Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201924515 nr. 492

24 515 Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting

Nr. 492 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 september 2019

Met de voortgangsbrief Brede schuldenaanpak van 27 mei 20191 heb ik u het rapport «Aansluiting gezocht!, verkenning aansluiting minnelijke schuldhulpverlening en wettelijke schuldsanering» aangeboden. Ik wil u met deze brief mede namens de Minister voor Rechtsbescherming informeren over de stappen die we naar aanleiding van dit rapport nemen om de aansluiting te verbeteren. Als bijlage bij deze brief vindt u een uitgebreide reactie per conclusie van het rapport.2

Aanleiding

Het kabinet werkt met het actieplan Brede Schuldenaanpak3 aan het voorkomen, ontzorgen en ondersteunen van mensen met schulden en aan zorgvuldige en maatschappelijk verantwoorde incasso. We hebben hierin grote stappen gezet. In de voortgangsbrief Brede Schuldenaanpak zijn deze resultaten met u gedeeld. Iedereen is doordrongen van het belang van een goede schuldhulpverlening en de aansluiting tussen de schuldhulpverlening en de wettelijke schuldsanering is daar onderdeel van. Eén van de acties uit de Brede Schuldenaanpak is de verkenning van de aansluiting tussen de schuldhulpverlening en de wettelijke schuldsanering. Aanleiding voor de verkenning is de in 2012 ingezette voortdurende daling van de instroom in de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp), die op gespannen voet staat met onverminderd grote schuldenproblematiek.

Aansluiting gezocht!

In samenwerking met de partijen die bij de uitvoering van het minnelijke en wettelijke traject betrokken zijn, heeft Bureau Berenschot een verkenning naar de aansluiting tussen het minnelijke en het wettelijke traject uitgevoerd. Onder andere gemeenten, de NVVK, Wsnp-bewindvoerders, beschermings-bewindvoerders, rechters, schuldeisers en de landelijke cliëntenraad hebben aan het onderzoek bijgedragen.

Het rapport laat zien hoe de aansluiting tussen de minnelijke schuldhulpverlening en de wettelijke schuldsanering verbeterd kan worden. Iemand komt pas in aanmerking voor een wettelijk traject als het in de minnelijke schuldhulpverlening niet gelukt is om een oplossing te vinden. Juist daarom is het belangrijk dat de gemeente iemand vroegtijdig in beeld heeft. De wijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) voor vroegsignalering en gegevensuitwisseling waar ik aan werk, zal hieraan bijdragen.

Het rapport laat zien hoe noodzakelijk het is dat de kwaliteit van de schuldhulpverlening verder verbeterd wordt, van de toegankelijkheid tot passende hulpverlening. De trajecten die door mij en andere organisaties in gang zijn gezet, moeten zorgen voor de noodzakelijke stappen voorwaarts:

  • het programma Schouders Eronder (een samenwerkingsverband tussen Divosa, Landelijke Cliëntenraad, NVVK, Sociaal Werk Nederland en VNG), inclusief een praktische checklist aansluiting Wsnp;

  • het interbestuurlijke programma (IBP), de verbetering van de toegang schuldhulpverlening en bevordering van integrale dienstverlening;

  • de ontwikkeling van bestuurlijke uitgangspunten voor een kwaliteitskader schuldhulpverlening (VNG en anderen), basisnorm schuldhulpverlening (NVVK en anderen) en beroepscompetentieprofielen (Schouders Eronder).

Ik juich deze initiatieven toe en hecht eraan dat dit vanuit het werkveld zelf zo snel mogelijk invulling krijgt.

Het rapport laat zien dat verschillende factoren een minnelijk traject kunnen vertragen. Zo kunnen schuldeisers die niet reageren of niet meewerken, tot grote vertraging leiden. Dit kan ervoor zorgen dat mensen hun motivatie kwijtraken en dat mensen niet snel kunnen doorstromen naar een andere oplossing zoals een wettelijk traject, als dit nodig blijkt te zijn. Ik wil dat alle schuldeisers beter gaan meewerken aan het minnelijke traject. Daarbij laat ik uitzoeken welke schuldeisers (structureel) niet mee werken en in welke vorm zij het proces belemmeren. Ik laat uiteraard ook het perspectief van de schuldeiser in beeld brengen. Zoals ik aan u heb toegezegd, zal ik de verzamelde inzichten gebruiken om een keuze te maken over de noodzaak van een verplichte reactietermijn voor schuldeisers in het proces van schuldbemiddeling als middel voor de noodzakelijke versnelling in het minnelijke traject.

De onderzoekers vragen – evenals de Raad voor de Rechtspraak in het recente visiedocument «Schuldenproblematiek en rechtspraak» – terecht aandacht voor de toegankelijkheid van de Wsnp4. Het visiedocument bevat in onze ogen waardevolle voorstellen die getuigen van de inzet van de Rechtspraak om bij te dragen aan oplossingen voor de grote groep burgers met problematische schulden. Deze voorstellen raken de Wsnp. De Minister voor Rechtsbescherming wil het Bureau Wsnp van de Raad voor Rechtsbijstand daarom voor eind dit jaar een quick scan laten maken met concrete aanbevelingen voor de toegankelijkheid en bereikbaarheid van de Wsnp, met inachtneming van de in het visiedocument door de Raad voor de Rechtspraak gedane aanbevelingen (p.30 en 31 van het Visiedocument).

