Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal1994-199524321 nr. 1;2

24 321
Aanvulling van de Wet milieubeheer met een regeling ter waarborging dat gesloten stortplaatsen geen of zo min mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu hebben, alsmede wijziging van de Wet bodembescherming

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van Wet houdende aanvulling van de Wet milieubeheer met een regeling ter waarborging dat gesloten stortplaatsen geen of zo min mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu hebben, alsmede wijziging van de Wet bodemsanering.

De toelichtende memorie (en bijlagen), die het Wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage,

1 september 1995

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet milieubeheer aan te vullen met een regeling ter waarborging dat gesloten stortplaatsen geen of zo min mogelijk nadelige gevolgen hebben voor het milieu, alsmede de Wet bodembescherming aan te vullen teneinde duidelijkheid te scheppen ten aanzien van de toepassing van enkele bepalingen van die wet;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet milieubeheer wordt gewijzigd als volgt.

A

Artikel 1.1, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

In de begripsomschrijving van «doelmatige verwijdering van afvalstoffen»:

a. wordt de puntkomma aan het slot van onderdeel d vervangen door «, en»;

b. wordt in onderdeel e «, en» vervangen door een puntkomma;

c. vervalt onderdeel f.

B

In artikel 8.14, derde lid, wordt aan het slot onder vervanging van de punt door een komma toegevoegd: daaronder mede begrepen de kosten van de krachtens artikel 15.44, eerste lid, verschuldigde heffing.

C

Aan hoofdstuk 8 wordt na artikel 8.46 een titel toegevoegd, luidende:

Titel 8.3. Regels met betrekking tot gesloten stortplaatsen

Artikel 8.47

1. In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. storten van afvalstoffen: op of in de bodem brengen van afvalstoffen, al dan niet in verpakking, om deze stoffen daar te laten;

b. stortplaats: inrichting waar afvalstoffen worden gestort, dan wel het gedeelte van een inrichting, waar afvalstoffen worden gestort, indien in de inrichting niet uitsluitend afvalstoffen worden gestort;

c. gesloten stortplaats: stortplaats ten aanzien waarvan de in het derde lid bedoelde verklaring is afgegeven;

d. bedrijfsgebonden stortplaats: stortplaats waar uitsluitend afvalstoffen worden gestort, die afkomstig zijn van binnen de inrichting waartoe de stortplaats behoort.

2. Onder stortplaats wordt mede verstaan een gesloten stortplaats . Tot de stortplaats wordt mede gerekend het gedeelte van de stortplaats waar het storten van afvalstoffen is beëindigd.

3. Het bevoegd gezag verklaart een stortplaats voor gesloten, indien:

a. het storten van afvalstoffen is beëindigd,

b. voor zover een daartoe strekkend voorschrift voor de inrichting geldt, een bovenafdichting is aangebracht, en

c . een eindinspectie door het bevoegd gezag is uitgevoerd waaruit is gebleken dat aan alle voorschriften, verbonden aan de vergunning voor de stortplaats, is voldaan en dat ook geen andere maatregelen ingevolge de Wet bodembescherming getroffen dienen te worden door degene die de stortplaats drijft, in geval van verontreiniging of aantasting van de bodem onder de stortplaats.

Artikel 8.48

Deze titel is niet van toepassing op stortplaatsen waar het storten van afvalstoffen is beëindigd vóór 1 maart 1995.

Artikel 8.49

1. Met betrekking tot een gesloten stortplaats worden zodanige maatregelen getroffen dat wordt gewaarborgd dat die stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, dan wel, voor zover dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de grootst mogelijke bescherming wordt geboden tegen die nadelige gevolgen.

2. Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval gerekend:

a. maatregelen strekkende tot het in stand houden en onderhouden, alsmede het herstellen, verbeteren of vervangen van voorzieningen ter bescherming van de bodem;

b. het regelmatig inspecteren van voorzieningen ter bescherming van de bodem, en

c. het regelmatig onderzoeken van de bodem onder de stortplaats.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot de in het eerste en tweede lid bedoelde maatregelen nadere regels worden gesteld.

Artikel 8.50

1. Belast met de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, zijn gedeputeerde staten van de provincie waarin de gesloten stortplaats geheel of in hoofdzaak is gelegen.

2. Gedeputeerde staten kunnen de zorg voor de uitvoering van de werkzaamheden die verband houden met de in artikel 8.49 bedoelde maatregelen, opdragen aan een daartoe door hen aangewezen rechtspersoon of instantie.

3. In afwijking van het tweede lid berust met betrekking tot gesloten stortplaatsen waar baggerspecie is gestort en die worden gedreven of mede worden gedreven door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, de zorg voor de uitvoering van de werkzaamheden die verband houden met de in artikel 8.49 bedoelde maatregelen, bij die minister.

Artikel 8.51

De rechthebbende ten aanzien van de plaats waar de in artikel 8.49 bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, is verplicht te gedogen dat werkzaamheden worden verricht ten behoeve van die zorg, onverminderd zijn recht op schadevergoeding.

