Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201824202 nr. 36

24 202 Europese Rekenkamer

Nr. 36 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 4 september 2018

De vaste commissie voor Europese Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat het Briefingdocument van 28 mei 2018 over «Vereenvoudiging van de uitvoering van het cohesiebeleid na 2020» van de Europese Rekenkamer.

De vragen en opmerkingen zijn op 28 juni 2018 aan de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat voorgelegd. Bij brief van 3 september 2018 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Azmani

De adjunct-griffier van de commissie, Buisman

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben kennis genomen van het Briefingdocument «Vereenvoudiging van de uitvoering van het cohesiebeleid na 2020» van de Europese Rekenkamer. Welke voorstellen van de Europese Rekenkamer voor vereenvoudiging van de uitvoering van het cohesiebeleid na 2020 zijn overgenomen in het voorstel van het nieuwe cohesiebeleid na 2020, zoals gepresenteerd op 29 mei jl., zo vragen de leden van de VVD-fractie? Welke voorstellen niet?

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het rapport van de Europese Rekenkamer getiteld «simplification in post-2020 delivery of cohesion policy». Zij zijn voorstander van vereenvoudiging van het cohesiebeleid en hebben enkele vragen aan de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat. Ten eerste zouden de leden van de D66-fractie graag een algemene reactie ontvangen van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat op dit rapport. Ondersteunt zij de aanbevelingen? Zo ja, welke? Welke aanbevelingen ondersteunt zij niet? Eerder heeft u aangegeven voorstander te zijn van vereenvoudiging van het cohesiebeleid, zo stellen de leden van de D66-fractie. Op welke manier wordt hier door het Nederlandse kabinet in Europees verband gevolg aan gegeven?

De leden van de SP-fractie hebben kennis genomen van het onderhavige stuk. De leden hebben daarover enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het rapport van de Europese Rekenkamer. In het rapport worden vijf gebieden genoemd waarop vereenvoudiging mogelijk is, zo lezen deze leden. Naar aanleiding daarvan zouden zij de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat willen vragen hoe zij deze analyse apprecieert en daar waar zij kan instemmen met de aanbevelingen, of zij uitvoering daarvan ook haalbaar acht?

Meerjarig Financieel Kader

De leden van de D66-fractie vragen zich af hoe de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat de voorstellen voor het aankomende Meerjarig Financieel Kader beziet in het licht van het voorliggend rapport? Welke stappen worden er nu gezet als het gaat om vereenvoudiging? Is dit voldoende, zo vragen de leden van de D66-fractie? Op welke manier zal de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat zich inzetten voor vereenvoudiging van het cohesiebeleid in de onderhandelingen over het nieuwe Meerjarig Financieel Kader, zo vragen deze leden?

In het briefingpaper van de Europese Rekenkamer wordt een overzicht gegeven van de simplificatie van het cohesiebeleid post-2020, met enkele meningen maar vooral observaties, zo constateren de leden van de SP-fractie. In algemene zin vragen deze leden zich af, vooruitlopend op het BNC-fiche over het Commissievoorstel «Regionale ontwikkeling en cohesiebeleid na 2020» in het kader van de meerjarenbegroting van de EU, in hoeverre de Europese Commissie beantwoordt aan de noodzaak van vereenvoudiging van het cohesiebeleid? Daarnaast vragen de leden van de SP-fractie of het kabinet zich herkent in de analyse van de Europese Rekenkamer en wat het kabinet vindt van de vier «guiding principles» voor vereenvoudiging zoals voorgesteld door de Europese Rekenkamer?

Procedures en resultaten

De leden van de VVD-fractie constateren dat de Europese Rekenkamer onder punt 41 in het rapport zegt dat het gebrek aan focus op resultaten een fundamenteel probleem is. Hoe beziet het kabinet in dit licht het huidige voorstel voor cohesiebeleid na 2020? Is er in het nieuwe voorstel wel focus op resultaten? Hoe beoordeelt het kabinet de zogeheten spending reviews over het cohesiebeleid, zoals gepubliceerd op 2 mei jl? Vindt het kabinet deze spending reviews kritisch genoeg, zo vragen de leden van de VVD-fractie? Vindt het kabinet dat er hier sprake is van een echte, goede onderbouwde doorlichting van het cohesiebeleid?

Er is algemene consensus over dat de huidige procedures omtrent cohesiefondsen onnodig complex en kostbaar zijn, zo menen de leden van de SP-fractie. Dat blijkt, volgens deze leden, al wel uit het feit dat er in de gehele EU 1400 «autoriteiten» verantwoordelijk voor het management bestaan en 390 «operationele programma’s»(OP’s) zijn. De SP-leden vragen zich af hoeveel daarvan er in Nederland zijn? Hoe is het toezicht hierop georganiseerd in Nederland? Aan de andere kant blijkt uit deze briefingpaper dat er geen eenduidige visie leeft binnen de EU-instellingen of lidstaten over wat de zwaktes binnen het huidige beleid zijn en met welke doelen vereenvoudiging van de uitvoering van het beleid moet worden nagestreefd.

Bovendien stelt de Europese Rekenkamer, zo lezen deze leden, dat het vooral aan de lidstaten is om bijvoorbeeld de administratieve lasten te verlagen. De SP-leden willen graag nader geïnformeerd worden over de probleemanalyse van dit kabinet over de uitvoering van het cohesiebeleid in Nederland. Meer specifiek vragen zij zich af of er al onderzoek is gedaan in Nederland naar de procedures die mogelijk overbodig tijdrovend of kostbaar zijn, of dat er plannen zijn daartoe. In het verlengde daarvan willen de leden van de SP-fractie aandringen op een antwoord van het kabinet op de aangenomen motie-Hijink (Kamerstuk 21 501–20, nr. 1244) over welk bedrag de Europese Unie uitgeeft aan de uitvoeringskosten van de EU-begroting, waar cohesiebeleid een substantieel deel van uitmaakt.

Gold plating

Is er door het kabinet een initiatief genomen om met stakeholders in Nederland, waaronder de decentrale overheden, tot diepgaande en systematische identificatie en inventarisatie te komen van onnodige regelgeving (gold plating) en mogelijkheden tot simplificatie, zo vragen de leden van de VVD-fractie. Heeft Nederland zelf alle eigen gold plating geïdentificeerd en verwijderd? Zo ja, heeft dat proces tot identificatie en inventarisatie eenmalig en ad hoc plaatsgevonden of is er sprake van een permanente aanpak om gold plating te voorkomen?

Een derde van administratieve last voor begunstigden komt door gold plating, zo menen de leden van de VVD-fractie. De Europese Rekenkamer constateert dat de Europese Commissie geen aanbevelingen doet om dit aan te pakken. Hoe zouden de EC Common Provision Rules 2021–2027 daarop geamendeerd kunnen worden? Deze Common Provision Rules beogen de regels van alle vijf ESI-fondsen te harmoniseren, zo constateren de leden van de VVD-fractie. Echter, het ELFPO (plattelandsfonds) is uit de Common Provision Rules gehaald. Wat gaat dit betekenen voor multifund-programma’s?

In het briefingpaper wordt ook gesproken over «gold plating», de praktijk waarbij lidstaten extra regels of eisen stellen, zo lezen de leden van de SP-fractie. Deze leden vinden dit niet per definitie een slechte praktijk, maar vragen zich wel af of dat voorkomt in Nederland en wat de motivatie hiervoor is. Herkent het kabinet zich in de analyse van de Europese Rekenkamer dat dit bijdraagt aan de administratieve lasten?

II Reactie van de Staatssecretaris

Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben kennis genomen van het Briefingdocument «Vereenvoudiging van de uitvoering van het cohesiebeleid na 2020» van de Europese Rekenkamer. Welke voorstellen van de Europese Rekenkamer voor vereenvoudiging van de uitvoering van het cohesiebeleid na 2020 zijn overgenomen in het voorstel van het nieuwe cohesiebeleid na 2020, zoals gepresenteerd op 29 mei jl., zo vragen de leden van de VVD-fractie? Welke voorstellen niet?

De Europese Rekenkamer constateert dat op vijf verschillende aspecten van het Cohesiebeleid vereenvoudiging kan worden gerealiseerd: (1) het verduidelijken en harmoniseren van EU wetgeving; (2) het vereenvoudigen van de managementstructuur van de operationele programma’s; (3) het voorkomen van aanvullende regels die verder gaan dan de vereisten op het niveau van de Europese Unie (gold plating); (4) meer gebruik maken van vereenvoudigde kostenopties; (5) het verbeteren van de effectiviteit en efficiëntie van de controles.

