Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201525087 nr. 101

25 087 Internationaal fiscaal (verdrags)beleid

Nr. 101 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 20 mei 2015

De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister en de Staatssecretaris van Financiën over de brief van 8 april 2014 over de reactie op verzoek van het lid Omtzigt over het bericht «Fiscale roadshow trok ook langs Indonesië en Thailand» (Kamerstuk 25 087, nr. 75).

De vragen en opmerkingen zijn op 13 februari 2015 aan de Minister en de Staatssecretaris van Financiën voorgelegd. Bij brief van 19 mei 2015 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Duisenberg

De adjunct-griffier van de commissie, Van den Eeden

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het bericht en geen aanvullende vragen. De leden van de VVD-fractie benadrukken dat het geven van voorlichting door ambassades over de mogelijkheden om te investeren in Nederland, een kerntaak van een ambassade is. Binnen de huidige wet- en regelgeving is het positief dat ambassades een bijdrage leveren om zoveel mogelijk handel en investeringen naar ons land te halen. Dat levert uiteindelijk banen en economische groei op.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA

Fiscale roadshow

De leden van de PvdA-fractie vinden dat belastingen eerlijk moeten worden geheven en betaald. Dat geldt ook voor internationale bedrijven, niet alleen in eigen land, maar ook in ontwikkelingslanden. Als zij zich echt willen vestigen in Nederland zijn ze van harte welkom. Nederland heeft deze bedrijven veel te bieden. Ons goede vestigingsklimaat is gebaseerd op een goede infrastructuur, goed opgeleide bevolking, stabiliteit en betrouwbare rechtspraak. Een reëel fiscaal stelsel dat in dienst staat van groei, werkgelegenheid en innovatie hoort daarbij. Deelt de Minister de mening dat vennootschappen met nauwelijks reële substantie die zich alleen om fiscale redenen in Nederland willen vestigen («brievenbusfirma’s) Nederland meer reputatieschade opleveren dan welvaartsgroei?

De leden van de PvdA-fractie danken het kabinet voor de inzage in de presentatie die het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) heeft gehouden in Kiev op 27 november 2013. De leden van de fractie van de PvdA zijn zeer te spreken over de wijze waarop hier het goede vestigingsklimaat in Nederland wordt neergezet. Dan gaat het om de centrale ligging van Nederland, onze talenkennis, onze stabiliteit en rechtszekerheid, de kwaliteit van de infrastructuur enzovoort.

Dit ligt wellicht anders voor de presentaties die sommige fiscale adviesbureaus geven onder de vlag van het NFIA. De leden van de PvdA-fractie vinden het merkwaardig dat het kabinet geen inzage heeft gegeven in deze presentaties met het argument dat deze eigendom zijn van commerciële partijen. Het zijn immers toch presentaties die aan de openbaarheid zijn prijsgegeven onder goedkeurend oog van de ambassade en het NFIA?

De leden van de PvdA fractie wijzen in dit verband op de presentatie die KPMG heeft gegeven op een bijeenkomst in Jakarta op 19 september 2012.1

We zien in deze presentatie een uiteenzetting van een aantal ingewikkelde fiscale structuren. Zo zien we onder meer dat leningen worden verstrekt via een «offshore» bedrijf aan een Nederlandse dochter BV waardoor kunstmatig de belastbare winst in Nederland wordt gedrukt en bronbelasting op interest in Indonesië wordt vermeden, we zien het tussenschuiven van coöperaties met als kennelijk doel het ontgaan van dividendbelasting en we zien hoe KPMG met trots uiteenzet hoe je op R&D uitgaven een fiscale aftrek tot wel 140% kunt krijgen.

Is het kabinet het eens met de leden van de PvdA-fractie dat hier sprake is van het promoten van agressieve tax planning? Deelt de Staatssecretaris de mening dat het onwenselijk is dat fiscale adviesbureaus of het NFIA actief via Nederlandse ambassades belastingontwijkingsconstructies via Nederland promoten? Kan het kabinet aangeven hoe vaak bij bijeenkomsten van het NFIA voor buitenlandse investeerders ook commerciële fiscale adviesbureaus presentaties geven? Is dit regel of uitzondering? Is het kabinet bereid om een richtlijn te doen uitgaan naar de ambassades en het NFIA met als strekking dat het faciliteren van presentaties die gericht zijn op agressieve tax planning niet zijn toegestaan?

Oekraïense oligarchen

De leden van de fractie van de PvdA vinden het belangrijk dat de druk behouden blijft op foute oligarchen, en dat banktegoeden van lieden rondom de regimes van Yanoekovitsch en Poetin in Nederland geen thuishaven vinden voor hun geld. De leden van de PvdA-fractie vragen de Minister van Financiën dan ook om met een update te komen met betrekking tot het aantal personen waarvan tegoeden zijn bevroren, alsmede de bijbehorende bedragen. Ziet het kabinet aanleiding om de lijst van gesanctioneerde personen en bedrijven uit te breiden in het licht van de recente gebeurtenissen in Oekraïne, desnoods unilateraal?

Ook vragen de leden van de fractie van de PvdA de Staatssecretaris van Financiën om zich in te spannen om gelden van terroristische en andere onwenselijke organisaties actief op te (blijven) sporen. De leden van de PvdA-fractie vinden dat Nederland hier onder omstandigheden verder in kan gaan dan de Europese sancties dia aan Nederland zijn opdragen. Deelt het kabinet deze mening?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP

De leden van de SP-fractie hebben verschillende vragen over het eventuele wegsluizen van geld door Oekraïense oligarchen alsmede over de seminars die Nederlandse ambassades in het buitenland organiseren om te informeren over het Nederlandse vestigingsklimaat.