Ik zie verder dat niet alle gemeenten optimaal gebruik maken van de mogelijkheden die de Wsnp biedt. Dit geldt voor de wettelijke schuldsanering en voor het dwangakkoord, waar Wsnp-bewindvoerders meer voor ingezet kunnen worden. De kennis en ervaring van Wsnp-bewindvoerders met juridische procedures in de Wsnp zijn goed bruikbaar om het dwangakkoord adequaat te kunnen inzetten. Met het dwangakkoord worden volgens de opeenvolgende Wsnp-monitorrapporten in toenemende mate successen geboekt. Schuldhulpverleners moeten weten wanneer men een van de bijzondere rechtsmiddelen in de Wsnp met kans op succes kan inzetten. Specifiek voor de aansluiting van de schuldhulpverlening op de Wsnp is door Schouders Eronder samen met Bureau Wsnp de Checklist verzoekschrift Wsnp voor schuldhulpverleners ontwikkeld. Deze checklist Wsnp is een goed voorbeeld van de concrete aandacht die hiervoor is. Deze checklist kan gemeenten tijd en werk besparen en tegelijk een meer uniforme aanlevering van informatie bij de rechtbanken bevorderen.

De aanleiding voor het onderzoek was de aansluiting tussen de minnelijke schuldhulpverlening en de wettelijke schuldsaneringsprocedure. Ik vind het belangrijk dat de onderzoekers ook breder hebben gekeken. De onderzoekers laten zien hoe binnen de schuldhulpverlening drie systemen actief zijn: de minnelijke schuldhulpverlening, de wettelijke schuldsaneringsprocedure en het schuldenbewind. Ik zie de samenwerking van deze systemen als essentieel voor het kunnen bieden van een passende oplossing aan iedereen in een problematische schuldsituatie. Iemand kan immers tegelijkertijd of volgtijdelijk te maken krijgen met meerdere van deze systemen.

De systemen hebben elk baat bij een effectieve werking van de andere twee. Zo is een beschermingsbewindvoerder gebaat bij een effectief minnelijk en wettelijk traject, zodat hij de bevordering van de financiële zelfredzaamheid van de onderbewindgestelde goed kan vormgeven. De schuldhulpverlener is gebaat bij een effectieve inzet van de wettelijke instrumenten die de Wsnp hem biedt of in de – daar waar nodig – door een beschermingsbewindvoerder geboden financiële stabiliteit van de schuldenaar. Gemeenten en andere organisaties moeten aan de slag met deze samenwerking en verder met stappen die al zijn gezet zoals:

  • de pilots beschermingsbewind en de ontwikkeling van een platform beschermingsbewind (in het kader van het IBP);

  • het adviesrecht voor gemeenten bij schuldenbewind.

Tot slot

Het is belangrijk om alle genoemde initiatieven en trajecten gezamenlijk en in samenhang uit te voeren. Het doel is om kwalitatief goede en passende hulpverlening aan mensen met financiële problemen te kunnen bieden. Daarbij zijn meerdere partijen aan zet... Als bijlage bij deze brief laat ik schematisch zien welke acties ik vanuit de Brede Schuldenaanpak inzet om de aansluiting tussen de minnelijke schuldhulpverlening en de wettelijke schuldsanering te verbeteren.

Ik hecht grote waarde aan de ruimte die gemeenten hebben om op lokaal niveau invulling te geven aan hun integrale schuldhulpverlening. Bij deze aanpak zoekt het kabinet steeds naar een balans tussen de belangen van de schuldenaar en die van de schuldeisers en kijkt naar het maatschappelijk belang. Schuldenaren moeten kunnen rekenen op passende dienstverlening als zij problematische schulden hebben. Dat betekent niet per definitie dat schulden (gedeeltelijk) kwijtgescholden moeten worden of dat zij doorgeleid moeten worden naar de Wsnp.

Het belangrijkste is dat mensen toekomstperspectief geboden wordt en dat schulden worden teruggedrongen en het liefst worden opgelost. De dienstverlening moet maatwerk zijn en de gemeente moet optimaal gebruik maken van alle beschikbare instrumenten. Dat vraagt wel dat we er gezamenlijk voor moeten zorgen dat mensen met schulden eerder in beeld komen en beter geholpen worden. Hierbij mogen ook de belangen van de schuldeiser nooit uit het zicht raken.

Het rapport is het startpunt om verder te werken aan een effectievere aansluiting tussen het minnelijke en wettelijke traject. Het rapport bevat handvatten voor een betere integrale dienstverlening. Partijen moeten nu doorpakken en hiermee aan de slag gaan. Ik zal dit rapport gebruiken om vanuit mijn coördinerende rol het gesprek met hen aan te gaan en van daaruit tot een betere samenwerking te komen. Ik betrek de aanbevelingen uit het rapport Knellende schuldenwetgeving5 daarbij. Ik zeg u toe u in het voorjaar van 2020 over de voortgang van de in deze brief genoemde acties te informeren.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark