Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201123987 nr. 114

23 987 Uitbreiding van de Europese Unie

Nr. 114 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 17 januari 2011

De vaste commissie voor Europese Zaken1 en de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken2 hebben op 8 december 2010 overleg gevoerd met minister Rosenthal van Buitenlandse Zaken over:

  • EU-voorstel d.d. 10 november 2010 Enlargement Strategy COM (2010) 660 (Engelse versie) (2010Z16384);

  • de brief van de minister van Buitenlandse Zaken, d.d. 9 november 2010, inzake Uitbreidingspakket Europese Commissie (23 987, nr. 111);

  • de brief van de minister van Buitenlandse Zaken, d.d. 29 november 2010 met de Kabinetsappreciatie Uitbreidingspakket Europese Commissie (23 987, nr. 112);

  • de brief van de Adviesraad Internationale Vraagstukken, d.d. 23 november 2010, inzake AIV-advies «het vermogen van de EU tot verdere uitbreiding» (2010Z17446);

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken,

Verburg

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

Albayrak

De griffier van de vaste commissie voor Europese Zaken,

Nijssen

Voorzitter: Verburg

Griffier: Nijssen

Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Albayrak, Van Bommel, Bontes, Braakhuis, Ten Broeke, Ormel, Ouwehand, Van der Staaij en Verburg,

en minister Rosenthal van Buitenlandse Zaken, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

De voorzitter: Ik heet iedereen hartelijk welkom, de parlementariërs, de minister met zijn ondersteuning, de mensen in de zaal en degenen die meeluisteren. Dit AO gaat over de uitbreiding van de Europese Unie. Wij hebben twee uur uitgetrokken voor dit overleg. In de een-na-laatste week voor het kerstreces is het meestal iets drukker dan in een gemiddelde week, zodat sommige leden van de commissie misschien even weg moeten om ergens anders een belangrijke parlementaire handeling uit te voeren. Zij zullen ook weer terugkomen. Het is geen teken van gebrek aan belangstelling, integendeel, er is grote betrokkenheid. Maar om die reden zal er af en toe even iemand weglopen. Om die reden beginnen wij bij mevrouw Ouwehand van de Partij voor de Dieren, die evenals de heer Ormel en misschien ook anderen, om 10.30 uur weg moet. Wij hopen hen zo snel mogelijk terug te zien.

Er zijn acht vertegenwoordigers. Ik stel voor dat we een spreektijd aanhouden van vijf minuten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik ben inderdaad een van de leden die er zo direct even tussenuit moeten. Om die reden zal ik mijn bijdrage bescheiden houden. Dat lijkt mij dan wel gepast.

Over de toetreding in algemene zin kan ik zeggen dat de Partij voor de Dieren terughoudend is. We denken dat de EU nog voor heel wat uitdagingen staat.

De voorzitter: Mevrouw Ouwehand, ik moet u even onderbreken. Er is nog een rapportage van de ICTY-hoofdaanklager Brammertz aan de VNVR gekomen. Ik hoop dat de leden die gisteravond nog hebben gezien. Ik constateer aan de hand van non-verbale communicatie dat in ieder geval enkelen deze gezien hebben. Ik stel voor om deze brief ook bij dit overleg te betrekken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. De algemene lijn van de Partij voor de Dieren inzake uitbreiding van de EU is terughoudend. We denken dat de EU nogal wat uitdagingen het hoofd heeft te bieden en dat we daar onze handen vol aan hebben. Ik wil in dit AO expliciet de onderhandelingen met IJsland en de walvisjacht naar voren brengen. Het is mij bekend dat de Nederlandse regering een goede inzet heeft in de strijd tegen de walvisjacht. Daar is geen twijfel over. In de internationale politiek is het goed om ons expliciet aan te sluiten bij Duitsland en Engeland, die al expliciet hebben verwoord dat zolang IJsland de walvisjacht continueert, van toetreding geen sprake kan zijn. Ik zou ook een dergelijke uitspraak van Nederland willen, van het parlement of van de regering. De inzet is al dat IJsland moet stoppen met de walvisjacht. De Habitatrichtlijn laat die ook niet toe. Ik maak mij er zorgen over dat een tijdelijke uitzondering op de Europese Habitatrichtlijn onderhandelbaar zou kunnen zijn. Gelet op de richting die we op willen met de onderhandelingen is het goed om nu alvast uit te spreken dat we dat niet doen; IJsland stopt met de walvisjacht, anders is geen enkele sprake van toetreding tot de EU. Tegen mijn collega's zeg ik alvast dat ik niet van het indienen van overbodige moties ben, al denken sommigen daar wellicht anders over, maar een algemeen aangenomen resolutie kan in de internationale politiek wellicht helpen. Graag de warme steun van de minister daarvoor.