Kan het kabinet aangeven in hoeverre de seminars die in het buitenland worden gegeven, met medewerking van Nederlandse ambassades, over het fiscale klimaat gaan? Volgens de in de media opgedoken uitnodiging voor het seminar in Oekraïne, voeren fiscale faciliteiten de boventoon. Was dit ook in andere seminars het geval? Kan het kabinet aangeven in welke landen en wanneer seminars zijn gehouden over de voordelen van «Dutch holding companies»? Hoewel er geen centrale registratie van plaatsvindt, verwachten de leden van de fractie van de SP wel dat het kabinet het wel bij benadering kan noemen. Heeft het kabinet bijvoorbeeld getracht te achterhalen hoeveel van deze seminars worden gehouden en of dergelijke presentaties toch nog zijn op te vragen? De leden vragen het kabinet overtuigend aan te geven waarom het niet mogelijk zou zijn dergelijke presentaties te verstrekken aan de Kamer.

De leden van de SP-fractie vragen het kabinet aan te geven wat in de brief van 8 april 2014 van de Minister van Buitenlandse Zaken wordt bedoeld met «gunstige condities voor vestiging in Nederland». Kan het kabinet deze gunstige condities benoemen?

De leden lezen in deze brief ook dat Nederland reële activiteiten wil aantrekken. Kan het kabinet toelichten wat hier wordt verstaan onder reële activiteiten? Valt hier ook onder het openen van een bfi die geen werknemers in dienst heeft, maar waarvan de administratie wordt verzorgd door een trustkantoor? Als wordt gesproken over «Tax planning opportunities for Ukrainian companies for financing through the Netherlands», is er dan sprake van reële activiteiten volgens het kabinet? Kan het antwoord worden toegelicht, vragen de leden van de SP-fractie?

De leden hebben via mediaberichten vernomen dat tijdens een seminar in Jakarta een presentatie is gegeven, getiteld «Investment in the Netherlands -Indonesian tax implications on investment stages». Kan het kabinet aangeven wat in deze presentatie precies wordt bedoeld met een «offshore-co»?

De leden van de SP-fractie zien in de presentatie dat de Nederlandse coöperatie wordt aangeprezen. In 2012 zijn echter maatregelen genomen om het ontgaan van belasting door het gebruik van een coöperatie te voorkomen. In hoeverre is deze maatregel succesvol geweest, vragen deze leden, als deze route nog steeds wordt aangeprezen?

Op 3 maart 2014 is tijdens de RBZ-raad besloten «verder te werken aan sancties gericht op het bevriezen van tegoeden van degenen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en voor misbruik van staatstegoeden onder de voormalige regering,» zo hebben de leden van de fractie van de SP vernomen. Op 6 maart zijn deze sancties van kracht geworden. Kan het kabinet aangeven waarom tussen het aankondigen en het effectueren van de sancties drie dagen tijd heeft gezeten? Was een aankondiging op het moment dat de sancties al van kracht waren, de effectiviteit ten goede gekomen, naar het oordeel van het kabinet? Immers; de periode van drie dagen kan door de betreffende personen op de sanctielijst toch zijn aangegrepen om tegoeden te verplaatsen. Erkent het kabinet dit? Valt na te gaan in hoeverre in die drie dagen tijd, tegoeden zijn opgenomen door de personen op de sanctielijst of personen die aan hen zijn gelieerd?

Kan worden aangegeven waarom de Minister van Financiën op 6 maart 2014 tijdens een uitzending van Pauw en Witteman aangaf dat er voor «honderden miljoenen» aan tegoeden is bevroren maar het kabinet daarna geen gegevens heeft verstrekt over de omvang van de bevroren tegoeden? De leden vernemen graag welke omvang de bevroren tegoeden gezamenlijk hebben. Wat is de status van de bevroren tegoeden? Aan wie komen deze tegoeden uiteindelijk toe? En kan het kabinet aangeven of tussen 3 maart en 14 april 2014, tegoeden zijn verplaatst door de personen wiens tegoeden per 14 april zijn bevroren, vragen de leden van de fractie van de SP?

Begin januari werd bekend dat de Europese Commissie Oekraïne leningen zal verstrekken van in totaal 1,8 miljard euro. Kan het kabinet aangeven aan welke voorwaarden moet worden voldaan? Is bekend of eerdere leningen aan Oekraïne op een juiste manier zijn besteed?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

De leden van de CDA-fractie stellen enkele vragen over de berichten «Het wegsluizen van geld via Nederland door Oekraïense oligarchen en over het bericht «Fiscale roadshow trok ook langs Indonesië en Thailand».

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat het goed is dat Nederland via het diplomatieke netwerk actief buitenlandse ondernemers wijst op de mogelijkheid om in Nederland te investeren. Klopt het ook dat de Nederlandse overheid buitenlandse ondernemers actief wijst op mogelijkheden voor fiscale constructies die (al dan niet ongewild) belastingontwijking tot gevolg hebben? Zo ja, wat doet het kabinet eraan om deze ongewilde belastingontwijking te voorkomen?

In een bericht op de site Follow the Money2 staat vrij nauwkeurig omschreven dat er nadrukkelijk wordt gewezen op hoe Nederland onderdeel kan zijn van een fiscale constructie waarbij ook gebruik gemaakt kan worden van zogeheten «offshore landen» (Kaaimaneilanden bijv.). De leden van de CDA-fractie vragen of de Staatssecretaris van Financiën hiervan op de hoogte is? Is de Staatssecretaris het er bovendien ook mee eens dat dit zeer onwenselijk is? Wat doet het kabinet daarnaast om ervoor te zorgen dat het Nederlandse belastingregime niet op deze manier wordt gebruikt? Draagt het actief informeren door de Nederlandse overheid niet bij aan het beeld van Nederland als belastingparadijs?

Is het kabinet bovendien op de hoogte dat niet alleen buitenlandse ondernemers gebruik maken van de gunstige fiscale regelingen in Nederland maar dat ook Oekraïense oligarchen gebruikmaken van de Nederlandse fiscale mogelijkheden? De leden van de CDA-fractie vragen dan ook wat het kabinet hier van vindt en wat men gaat doen om dit te voorkomen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks

Met betrekking tot de sanctiemaatregelen omtrent Rusland en Oekraïne hebben de leden van de GroenLinks-fractie een aantal vragen over het onderzoek dat DNB uitvoert naar de wijze waarop financiële instellingen en trustkantoren uitvoering geven aan de Sanctiewet. Volgens DNB riepen de sanctiemaatregelen die ingesteld zijn in 2014 veel vragen op bij financiële instellingen. De leden van de fractie van GroenLinks vragen zich af waarom DNB pas in oktober 2014 besloten heeft onderzoek te doen naar de wijze waarop financiële instellingen de sancties uitvoeren? Betekent dit dat tot die tijd onvoldoende bekend was of de sancties wel volledig en juist werden uitgevoerd door financiële instellingen? Wat betekent dit voor de effectiviteit van de sancties?

