Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202024515 nr. 558

24 515 Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting

Nr. 558 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 juli 2020

Inleiding

Het Bureau ICT-toetsing (BIT) heeft in de periode 5 december 2019 tot 1 maart 2020 onderzoek verricht naar het programma Implementatie Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (vBVV) en heeft op 19 juni het definitieve advies opgeleverd. Ik beschouw dit stevige advies als waardevol en dank het BIT voor het uitbrengen hiervan. Tijdens en uiteraard ook na de onderzoeksperiode van het BIT is op volle kracht doorgewerkt met als gevolg dat een deel van de aangehaalde aandachtspunten inmiddels is opgelost of dat de daaraan verbonden risico’s een beheersbare omvang hebben verkregen. Andere aanbevelingen zijn direct na het verschijnen van het advies opgepakt en voor enkele maatregelen geldt dat dit op korte termijn wordt gedaan. Met deze brief bied ik u het BIT-advies aan1 vergezeld van mijn reactie hierop.

Wet vereenvoudiging beslagvrije voet

De beslagvrije voet heeft als doel dat een schuldenaar voldoende middelen overhoudt om in de basale kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien bij beslag op of verrekening van een inkomen of toeslag. Hiermee wordt een bestaansminimum gegarandeerd aan hen die wegens schulden met beslaglegging worden geconfronteerd. Om deze garantie beter te borgen en om de coördinatie tussen verschillende beslagleggende partijen beter op elkaar af te stemmen is de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (Kamerstuk 34 628)(de wet) aangenomen (Handelingen II 2016/17, nr. 54, item 3).2

De wet biedt een oplossing voor de onwenselijke situatie waarbij de beslagvrije voet te laag wordt vastgesteld vanwege het niet, niet volledig of niet tijdig aanleveren van de gegevens die onder de huidige wettelijke regels nodig zijn om een juiste berekening te kunnen uitvoeren. De wet vereenvoudigt de berekeningswijze zodanig dat een beslagleggende partij in de meeste gevallen op basis van de informatie uit de Basisregistratie Personen (BRP) en de Polisadministratie van het UWV de beslagvrije voet correct kan berekenen.

Implementatie

De implementatie van deze wet is een gecompliceerd traject, waarbij een groot beroep wordt gedaan op de samenwerking tussen de Ministeries van SZW, Financiën en Justitie & Veiligheid en de verschillende betrokken ketenpartners Belastingdienst, CJIB, IB, KBvG, LBIO, SNG, SVB, UvW, VNG en UWV (BKWI). Vanwege de noodzakelijke geautomatiseerde gegevensverstrekking- en uitwisseling tussen de vele betrokken partijen en de daarmee gepaard gaande ICT-aanpassingen kostte de implementatie van de wet meer tijd dan vooraf voorzien. In dat kader is uw Kamer via de brieven van 15 november 20183 en 13 februari 20194 geïnformeerd dat inwerkingtreding van de wet is voorzien op 1 januari 2021. Het streven is nog steeds gericht op deze datum, waarbij ik voor een aantal organisaties de mogelijkheid van een overgangstermijn van maximaal 6 maanden in de wet zal opnemen, zoals ook in de brief van 29 mei jl. aan uw Kamer kenbaar is gemaakt.5

Het maatschappelijk belang van een spoedige inwerkingtreding wordt onderstreept door de reële verwachting dat er meer mensen te maken zullen krijgen met schulden als gevolg van de huidige crisis rond het corona-virus. De constatering van het BIT dat deze wet bijdraagt aan het terugdringen van de schuldenproblematiek zie ik dan ook als steun in de rug om samen met de betrokken partijen de komende maanden extra stappen te zetten.