De heer Braakhuis (GroenLinks): Voorzitter. Mijn fractie vindt het prettig om te zien dat deze regering het adagium «streng en rechtvaardig» blijft hanteren bij de toetreding van nieuwe landen tot de EU. Eerlijk is eerlijk, we hebben ons daar wel even zorgen over gemaakt toen deze regering zichzelf afhankelijk maakte van gedoogsteun van de PVV. Streng en rechtvaardig is een prima grondhouding jegens nieuwe toetreders, ook jegens Turkije. Mijn fractie is het met de minister eens dat Turkije voorlopig nog lang niet aan de toetredingscriteria voldoet en dat daar nog de nodige tijd overheen zal gaan. Turkije moet echter uitzicht houden op mogelijke toetreding. Als Istanbul voortdurend signalen krijgt dat Turkije toch niet welkom is, ook niet als aan alle criteria is voldaan, schiet het niet op met de noodzakelijke hervormingen. Het toetredingsperspectief is altijd een goede wortel geweest voor landen die tot de EU willen toetreden. Die wortel moeten we Istanbul voor blijven houden. We hopen dan ook dat de minister consequent zal vasthouden aan het adagium «streng en rechtvaardig». Ik krijg van hem graag de toezegging dat hij geen zwakke knieën krijgt als de PVV weer eens met een potje Turkijebashen begint.

De heer Van Bommel (SP): U spreekt nu in feite de critici aan, maar zou u niet ook Turkije moeten aanspreken vanwege het niet voldoen aan afspraken in het Ankara Protocol met betrekking tot Cyprus? Doordat Turkije in gebreke blijft, zit dat muurvast. Moet de oproep aan het kabinet niet ook zijn om daar nog eens flink de nadruk op te leggen?

De heer Braakhuis (GroenLinks): Ik ben het domweg eens met de heer Van Bommel. Dat had ik zeker kunnen zeggen, maar ik heb gezegd dat Turkije aan alle criteria moet voldoen. Daar hoort dit punt zeker bij.

De heer Bontes (PVV): De heer Braakhuis noemt de term «Turkijebashen». Dat is natuurlijk totale onzin. Ik kan twintig argumenten opnoemen waarom Turkije niet moet toetreden tot de EU.

De voorzitter: Ik stel voor dat u daar uw eigen spreektijd voor gebruikt. U werd een beetje getergd en wilt nu misschien wel twintig argumenten opnoemen, maar daar hebt u uw eigen spreektijd voor. Als u een vraag hebt, kunt u die nu stellen.

De heer Bontes (PVV): Mijn vraag is hoe je het kritisch zijn op het toetredingsproces van Turkije kunt vergelijken met Turkijebashen. Ik vind dat totaal ongepast. Wat is daar de verklaring voor?

De heer Braakhuis (GroenLinks): Binnen mijn fractie krijgen wij weleens het gevoel dat de weerstand tegen de toetreding van Turkije op andere gronden is gebaseerd dan puur de toetredingscriteria.

De toetredingscriteria en de absorptiecapaciteit van de EU moeten leidend zijn bij de vraag of nieuwe landen toe kunnen treden tot de EU. Wat betreft de absorptiecapaciteit heb ik met veel interesse kennisgenomen van het advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken. Mijn spreektijd is te kort om dit bladzijde voor bladzijde door te lopen, maar de conclusie is helder: uitbreiding is uiteindelijk een politieke keuze en als er problemen ontstaan rond het functioneren van de EU als gevolg van uitbreiding, zijn die problemen oplosbaar. De minister vraagt in de kabinetsappreciatie of de Kamer het een goed idee zou vinden als hij dit advies ook in Brussel onder de aandacht zou brengen. Mijn fractie steunt dat.

De toetredingscriteria moeten absoluut leidend zijn. Landen waaraan toetreding in het vooruitzicht is gesteld en die aan de criteria voldoen, zijn dus welkom. De geloofwaardigheid van de EU moet vooropstaan. Als we landen toetreding in het vooruitzicht hebben gesteld, moeten we ons daar ook aan houden, maar wel pas als ze voldoen aan de criteria. Als je een wortel voorhoudt, moet je uiteindelijk wel bereid zijn deze te geven.