De leden van de fractie van GroenLinks wijzen erop dat het niet naleven van sancties een economisch delict is. Financiële instellingen fungeren als poortwachter om ongewenste elementen in ons financiële stelsel waar nodig te identificeren, te weren en ongewenste transacties tegen te gaan. Op basis van integriteits-, antiterrorisme- en anti-witwas-wetgeving wordt van financiële instellingen verwacht dat zij hun klant kennen. Ook DNB geeft aan dat het niet volstaat om alleen de gepubliceerde namen op de sanctielijst af te lopen. De instellingen moeten er volgens DNB «alles aan doen om te doorgronden wie de uiteindelijke zeggenschap heeft bij een klant.» Zo kan iemand zich bijvoorbeeld verschuilen achter ondernemingen, stichtingen of andere personen. Ook moet de bank kijken wie de financiële relaties van hun klant zijn. De leden van de fractie van GroenLinks vragen in welke mate dit gebeurd is? Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van DNB naar aanleiding van het eerste onderzoek over het naleven van de sanctiewet dat «de activiteiten van de relatie onderbelicht worden bij trustkantoren»? Om hoeveel trustkantoren gaat het en op welke wijze heeft DNB opgetreden tegen financiële instellingen die de sanctiewetgeving onvoldoende naleefden?

De ingestelde sancties benadrukken wat de GroenLinks-fractie betreft nogmaals dat maximale transparantie over in Nederlandse gestalde vermogens- en de uiteindelijke belanghebbende daarvan, nodig is. Deelt het kabinet deze mening? De leden van de fractie van GroenLinks zien de oplossing voor het bereiken van deze maximale transparantie in het instellen van een openbaar register van uiteindelijke belanghebbenden. Streeft het kabinet naar het instellen van zo’n openbaar register? Erkent het kabinet dat eventuele veiligheidsrisico’s ondervangen kunnen worden door van personen die het register inzien, te eisen dat ze zich registreren en een (administratieve) vergoeding betalen voor toegang tot de informatie over uiteindelijke aandeelhouders, net als bij het KvK-register? In specifieke, individuele gevallen waarin openbaarheid van informatie tot bijzondere veiligheidsrisico’s voor de betrokkenen zou leiden, kan een uitzondering op openbaarheid worden gemaakt. Deelt het kabinet de mening van de leden van de GroenLinks-fractie dat er daarmee genoeg waarborgen voor de veiligheid mogelijk zijn en er dus niks in de weg staat van het instellen van een openbaar register van uiteindelijke belanghebbenden?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het kabinet zich ervoor wil inspannen dat een publiek register van uiteindelijke belanghebbenden er zo snel mogelijk komt. Kan het kabinet een streefdatum aangeven om het register operationeel te hebben? Op grond van de herziene administratieve bijstandsrichtlijn moeten financiële instellingen vanaf 1 januari 2016 de uiteindelijke belanghebbenden van al hun rekeninghouders/deelnemers in kaart brengen. Het zou voor de hand liggen als het register vanaf dat moment operationeel wordt.

Momenteel verricht DNB vervolgonderzoek naar het uitvoeren van de sancties door financiële instellingen. De leden van de fractie van GroenLinks vragen wanneer de uitkomsten daarvan bekend worden.

II Reactie van de Minister en de Staatssecretaris

De leden van de vaste commissie voor Financiën hebben vragen gesteld naar aanleiding van het vermeende wegsluizen van geld via Nederland door Oekraïense oligarchen en het bericht «Fiscale roadshow trok ook langs Indonesië en Thailand» (Ftm.nl, 8 maart 2014). Hierbij sturen wij u de antwoorden op deze vragen, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

Fiscale roadshow

De leden van de PvdA-fractie vragen of de Minister de mening deelt dat vennootschappen met nauwelijks substance, die zich alleen om fiscale redenen in Nederland willen vestigen («brievenbusfirma’s»), Nederland meer reputatieschade opleveren dan welvaartsgroei.

Wanneer het Nederlandse vestigingsklimaat gepromoot wordt door onderdelen van de Nederlandse overheid zijn deze inspanningen er op gericht om investeerders met reële activiteiten aan te trekken. Indien een vennootschap voor Nederland kiest om misbruik te maken van het Nederlandse fiscale stelsel, is dit onwenselijk. Dit misbruik gaan we tegen door middel van gerichte anti-misbruik maatregelen in nationaal en internationaal verband. Verder levert Nederland samen met andere landen een actieve bijdrage aan internationale initiatieven om misbruik tegen te gaan.

Verder vragen de leden van de PvdA-fractie of het kabinet het standpunt van de leden van de PvdA-fractie deelt dat bij de presentatie die KPMG heeft gegeven op een bijeenkomst in Jakarta sprake is van het promoten van agressieve tax planning. De leden van de CDA-fractie vragen of de Staatssecretaris van Financiën de door Follow the Money beschreven fiscale constructie waarbij ook gebruik gemaakt kan worden van zogeheten «offshore landen» (Kaaimaneilanden bijv.) ook zeer onwenselijk vindt.

De presentatie van KPMG legt de fiscale wet- en regelgeving van Nederland uit. Hierbij wordt ook gebruik gemaakt van de verdragen die Nederland heeft ter voorkoming van dubbele belasting. Het gebruik van deze verdragen is onderdeel van internationaal ondernemen, en is niet per definitie onwenselijk. Kunstmatige constructies die leiden tot misbruik van de Nederlandse wet- en regelgeving of de verdragen zijn wel onwenselijk en gaan we tegen door middel van anti-misbruikbepalingen in nationale regelgeving en in fiscale verdragen zelf. Ook in internationaal verband worden bepaalde kunstmatige constructies bestreden door anti-misbruikbepalingen. Aan verdere maatregelen om misbruik tegen te gaan wordt gewerkt in het kader van het BEPS project van de OESO.