In de voorstellen van de Europese Commissie voor de programmaperiode 2021–2027 zijn verbeteringen doorgevoerd op het eerste, vierde en vijfde aspect. Met betrekking tot het tweede aspect, de inrichting van de managementstructuur van de operationele programma’s, worden door de Europese Commissie geen nieuwe regels gesteld ten opzichte van de huidige programmaperiode; deze verantwoordelijkheid wordt in de programmaperiode 2021–2027 bij de lidstaten gelaten. Ook worden in de wetgevingsvoorstellen geen aanvullende regels gesteld op het gebied van het derde aspect, gold plating.

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het rapport van de Europese Rekenkamer getiteld «simplification in post-2020 delivery of cohesion policy». Zij zijn voorstander van vereenvoudiging van het cohesiebeleid en hebben enkele vragen aan de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat. Ten eerste zouden de leden van de D66-fractie graag een algemene reactie ontvangen van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat op dit rapport. Ondersteunt zij de aanbevelingen? Zo ja, welke? Welke aanbevelingen ondersteunt zij niet? Eerder heeft u aangegeven voorstander te zijn van vereenvoudiging van het cohesiebeleid, zo stellen de leden van de D66-fractie. Op welke manier wordt hier door het Nederlandse kabinet in Europees verband gevolg aan gegeven?

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het rapport van de Europese Rekenkamer. In het rapport worden vijf gebieden genoemd waarop vereenvoudiging mogelijk is, zo lezen deze leden. Naar aanleiding daarvan zouden zij de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat willen vragen hoe zij deze analyse apprecieert en daar waar zij kan instemmen met de aanbevelingen, of zij uitvoering daarvan ook haalbaar acht?

Het kabinet sluit zich aan bij de constatering van de Europese Rekenkamer dat vereenvoudiging in de eerste plaats gericht moet zijn op een verlaging van de administratieve lasten voor begunstigden en een verlaging van de administratieve kosten voor de autoriteiten van de lidstaten. Ook is het kabinet het eens met de Europese Rekenkamer dat vereenvoudiging niet mag leiden tot buitensporige deregulering.

Het kabinet is met de Europese Rekenkamer van mening dat vereenvoudiging gezocht en gevonden kan worden in: het verduidelijken en harmoniseren van EU-wetgeving; het voorkomen van gold plating; het meer gebruik maken van vereenvoudigde kostenopties; en het verbeteren van de effectiviteit en efficiëntie van de controles. Wat het kabinet betreft kan hier nog aan worden toegevoegd: het schrappen van verplichtingen zonder duidelijk toegevoegde waarde (zoals het opstellen van de partnerschapsovereenkomst voor lidstaten met een kleine landenenveloppe en herhaling van de zware aanwijzingsprocedure voor de nationale autoriteiten in het geval dat er slechts beperkte wijzigingen zijn doorgevoerd) en het schrappen van onnodig restrictieve bepalingen waar doelbepalingen zouden volstaan (zoals een maximum stellen aan het deel van de middelen dat buiten het programmagebied mag worden ingezet). Ook is het kabinet voorstander van de mogelijkheid van een lichter verantwoordingsregime voor lidstaten met een goede staat van dienst en een historisch laag foutpercentage. Tijdens de onderhandelingen over het Cohesiebeleid 2021–2027 zal Nederland zich voor al deze punten inzetten.

De Europese Rekenkamer constateert dat een wijziging in de managementstructuur van de operationele programma’s aanzienlijke schaalvoordelen kan opleveren. Het kabinet tekent daarbij aan dat bij de inrichting van een managementstructuur meer overwegingen noodzakelijk zijn dan de administratieve lastendruk. In het bijzonder kan hierbij gedacht worden aan de bestuurlijke inrichting van de lidstaat en de continuïteit van de beleidsuitvoering.

Meerjarig Financieel Kader

De leden van de D66-fractie vragen zich af hoe de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat de voorstellen voor het aankomende Meerjarig Financieel Kader beziet in het licht van het voorliggend rapport? Welke stappen worden er nu gezet als het gaat om vereenvoudiging? Is dit voldoende, zo vragen de leden van de D66-fractie? Op welke manier zal de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat zich inzetten voor vereenvoudiging van het cohesiebeleid in de onderhandelingen over het nieuwe Meerjarig Financieel Kader, zo vragen deze leden?

