt het deze leden op dat het budget voor een belangrijk deel bij de OU vandaan moet komen. Is het reëel te verwachten dat de OU (nu wel) een belangrijk deel van zijn budget zal bestemmen voor innovatie? Gelet op deze vragen en onzekerheden, stellen de leden van de SGP-fractie dan ook de vraag of er ten behoeve van de gewenste impuls voor onderwijsinnovatie niet een meer afzonderlijk gepositioneerde instantie wenselijk is, met duidelijker bevoegdheden en budget.

3. Algemene beschrijving van de bestuursorganisatie

Op basis van de sterk marktgerichte oriëntatie, waar de leden van de PvdA-fractie zoals gezegd grote vraagtekens bij plaatsen, stelt de minister voor tot een eenhoofdige leiding te komen. Dat juist de «sterk marktgerichte oriëntatie» zou moeten leiden tot een eenhoofdige leiding is volstrekt onbegrijpelijk. Er zijn tal van kleine en grote bedrijven die werken met één directeur, andere met twee of drie. De marktgerichte oriëntatie kan hier niet maatgevend zijn. Overtuigend is wel de redenering dat gelet op de omvang en taken van de OU met een eenhoofdige leiding volstaan kan worden. De leden van de PvdA-fractie vragen zich af waarom niet gewoon aansluiting gezocht is bij de MUB. Immers, daarin is nu opgenomen dat een instelling kan kiezen voor een eenhoofdig bestuur.

Eenzelfde vraag rijst overigens bij de argumentatie van het voorstel tot een raad van toezicht te komen (blz. 2 van de memorie van toelichting). Ook hier kan het toch niet zo zijn dat alleen maar in aansluiting op marktgeoriënteerde organisaties een raad van toezicht wordt ingesteld? Hebben deze leden het goed dan is dat argument ook in de MUB niet gebruikt om tot zo'n raad te komen. Deze leden hebben zich akkoord verklaard met zo'n raad om een – namens de minister uit te voeren – directer toezicht mogelijk te maken.

Dat het middenniveau aan de instelling wordt overgelaten past bij een instelling als de OU en is na alle discussie daarover begrijpelijk, aldus de leden van de PvdA-fractie.

De leden van de CDA-fractie merken op dat de voorliggende wijzigingsvoorstellen in menig opzicht aansluiten bij het wetsvoorstel Modernisering universitaire bestuursorganisatie. Zij tekenen hierbij aan dat de bezwaren, die zij tegen laatstgenoemd voorstel van wet hadden en hebben omdat daarin de universiteit onvoldoende als gemeenschap wordt erkend, niet evenzeer voor het onderhavige voorstel van wet gelden. De OU is immers een instelling sui generis, die niet in gelijke mate als de andere universiteiten als een gemeenschap is te beschouwen.

De leden van de VVD-fractie stemmen in met afslanking en deregulering van de bestuursstructuur van de OU. De afwijking met de bestuursorganisatie van de overige universiteiten zal door het OU-wetsvoorstel echter te groot worden. Deze leden zien meer in één klein college van bestuur dan een apart presidium van één persoon en een aparte raad van toezicht.

Ook gezien de dubbele interne en externe bestuurstaak die samenhangt met de tweeledige taak van de OU, zijn de leden van de VVD-fractie door de memorie van toelichting niet overtuigd van nut, noodzaak en voordeel van één enkele president. Deze draagt bovendien geen directe eindverantwoordelijkheid meer tegenover de minister, hoewel hij voor alle activiteiten en het geheel van de OU de enige en uitsluitende uitvoeringsverantwoordelijke is. De raad van toezicht vormt een nieuwe tussenlaag in de bestuurstop van de OU die volgens deze leden niet bijdraagt aan afslanking van de bestuursstructuur.

Kan de minister ter verheldering in hoofdlijnen overeenkomsten en afwijkingen aangeven tussen de bestuursorganisatie van de OU en Instituut Nijenrode?