De leden van de PvdA-fractie en de leden van de CDA-fractie vragen of het juist is dat de Nederlandse overheid buitenlandse ondernemers actief wijst op mogelijkheden voor fiscale constructies en of de Staatssecretaris de mening deelt dat het onwenselijk is dat fiscale adviesbureaus of het NFIA actief via Nederlandse ambassades belastingontwijkingsconstructies via Nederland promoten.

Het NFIA promoot vanzelfsprekend geen belastingontwijkingsconstructies. Het NFIA heeft als doelstelling om reële economische activiteiten naar Nederland te halen en geeft in dit kader informatie aan potentiële investeerders. Het NFIA en ambassades organiseren hiervoor bijeenkomsten waarin de verschillende aspecten van het Nederlandse vestigingsklimaat nader worden toegelicht, waaronder de fiscale aspecten. Hier kunnen ook externe partijen voor worden uitgenodigd.

Tevens vragen de leden van de PvdA-fractie of het kabinet kan aangeven hoe vaak bij bijeenkomsten van het NFIA voor buitenlandse investeerders ook commerciële fiscale adviesbureaus presentaties geven. Zij vragen of dit regel is of uitzondering.

Dergelijke bijeenkomsten worden niet centraal geregistreerd. Voorop staat dat ambassades en het NFIA als doelstelling hebben om reële economische activiteit aan te trekken. In dit kader kunnen zij bijeenkomsten organiseren om potentiële investeerders van informatie te voorzien.

De leden van de PvdA-fractie vragen het kabinet voorts of het bereid is om een richtlijn te doen uitgaan naar de ambassades en het NFIA met als strekking dat het faciliteren van presentaties die gericht zijn op agressieve tax planning niet zijn toegestaan.

Dit is niet nodig. Het NFIA heeft een afdoende richtlijn aangaande presentaties voor investeringsbevordering, die ook door ambassades zonder NFIA vertegenwoordiger gehanteerd wordt. De richtlijn stelt dat investeringspromotie gericht moet zijn op bedrijven die een reële bijdrage aan de Nederlandse economie willen leveren.

De leden van de SP-fractie vragen in hoeverre de seminars die in het buitenland worden gegeven over het fiscale klimaat gaan. Specifiek vragen zij naar het seminar in Oekraïne.

In door NFIA georganiseerde seminars, al dan niet in samenwerking met de collega’s van de ambassades, is voorlichting over het fiscale klimaat een onderdeel van de voorlichting over het gehele vestigingsklimaat. Relevante factoren van het totale competitieve vestigingsklimaat dat Nederland naar voren brengt zijn centrale ligging, logistieke kennis, meertaligheid van de beroepsbevolking, en het fiscale klimaat. Hetzelfde geldt voor de bijeenkomst in Kiev, ook hier maakt voorlichting over het fiscale vestigingsklimaat onderdeel uit van voorlichting over het vestigingsklimaat. Het doel hierbij is investeerders aantrekken die een reële bijdrage leveren aan de Nederlandse economie, en uiteraard moeten wet- en regelgeving hierbij worden nageleefd.

De leden van de SP-fractie vragen om aan te geven in welke landen en wanneer seminars zijn gehouden over de voordelen van «Dutch holding companies». Zij vragen of het kabinet heeft getracht te achterhalen hoeveel van deze seminars worden gehouden en of dergelijke presentaties toch nog zijn op te vragen.

Er wordt niet centraal bijgehouden welke post, wanneer, en in welke vorm of met welke partners, voorlichting over het vestigingsklimaat in Nederland verstrekt, of bijeenkomsten van private partners met datzelfde doel faciliteert. Het geven van voorlichting over mogelijkheden voor investeringen in Nederland behoort tot de standaardwerkzaamheden van ambassades, waaronder NFIA-vertegenwoordigers. Zoals in de werkinstructies voor NFIA activiteiten staat, gaat het daarbij altijd om bedrijven die een reële bijdrage aan de Nederlandse economie willen leveren.

De presentaties die worden gegeven zijn niet altijd het eigendom van de overheid, de overheid kan ze daarom niet publiek maken. De presentatie die de Ambassade in Kiev verzorgde («Why invest in Holland»), is op 9 mei 2014 met de Kamer gedeeld.

De leden van de SP-fractie vragen het kabinet aan te geven wat in de brief van 8 april 2014 van de Minister van Buitenlandse Zaken wordt bedoeld met «gunstige condities voor vestiging in Nederland».

Zoals in deze brief wordt gesteld, gaat het om zaken als het scholingsniveau van de beroepsbevolking, de kwaliteit van de infrastructuur, de toegang tot de Europese markt, de politieke en juridische stabiliteit, alsook ons belastingsysteem. Dit laatste vormt een onderdeel van «een pakket» waarmee ons land voldoende aantrekkingskracht moet behouden op een gevarieerd geheel aan buitenlandse investeringen die met reële activiteiten bijdragen aan werkgelegenheid en een sterke economische structuur.

De leden van de SP-fractie vragen het kabinet toe te lichten wat in de brief van 8 april 2014 wordt verstaan onder reële activiteiten. Zij vragen specifiek of het openen van een bijzondere financiële instelling (bfi) die geen werknemers in dienst heeft, maar waarvan de administratie wordt verzorgd door een trustkantoor, hieronder valt. Tevens vragen zij of er sprake is van reële activiteiten als wordt gesproken over «Tax planning opportunities for Ukrainian companies for financing through the Netherlands».

Met reële activiteiten wordt in deze brief bedoeld dat het NFIA alleen bedrijven aantrekt die voor Nederland meerwaarde opleveren op het gebied van werknemers en investeringen. Reële activiteiten zijn bijvoorbeeld een Europees hoofdkantoor, productiefaciliteit, fabriek, logistiek- of distributiecentrum etc. Het NFIA houdt zich niet bezig met het aantrekken van bijzondere financiële instellingen zonder werknemers. Op basis van de genoemde zin «tax planning opportunities for Ukrainian companies for financing through the Nedetherlands» kan niet beoordeeld worden of er reële activiteiten in Nederland plaatsvinden. De Nederlandse inspanningen zijn erop gericht investeerders met reële activiteiten aan te trekken, en alle investeerders moeten voldoen aan de Nederlandse wet- en regelgeving. Als er misbruik wordt gemaakt van verdragen, gaan we dit tegen.