In het briefingpaper van de Europese Rekenkamer wordt een overzicht gegeven van de simplificatie van het cohesiebeleid post-2020, met enkele meningen maar vooral observaties, zo constateren de leden van de SP-fractie. In algemene zin vragen deze leden zich af, vooruitlopend op het BNC-fiche over het Commissievoorstel «Regionale ontwikkeling en cohesiebeleid na 2020» in het kader van de meerjarenbegroting van de EU, in hoeverre de Europese Commissie beantwoordt aan de noodzaak van vereenvoudiging van het cohesiebeleid?

In de voorstellen van de Europese Commissie voor de programmaperiode 2021–2027 worden vergaande maatregelen doorgevoerd om de tenuitvoerlegging van de fondsen te vereenvoudigen. De programmering wordt strategischer en enigszins gestroomlijnd. In het geval dat een management- en beheersysteem geen grote wijzigingen vertoont ten opzichte van de programmaperiode 2014–2020 is het niet noodzakelijk om opnieuw een aanwijzingsprocedure voor de nationale autoriteiten te doorlopen. Daarnaast is het totaal aantal onnodige restrictieve regels voor de tenuitvoerlegging van de fondsen ten opzichte van de programmaperiode 2014–2020 sterk afgenomen. Ook wordt het mogelijk om, op vrijwillige basis, (een deel van) de Europese bijdrage aan de programma’s te verrekenen op basis van resultaten in plaats van gemaakte kosten, en worden meer off-the-shelf vereenvoudigde kostenopties vastgelegd. Teneinde de controlelast die voorkomt uit het grote aantal controlelagen te verminderen wordt de verplichting om een aparte certificeringsautoriteit in te richten afgeschaft, het gebruik van het single audit principe beter benut, en een gecoördineerde auditaanpak van de Commissieaudits en de audits van de auditautoriteit voorgeschreven. Auditors krijgen meer mogelijkheden om risicogebaseerd te controleren en meer te steunen op de werkzaamheden die al verricht zijn door eerdere controlelagen. Ook wordt het mogelijk voor programma’s met een goede staat van dienst (een laag foutpercentage en een goed functionerend beheers- en controlesysteem) om in aanmerking te komen voor een lichter controleregime.

De inspanning van de Europese Commissie om de tenuitvoerlegging van de fondsen eenvoudiger te maken wordt door het kabinet verwelkomd (zie ook Kamerstuk 22 112, nr. 2628). Tijdens de onderhandelingen zal er op worden toegezien dat deze voorstellen daadwerkelijk tot vereenvoudiging leiden in de praktijk. Het kabinet ziet aanvullend hierop nog mogelijkheden tot verdere vereenvoudiging door het schrappen van de verplichte partnerschapsovereenkomst. De toegevoegde waarde van de partnerschapovereenkomst is, gezien de geringe samenhang van de beleidsterreinen waar de verschillenden fondsen betrekking op hebben, beperkt en de administratieve lasten die bij het opstellen van het document komen zijn daarmee disproportioneel.

Daarnaast is het kabinet van mening dat nieuwe administratieve lasten zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. In de voorstellen van de Europese Commissie wordt de frequentie voor rapporteren verhoogd en wordt het verplicht gesteld om halverwege de programmaperiode te herprogrammeren. Het kabinet zal de Commissie tijdens de onderhandelingen bevragen over de noodzaak hiervan en bepleiten dat deze wijzigingen niet mogen leiden tot een verzwaring van de administratieve lasten. Het kabinet zal hierbij aansturen op een goede balans tussen deze twee aspecten.

Daarnaast vragen de leden van de SP-fractie of het kabinet zich herkent in de analyse van de Europese Rekenkamer en wat het kabinet vindt van de vier «guiding principles» voor vereenvoudiging zoals voorgesteld door de Europese Rekenkamer?

Het kabinet onderschrijft het nut van de vier richtsnoeren die de Europese Rekenkamer heeft geïdentificeerd teneinde structuur te geven aan het debat over vereenvoudiging. Het kabinet maakt hierbij wel de kanttekening dat deze richtsnoeren weliswaar belangrijk zijn, maar dat moet worden voorkomen dat de vereenvoudigingsoefening onnodig complex wordt gemaakt en op zichzelf een administratieve last gaat vormen.

Procedures en resultaten

De leden van de VVD-fractie constateren dat de Europese Rekenkamer onder punt 41 in het rapport zegt dat het gebrek aan focus op resultaten een fundamenteel probleem is. Hoe beziet het kabinet in dit licht het huidige voorstel voor cohesiebeleid na 2020? Is er in het nieuwe voorstel wel focus op resultaten? Hoe beoordeelt het kabinet de zogeheten spending reviews over het cohesiebeleid, zoals gepubliceerd op 2 mei jl? Vindt het kabinet deze spending reviews kritisch genoeg, zo vragen de leden van de VVD-fractie? Vindt het kabinet dat er hier sprake is van een echte, goede onderbouwde doorlichting van het cohesiebeleid?