De leden van de fractie van D66 zijn er vooralsnog niet van overtuigd dat voor de inderdaad gewenste eenheid van beleid ook een eenhoofdige leiding nodig is in plaats van een meerhoofdige. Al te vaak is het veranderen van een structuur gezien als dè oplossing voor fouten uit het verleden. De minister merkt zelf op dat een eenhoofdige leiding «niet tevens ook een kwalitatieve verandering» inhoudt. Deze leden zijn dan ook geen voorstander van deze eenhoofdige leiding. Temeer niet daar deze president ook de wetenschappelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van het onderwijs zal dragen. De leden van de fractie van D66 vragen het oordeel van de minister over het behouden van een college van bestuur van minimaal twee mensen, en daarin een wetenschappelijke professional verantwoordelijk te maken voor de wetenschappelijkheid van het onderwijs. Is het voorliggende wetsvoorstel niet erg toegespitst op de kwaliteiten van die ene persoon, die zowel manager moet zijn op de onderwijsmarkt, als verantwoordelijk voor de inhoud van het onderwijs?

4. De verschillende organen; bevoegdheden en bestuurlijke positie

4.1. De president

De leden van de PvdA-fractie kunnen zich vinden in de keuze voor een eenhoofdig bestuur; zij hebben reeds vastgesteld dat de MUB dat toe staat. Het ook hier aanwezige modieuze taalgebruik (topmanagement) neemt niet weg dat er sprake blijft van een universiteit. Dat doet de vraag rijzen of er geen rector magnificus meer is? Is te verwachten dat bijvoorbeeld het college van promoties een voorzitter kent die deel uitmaakt van het rectorencollege? Het lijkt triviaal, maar deze leden blijven het nodig vinden de OU te betrekken bij discussies over het universitair onderwijs. In die zin kan een eenhoofdige leiding toch iets van een kwalitatieve verandering in zich dragen.

4.2. De raad van toezicht

De bevoegdheid van de president wordt niet nader omschreven, zo constateren de leden van de CDA-fractie, omdat het gaat om een algemene bevoegdheid. De raad van toezicht heeft het recht van benoeming en ontslag. Op grond waarvan kan de raad van toezicht de president dan eventueel ontslaan? Is in dat verband een nadere omschrijving van de bevoegdheid niet gewenst?

De leden van de VVD-fractie vragen of en op welke wijze onafhankelijke beoordeling van bestuurlijke taakverwaarlozing afdoende is gewaarborgd bij de raad van toezicht.

4.3.1. Het college van promoties

De leden van de PvdA-fractie hadden niet verwacht thans geconfronteerd te worden met vervelende consequenties verbonden aan een amendement dat bij de MUB was ingediend. Dat betreft de vraag wie de onderwijs- en examenregeling vaststelt. Het college van hoogleraren bestaat niet meer en kan dat dus niet meer. Om dan die bevoegdheid aan de president toe te kennen gaat deze leden te ver. Ook hier wordt gewerkt met een bestuurs- en beheersreglement. Daarin kan vastgelegd zijn dat onderwijs- en examenregelingen aan een aantal uitgangspunten moeten voldoen. De feitelijke regelingen zouden vastgesteld kunnen worden door de hoogleraar-directeur van de diverse clusters. Graag krijgen de leden van de PvdA-fractie een reactie op deze suggestie. Zij achten het van belang dat de invloed van de professie groter moet zijn.

4.3.2. De opleidingscommissie

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af waarom de opleidingscommissies adviseren aan de president over alle aangelegenheden betreffende het onderwijs in de desbetreffende opleiding of groep van opleidingen. Het lijkt toch meer voor de hand hier overleg te plegen met de hoogleraar-directeur?

Daarbij zou toch ook de onderwijs- en examenregeling betrokken kunnen worden?

4.3.3. Medezeggenschap

Uit het bovenstaande kan opgemaakt worden dat de leden van de PvdA-fractie zich afvragen waarom voor de OU voor een ander OR regime wordt gekozen dan voor de andere universiteiten.

De leden van de PvdA-fractie zien in het verlengde hiervan niet in waarom de studentenraad niet over meer bevoegdheden zou kunnen beschikken. Ook hier kan de relatie met de MUB versterkt worden door bijvoorbeeld het instellingsplan en/of beheers- en bestuursreglement voor advies aan de studentenraad voor te leggen.