De leden van de SP-fractie vragen of het kabinet kan aangeven wat in de presentatie in Jakarta, getiteld «Investment in the Netherlands – Indonesian tax implications on investment stages» precies wordt bedoeld met een «offshore-co».

Deze presentatie is gegeven door een private partij, het is niet aan de overheid om deze toe te lichten. Wel kan worden gesteld dat de in Indonesië en Thailand gehouden presentaties als doelstelling hadden om bedrijven met interesse in de Europese markt voor te lichten over de mogelijkheden om Nederland als startpunt te nemen voor het uitbreiden van de Europese activiteiten. Dat gaat over het uitbreiden van de handel met Europese consumenten en het investeren in Nederland en Europa, dat tot reële economische activiteiten en werkgelegenheid leidt.

De leden van de SP-fractie vragen of de maatregelen genomen om het ontgaan van belasting door het gebruik van een coöperatie te voorkomen succesvol zijn geweest als deze route nog steeds wordt aangeprezen.

In 2012 is er een anti-misbruikmaatregel opgenomen in de Wet op de dividendbelasting 1965 om misbruik van de coöperatie-rechtsvorm tegen te gaan. Het doel van deze maatregel is niet om gebruik van de coöperatie tegen te gaan maar het betreft een anti-misbruikmaatregel die is bedoeld voor situaties waarin coöperaties zonder reële betekenis worden tussengeschoven om belasting te ontgaan. Het feit dat de coöperatie gebruikt wordt als juridische entiteit bij het vormgeven van internationale bedrijfsactiviteiten zegt daarom niets over het al dan niet succesvol zijn van de maatregel.

De leden van de CDA-fractie vragen wat het kabinet eraan doet om ongewilde belastingontwijking te voorkomen.

Er zijn op dit moment verschillende internationale ontwikkelingen in de EU en de OESO om eventuele belastingontwijking ten gevolge van fiscale regelgeving tegen te gaan. In de kabinetsbrief van 30 augustus 20133 is aangegeven welke unilaterale maatregelen Nederland heeft genomen om belastingontwijking tegen te gaan.

Omdat belastingontwijking vaak zijn oorzaak vindt in verschillen tussen belastingsystemen is er in internationaal verband een brede aanpak via het lopende G20/OESO BEPS (Base Erosion and Profit Shifting) project. Ook in Europees verband wordt er gewerkt aan maatregelen om belastingontwijking tegen te gaan. Ik verwijs hiervoor naar de brief die de Staatssecretaris van Financiën 1 december 20144 naar de Tweede Kamer heeft verzonden.

De leden van de CDA-fractie vragen of het actief informeren door de Nederlandse overheid bijdraagt aan het beeld van Nederland als belastingparadijs.

Het is goed om internationale bedrijven die naar Nederland willen komen te informeren over investeringsmogelijkheden in Nederland conform internationale afspraken en nationale wetten en regelgeving. Internationale bedrijven dragen bij aan economische groei en banen in Nederland. Juist door het informeren van buitenlandse bedrijven over het Nederlandse fiscale stelsel, kan er uitgelegd worden dat het Nederlandse fiscale stelsel robuust is en kan er uitgelegd worden hoe ongewenste fiscale constructies door het Nederlandse fiscale beleid bestreden worden.

Sanctielijst

De leden van de PvdA-fractie vragen de Minister van Financiën om met een update te komen met betrekking tot het aantal personen waarvan tegoeden zijn bevroren, alsmede de bijbehorende bedragen.

De gevraagde informatie valt onder de geheimhoudingsplicht zoals opgenomen in de Sanctiewet 1977 en de relevante EU-verordeningen. Voor meer toelichting over de geheimhoudingsplicht verwijs ik kortheidshalve naar de brief van 4 juli 2014 van de Minister van Financiën5. Geaggregeerde gegevens over bevroren bezittingen kan ik uw Kamer enkel op vertrouwelijke basis kunnen verstrekken, zie ook de brief van Minister van Financiën van 4 juli 2014.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het kabinet aanleiding ziet om de lijst van gesanctioneerde personen en bedrijven uit te breiden in het licht van de recente gebeurtenissen in Oekraïne, desnoods unilateraal. Tevens vragen zij of Nederland onder omstandigheden verder kan gaan dan de Europese sancties die aan Nederland zijn opdragen voor wat betreft het actief (blijven) opsporen van terroristische en andere onwenselijke organisaties.

Er zijn twee sanctielijsten van kracht: de sanctielijst op grond van Besluit 2014/119/GBVB (met een focus op verduistering van Oekraïense staatsmiddelen) en op grond van Besluit 2014/145/GBVB (met een focus op acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen). In het licht van de recente gebeurtenissen in Oekraïne heeft de Raad van de Europese Unie op 9 februari jl. besloten de sanctielijst op grond van Besluit 2014/145/GBVB verder uit te breiden. Deze sancties zijn op 16 februari jl. in werking getreden. Het kabinet hecht aan een eensgezind Europees beleid ten aanzien van Rusland en ziet daarom geen aanleiding om unilateraal sancties af te kondigen. Voor wat betreft de terrorismesancties zij vermeld dat Nederland groot belang hecht aan het opsporen en aanpakken van terroristische organisaties. Zo bestaat er al op nationaal niveau een Sanctieregeling terrorisme 2007-II op grond waarvan op nationaal niveau bevriezingsmaatregelen tegen terroristische organisaties ingesteld kunnen worden.

De leden van de SP-fractie vragen het kabinet aan te geven waarom tussen het aankondigen en het effectueren van de sancties drie dagen tijd heeft gezeten.

