24 557 Kansspelen

30 234 Toekomstig sportbeleid

Nr. 177 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 september 2021

Op 8 juli jl. heeft uw Kamer een motie aangenomen van het lid Rudmer Heerema, waarin wordt verzocht om de regelgeving op het terrein van kansspelreclame op korte termijn zodanig aan te passen dat het verbod op reclame door beroepssporters alleen van toepassing is op risicovolle kansspelen (Kamerstuk 30 234, nr. 267). Hierbij informeer ik u over de wijze waarop ik uitvoering geef aan deze motie.

Concreet gaat het om artikel 4 van de Regeling werving, reclame, verslavingspreventie kansspelen (RWRVK), waarin momenteel voor alle kansspelen is bepaald dat:

  • 1. vergunninghouders voor wervings- en reclamedoeleinden in ieder geval geen gebruikmaken van individuele beroepssporters of een team bestaande uit beroepssporters.

  • 2. vergunninghouders geen gebruik mogen maken van andere rolmodellen, voor zover die rolmodellen jonger dan 25 jaar zijn of substantieel bereik hebben onder minderjarigen of jongvolwassenen.

  • 3. een uitzondering geldt voor wat betreft de sponsoring van individuele beroepssporters of teams; zij mogen dus wel bijvoorbeeld shirtsponsoring ontvangen maar niet optreden in reclame.

Deze beperkingen op het gebruik van beroepssporters en andere rolmodellen in werving en reclame zijn, mede naar aanleiding van de eerder aangenomen moties van de leden Mei Li Vos c.s.1 en Van der Graaf c.s.2, in de regelgeving opgenomen ter bescherming van minderjarigen en jongvolwassenen.

Het totaalverbod op de inzet van beroepssporters in werving en reclame (sponsoring uitgezonderd) is ingegeven vanuit het idee dat juist beroepssporters door minderjarigen en jongvolwassen vaak als rolmodel worden gezien. Tegelijkertijd is het de vraag of dat een totaalverbod voor alle vergunninghouders rechtvaardigt. De motie Heerema wijst er terecht op dat dit bij meer risicovolle kansspelen meer voor de hand ligt dan bij kansspelen die weinig verslavingsrisico’s met zich meebrengen.

Ik zie dan ook enige ruimte om de regelgeving op dit punt aan te passen, waarbij ik tegelijkertijd consistent dien te blijven met het verbod op de inzet van (andere) rolmodellen die jonger zijn dan 25 jaar of substantieel bereik hebben onder minderjarigen of jongvolwassenen, zoals volgt uit de motie Van der Graaf c.s. Het is immers niet uit te leggen wanneer voor bepaalde aanbieders de ruimte om beroepssporters in te zetten in werving en reclame groter zou worden dan de ruimte om andere rolmodellen in te zetten, terwijl tegelijkertijd bekend is dat juist beroepssporters relatief vaak als rolmodel worden gezien door minderjarigen en jongvolwassenen.

Ik zie op basis van beide moties ruimte om aan vergunninghouders die risicoarme kansspelen aanbieden gelegenheid te geven om (teams van) beroepssporters in te zetten in werving en reclame, maar alleen voor zover die beroepssporters minimaal 25 jaar oud zijn en ook geen substantieel bereik hebben onder minderjarigen en jongvolwassenen.3 Daarbij acht ik het van belang om de groep aanbieders van risicoarme kansspelen die deze ruimte krijgt beperkt te houden tot de staatsloterij, de lotto en de goede doelen loterijen. Daarmee sluit ik aan bij de aanbieders die op grond van de Mediawet na 19:00 reclame voor kansspelen mogen uitzenden. In deze context reken ik dus ook de instantloterij (krasloten), landgebonden sportweddenschappen en de totalisator (harddraverijen/paardenrennen) tot de meer risicovolle kansspelen, omdat het risicoprofiel van deze kansspelen wezenlijk hoger is dan het geval is bij de staatsloterij, de lotto en de goede doelen loterijen.

Ik zal hiertoe op korte termijn de RWRVK aanpassen. Ik verwacht dat deze aanpassing later dit jaar van kracht zal kunnen worden. De regels omtrent reclame zullen meegenomen worden bij de evaluatie van de Wet kansspelen op afstand.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

Kamerstuk 33 996, nr. 58

X Noot
2

Kamerstuk 24 557, nr. 161

X Noot
3

Bij een team geldt dan dat zich in het team geen beroepssporters mogen bevinden die jonger zijn dan 25 jaar of substantieel bereik hebben onder minderjarigen of jongvolwassenen.

Naar boven