Wat betreft de mate waarin Servië medewerking verleent aan het Joegoslavië-tribunaal verwijs ik ook naar het zojuist binnengekomen rapport van Brammertz. Voor GroenLinks is volledige medewerking aan het Joegoslavië-tribunaal een keiharde voorwaarde voor nauwere Europese samenwerking met Servië. De regering en GroenLinks zijn hierbij altijd samen opgetrokken en we gaan ervan uit dat dit zo blijft. Verdachten van oorlogsmisdaden, met voorop natuurlijk Mladic en Hadzic, moeten opgespoord en uitgeleverd worden. De decemberconclusies van het rapport van Brammertz laten duidelijk zien dat Belgrado nog niet in staat is om voortgang te boeken in het opsporen van oorlogsmisdadigers, zoals Mladic en Hadzic. Conform de motie-Braakhuis zeg ik de minister dat we nu niet akkoord kunnen gaan met ratificatie van het Stabilisatie- en associatieakkoord met Servië, omdat we hebben gevraagd om eerst volledige medewerking te krijgen. Ik stel dan ook voor om alle beslismomenten over nauwere Europese samenwerking met Servië op te schorten tot na de juniconclusies van Brammertz. Dan kunnen we opnieuw bekijken of Belgrado de aanbevelingen van Brammertz opgevolgd heeft en nu volledige medewerking verdient. Ik hoor graag de minister hierover.

Het probleem lijkt voor een deel het gebrek aan operationele capaciteit aan Servische zijde te zijn. Het gevoel leeft dat de autoriteiten op zich wel willen, maar dat het toch niet van de grond komt binnen de gelederen. Eigenlijk moet Belgrado dat natuurlijk vooral zelf aanpakken, maar de tijd begint echt te dringen. Het tribunaal bestaat nog maar twee jaar. Voordat het tribunaal afgeschaft wordt, willen we Mladic en Hadzic in Scheveningen zien. Daarom lijkt het mijn fractie verstandig als ook de EU hieraan een actieve bijdrage gaat leveren. Ik pleit daarom voor een «hunt fund» van de EU om extra opsporingscapaciteit in Servië te financieren. Dat fonds kunnen we betalen uit middelen die gereserveerd zijn voor de uitbreidingslanden, bijvoorbeeld in het kader van het instrument voor preaccessiesteun. Ik hoor graag of de minister bereid is zich voor zo'n hunt fund in te zetten.

Bij de meeste bilaterale conflicten die spelen tussen uitbreidingslanden onderling gaat het om grensconflicten. Mijn fractie stelt voor om het slechten van deze grensconflicten op te nemen in de toetredingsvoorwaarden en roept de minister op om hiervoor te pleiten in Brussel. Het laatste waar de EU op zit te wachten is vuurwerk op de Balkan, binnen de grenzen van de Unie. Deze voorwaarde lijkt ons dan ook rechtvaardig. Doordat Griekenland zeurt over de naam Macedonië en het vetorecht daarvoor misbruikt, wordt het openen van toetredingsonderhandelingen met Macedonië stelselmatig geblokkeerd. Hieraan moet echt iets gebeuren voordat mijn tenen nog krommer worden van verplaatste gêne. Er moet nu eindelijk iets gebeuren om een einde te maken aan dit gedoe. Ik stel voor dat de minister zich inspant voor arbitrage door de EU via een bemiddelaar of anderszins.

De toetredingscriteria moeten leidend zijn. Daarover zijn de minister en de fractie van GroenLinks het eens. Overigens zou ik het een goed idee vinden als landen die toegetreden zijn tot de EU zich nog steeds aan de Kopenhagencriteria wat betreft persvrijheid moeten houden en erop worden aangesproken als ze dat niet doen. Dat geldt wat mij betreft ook voor Italië, maar dat terzijde. Streng en rechtvaardig is het uitgangspunt in de discussies. Ik ga dit kabinet daar ook aan houden. Ook als de PVV weer eens vol op het andere orgel gaat, verwacht ik van dit kabinet een rechte rug.

De heer Ten Broeke (VVD): De heer Braakhuis maakt nogal een punt van «strict and fair». Hij heeft daar volkomen gelijk in. Het lijkt alleen alsof hij maar één kant van de zaak behandelt. Ik heb hem tien keer het woord «wortel» horen noemen, maar een stok bestaat niet, behalve voor Servië. Ik kan daar wel in meeleven, want als je strict and fair bent, moet je inderdaad langs de meetlat proberen af te meten of je tot een oordeel kunt komen. GroenLinks heeft altijd een heel consistente houding gehad jegens Servië, maar dezelfde voorwaarden gelden ook voor andere kandidaat-toetreders. Ik snap niet helemaal waarom de heer Braakhuis Turkije met zo veel coulance behandelt. Hij ziet toch ook in deze rapportage dat het er niet op vooruitgaat. Ik zou de heer Braakhuis graag wat kritischer horen over Turkije, want dan voldoet hij ook aan zijn eigen norm.

De heer Braakhuis (GroenLinks): De heer Ten Broeke heeft wel een punt. Over Servië zijn we steeds met de minister in debat gegaan, vandaar dat ik daar wat eerder aan refereer dan aan Turkije. Ik heb net ook gereageerd op wat de heer Bontes hierover zei. Voor Turkije gelden wat ons betreft dezelfde principes. Daar zullen we ook niet van afwijken.