Ik hecht eraan te benadrukken dat de organisaties die het merendeel van de beslagen voor hun rekening nemen op schema liggen om per 1 januari 2021 met de nieuwe wet aan de slag te kunnen. Hierdoor kan de beslagvrije voet voor mensen met schulden beter worden gerespecteerd. Partijen die gebruik moeten maken van de overgangstermijn zullen voor nieuwe beslagen de beslagvrije voet op de huidige berekeningswijze vaststellen. In deze gevallen wordt alsnog een beroep gedaan op de schuldenaar om de eigen gegevens aan te leveren en zo de juiste berekening te kunnen uitvoeren. Gedurende het jaar wordt deze oude beslagvrije voet via de nieuwe rekenmethode omgeslagen naar de nieuwe beslagvrije voet. Het gebruik van de overgangstermijn zal strikt worden ingekaderd zodat dit tot het hoognodige minimum wordt beperkt. Deze overgangstermijn zal met name worden gebruikt door organisaties die belast zijn met de inning van lokale belastingen. Het meenemen van softwarereleases aan het einde van het jaar die nodig zijn voor de invoering van deze wet luistert nauw. Eventuele onvoorziene tegenslagen kunnen risico’s met zich meebrengen voor de algehele inning van lokale belastingen. Hierbij geldt dat het inningsproces bij de lokale belastingen zo is ingericht dat het merendeel van de nieuwe beslagen in de tweede helft van het jaar wordt gelegd. Deze beslagen komen grotendeels dus pas op na afloop van de overgangstermijn.

Het BIT-advies

Zoals het BIT beschrijft lag de focus van het onderzoek op de centrale voorzieningen die het programma vBVV realiseert, zoals de rekentool waarmee beslagleggende partijen de nieuwe beslagvrije voet kunnen berekenen. De voorzieningen die door de Belastingdienst, het UWV en de gerechtsdeurwaarders6 – de zogeheten zelfbouwende partijen – worden gerealiseerd maken derhalve geen onderdeel uit van de BIT-toets. Deze zelfbouwende partijen ontwikkelen en bouwen de voor de uitvoering van de wet benodigde ICT-voorzieningen, zoals een rekentool, zelf. De door het programma vBVV te realiseren centrale voorzieningen worden ontwikkeld en gebouwd voor de andere beslagleggende partijen waaronder CJIB, SVB, LBIO, waterschappen en gemeenten. Deze zelfbouwende partijen nemen een significant deel van de te leggen beslagen voor hun rekening nemen en zoals hiervoor beschreven liggen deze partijen op schema om invoering van de wet per 1 januari 2021 te realiseren.

Het BIT bevestigt dat het programma vBVV bijdraagt aan de aanpak van een urgent maatschappelijk probleem. Het BIT verwacht niet dat alle partijen op 1 januari 2021 in staat zullen zijn de wet te implementeren. Ook denkt het BIT dat verdere doorontwikkeling van de centrale voorzieningen onnodig ingewikkeld wordt. Om de kans op verdere uitloop te beperken adviseert het BIT de sturing op de implementatie te versterken en snel een aantal maatregelen te nemen. Daarnaast adviseert het BIT om een aantal organisatorische en functionele keuzes die in het kader van deze implementatie zijn gemaakt te heroverwegen.

Hieronder ga ik in op de afzonderlijke adviezen van het BIT.

Verklein de kans op verdere uitloop

Het BIT adviseert om zo snel mogelijk knopen door te hakken over enkele openstaande punten ten aanzien van specificaties. In de kern gaat het dan om zaken als de modelmededeling waarmee de toegepaste beslagvrije voet aan de schuldenaar wordt medegedeeld en enkele uitzoekpunten op het gebied van leefsituatie en inkomen. Rond deze punten bestonden ten tijde van het BIT-onderzoek inderdaad nog enkele vragen. Inmiddels zijn deze knopen doorgehakt en bestaat er thans geen onduidelijkheid meer rond deze specificaties.

In het verlengde daarvan wijst het BIT op het inrichten van change- en releasemanagement voor de specificaties. Ook hierin is inmiddels voorzien. Vrij kort na de onderzoeksperiode is het change- en releasemanagement vastgesteld zodat het programma volgens dit stramien opereert. Dit houdt in dat de vastgestelde specificaties enkel gewijzigd kunnen worden via het doorlopen van een vast proces binnen het programma. Hierdoor zijn deze specificaties voor alle partijen duidelijk en gelijk.