Op 3 maart 2014 is de Raad van de Europese Unie overeengekomen om beperkende maatregelen voor te bereiden ten aanzien van het bevriezen en het ontnemen van vermogensbestanddelen van personen die als verantwoordelijk geïdentificeerd zijn voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen. Besluit 2014/119/GBVB van de Raad is op 5 maart 2014 bekend gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie («PbEU») en dezelfde dag in werking getreden. Het is gebruikelijk dat er enige tijd zit tussen het politieke besluit om beperkende maatregelen te nemen en de afkondiging daarvan in het PbEU in verband met de technisch-juridische voorbereiding van de beperkende maatregelen en afstemming daarover in de Raad.

De leden van de SP-fractie vragen of een aankondiging op het moment dat de sancties al van kracht waren de effectiviteit ten goede zou zijn gekomen en of de periode van drie dagen door de betreffende personen op de sanctielijst toch zijn aangegrepen om tegoeden te verplaatsen. De leden van de SP-fractie vragen voorts of het valt na te gaan in hoeverre in die drie dagen tijd, tegoeden zijn opgenomen door de personen op de sanctielijst of personen die aan hen zijn gelieerd. Eveneens vragen zij of het kabinet kan aangeven of tussen 3 maart en 14 april 2014, tegoeden zijn verplaatst door de personen wier tegoeden per 14 april zijn bevroren.

De namen van de personen tegen wie beperkende maatregelen zijn opgelegd, werden pas op 5 maart 2014 bekend gemaakt in het PbEU. Een ieder die tegoeden onder zich heeft van geliste personen was vanaf dan gehouden om de tegoeden onmiddellijk te bevriezen.

Indien tegoeden zouden zijn verplaatst voor de publicatie van de namen, ligt het in de rede dat die transacties worden aangemerkt als ongebruikelijk. Een ongebruikelijke transactie van een cliënt van een financiële onderneming, of van een derde ten behoeve van een cliënt, moet op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) worden gemeld bij de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU). Wanneer personen op een sanctielijst worden gezet kunnen eerdere transacties die hebben plaatsgevonden voor het moment van listing, alsnog worden aangemerkt als ongebruikelijke transacties. Ook deze transacties dienen bij het bekend worden van het ongebruikelijke karakter onverwijld gemeld te worden. De FIU kan vervolgens meldingen die duiden op strafbare feiten delen met opsporingsdiensten. Voor een nadere toelichting over dit onderwerp kan verwezen worden naar de brief van 12 mei 2014 van de Minister van Financiën.6

De leden van de SP-fractie vragen of kan worden aangegeven waarom de Minister van Financiën op 6 maart 2014 tijdens een uitzending van Pauw en Witteman aangaf dat er voor «honderden miljoenen» aan tegoeden is bevroren maar het kabinet daarna geen gegevens heeft verstrekt over de omvang van de bevroren tegoeden. Tevens vragen zij of kan worden aangegeven welke omvang de bevroren tegoeden gezamenlijk hebben.

Sinds het van kracht worden van de EU-sancties inzake Oekraïne zijn ook in Nederland bezittingen bevroren. Financiële instellingen hebben deze bevriezingen bij de Nederlandsche Bank (DNB) gemeld, inclusief de betrokkenheid bij hun dienstverlening van personen op de EU-sanctielijst. De geheimhoudingsbepalingen van de Sanctiewet 1977 en de EU-verordening laten, zoals eerder uiteengezet in de brief van de Minister van Financiën van 4 juli 20147, niet toe hierover meer informatie te verschaffen. Geaggregeerde gegevens over bevroren bezittingen kunnen enkel op vertrouwelijke basis kunnen worden verstrekt aan uw Kamer.

De leden van de SP-fractie vragen wat de status is van de bevroren tegoeden en aan wie de tegoeden uiteindelijk toekomen.

Het doel van Verordening 208/2014 is «het bevriezen en recupereren van vermogensbestanddelen van personen die als verantwoordelijk geïdentificeerd zijn voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen en personen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen in Oekraïne». Ingevolge deze verordening worden de tegoeden van personen, die op de tot deze verordening horende lijst staan, bevroren. De bevriezingsmaatregel strekt niet tot onteigening maar tot (tijdelijke) beperking van de beschikkingsbevoegdheid van de eigenaar. De tegoeden blijven bevroren totdat op Europees niveau wordt besloten dat er geen gronden meer zijn om de desbetreffende personen of entiteiten op een sanctielijst te houden en zij van de sanctielijst af worden gehaald.

Als ten aanzien van de personen op de lijst bij Verordening 208/2014 is aangetoond is dat er sprake is van het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen dan kan ook strafrechtelijk beslag gelegd worden op de tegoeden met als doel deze terug te geleiden naar Oekraïne.

Toezicht DNB

De leden van de GroenLinks-fractie vragen zich af waarom DNB pas in oktober 2014 besloten heeft onderzoek te doen naar de wijze waarop financiële instellingen de sancties uitvoeren.

DNB houdt doorlopend toezicht op de naleving van de Sanctiewet 1977. In de brief van 12 mei 2014 van de Minister van Financiën8 wordt toegelicht welke handhavingsinstrumenten zij daartoe tot haar beschikking heeft. Daarnaast voert DNB jaarlijks verschillende themaonderzoeken uit. De naleving van de sanctieregelgeving wordt de laatste jaren ook meegenomen in deze themaonderzoeken. Het themaonderzoek kan ook specifiek zijn gericht op de Sanctiewet 1977 zoals in 2014 en 2015. De recente sanctiemaatregelen gericht op Oekraïne en Rusland waren voor DNB aanleiding om in 2014, naast het doorlopend toezicht, specifiek aandacht te besteden aan de naleving van deze sanctiemaatregelen. Deze sancties behelsden nieuwe, complexe maatregelen, zoals kapitaalmarktrestricties. Daarnaast betreft het sancties die door de geografische ligging van de landen die het betreft meer gevolgen hebben voor Nederland, anders dan bijvoorbeeld de eveneens vergaande sancties tegen Syrië.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of in de tijd voor het onderzoek van DNB onvoldoende bekend was of de sancties wel volledig en juist werden uitgevoerd door financiële instellingen.