De heer Bontes (PVV): Voorzitter. Ik kan helder zijn over de toetreding van landen tot de Europese Unie: geen enkel land meer bij de EU. Geen enkel land. Dus ook IJsland niet met zijn Icesave- en walvisproblematiek. Ook Kroatië niet, Servië niet, Macedonië niet, Montenegro niet en Turkije helemaal niet. Ik kan stuk voor stuk beargumenteren waarom deze landen niet toe mogen treden. De Commissie schrijft dat de daadwerkelijke onderhandelingen pas van start zouden moeten gaan als aantoonbaar voortgang is geboekt op de volgende beleidsterreinen: verbetering van het wetgevend kader voor voorzieningen; professionalisering en depolitisering van het ambtenarenapparaat; versterking van de onafhankelijkheid, efficiëntie en aansprakelijkheid van de zittende en staande magistratuur; bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad; versterking van de vrijheid van de media; implementatie van antidiscriminatiewetgeving, waarbij Roma tussen haakjes staat.

Dat is een hele lijst. Hoe kunnen we in godsnaam met zo'n land toetredingsonderhandelingen opstarten als deze lijst niet verwezenlijkt is? Van de bodem af aan moet daaraan gewerkt gaan worden. Daarvan zeggen wij al: begin er gewoon niet aan. Ik heb in de kabinetsreactie op het uitbreidingspakket gelezen: eerst rode lijnen, dan pas rode lopers. Ik verzoek de minister om nu een rode streep te zetten door alle toetredingsonderhandelingen. Ik verzoek de minister om zijn veto te gebruiken.

Wat betreft Turkije zou ik nog een stap verder willen gaan. Breek per direct de onderhandelingen met Turkije af. We geven Turkije nu valse hoop en we doen dat al jaren. Laten we een keer duidelijk zijn en zeggen: Turkije, u bent een goede buur, maar u zult nooit lid worden van de familie. Laten we daar duidelijk over zijn, want Turkije aan het lijntje houden is ook niet netjes.

De heer Braakhuis (GroenLinks): De heer Bontes zegt dat we Turkije valse hoop geven. Ik vraag mij af waar dat op gebaseerd is. We geven Turkije toch dezelfde hoop als alle andere landen die willen toetreden, zolang het maar voldoet aan de criteria? Vanwaar deze valse hoop?

De heer Bontes (PVV): Zij zullen nooit toe kunnen treden. Verschillende EU-landen weten dat ook. Merkel en Sarkozy weten heel goed dat Turkije niet toe zal treden; zij willen dat ook niet. Zij hebben daar ook gelijk in, want er zijn goede redenen om dat niet te doen. Denk alleen al aan de geopolitieke factoren. Je krijgt landen als Iran, Irak en Syrië als buur. Dat is een heel belangrijke reden. Ik noem verder nog de bezetting van Noord-Cyprus. Daarnaast staat de seculiere staat Turkije zwaar onder druk, als je de grondwetswijziging van Erdogan ziet. Dadelijk benoemt Erdogan de magistratuur. Dat zijn heel gevaarlijke ontwikkelingen. De seculiere staat staat echt onder druk. We moeten dus per direct gewoon stoppen met de onderhandelingen. Er zijn heel goede redenen om dat te doen.

De heer Van Bommel (SP): De heer Bontes zegt dat er een rode streep doorheen moet en dat het perspectief op toetreding van Turkije definitief moet worden afgebroken. Het is mij niet helemaal duidelijk wat de heer Bontes van zins is met de andere kandidaat-lidstaten. Moet daarvoor het perspectief op toetreding ook volledig verdwijnen, ook in de verre toekomst, en moeten de onderhandelingen worden afgebroken? Of zegt de heer Bontes dat we dit proces bevriezen? Wat is zijn politieke inzet?

De heer Bontes (PVV): Ik denk dat ik daarover altijd 100% duidelijk ben geweest, maar ik wil het wel herhalen voor mensen die mijn heldere taal niet helemaal begrijpen. Ik heb gezegd: nooit een land bij de EU, ook niet Kroatië, ook niet IJsland. Is het zo duidelijk genoeg?

De heer Van Bommel (SP): Dat is volstrekt duidelijk, maar u gaf net een bijzondere positie aan Turkije. U wilt dat land er echt helemaal nooit bij en die andere er gewoon nooit bij. Laat ik het dan zo samenvatten.

De heer Bontes (PVV): Dat is een verkeerde interpretatie.

De voorzitter: Dat is de conclusie van de heer Van Bommel. U mag daar straks weer op reageren.