Deze leden erkennen dat de regeling niet exact die van de MUB hoeft te volgen. De studenten staan hier nu eenmaal meer op afstand, dat neemt niet weg dat de betrokkenheid bij de organisatie van het onderwijs op een vergelijkbare manier gestalte kan krijgen als in de MUB geregeld is. Graag ontvangen deze leden een uitwerking van deze gedachte.

De leden van de fractie van D66 vragen zich af waarom de minister kiest voor een gedeelde structuur in de medezeggenschap, te weten een studentenraad en een ondernemingsraad. Is er ook nagedacht over één ongedeelde medezeggenschapsraad?

De minister heeft de Wet op de ondernemingsraden met terugwerkende kracht van toepassing verklaard op de OR van de OU. Is dat vooruitlopend op de wet zoals die nu voorligt gedaan? Had de minister in het algemeen overleg niet toegezegd «geen onomkeerbare stappen» te zullen zetten vooruitlopend op de behandeling van deze wet?

De leden van de fractie van D66 zijn kritisch ten aanzien van de bevoegdheden van studentenraad. Zij vragen zich af of de instemmingsbevoegdheid van de studentenraad niet uitgebreid kan worden met bijvoorbeeld de vaststelling van het bestuurs- en beheersreglement. Is dit niet mogelijk, wordt dan aan de OU de vrijheid gelaten om de studentenraad deze uitgebreidere instemmingsbevoegdheden te geven?

Met betrekking tot de bestuursstructuur vragen de leden van de SGP-fractie of informatie kan worden gegeven over de mate waarin de studenten van de OU daadwerkelijk behoefte hebben en invulling geven aan medezeggenschap.

II. ARTIKELEN

Artikel 1 onderdeel B

Artikel 7.32, derde lid

De leden van de VVD-fractie vinden de formulering van de inschrijvingsmogelijkheid in het artikel en de toelichting te omslachtig. Ze vragen of er zowel standaardmogelijkheid komt om zich voor een hele opleiding, d.w.z. voor een diplomaprestatie in te schrijven, als ook standaardmogelijkheid om zich enkel voor onderwijseenheden, dus voor cursusprestatie in te schrijven?

De leden van de VVD-fractie begrijpen met het oog op verbreding en bekostiging van het doelgroepenbeleid dat inschrijving kan geschieden voor een opleiding dan wel voor een of meer onderwijseenheden.

Artikel 1 onderdeel C

Artikel 7.34, derde lid

Verdwijning van de toevoeging «in de regionale studiecentra» levert zowel in het artikel als de toelichting een omtrekkende formulering op. Bij de leden van de VVD-fractie leeft de vraag of de nieuwe formulering ruimte laat voor opheffing van regionale studiecentra vanwege andere, niet nader genoemde manieren van begeleiding. Aan welke wijze van begeleiding wordt dan gedacht? Doelt het artikel op andere wijze van begeleiding naast bestaande regionale studiecentra of in plaats ervan?

De leden van de VVD-fractie zien liever niet de ontwikkeling dat de president bestaande studiecentra zal kunnen opheffen zonder de minister in staat te stellen het parlement een maand lang gelegenheid voor goedkeuring te geven.

Artikel 1 onderdeel D

Artikel 7.50, eerste lid

De leden van de VVD-fractie vragen zich af welk bestuursorgaan wordt bedoeld met het instellingsbestuur van de OU. Hoe ziet het instellingsbestuur eruit?

Betekent het aan het instellingsbestuur van de OU overlaten van de vaststelling van het cursusgeld dat er geen maximum is gesteld aan dat cursusgeld, zo vragen de leden van de D66-fractie. Hoe verhoudt zich dat tot de toegankelijkheid van het onderwijs van de OU?

Artikel 1 onderdeel F

Artikel 11.2, eerste lid

De leden van de CDA-fractie vragen waarom het afzien van benoeming, schorsing en ontslag van de president bij koninklijk besluit logischerwijs voortvloeit uit de nieuwe opzet van de bestuursorganisatie.