Het BIT doet de suggestie om bepaalde technische keuzes bij de bouw van de centrale voorziening te heroverwegen indien dit kan leiden tot een eerdere oplevering. De bouwende partijen zijn momenteel echter dusdanig vergevorderd dat elke technische heroverweging in deze fase van het traject juist eerder het risico op vertraging dan versnelling van de oplevering met zich mee zou brengen. Gezien het kritieke tijdspad waarop het programma zich momenteel bevindt, wil ik dit risico dan ook niet nemen. Wel laat ik op korte termijn een validatie op de technische keuzes uitvoeren om zekerheid te verkrijgen omtrent de borging van deze keuzes op de langere termijn en om indien nodig risico beperkende maatregelen te kunnen treffen.

Het BIT stelt dat er nauwelijks inzicht is in de voortgang van de implementatie en dat een ketenbrede aansluitplanning ontbreekt. De voortgangsinformatie over de verschillende voortgangstrajecten is de afgelopen periode beduidend inzichtelijker geworden. Partijen rapporteren periodiek aan het programmamanagement en in de stuurgroep over de geboekte vooruitgang en mogelijke risico’s. Op basis hiervan wordt gewerkt aan een verdere detaillering van de integrale planning die vervolgens wordt gebruikt voor een betere samenhang en sturing op de gezamenlijke mijlpalen van het programma.

Het burgerportaal waar het BIT aan refereert wordt op dit moment verder uitgewerkt. Ik richt mij hierbij op een burgerportaal met minimaal noodzakelijke functionaliteit voor de schuldenaar waarbij de gedachte centraal staat om de burger duidelijk en adequaat te informeren over de ingewikkelde materie die gepaard gaat met de beslagvrije voet. De aandacht bij dit burgerportaal zal daarom in eerste instantie liggen op het communicatieve aspect; hoe wordt de berekening van de beslagvrije voet uitgevoerd en welke aspecten rond inkomen en woon- en leefsituatie kunnen hierbij van invloed zijn. Ik benadruk daarbij dat de mogelijkheid van de burger om te ageren tegen een vastgestelde beslagvrije voet op geen enkele manier verbonden is aan het burgerportaal. Net als onder de huidige wet kan de burger de beslaglegger altijd benaderen met het verzoek om de beslagvrije voet aan te passen als deze incorrect is vastgesteld.

Gericht op de niet-beslagleggende partijen, zoals schuldhulpverlenende instanties, adviseert het BIT om afspraken te maken over de specificaties en het gebruik van de centrale voorzieningen. Met het BIT zie ik het belang in van het maken van dergelijke afspraken met deze partijen. Toegang verkrijgen tot de centrale voorziening en de specificaties daarvan door andere dan de beslagleggende partijen vergt een beheerste wijze van beschikbaar stellen. Hoewel het op dit moment geen onderdeel van het implementatietraject is, zal ik op korte termijn met deze niet-beslagleggende partijen in gesprek gaan om te bezien hoe deze aanbeveling van het BIT verder kan worden uitgewerkt. Ik zal uw Kamer hierover in het najaar informeren.

De conclusie dat de ICT-voorzieningen niet voor alle partijen op tijd gereed zijn, schrijft het BIT voor een belangrijk deel toe aan de vrijblijvende en afwachtende werkwijze van het programma. Ik deel de mening van het BIT dat de implementatie van de wet in een fase terecht is gekomen die om een strakkere resultaatsturing vraagt. De eerste fasen van ketenvorming zijn afgerond. Het is nu zaak dat de voor de keten noodzakelijke producten tijdig worden opgeleverd. Dat vraagt ook om een wijziging van managementstijl. In maart van dit jaar is daarom een wisseling van het programma-management doorgevoerd en is het programmateam uitgebreid met onder meer een kwaliteits- en programmacontroller. Hiermee wordt de aanbevolen resultaatsturing strakker vormgegeven.