De heer Van Bommel (SP): Dat is een kwestie van semantiek. Dat is mijn eigen semantiek. Maar dan nu de politieke vraag: wat vraagt u aan de regering? De regering zit namelijk met afspraken in dit proces en is gecommitteerd aan de voortgang met een aantal landen dat al dicht bij toetreding zijn, zoals Kroatië. Vindt u dat de regering op pad moet met de boodschap om daar gewoon helemaal nee tegen te zeggen en de stekker eruit te trekken? Dan moet u dat ook echt voorstellen aan de regering.

De heer Bontes (PVV): Als ik zeg dat er een rode streep door moet worden getrokken, is dat hetzelfde als: spreek uw veto uit of stop met verdere besprekingen. Hoe helder wilt u het hebben? Welke termen, naast «rode streep», wilt u nog meer horen van mij? Ik vraag aan de minister om op de rem te trappen. We hebben een veto bij iedere trede van het toetredingsproces. Laten we dat gebruiken. Dat is de inzet van de PVV.

De kwestie-Turkije wil ik nog even verduidelijken. De onderhandelingen lopen al zo lang. Laten we die per direct stoppen. De onderhandelingen met ieder land mogen wat mij betreft per direct stoppen, maar dat geldt vooral voor Turkije, omdat daar toch een beetje het beeld is van het aan het lijntje houden. Laten we daar zo snel mogelijk duidelijk over zijn, maar voor andere landen geldt dit dus ook.

Ik kom terug op het rapport van de Adviesraad Internationale Vraagstukken, de AIV. Twee weken geleden heb ik een debat gehad, hier vlakbij in Den Haag, waarbij enkele leden van deze commissie ook aanwezig waren. Er waren ook anderen aanwezig, onder wie iemand van de AIV, de heer Voorhoeve. De heer Voorhoeve zei in het debat tegen mij: mijnheer Bontes, moet u goed luisteren, als aan de criteria voldaan wordt, dan kunnen ook delen van Afrika, de VS en Australië toetreden tot de EU; alles kan toetreden. Toen heb ik gezegd: dit is de grootste onzin die ik ooit in mijn leven heb gehoord. Goed, hij accepteerde gelukkig dat ik dat zei. Maar de heer Voorhoeve geeft wel advies. Hij is lid van de AIV. Er ligt een rapport van de heer Voorhoeve op mijn bureau en daar moet ik instemmend bij knikken, zo van: dat is goed, dat is de perceptie van de werkelijkheid. Ik geloof er helemaal niks van. Het kan zo de prullenbak in wat mij betreft. Ik accepteer het totaal niet als mensen die deze visie hebben een rapport als dit neerleggen.

De heer Ormel (CDA): Ik heb een heel korte vraag over deze interessante filosofische gedachtegang. Als Israël lid zou willen worden, wat dan?

De heer Bontes (PVV): Ik heb gezegd: geen uitbreiding van de EU. Ik wil het nog duizend keer herhalen. Sterker nog, een aantal landen, Bulgarije en Roemenië, zou eruit moeten. Olli Rehn, de Eurocommissaris voor uitbreiding …

De heer Ormel (CDA): De PVV is dus tegenstander van Israël bij de EU.

De heer Bontes (PVV): Geen uitbreiding van de EU.

Mevrouw Albayrak (PvdA): Even los van de uitspraak van de heer Voorhoeve, die redelijk ironisch bedoeld was, waar in het rapport vindt de heer Bontes die mening terug in de vorm van een standpunt van de AIV? De PVV bestaat ook uit meerdere leden. Er zijn bijvoorbeeld mensen die de partij willen democratiseren. De lijn van de partij is echter anders. Individuele leden kunnen een mening hebben, maar kijkt de heer Bontes nog naar de inhoud van het rapport en wat daarin wordt voorgesteld?

De heer Bontes (PVV): Het rapport is positief over uitbreiding. Waar is dat op gebaseerd? Er wordt bijvoorbeeld stilgestaan bij de absorptiecapaciteit en het draagvlak onder de bevolking, dat er totaal niet is, maar er wordt gewoon overheen gewalst. In het rapport wordt aangegeven dat er goede keuzes zijn gemaakt in het verleden rond de uitbreiding van de EU. Zo heeft deze de vrede in Europa bewerkstelligd. Mijn perceptie van het rapport is dat het pro-Europa is. Dat is de lijn van de heer Voorhoeve, zoals ik hem in het debat heb meegemaakt. Wat hij zei, was niet grappig, cynisch of humoristisch bedoeld. Nee, hij meende vanuit de grond van zijn hart dat Amerika, Australië en Afrika lid kunnen worden van de EU. Hij is een prominent lid van de AIV en dat maakt mij zeer, zeer sceptisch.