Door de thematische aanpak en het doorlopend toezicht heeft DNB een goed overzicht van het niveau van naleving van de Sanctiewet 1977 door financiële instellingen. DNB heeft een Leidraad «DNB leidraad Wwft en Sw, Voorkoming misbruik financiële stelsel voor witwassen en financieren van terrorisme en beheersing van integriteitrisico’s» gepubliceerd, onder meer inzake de naleving van de Sanctiewet 1977, en actualiseert deze periodiek. Hiermee ondersteunt zij de financiële sector bij de implementatie van de sancties.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar de effectiviteit van de sancties.

DNB is nauw betrokken bij de juiste implementatie van sancties. Zo heeft zij al voor het van kracht worden van sancties inzake Oekraïne, bij brief van 21 februari 2014, financiële ondernemingen omtrent de aangekondigde sanctiemaatregelen geïnformeerd zodat zij zich konden voorbereiden op de onmiddellijke implementatie daarvan. Daarbij heeft DNB ook gewezen op de verplichtingen op grond van reguliere wetgeving tegen witwassen, mede om het belang te benadrukken van het voorkomen dat corruptiegelden zouden worden weggesluisd. Bij het intreden van de sancties droeg DNB actief bij aan de voorlichting van de financiële sector. Daarnaast houdt DNB toezicht, zowel doorlopend als thematisch, met indien nodig de inzet van handhavingsinstrumenten. Het tijdig signaleren, de voorlichting en het doorlopend toezicht dragen bij aan de naleving van de Sanctiewet 1977 door financiële ondernemingen en daarmee aan de effectiviteit van de sancties. Gezien de complexiteit van sancties en de snelle veranderingen op dit vlak blijft dit terrein bijzondere aandacht houden.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen in welke mate financiële instellingen moeite doen om de uiteindelijke zeggenschap bij een klant te achterhalen.

Het vaststellen van de uiteindelijk belanghebbende is een belangrijk onderdeel van het cliëntenonderzoek. Zo krijgt dit onderwerp bijzondere aandacht in de leidraad van DNB. Daarnaast schrijft de Regeling Toezicht Sanctiewet 1977 voor dat financiële instellingen maatregelen treffen om te controleren of relaties van de instelling voorkomen op één of meer sanctielijsten. De Regeling Toezicht Sanctiewet 1977 geeft een ruime invulling aan het begrip relatie. Onder relatie wordt verstaan, de cliënten van een instelling, de begunstigden van een transactie of, de uiteindelijk belanghebbende van financiële middelen, correspondentbanken en de wederpartij bij een financiële transactie of product.9 Meer details over de inhoud van deze verplichting en meer specifiek de aandacht voor vennootschapsrechtelijke constructies om sancties te ontwijken vindt u in de brief van de Minister van Financiën van 4 juli 201410. Het vaststellen van de uiteindelijk belanghebbende heeft altijd de volle aandacht van DNB bij integriteit toezichtonderzoeken, zowel op het terrein van witwassen als sancties.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe het kabinet de conclusie van DNB beoordeelt naar aanleiding van het eerste onderzoek over het naleven van de sanctiewet dat «de activiteiten van de relatie onderbelicht worden bij trustkantoren».

De Minister van Financiën is het met DNB eens dat er een bijzondere inspanning gevraagd kan worden van de trustsector. De Regeling Toezicht Sanctiewet 1977 en de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren 2014 stellen hoge eisen aan trustkantoren voor wat betreft de kennis die zij moeten hebben van hun relaties. Daar ligt het eerste aangrijpingspunt voor de adequate naleving van financiële sancties. Daarnaast kunnen ook de activiteiten van een relatie, zoals een uiteindelijk belanghebbende of een doelvennootschap, onder de werking van de sanctiemaatregelen vallen. De eisen die worden gesteld aan trustkantoren zijn, zoals aangekondigd in de brief van 14 mei 201411 van de Minister van Financiën aangescherpt per 1 januari 2015.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen om hoeveel trustkantoren het gaat en op welke wijze DNB heeft opgetreden tegen financiële instellingen die de sanctiewetgeving onvoldoende naleefden.

Voor het themaonderzoek uit 2014 naar sancties zijn 14 trustkantoren onderzocht. In de afgelopen jaren zijn er bij verschillende financiële instellingen maatregelen getroffen inzake de onvoldoende naleving van de Sanctiewet 1977, zoals een last onder dwangsom. Ook is het mogelijk dat op basis van de bevindingen van toezichtsonderzoek instellingen een plan van aanpak aanleveren om onvolkomenheden in de beheersing te herstellen – dat kan ook op verzoek van DNB. DNB controleert of de aanpak de zaken voldoende adresseert en of het plan goed wordt uitgevoerd.

Momenteel verricht DNB vervolgonderzoek naar het uitvoeren van de sancties door financiële instellingen. De leden van de GroenLinks-fractie vragen wanneer de uitkomsten daarvan bekend worden.

Deze resultaten worden in algemene zin via nieuwsbrieven teruggekoppeld aan de verschillende sectoren, en kunnen verder aanleiding geven tot aanpassing van de eerdergenoemde Leidraad. Zo heeft DNB inmiddels een deel van de uitkomsten gepubliceerd in de Nieuwsbrief Trustkantoren van maart 2015.12 Overigens is het thema «Sancties» door DNB opgenomen in de Thema's DNB toezicht 2015 en zal er dus verder onderzoek plaatsvinden later in 2015.

Uiteindelijk Belanghebbende register

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering de mening deelt dat de sancties zouden benadrukken dat maximale transparantie over in Nederland gestalde vermogens en de uiteindelijke belanghebbende daarvan, nodig zou zijn. In dat kader zien deze leden een rol voor een openbaar register van uiteindelijke belanghebbenden (UBO-register). Zij vragen of de regering streeft naar het instellen van een UBO-register, of de regering zich wil inspannen voor het op korte termijn realiseren hiervan en of hiervoor een streefdatum kan worden gegeven. De leden van de GroenLinks-fractie suggereren 1 januari 2016 als streefdatum omdat dit een datum is die wordt gehanteerd in de herziene administratieve bijstandsrichtlijn.