Heroverweeg organisatorische en functionele keuzes

Het BIT wijst op een aantal organisatorische en functionele keuzes die volgens het advies zijn gemaakt met het oog op een snelle implementatie van de wet vBVV. Daarbij stelt het BIT dat deze keuzes kunnen gaan knellen bij toekomstige implementatietrajecten, zoals de stroomlijning keten voor derdenbeslag.7

Concreet adviseert het BIT om een doelarchitectuur te ontwerpen voor de gehele schuldenketen, waarbij deze schuldenketen breder gedefinieerd wordt dan nu het geval is. Deze doelarchitectuur kan vergezeld gaan van een roadmap van verbeterstappen, aldus het BIT. Een dergelijke doelarchitectuur beschrijft de toekomstig gewenste situatie van de schuldenketen en ik beaam dat een dergelijk vergezicht wenselijk is en inzicht kan geven in de rol die verschillende partijen vervullen. Hiermee kan dit als kapstok worden gebruikt om diverse (deel)trajecten op het gebied van schulden aan op te hangen. Ik neem dit advies dan ook graag over en zal op korte termijn met verschillende partijen binnen deze schuldenketen het gesprek aan gaan om dit verder uit te werken. Bij deze verdere uitwerking is het tevens van belang de verbinding te maken met hetgeen al loopt, zoals het door mij gesubsidieerde VNG-programma «Verbinden Schuldendomein». Hierbij worden vanuit het perspectief van de burger en de professional klantreizen gemaakt en de daartoe benodigde ICT-functionaliteiten in beeld gebracht. De VNG ondersteunt hiermee gemeenten bij de maatschappelijke opgave om problematische schulden te voorkomen en op te lossen en bij de uitvoering van vier wetswijzigingen over schulden (beslagvrije voet, stroomlijning keten voor derdenbeslag, gemeentelijke schuldhulpverlening en adviesrecht gemeenten schuldenbewind).

De aanbeveling over de inrichting van de strategische beheerfunctie die aan dit alles richting kan geven neem ik ter harte. Dit geldt ook voor de aanbeveling om daarbij te zorgen voor passende financiering voor structureel beheer en doorontwikkeling. Ik heb het overkoepelende programma Keten voor Derdenbeslag, waaronder zowel het programma vBVV als het programma stroomlijning keten voor derdenbeslag valt, opdracht gegeven tot het opzetten van de ketengovernance. Deze ketengovernance bestaat enerzijds uit het beheer en de ontwikkeling van de centrale voorzieningen en zal anderzijds ook zien op de governance van de gehele keten voor derdenbeslag. In het kader van deze opdracht aan het programma is KPMG gevraagd om advies uit te brengen over de inrichting van het beheer op deze nieuwe keten. Bij de opdracht aan KPMG wordt ook de door het BIT aangegeven organisatorische complexiteit betrokken.

Vervolg

Met deze brief heb ik uw Kamer geïnformeerd hoe ik invulling geef aan het BIT-advies om de inwerkingtreding van deze wet per 1 januari 2021 te bewerkstelligen. Het voorliggende BIT-advies zie ik als kritisch doch constructief en vooral als aanmoediging om de mouwen nog verder op te stropen en samen met alle partijen alles op alles te zetten om implementatie per 1 januari 2021 mogelijk te maken. Dit tevens met de verwachting dat een aantal beslagleggende partijen hierbij gebruik moet maken van de overgangstermijn en in het eerste half jaar van 2021 zal aansluiten. Deze wet is belangrijk voor de mensen die met schulden kampen. Ik hecht er daarom aan uw Kamer nauw betrokken te houden bij dit onderwerp en zal uw Kamer in het najaar verder informeren over de stand van zaken van het implementatietraject.

Ik dank het onderzoeksteam nogmaals voor het advies.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, B. van ’t Wout


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Naast gerechtsdeurwaarders zijn ook verschillende overheidsorganisaties bevoegd tot het leggen van beslag, zoals de Belastingdienst, UWV, SVB, LBIO, CJIB, gemeenten en waterschappen.

X Noot
3

Kamerstuk 24 515, nr. 453

X Noot
4

Kamerstuk 24 515, nr. 648

X Noot
5

Kamerstuk 24 515, nr. 532

X Noot
6

De voorziening voor de gerechtsdeurwaarders wordt gerealiseerd door de Stichting Netwerk Gerechtsdeurwaarders (SNG) in opdracht van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG).

X Noot
7

Het wetsvoorstel Stroomlijning keten voor derdenbeslag is inmiddels voor advies voorgelegd aan de Raad van State.