De Europese Commissie heeft in haar voorstellen voor de programmaperiode 2021–2027 rekening gehouden met de eerder gedane aanbevelingen van de Europese Rekenkamer op het gebied van resultaatgerichtheid en de kritiek op de ex ante conditionaliteiten en de prestatiereserve (zie speciaal verslag nr. 15/2017). De ex ante conditionaliteiten worden in de voorstellen voor de programmaperiode 2021–2027 omgevormd tot randvoorwaarden waaraan de gehele periode voldaan moet worden om declaraties te kunnen indienen, tevens wordt er meer focus in de voorwaarden aangebracht. Met deze wijzigingen wordt de prikkel om aan de gestelde voorwaarden te (blijven) voldoen vergroot, en zal dit mechanisme naar verwachting in sterkere mate leiden tot structurele hervormingen en betere prestaties dan dat dit in de programmaperiode 2014–2020 het geval is. Daarnaast wordt in de programmaperiode 2021–2027 geen prestatiereserve meer gehanteerd als stimulans om de prestatie van een programma te verbeteren. Het kabinet ziet de kritiek die eerder is geuit door de Europese Rekenkamer over het nut van de prestatiereserve bij het sturen op resultaten. De prestatiereserve wordt op dit moment in de praktijk getest en het kabinet wil de effecten daarvan afwachten voordat het met een oordeel komt. Met de afschaffing van de prestatiereserve is het echter onduidelijk hoe de Europese Commissie in de programmaperiode 2021–2027 wil toezien op de verwezenlijking van de doelstellingen, en welke prikkel zij hierbij wil gebruiken. Nederland zal hier tijdens de onderhandelingen de aandacht voor vragen. Het kabinet is enthousiast over de mogelijkheid om (een deel van) een programma af te rekenen op basis van resultaten in plaats van gemaakte kosten, waarmee de focus verdergaand verschuift naar de resultaten van een programma.

De tekst over de toegevoegde waarde van het cohesiebeleid in de uitgavenreview van de Europese Commissie is zeer positief geformuleerd. Het onderdeel van de uitgavenreview waarin de lessons learned worden beschreven geeft er echter blijk van dat de Europese Commissie wel degelijk kritisch naar het functioneren van het cohesiebeleid heeft gekeken. Het kabinet vindt het goed dat er lessen worden getrokken ter verbetering van het beleid in de toekomst en is van mening dat de toegevoegde waarde nog verder kan worden vergroot door het beleid sterker te focussen op innovatie en de armste lidstaten. Voor het Europees Sociaal Fonds geldt dat wat het kabinet betreft de meeste toegevoegde waarde wordt bereikt als het beleid zich concentreert op investering in menselijk kapitaal, waaronder de integratie van asielgerechtigde migranten.

Er is algemene consensus over dat de huidige procedures omtrent cohesiefondsen onnodig complex en kostbaar zijn, zo menen de leden van de SP-fractie. Dat blijkt, volgens deze leden, al wel uit het feit dat er in de gehele EU 1400 «autoriteiten» verantwoordelijk voor het management bestaan en 390 «operationele programma’s»(OP’s) zijn. De SP-leden vragen zich af hoeveel daarvan er in Nederland zijn? Hoe is het toezicht hierop georganiseerd in Nederland? Aan de andere kant blijkt uit deze briefingpaper dat er geen eenduidige visie leeft binnen de EU-instellingen of lidstaten over wat de zwaktes binnen het huidige beleid zijn en met welke doelen vereenvoudiging van de uitvoering van het beleid moet worden nagestreefd.

Bovendien stelt de Europese Rekenkamer, zo lezen deze leden, dat het vooral aan de lidstaten is om bijvoorbeeld de administratieve lasten te verlagen. De SP-leden willen graag nader geïnformeerd worden over de probleemanalyse van dit kabinet over de uitvoering van het cohesiebeleid in Nederland. Meer specifiek vragen zij zich af of er al onderzoek is gedaan in Nederland naar de procedures die mogelijk overbodig tijdrovend of kostbaar zijn, of dat er plannen zijn daartoe. In het verlengde daarvan willen de leden van de SP-fractie aandringen op een antwoord van het kabinet op de aangenomen motie-Hijink (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1244) over welk bedrag de Europese Unie uitgeeft aan de uitvoeringskosten van de EU-begroting, waar cohesiebeleid een substantieel deel van uitmaakt.

Nederland ontvangt middelen uit twee fondsen die onder het Cohesiebeleid vallen: het Europees Fonds voor Regionale ontwikkeling (EFRO) en het Europees Sociaal Fond (ESF). Het EFRO wordt decentraal uitgevoerd in vier landsdelen (Noord, Oost, Zuid, West) aan de hand van vier operationele programma’s. Het ESF wordt centraal uitgevoerd aan de hand van een operationeel programma. Ieder operationeel programma wordt uitgevoerd door een managementautoriteit. Daarnaast is er voor alle programma’s gezamenlijk een certificeringsautoriteit en een auditautoriteit.

De fondsen worden geïmplementeerd in gedeeld beheer tussen lidstaten en de Europese Commissie. De Europese wetgevingskaders bepalen grotendeels de wijze waarop de management- en controlesystemen worden ingericht, maar laten ook enige ruimte voor nationale keuzes. Het kabinet heeft binnen deze ruimte voortdurend aandacht voor het zoeken naar mogelijkheden om de administratieve lasten en controledruk te verlagen. Eén van de mogelijkheden, die aan de hand van een pilot wordt onderzocht, is in hoeverre bij de controles van de auditautoriteit meer gesteund kan worden op het werk dat al door de andere autoriteiten is gedaan. Eind 2018 worden de eerste bevindingen van dit onderzoek verwacht. Het antwoord op de motie Hijink is op 13 juli 2018 aan de Kamer verzonden (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1356).

Gold plating

Is er door het kabinet een initiatief genomen om met stakeholders in Nederland, waaronder de decentrale overheden, tot diepgaande en systematische identificatie en inventarisatie te komen van onnodige regelgeving (gold plating) en mogelijkheden tot simplificatie, zo vragen de leden van de VVD-fractie. Heeft Nederland zelf alle eigen gold plating geïdentificeerd en verwijderd? Zo ja, heeft dat proces tot identificatie en inventarisatie eenmalig en ad hoc plaatsgevonden of is er sprake van een permanente aanpak om gold plating te voorkomen?

Een derde van administratieve last voor begunstigden komt door gold plating, zo menen de leden van de VVD-fractie. De Europese Rekenkamer constateert dat de Europese Commissie geen aanbevelingen doet om dit aan te pakken. Hoe zouden de EC Common Provision Rules 2021–2027 daarop geamendeerd kunnen worden? Deze Common Provision Rules beogen de regels van alle vijf ESI-fondsen te harmoniseren, zo constateren de leden van de VVD-fractie. Echter, het ELFPO (plattelandsfonds) is uit de Common Provision Rules gehaald. Wat gaat dit betekenen voor multifund-programma’s?

In het briefingpaper wordt ook gesproken over «gold plating», de praktijk waarbij lidstaten extra regels of eisen stellen, zo lezen de leden van de SP-fractie. Deze leden vinden dit niet per definitie een slechte praktijk, maar vragen zich wel af of dat voorkomt in Nederland en wat de motivatie hiervoor is. Herkent het kabinet zich in de analyse van de Europese Rekenkamer dat dit bijdraagt aan de administratieve lasten?

Het kabinet erkent dat gold plating in sterke mate kan bijdragen aan het verzwaren van de administratieve lasten. Gold plating kan plaatsvinden op zowel nationaal als decentraal niveau. Het kabinet heeft continue aandacht voor het voorkomen en wegnemen van onnodige regelgeving en heeft de decentrale overheden verzocht om gevallen van gold plating te melden, zodat bezien kan worden welke maatregelen hiertegen kunnen worden getroffen. Op dit moment zijn bij het kabinet geen gevallen van gold plating op nationaal niveau in Nederland bekend.

In de voorstellen van de Europese Commissie voor de programmaperiode 2021–2027 valt het Europees Fonds voor Plattelands Ontwikkeling (ELFPO) inderdaad niet langer onder de reikwijdte van de verordening houdende gemeenschappelijk bepalingen. Dit betekent dat het ELFPO niet langer gecombineerd kan worden met een ander fonds onder de reikwijdte van deze verordening in een multi-fund programma. In Nederland is er in de voorgaande programmaperiodes geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.