Eind 2014 is een akkoord bereikt tussen de Raad van Ministers en het Europees parlement over een vierde richtlijn tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. Op grond van deze richtlijn moet iedere lidstaat een UBO-register instellen. In de overwegingen bij deze richtlijn is opgenomen dat UBO-informatie een belangrijke factor is bij het opsporen van criminelen die hun identiteit achter een bedrijfsstructuur verbergen. De regering onderschrijft dit. De mate van openbaarheid van dit UBO-register is een belangrijk onderwerp van gesprek geweest tussen Raad en parlement en in de uiteindelijke tekst van de richtlijn is een balans gevonden tussen enerzijds de bescherming van de privacy en de fysieke veiligheid van UBO’s en anderzijds de belangen van toezicht en opsporing, naleving door meldingsplichtige instellingen en transparantie in meer algemene zin. De definitieve richtlijntekst zal naar verwachting in de zomer van 2015 beschikbaar zijn, dan kan het proces van implementatie in Nederlandse wetgeving beginnen. Voor de richtlijn geldt een implementatietermijn van 2 jaar; de implementatie, en dus het instellen van een UBO-register, zal dan ook halverwege 2017 moeten zijn voltooid. Wij zullen deze implementatietermijn aanhouden en niet die van de herziene administratieve bijstandsrichtlijn. Gezien het feit dat het instellen van een UBO-register een relatief complex ICT-project is dat met zorg moet worden uitgevoerd en gezien het feit dat voor de implementatie aanpassing van formele wetgeving nodig is, is een implementatiedatum halverwege 2017 naar het oordeel van de regering zeker niet ruimhartig.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of het kabinet de mening deelt dat registratie van personen die het UBO-register inzien, het betalen van een vergoeding voor die inzage en de mogelijkheid om in specifieke, individuele gevallen een uitzondering op openbaarheid te maken, genoeg waarborgen biedt voor de veiligheid van de betrokken UBO’s.

In de richtlijntekst is inderdaad opgenomen dat personen of organisaties met een legitiem belang bij het vergaren van informatie gerelateerd aan het tegengaan van witwassen, terrorismefinanciering en de bijbehorende gronddelicten, die toegang wensen tot het UBO-register, gevraagd kunnen worden om hiervoor een vergoeding te betalen en om zich online te registreren. Indien sprake is van risico op fraude, kidnapping, afpersing, geweld of intimidatie, of wanneer de UBO minderjarig is of anderszins wilsonbekwaam, kan de toegang tot UBO-informatie worden beperkt, wanneer die toegang wordt gevraagd door personen of organisaties met een dergelijk legitiem belang of door bepaalde categorieën meldingsplichtige instellingen. Deze bepalingen zijn opgenomen om de inzage in het register in overeenstemming te brengen met regelgeving over bescherming van persoonsgegevens en om fysieke en andere veiligheidsrisico’s voor UBO’s, die zouden kunnen voortvloeien uit openbaarmaking van hun persoonsgegevens via toegang tot het UBO-register, te beperken.

Fiscale regelgeving Oekraïense oligarchen

De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet er van op de hoogte is dat niet alleen buitenlandse ondernemers gebruik maken van de gunstige fiscale regelingen in Nederland maar dat ook Oekraïense oligarchen gebruik maken van de Nederlandse fiscale mogelijkheden. De leden van de CDA-fractie vragen wat het kabinet hiervan vindt en wat het kabinet gaat doen om dit te voorkomen.

Voor iedere inwoner van Oekraïne of Nederland waarop het verdrag en de respectievelijke nationale wetgeving van toepassing is, gelden de rechten en verplichtingen van die regelgeving. Wanneer er echter misbruik wordt gemaakt moet dit voorkomen worden. Dit wordt bijvoorbeeld bereikt met anti-misbruikbepalingen zowel in nationaal als in internationaal verband.

Leningen aan Oekraïne

De leden van de SP-fractie vragen om aan te geven welke voorwaarden er zijn verbonden aan de leningen die de Europese Commissie aan Oekraïne zal verstrekken (€ 1,8 miljard).

In het inmiddels door het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie goedgekeurde nieuwe Macro Financial Assistance (MFA) programma van maximaal € 1,8 mld in leningen, benadrukt de Europese Commissie de noodzaak van goede afspraken over het doorvoeren van hervormingen en maatregelen omtrent onder andere public finance management en corruptiebestrijding, handel en belastingen, de energiesector en de financiële sector. Daarnaast is begin maart een nieuw IMF-programma door de Board goedgekeurd, inclusief de daaraan verbonden voorwaarden, welke een vereiste is voor MFA steun. Van de Europese Commissie wordt op korte termijn een formele uitwerking van de voorwaarden in de Memorandum of Understanding verwacht. De nieuw verkozen Oekraïense regering heeft aangegeven het als haar voornaamste taak te zien om te voldoen aan het doorvoeren van de hervormingen die verbonden zijn aan de verschillende steunprogramma’s. Nederland zal zowel binnen de EU als richting Oekraïne het belang van hervormingen blijven onderstrepen en erop wijzen dat de Oekraïense regering hiervoor verantwoordelijkheid moet nemen.

De leden van de SP-fractie vragen of het bekend is of eerdere leningen aan Oekraïne op een juiste manier zijn besteed.

Het totaal van de eerste twee MFA-programma’s aan Oekraïne bedraagt € 1,61 miljard in de vorm van leningen, waarvan de laatste tranche van € 250 miljoen op 31 maart 2015 is uitgekeerd. De Europese Commissie stelt in haar evaluatie dat de Oekraïense autoriteiten voldoen aan de economische en structurele hervormingen die als voorwaarde gelden voor uitkering van de laatste tranche, ondanks de uitermate moeilijke omstandigheden waarin Oekraïne verkeert. Met name op het gebied van monetair beleid (grotendeels loslaten valuta), budgettaire consolidatie en hervormingen van de energie- en bankensector zijn belangrijke stappen gezet. Daarnaast zijn maatregelen genomen om corruptie te bestrijden door de invoering van een anti-corruptie wetgevingspakket en werden significante wijzigingen doorgevoerd in de wetgeving omtrent de toekenning van overheidsopdrachten.