De heer Ten Broeke (VVD): Ik heb een vraag om het heel heldere standpunt van de heer Bontes nog iets verder te verduidelijken. De PVV is een groot voorstander van het Europa van de interne markt. Zij weet dat dit niet alleen te realiseren valt met een samenwerkingsovereenkomst. Je stelt daarmee namelijk slechts een klein gedeelte van de interne markt open. Door haar standpunt beperkt de PVV potentieel de economische groei van Europa, waaraan die landen enorm zouden kunnen bijdragen. Moet ik het zo zien dat de PVV dat op de koop toe neemt? Wat is dan haar overweging om die landen per definitie never nooit toe te laten?

De heer Bontes (PVV): De interne markt kunnen we zeer wel realiseren zonder dat bijvoorbeeld Turkije lid is van de EU. We drijven daar handel mee. Dat is niet het punt. Kunt u aantonen wat de winst zou zijn als Turkije toetreedt? Stel dat er winst in zit, wat ik helemaal niet geloof, want dat is helemaal niet te berekenen, dan wegen de nadelen zwaarder dan de voordelen. Laten we nu in het economisch belang niet alles verkwanselen.

Voorzitter. Ik rond af. We moeten ook stoppen met visumliberalisatie, omdat dit vaak een voorbode is van verdere toetreding.

Mevrouw Albayrak (PvdA): Voorzitter. Het is de eerste keer dat we met het nieuwe kabinet praten over de visie op uitbreiding van de EU, dus dit is ook een belangrijk startmoment voor vervolgdiscussies. We praten hierover op basis van het rapport van de Commissie. Laat ik om te beginnen zeggen dat de PvdA ontzettend blij is dat het rapport veel continuïteit vertoont met het beleid van de vorige bewindspersoon die hiervoor verantwoordelijk was. Het uitgangspunt is dat Nederland rechtvaardig blijft handelen, maar vooral ook realistisch is en de kritische toon van de Europese Commissie terecht vindt. Dat vindt de PvdA ook.

Het is rechtvaardig, omdat we blijven vasthouden aan de afspraken. We houden ons woord. Er zijn contractuele relaties aangegaan met kandidaat-lidstaten. Daar blijft het kabinet achter staan. Maar we gaan inmiddels niet alleen uit van de Kopenhagencriteria. De afgelopen jaren zijn daar met recht nogal wat criteria bij gekomen. Ik denk dan aan de uitbreidingsstrategie 2006, waarin is benadrukt dat elke vervolgstap die wordt gezet, bij unanimiteit zal moeten plaatsvinden en dat het tempo van de lidstaten leidend is.

De kandidaat-lidstaten zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de vorderingen die ze maken met de hervormingsagenda. Het is voor ons ook belangrijk dat het kabinet blijft vasthouden aan de lessen van de laatste uitbreidingsronde. Zo vindt er geen groepsuitbreiding meer plaats. We wijzen niet alleen naar de theorie om aan te geven wat de afspraken zijn en dat de wetgeving moet worden aangepast, maar we kijken vooral ook naar de praktijk, het trackrecord. Het kabinet zegt terecht dat Kroatië het land is dat het dichtst bij toetreding staat. Maar als we kijken hoe ver het land nu is, bijvoorbeeld met de justitiële hervormingen, zal het in de praktijk nog moeten bewijzen dat niet alleen wetten worden gewijzigd, maar dat dit in de praktijk daadwerkelijk tot verandering leidt.

Elk land moet op zijn eigen merites worden beoordeeld. Er moeten geen streefdata worden vastgesteld. Deze zaken zijn na de Kopenhagencriteria toch een steeds grotere rol gaan spelen. Ik vind het ontzettend belangrijk dat de normen die in de accessieprocessen zijn geaccepteerd en de wetten die zijn gemaakt ook echt deugen en worden nageleefd in de praktijk.

Ik onderschrijf de visie van de minister en zijn oordeel over de stand van zaken inzake de individuele landen, zoals Servië en Macedonië en Griekenland. Die voorwaardelijkheid onderstrepen wij graag. Dat geldt ook voor Turkije. De minister zegt terecht dat de bal voorlopig daar ligt. Dat heeft niet alleen te maken met het Ankara Protocol – dat is en blijft een hobbel – maar vooral met de tegenvallende hervormingsresultaten. Wat is naar het oordeel van het kabinet het commitment van Turkije als het gaat om toetreding? Het gaat dan vooral om de hervormingsresultaten op het gebied van persvrijheid, de rechten van vrouwen en kinderen, kinderarbeid, etc. Turkije is nu zelf aan zet om dat commitment te tonen en in de praktijk met de hervormingsagenda aan de slag te gaan. De dossiers die nu gesloten zijn, blijven feitelijk gesloten. Zelfs als het hoofdstuk mededinging mede in het belang van Nederland wordt geopend, zitten deze onderhandelingen voorlopig redelijk vast, lijkt mij.

De heer Bontes (PVV): Er is pas een grondwetswijziging doorgevoerd die twee elementen kent: de AK-partij krijgt de mogelijkheid om rechters te benoemen en om islamitische scholen te stichten. Bent u daar voor- of tegenstander van?

De voorzitter: Ik vraag u om elkaar via de voorzitter aan te spreken. Anders wordt het een soort dialoog, zeker als u naast elkaar zit, terwijl het een algemeen overleg is, oftewel een debat met elkaar en de regering.

Mevrouw Albayrak (PvdA): Frans Timmermans is buitenlandwoordvoerder. Ik denk dat u hem moet hebben voor het bilaterale oordeel over wat er in Turkije gebeurt. Ik kijk naar het oordeel van de Commissie en de kabinetsreactie daarop als het gaat om de relevantie voor toetreding. Dan zeg ik: ik ben het eens met de zorgen die er zijn, ook over de vorderingen die Turkije maakt en de hervormingsresultaten. Dat is het antwoord dat ik u kan geven. Ik heb geen behoefte om een oordeel te geven over alle wetswijzigingen in Turkije die losstaan van het oordeel van de Commissie.

De heer Bontes (PVV): Ik krijg geen antwoord op mijn vraag, die toch heel realistisch is. De Europese Commissie danste op de stoelen van blijdschap dat er een grondwetswijziging heeft plaatsgevonden. Voor het Europees Parlement gold precies hetzelfde. Ik vraag het standpunt van de Partij van de Arbeid aan mevrouw Albayrak als woordvoerder Europese Zaken. Is zij ook zo blij met deze grondwetswijziging of heeft zij kritiek daarop?

Mevrouw Albayrak (PvdA): Ik dacht dat ik daarop geantwoord heb. Wat voor mij in dit debat relevant is, is het oordeel van de Commissie. Dat onderschrijf ik. Als de Commissie zegt dat dit in het kader van het democratiseringsproces in Turkije een stap vooruit is, dan deel ik dat oordeel.

Ik ben het eens met het kabinet wat betreft de hoofdlijnen en de standpunten over de stand van zaken per lidstaat. Ik onderschrijf de strategie richting Brussel, maar ik heb nog wel een paar vragen. In de kabinetsreactie staat een merkwaardige zin over de visa: «de problemen die zich thans in een aantal lidstaten voordoen met het verhoogde aantal asielaanvragen uit Servië en Macedonië, die in december 2009 visumvrijheid kregen». Ziet het kabinet een toename van het aantal Serviërs en Macedoniërs dat in landen als Nederland asiel aanvraagt? Of gaat het om mensen uit derde landen die via de visumvrijheid in Servië en Macedonië toegang krijgen tot de EU? Het staat in een bijzin, maar ik vind het een zorgwekkende ontwikkeling. Het kabinet is nog niet zolang geleden akkoord gegaan met de visumvrijstelling voor Kosovo en Bosnië. Als dat aan de hand is, vraag ik aan de minister of de zorgen over die landen bij het kabinet al zijn weggenomen. Deze vraag stel ik ook aan de VVD-fractie. Deze opstelling van het kabinet is merkwaardig. Ik wil weten hoe ernstig dat probleem is volgens het kabinet.

De voorzitter: Bent u aan het eind van uw betoog? U bent wel aan het eind van uw tijd.

Mevrouw Albayrak (PvdA): Ik heb nog twee opmerkingen. In de kabinetsreactie op het AIV-advies wordt gewezen op de absorptiecapaciteit. Ik heb nog wel enkele vragen over de voorbehouden wat betreft de budgettaire omstandigheden en de publieke acceptatie. We staan achter dit voorbehoud van het kabinet, maar dat is toch niet beleidsresistent? Het heeft vooral te maken met de enorme urgentie in Europa om bijvoorbeeld het landbouwbeleid en de structuurfondsen op de schop te nemen. Is dit niet vooral een boodschap aan onszelf om nog meer druk te zetten op de hervormingen in de EU zelf?

Ik ben daarnaast een beetje teleurgesteld over het punt van het publieke draagvlak. Ik vind het nogal passief. Ook dit is niet resistent voor wat het kabinet doet. Als het goed is, worden opinies door politici geleid en niet gevolgd. Ik vraag het kabinet om meer actie te ondernemen om vele voorbeelden van belangen voor Nederland uit te dragen, zoals geopolitiek, veiligheid, stabiliteit, milieubescherming ...

De voorzitter: Uw punt is helder.

Mevrouw Albayrak (PvdA): Dit heeft het kabinet mooi opgeschreven …

De voorzitter: Dat was het. De heer Ten Broeke heeft nog een vraag.