Artikel 11.6

De leden van de fractie van D66 vragen of in de artikelsgewijze toelichting bij 11.6, eerste lid, met «de raad van toezicht staat het college van bestuur met raad terzijde» niet bedoeld wordt «de raad van toezicht staat de president (of wellicht het managementteam) met raad terzijde»?

Conform het tweede lid, onder f kan de raad van toezicht goedkeuring hechten aan opheffing van regionale studiecentra en van opleidingen. De leden van de VVD-fractie vragen duidelijkheid of de president kan overgaan tot opheffing van studiecentra en opleidingen zonder voorafgaande toestemming van de minister.

De leden van de VVD-fractie menen dat die stap naast goedkeuring van de raad van toezicht voorafgaande toestemming van de minister vereist.

Artikelen 11.9 en 11.10

De Raad van State heeft gevraagd de verantwoordelijkheid voor ontwikkeling en inhoud van opleidingen bij de hoogleraren te leggen. In artikel 11.9, tweede lid heeft de minister daaraan gevolg gegeven maar ook gewezen op de verantwoordelijkheid van de president. De leden van de VVD-fractie menen dat voor afschaffing van ontwikkelde opleidingen voorafgaande toestemming van de minister wenselijk is.

Wanneer gesteld wordt dat het wetenschappelijk personeel van de OU beschikt over 20% onderzoekstijd, wordt dan bedoeld: van de tijd waarvoor ze aan de OU zijn aangesteld? Zo ja, is er dan niet het gevaar voor bijklussende hoogleraren of te weinig aandacht van die hoogleraren voor hun OU-onderzoekstijd, zo vragen de leden van de D66-fractie.

Wil de minister voor de OU een soortgelijke voorziening instellen ten behoeve van het collectief recht van beklag voor studenten als voorzien in de MUB (artikel 9.28)?

Artikel 11.15, eerste lid

De leden van de CDA-fractie vragen of met de zinsnede «de raad van toezicht een besluit neemt» eigenlijk bedoeld wordt «de raad van toezicht een besluit goedkeurt»?

Artikel 11.16

De raad van toezicht komt regeling van alle geschillen in de OU toe in afwijking van de regeling door de geschillencommissie volgens het wetsvoorstel MUB aan de overige universiteiten. De leden van de VVD-fractie pleiten met het oog op afstemming tussen OU en overige hoger onderwijsinstellingen voor bestuursregeling met een geschillencommissie.

De voorzitter van de commissie,

M. M. H. Kamp

De griffier van de commissie,

C. J. M. Roovers


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Beinema (CDA), Van der Vlies (SGP), Van Nieuwenhoven (PvdA), M. M. H. Kamp (VVD), voorzitter, De Cloe (PvdA), Janmaat (CD), Van Gelder (PvdA), ondervoorzitter, Van de Camp (CDA), Mulder-van Dam (CDA), Hendriks (HDRK), Rabbae (GroenLinks), Jorritsma-van Oosten (D66), De Koning (D66), Koekkoek (CDA), J. M. de Vries (VVD), Liemburg (PvdA), Stellingwerf (RPF), Lambrechts (D66), Rijpstra (VVD), Cornielje (VVD), Cherribi (VVD), Dijksma (PvdA), Sterk (PvdA), Van Vliet (D66), Bremmer (CDA).

Plv. leden: Reitsma (CDA), Schutte (GPV), Lilipaly (PvdA), Klein Molekamp (VVD), Valk (PvdA), Poppe (SP), Duivesteijn (PvdA), Ten Hoopen (CDA), Van der Hoeven (CDA), Verkerk (AOV), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Bakker (D66), Van 't Riet (D66), De Haan (CDA), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), Rehwinkel (PvdA), Leerkes (U55+), Versnel-Schmitz (D66), Essers (VVD), Korthals (VVD), Passtoors (VVD), Huys (PvdA), Van Zuijlen (PvdA), Verhagen (CDA), Lansink (CDA).

Naar boven