D

Aan hoofdstuk 15 wordt na artikel 15.41 een titel toegevoegd, luidende:

Titel 15.11. Financiering van de zorg voor gesloten stortplaatsen

Artikel 15.42

In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt onder «storten van afvalstoffen», «stortplaats», «gesloten stortplaats» en «bedrijfsgebonden stortplaats» verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in titel 8.3.

Artikel 15.43

Deze titel is niet van toepassing op:

a. stortplaatsen waar baggerspecie is gestort en die worden gedreven of mede worden gedreven door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, en

b. stortplaatsen waarop het storten van afvalstoffen is beëindigd vóór 1 maart 1995.

Artikel 15.44

1. Provinciale staten stellen een heffing in ter bestrijding van de kosten die gemoeid zullen zijn met:

a. de in artikel 8.49 bedoelde zorg voor de in de betrokken provincie gelegen stortplaatsen;

b. een voor de betrokken provincie geldende verplichting tot afdracht aan een fonds als bedoeld in artikel 15.48;

c. de inventarisatie van plaatsen waar in de betrokken provincie afvalstoffen zijn gestort en waar dat storten vóór 1 maart 1995 is beëindigd, en het onderzoek naar aanwezigheid, aard en omvang van eventuele verontreiniging aldaar.

2. De in het eerste lid bedoelde heffing kan mede betrekking hebben op de kosten die gemoeid zullen zijn met de dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 6:176 van het Burgerlijk Wetboek.

3. Een besluit als bedoeld in het eerste lid behoeft de goedkeuring van Onze Minister van Binnenlandse Zaken in overeenstemming met Onze Minister.

4. Met betrekking tot de heffing en invordering zijn de artikelen 229 tot en met 232 van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15.45

1. De heffing wordt geheven van degene die een stortplaats drijft.

2. Het bedrag van de heffing wordt zodanig vastgesteld dat uit de opbrengst van de heffing en de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten de kosten kunnen worden bestreden, die naar verwachting gemoeid zullen zijn met de in artikel 8 .49 bedoelde zorg voor die stortplaats. Indien na de vaststelling blijkt dat de opbrengst van de heffing hoger dan wel lager is dan het bedrag dat nodig is om de kosten te bestrijden die naar verwachting met die zorg van die stortplaats gemoeid zullen zijn, kan het bedrag van de heffing opnieuw worden vastgesteld. Het reeds betaalde bedrag van de heffing wordt hierop in mindering gebracht.

3. In afwijking van het tweede lid kan de heffing terzake van de niet-bedrijfsgebonden stortplaatsen in de betrokken provincie worden vastgesteld aan de hand van de hoeveelheid en de aard van de afvalstoffen die op de stortplaats zijn afgegeven. Het bedrag wordt zodanig vastgesteld dat uit het totaal van de opbrengsten van de heffing en de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten voor de niet-bedrijfsgebonden stortplaatsen in die provincie de kosten kunnen worden bestreden die naar verwachting gemoeid zullen zijn met de zorg voor die stortplaatsen.

Artikel 15.46

1. Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat degenen die een stortplaats drijven, waarop artikel 15.45, derde lid, niet van toepassing is, financiële zekerheid stellen voor het nakomen van de krachtens de artikelen 15.44, eerste lid, onder a, en 15.45 voor hen geldende verplichting. Daarbij wordt in ieder geval aangegeven het bedrag waarvoor de zekerheid ten hoogste in stand moet worden gehouden.

2. De verplichting financiële zekerheid in stand te houden vervalt op het tijdstip waarop een bedrag aan heffing, als bedoeld in artikel 15.45, tweede lid, is betaald, voor zover het betreft het gedeelte dat overeenkomt met het bedrag dat is betaald.

3 . Gedeputeerde staten kunnen verhaal nemen op de gestelde zekerheid, voor zover degene die de zekerheid heeft gesteld, het bedrag van de heffing, zoals dat is vastgesteld ingevolge artikel 15.45, tweede lid, niet tijdig heeft betaald.

4. Met betrekking tot de invordering van het ingevolge het derde lid te verhalen bedrag is artikel 18.10, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop financiële zekerheid wordt gesteld.

Artikel 15.47

1. Gedeputeerde staten van een provincie richten voor hun provincie een fonds op, bestemd voor de in artikel 8.49 bedoelde zorg voor gesloten stortplaatsen.

2. In afwijking van het eerste lid kunnen gedeputeerde staten van verschillende provincies gezamenlijk voor hun provincies een fonds als bedoeld in het eerste lid oprichten.

3. Een fonds is rechtspersoon.

4. Gedeputeerde staten van de betrokken provincie, onderscheidenlijk provincies zijn belast met het beheer van het in hun provincie, onderscheidenlijk provincies werkzame fonds.

