Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal1996-199724321 nr. 18

24 321
Aanvulling van de Wet milieubeheer met een regeling ter waarborging dat gesloten stortplaatsen geen of zo min mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu hebben, alsmede wijziging van de Wet bodembescherming

nr. 18
DERDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 6 juni 1997

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

Enig artikel

Artikel 8.48, genoemd in artikel I onder C, komt als volgt te luiden:

Artikel 8.48

Deze titel is slechts van toepassing op stortplaatsen waarvoor een vergunning ingevolge artikel 8.1 is vereist, waar op of na 1 september 1996 afvalstoffen worden gestort en,

a. waarvoor een algemene maatregel van bestuur geldt als bedoeld in artikel 8.45, of

b. uitsluitend baggerspecie wordt gestort.

Toelichting

De wettelijke regeling voor nazorg van stortplaatsen dient ter completering van de regelgeving voor stortplaatsen. In het Stortbesluit bodembescherming worden eisen gesteld aan stortplaatsen, de nazorgregeling dient er toe zeker te stellen dat het noodzakelijk geachte beschermingsniveau tot in lengte van jaren in stand blijft. Daarom vallen ook alleen stortplaatsen die voldoen aan de eisen van het Stortbesluit onder de nazorgregeling. Voormalige stortplaatsen (dat wil zeggen stortplaatsen waar het storten van afvalstoffen is beëindigd voor 1 maart 1995) hoeven niet te voldoen aan het Stortbesluit.

Onlangs is gebleken dat de laatste jaren een aantal milieuvergunningen zijn verleend voor het aanbrengen van een bovenafdichting op een stortplaats, waarbij om civieltechnische redenen nog een beperkte hoeveelheid afvalstoffen moet worden aangebracht. Dat betekent dat op die stortplaatsen ook na 1 september 1996 nog afvalstoffen worden gestort, zodat de nazorgregeling hier onbedoeld op van toepassing wordt. Onbedoeld, omdat de systematiek van het wetsvoorstel hier qua organisatie en financiering niet op is toegesneden. Voor de aanpak van voormalige stortplaatsen is het beleid nu nog in ontwikkeling, en zal een eigen regeling van de aanpak en de financiering volgen. Om zeker te stellen dat deze voormalige stortplaatsen (en mogelijk ook andere vormen van «het op of in de bodem brengen» welke niet onder het Stortbesluit vallen) niet onder de nazorgregeling gaan vallen, is nu in artikel 8.48 expliciet gemaakt dat de thans voorliggende nazorgbehandeling uitsluitend van toepassing is op stortplaatsen die onder het Stortbesluit bodembescherming vallen. Tegelijkertijd zal worden geregeld dat deze activiteit niet valt onder de eisen van het Stortbesluit door middel van een wijziging van het Stortbesluit.

Onder het begrip «stortplaatsen» vallen ook baggerspeciestortplaatsen. De nazorgregeling is daar ook op van toepassing. Omdat nu noodgedwongen in de tekst van de wet de toepasbaarheid van de nazorgregeling is gekoppeld aan het van toepassing zijn van het Stortbesluit, heeft dit tot gevolg dat expliciet vermeld moet worden dat de regeling ook geldt voor baggerspeciestortplaatsen. Deze zijn namelijk in artikel 2, tweede lid, van het Stortbesluit uitgezonderd. Voor baggerspeciestortplaatsen zijn wel richtlijnen opgesteld, waarmee het bevoegd gezag rekening moet houden bij het opstellen van vergunningvoorschriften. Op dit onderwerp is al nader ingegaan in paragraaf 2.8 van de memorie van toelichting.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

M. de Boer