Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201224587 nr. 467

24 587 Justitiële Inrichtingen

Nr. 467 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 april 2012

Met deze brief bied ik uw Kamer de eindrapportage Betere Start aan.1 Voordat ik nader inga op de resultaten, schets ik eerst beknopt de aard van het project Betere Start en de context ervan. Ik besluit mijn brief met mijn voornemens over het vervolg van Betere Start.

In 2007 is mijn ministerie gestart met het project «Betere Start»2, een experimentele pilot (2007–2012) gericht op vermindering van risicofactoren bij de kinderen van gedetineerde moeders. In dit project is opvoedingsondersteuning aangeboden aan de moeders gedurende het einde van hun detentie en de eerste fase daarna. Daaraan gekoppeld is een onderzoek naar het effect van deze interventie op gedragsproblemen bij de kinderen van deze moeders, een belangrijke risicofactor voor later delinquent gedrag. Voor zover bekend is dit – ook internationaal – de eerste studie naar de effecten van een interventie bij gedetineerde moeders op de gedragsproblemen van hun kinderen. Betere Start is uitgevoerd door de Universiteit Utrecht.

Project Betere Start

Wetenschappelijk onderzoek3 laat zien dat kinderen van criminele ouders een sterk verhoogd risico lopen om gedragsproblemen te vertonen en zelf ook op het criminele pad te belanden (transgenerationele overdracht van criminaliteit). Dit geldt in nog sterkere mate wanneer het de moeder betreft. Belandt een vader in detentie, dan kan in de meeste gevallen het gezin min of meer blijven doordraaien. Verdwijnt echter de moeder achter de tralies dan moeten de kinderen, veelal tijdelijk, elders ondergebracht worden – zeker als het een alleenstaande moeder betreft – en is de impact voor het gezin dus veel groter.

Ook kunnen de criminogene denkpatronen die gepaard gaan met het plegen van de delicten (zoals egocentrisme, fatalisme, stelselmatig de schuld voor eigen fouten aan anderen geven, minimaliseren van eigen rol), van invloed zijn op het opvoedingsgedrag. Zowel voor moeders als voor kinderen is de detentieperiode ingrijpend. Méér dan gedetineerde vaders geven moeders die vastzitten aan vaak te worstelen met hun rol als opvoeder en het functioneren als rolmodel voor hun kinderen. Zeker wanneer ze na hun detentie weer terug naar huis gaan en deze rol weer in het dagelijks leven moeten vervullen. Het doel van Betere Start is ervoor te zorgen dat gedetineerde moeders in de overgangsfase van detentie naar gezinssituatie steviger in hun schoenen staan om thuis de opvoeding weer op te pakken. Adequatere opvoedingsvaardigheden kunnen het negatieve effect van de detentie voor de kinderen beperken en de vicieuze cirkel van transgenerationele overdracht doorbreken.

De interventie Betere Start is gebaseerd op de – reeds aangetoond effectieve – interventie Incredible Years4, met een aanpassing specifiek naar de situatie van detentie. De interventie is erop gericht de moeders opvoedingsvaardigheden bij te brengen en hen te leren eigen keuzes te maken en zelf verantwoordelijkheid te nemen. In de training leren de moeders positieve interacties met hun kinderen, positieve bekrachtigingstechnieken, niet-agressieve en consistente disciplineringstechnieken en bevordering van sociaal competent gedrag.

De training gaat van start tijdens de laatste maanden van de detentie en loopt door als de moeders weer terug zijn in hun gezin (follow-up fase met huisbezoeken en telefonisch contact). Die overgang verloopt geleidelijk: gedurende de laatste detentiefase oefenen de vrouwen tijdens weekendverlof het geleerde opvoedingsgedrag in de thuissituatie, waarna ze hun ervaringen daarmee in de volgende training kunnen bespreken.

Het project is najaar 2007 gestart en het onderzoek omvat in totaal zes interventiegroepen (plus zes controlegroepen), die halfjaarlijks van start gingen van najaar 2007 t/m voorjaar 2010. Doordat de effectiviteit gemeten werd over een langere periode (de effecten bij deze kinderen tot een aantal jaren na de detentie van moeder), ontstond er een overbruggingsperiode tussen de laatste interventiegroep en het bekend worden van de resultaten. Ik heb ervoor gekozen om tijdens deze periode te blijven doorgaan met het aanbieden van de interventie, in afwachting van de resultaten van het onderzoek. De halfjaarlijkse groepen Betere Start zijn dus gecontinueerd. Deze groepen zijn niet meer meegerekend bij het onderzoek en daardoor waren geen controlegroepen meer nodig. Dat wil zeggen dat vanaf de najaarsgroep 2010 tot op heden alle vrouwen die zich aanmeldden en die voldeden aan de criteria, konden deelnemen aan de interventie Betere Start.

Algemeen beeld vrouwelijke gedetineerden

Betere Start is niet voor àlle gedetineerde moeders toepasbaar. Jaarlijks worden rond de 3 000 vrouwen gedetineerd in één van de vijf vrouwengevangenissen. Gemiddeld zo’n 15% daarvan is afkomstig uit het buitenland en/of zonder verblijfsstatus, en verlaat het land direct na de detentie. Van de in Nederland wonende vrouwen verblijft bijna 80% korter dan drie maanden in detentie (bijna 60% zelfs korter dan één maand). Ongeveer 20% heeft dus voldoende straf(restant) om de interventie Betere Start te doorlopen in de overgangsfase van detentie naar huis.

Naar schatting ongeveer 70% van de gedetineerde vrouwen is moeder van tenminste één minderjarig kind. Deelname aan Betere Start is zinvol wanneer de kinderen tussen de 2 en 10 jaar oud zijn.

Over het algemeen is de detentie slechts één van de factoren in een scala van uiteenlopende problemen in het gezin. Een kleinschalig onderzoek (65 kinderen van 30 moeders) blijkt dat voorafgaand aan de detentie reeds 40% van de kinderen uit huis was geplaatst en het gezin al dus al uiteengevallen was vóór de detentie van de moeder. Ook in de 60% van de gevallen waar de kinderen wél bij de moeder wonen, is volgens de onderzoekers zeker niet altijd sprake van een stabiele leefsituatie. Vaak zijn er al gezinsproblemen (instabiele situaties, verwaarlozing, drugsproblematiek en mishandeling). In het Betere Start onderzoek wordt eveneens een dergelijke complexe gezinsproblematiek geschetst. Naast hun demografische kenmerken en lage sociaaleconomische status, heeft een groot deel van de moeders een problematische voorgeschiedenis. In de intakegesprekken voor Betere Start werden door de moeders de volgende zaken gemeld: 52,8% heeft één of meerdere abortussen ondergaan, 34% is mishandeld, 16% is seksueel misbruikt, 11,1% is verkracht. Voor ongeveer een derde van de moeders was de huidige detentie niet de eerste. Ruim een vijfde van de moeders meldt dat tenminste één van haar ouders een gevangenisstraf heeft uitgezeten.

Niet alleen bij de moeders maar ook bij de kinderen is reeds voor aanvang van de detentie sprake van een hogere score op (gedrags)problemen, zowel ten opzichte van Nederlandse normscores als ten opzichte van een vergelijkingsgroep van kinderen uit gezinnen met lage sociaaleconomische status maar zonder detentie van de moeder. Tevens hebben zij aanzienlijk meer ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt (o.a. vaker blijven zitten, meer verhuizingen, vaker nieuwe partner van de moeder).

Doelgroep Betere Start

Betere Start is een gerichte interventie voor een specifieke doelgroep. Essentieel voor de effectiviteit van de interventie zijn de volgende in- en exclusiecriteria.

Betere Start is ontwikkeld voor vrouwen in de laatste drie maanden van hun detentie tot zes maanden na het einde van hun detentie. De moeders dienen een reëel perspectief te hebben om na de detentie weer primair opvoeder te worden. Ook moeten ze een verblijfsstatus hebben en mag bij hen geen sprake zijn van een psychotische stoornis.

Vanwege de pedagogische aanpak die wordt aangeleerd, is Betere Start alleen geschikt voor moeders van kinderen tussen de 2 en 10 jaar oud die geen pervasieve ontwikkelingsstoornis (PDD)5 hebben en niet verstandelijk gehandicapt zijn met een IQ lager dan 50. En tot slot mag de veiligheid van de medewerkers gedurende de thuisbezoeken nooit in het geding zijn.

Een – aanzienlijk – deel van de gedetineerde moeders en hun kinderen voldoet dus niet aan de criteria voor Betere Start. Vaak is hun gezinssituatie dermate problematisch dat de detentiesituatie niet de meest geëigende situatie is en een oudertraining niet voldoende (of zelfs niet geschikt) om deze problemen op te lossen. Deelname aan de interventie Betere Start is niet alleen voor deze vrouwen zelf (op dat moment) ongewenst, maar zou bovendien het groepsproces te veel beïnvloeden.

Veelal is voorafgaand aan de detentie al hulp in deze gezinnen aanwezig en na de detentie zal deze hulp hervat en wellicht zelfs geïntensiveerd moeten worden. In die gevallen is detentie wel een belangrijk signaleringsmoment en kan rondom de voorbereiding van de uitstroom en nazorg extra hulp worden ingeschakeld. Voor de gang van zaken rondom de arrestatie en detentie van vrouwen verwijs ik kortheidshalve naar de brief van de Minister voor Jeugd en Gezin d.d. 7 juli 20096 en mijn brief van 26 oktober 20117.

Resultaten Betere Start

Alle dossiers van vrouwen in de eindfase van hun detentie (in alle vijf vrouwengevangenissen) zijn gescreend of ze in aanmerking leken te komen voor Betere Start. Zo ja, dan werden ze persoonlijk benaderd om hen te informeren over dit project, verdere screening uit te voeren en te vragen of zij willen deelnemen. In totaal 113 vrouwen hebben zich aangemeld voor deelname (88% van de vrouwen die in aanmerking kwamen). Deze 113 vrouwen, met samen 168 kinderen van 2 t/m 10 jaar oud, zijn random verdeeld over een interventiegroep (N=86) en een controlegroep (N=27).

De resultaten van het onderzoek zijn positief. Betere Start heeft significante effecten op gedragsproblemen bij kinderen en opvoedingsgedrag door moeders, belangrijke risicofactoren voor later crimineel gedrag. In vergelijking met de controlegroep is er in de interventiegroep een verlaging van zowel het aantal gedragsproblemen bij kinderen als de intensiteit ervan. Bij kinderen van moeders die de interventie niet gehad hebben, nemen de gedragsproblemen juist toe.

De diverse problemen waren na de interventie Betere Start 19 tot 32% minder dan zonder de interventie. De gemiddelde effecten voor preventieve oudertrainingen zijn 5%, en daarmee substantieel.

Daarnaast is er, doordat de opvoedingsvaardigheden van deze moeders versterkt worden. Inconsequente discipline heeft een duidelijk verband met (later) crimineel gedrag; risicofactor inconsequent opvoeden wordt door de interventie Betere Start gereduceerd, een afname van 32%

Ook effect op recidive moeders?

Betere Start richt zich primair op een gewenst effect bij de kinderen. Gedurende de looptijd van het project is echter gebleken dat er mogelijk ook een positief effect op de moeders blijkt, in termen van recidivevermindering. De cognitieve vertekeningen waaraan in de trainingen gewerkt wordt in het kader van de opvoeding, zijn veelal dezelfde die ook aan het criminele gedrag ten grondslag lagen. De training heeft in dat geval ook effect op de criminogene denkpatronen van de moeders en kan een positieve invloed hebben op de recidive. Daarom heb ik de Universiteit Utrecht gevraagd ook dit effect te onderzoeken. In de loop van 2012 wordt voor alle deelnemende moeders uit de gehele looptijd van het onderzoek de recidive in beeld gebracht. Indien dit positieve effect inderdaad blijkt aan te tonen, zal Betere Start worden ingediend voor erkenning door de Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie.

Vervolg Betere Start

De behaalde resultaten van dit project zijn veelbelovend.

Kinderen met een gedetineerde moeder zijn buiten hun schuld in een situatie terechtgekomen die, ook op langere termijn, negatieve effecten op hen kan hebben, zoals gedragsproblemen en een sterk verhoogd risico om in de criminaliteit te belanden. Begonnen als kleinschalig experiment is een interventie ontwikkeld (en de effectiviteit bewezen) die een groot verschil kan maken voor deze zeer kwetsbare groep. Bovendien is het gelukt een moeilijk bereikbare doelgroep te bereiken en te motiveren tot deelname aan deze interventie.

Gelet op deze resultaten zal ik Betere Start blijven aanbieden aan gedetineerde moeders. Continuering voor 2012 en 2013 is op dit moment reeds voorzien.

Eind 2012 of begin 2013 zullen de resultaten bekend zijn van het onderzoek naar effecten op de recidive van de moeders. Mede op basis daarvan zal ik bezien hoe Betere Start vanaf 2014 structureel geborgd zal worden.

Nu we een aantoonbaar effectieve interventie hebben die we deze moeders kunnen aanbieden in de fase dat wij hen nog eenvoudig kunnen bereiken (namelijk wanneer zij nog in detentie zitten), hebben we een kans om de negatieve spiraal van transgenerationele criminaliteit te doorbreken en deze kinderen een betere start te geven.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
2

Parlementaire toezeggingen en verwijzingen:

– Brief Jeugdsancties Nieuwe Stijl, 28 september 2004 (TK 2004–2005, 28 741, nr 112)

– Schriftelijke antwoorden n.a.v. begrotingsbehandeling 2006, 18 november 2005 (TK 2005–2006, 30 300 VI, nr. 67).

– Brief Visie kinderen van gedetineerde moeders, 7 juli 2009 (TK 2008–2009, 31 700 XVII, nr. 53).

X Noot
3

O.a. Lipsey en Derzon, 1998; Murray & Farrington, 2008.

X Noot
4

Incredible Years – en daarmee ook Betere Start – is in februari 2012 door het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) opgenomen in de Databank Effectieve Jeugdinterventies als bewezen effectieve jeugdinterventie op het hoogste niveau.

X Noot
5

Het DSM-IV onderscheidt de volgende pervasieve ontwikkelingsstoornissen: autistische stoornis, syndroom van Rett, desintegratiestoornis van de kinderleeftijd, syndroom van Asperger en restcategorie PDD-NOS.

X Noot
6

TK 2008–2009, 31 700 XVII, nr. 53.

X Noot
7

TK 2011–2012, 24 587, nr. 443.