5. Een fonds ontvangt jaarlijks:

a. de opbrengst van de in artikel 15.44 bedoelde heffing;

b. de bedragen die ingevolge artikel 15.46, derde lid, worden verhaald;

c. rentebaten en beleggingsopbrengsten die via het fonds zijn verkregen;

d. het batig saldo van de laatstelijk afgesloten rekening van het fonds.

6. Een fonds is gerechtigd ook andere bedragen, bestemd voor de in artikel 8.49 bedoelde zorg, dan die, bedoeld in het vijfde lid, in ontvangst te nemen.

7. Uit het fonds worden uitsluitend bestreden de kosten die:

a. worden gemaakt in verband met de uitvoering van de in artikel 8.49 bedoelde zorg met betrekking tot gesloten stortplaatsen in de betrokken provincie of provincies;

b. worden gemaakt in verband met de inventarisatie van plaatsen waar in de betrokken provincie afvalstoffen zijn gestort en waar dat storten vóór 1 maart 1995 is beëindigd, en het onderzoek naar aanwezigheid, aard en omvang van eventuele verontreiniging aldaar;

c. zijn verbonden aan de werkzaamheden van het fonds dat in de betrokken provincie, onderscheidenlijk provincies werkzaam is.

8. Onder de kosten, bedoeld in het zevende lid, worden niet begrepen de kosten die in verband met de in artikel 8.49 bedoelde zorg voor gesloten stortplaatsen door de betrokken provincie, onderscheidenlijk provincies worden gemaakt ten behoeve van haar bestuurlijk apparaat.

Artikel 15.48

1. Gedeputeerde staten van provincies kunnen gezamenlijk een fonds oprichten ter dekking van grote financiële risico's in verband met de in artikel 8.49 bedoelde zorg voor gesloten stortplaatsen.

2. Het in het eerste lid bedoelde fonds ontvangt jaarlijks van die provincies een door het bestuur van dat fonds te bepalen gedeelte van de aan die provincies afgedragen heffingen als bedoeld in artikel 15.45.

3. Van artikel 15.47 zijn het derde en vierde lid, alsmede het achtste lid, in verbinding met het zevende lid, onder c, van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL II

De in artikel 15.44 van de Wet milieubeheer bedoelde heffing wordt ingesteld binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet.

ARTIKEL III

De Wet bodembescherming wordt gewijzigd als volgt.

A

In artikel 16 vervalt het derde lid.

B

Na artikel 16 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 16a

1. Tot de krachtens de artikelen 6 tot en met 12 bij algemene maatregel van bestuur te geven regels kunnen behoren regels met betrekking tot voorwerpen die bij het verrichten van een werkzaamheid als in die artikelen bedoeld, op of in de bodem worden gebracht.

2. De krachtens de artikelen 6 tot en met 12 bij algemene maatregel van bestuur te geven regels kunnen tevens de verplichting inhouden de bodem na beëindiging van een werkzaamheid als in die artikelen bedoeld, in een daarbij aan te geven toestand te brengen. Daarbij kunnen regels worden gegeven omtrent de wijze waarop die verplichting dient te worden nageleefd.

C

In artikel 64, eerste lid, wordt vóór «vrijstelling» ingevoegd: bij ministeriële regeling voor daarbij aangegeven categorieën van handelingen.

ARTIKEL IV

Uit het fonds, bedoeld in artikel 15.47 van de Wet milieubeheer, kunnen naast de kosten, bedoeld in het zevende lid van dat artikel, ook bestreden worden de kosten die tussen 1 maart 1995 en 1 maart 1998 zijn of worden gemaakt ter afwerking van een stortplaats, voorafgaand aan de sluiting, voor zover deze naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs niet of niet volledig door degene die de stortplaats drijft, kunnen worden gedragen.

ARTIKEL V

1. Indien door of namens degene die een stortplaats drijft waarop titel 15.11 van de Wet milieubeheer van toepassing is, vóór de inwerkingtreding van deze wet een overeenkomst is gesloten, strekkende tot het door een derde tegen betaling doen treffen van maatregelen overeenkomstig artikel 8.49, vervalt deze overeenkomst van rechtswege, voor zover de overeenkomst op die maatregelen betrekking heeft.

2. Deze derde is verplicht de reeds ontvangen betalingen alsmede de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten onder aftrek van de door hem gemaakte kosten af te dragen aan het in artikel 15.47 van de Wet milieubeheer bedoelde fonds.

3. Op het bedrag van de met betrekking tot de desbetreffende stortplaats op te leggen heffing, bedoeld in artikel 15.44, eerste lid, van de Wet milieubeheer, wordt het in het tweede lid bedoelde eindbedrag in mindering gebracht.

ARTIKEL VI

Indien het bij koninklijke boodschap van 16 januari 1995 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de bepalingen over het toezicht op gemeentelijke en provinciale belastingverordeningen (Kamerstukken II 1994/95, 24 051, nrs . 1–2) tot wet wordt verheven en in werking treedt, vervalt artikel 15.44, derde lid, en wordt het vierde lid vernummerd tot derde lid.

ARTIKEL VII

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,