De heer Ten Broeke (VVD): Zeker. Ik ben rechtstreeks aangesproken met een vraag. Bij mij gingen de handen even in de lucht nadat mevrouw Albayrak drie kwart van haar spreektekst had gebruikt om het kabinet te complimenteren met het continueren van de lijn van het vorige kabinet en vervolgens probeerde om de staf te breken over de visumvrijstelling. We moeten de feiten even op een rijtje zetten. Het was namelijk het vorige kabinet, in casu de vorige minister van Buitenlandse Zaken, die de visumvrijstelling heeft geregeld. Dat was een ruim een jaar geleden, mevrouw Albayrak. De reden waarom dit gebeurde, was ...

De voorzitter: Dit wordt een betoog. U stelt een vraag en anders benut u uw eigen tijd.

De heer Ten Broeke (VVD): Mij werd een vraag gesteld.

De voorzitter: Zo gaan we het niet doen.

De heer Ten Broeke (VVD): Ik kan daar toch op reageren?

De voorzitter: Ja, dat kan. U kunt die vraag in uw eigen inbreng beantwoorden, tenzij u het weet om te buigen in een vraag aan mevrouw Albayrak en u bent zo ervaren dat u dat kunt.

De heer Ten Broeke (VVD): Is het mevrouw Albayrak bekend dat het kabinet waar zij zelf zitting in had, de visumvrijstelling heeft geaccepteerd, nadat dit parlement nota bene een handreiking deed om Servië tegemoet te komen om voor studenten een visumvrijstelling te openen, waarna dat kabinet terugkwam met een wat ruimere visumvrijstelling? Daarover vinden nu de debatten plaats en daar zien wij nu de consequenties van. Als mevrouw Albayrak consequent is, accepteert zij het beleid waar zij zelf voor heeft getekend.

Mevrouw Albayrak (PvdA): Dan accepteert u allereerst dus dat de gevolgen zijn dat er meer asielaanvragen worden ingediend. Mijn antwoord zou zijn: is de heer Ten Broeke doof? Ik zei namelijk dat deze vrijstelling er in december 2009 is gekomen. Toen zat er inderdaad een ander kabinet. Maar dit kabinet constateert wat de gevolgen ervan zijn en zet alsnog een volgende stap. Mijn vraag is: klopt het dat die gevolgen zo dramatisch zijn? Het staat in een bijzin en ik wil weten wat de achtergronden ervan zijn. Als de gevolgen inderdaad zo dramatisch zijn, wil ik het kabinet alleen aanmoedigen om vast te houden aan de voorwaarden die het heeft gesteld.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. Bij het uitbreidingsproces past terughoudendheid, omdat de Europese Unie haar eigen huis niet op orde heeft. Je moet geen gasten uitnodigen als het huis een rommeltje is, heb ik altijd geleerd. Tegelijkertijd gelden voor de uitbreiding een aantal afspraken die ook de SP-fractie graag wil nakomen. Dat houdt in dat toetreding mogelijk moet zijn voor landen die onderdeel zijn van Europa en die voldoen aan de Kopenhagencriteria, waarbij ook het criterium van absorptiecapaciteit van de EU wordt toegepast.

Ik zet even de rapporten op een rijtje. De AIV en het huidige kabinet hebben de crisis in de eurozone niet genoemd als aspect dat betrokken moet worden bij het beoordelen van de vraag of de EU zelf haar huishouding op orde heeft. De vraag is: waarom niet? Deze crisis duurt al een hele tijd en had er gewoon bij betrokken kunnen worden. Deze crisis zal vermoedelijk ook nog niet over zijn in de komende jaren.

Het kabinet plaatst twee kanttekeningen bij de vijf aspecten die de AIV noemt, te weten bij de financieel-budgettaire dimensie en bij de publieke acceptatie. Voor de publieke acceptatie geldt dat het kabinet het uitgangspunt streng doch rechtvaardig hanteert. Dat is een benadering die aan zou kunnen spreken, maar zij is in het verleden nooit toegepast. Ik zou graag willen zien wat het kabinet anders gaat doen. Ik zie op dit punt eigenlijk een enigszins passieve houding. Het publieke debat wordt weliswaar gezocht, maar publieke instemming met uitbreiding wordt eigenlijk nooit gevraagd. In een aantal lidstaten gebeurt dat wel, maar in Nederland niet. Moeten wij dat niet overwegen?

In het verleden is de uitbreiding domweg te snel gegaan. De SP was de partij die nee zei tegen Roemenië en Bulgarije, omdat die landen hun zaken niet op orde hadden. De vorige minister van Buitenlandse Zaken heeft in debatten meerdere malen erkend dat hij nee gezegd zou hebben als het hem opnieuw gevraagd zou worden. Ik denk dat deze eerlijkheid ook dit kabinet zou passen en dat dit een les moet zijn voor de toekomst.

Het absorptiecriterium. De AIV en het kabinet plaatsen geen kanttekeningen bij het economische aspect, specifiek het functioneren van de interne markt, terwijl mijn fractie haperingen ziet in de interne markt als het gaat om de gevolgen van arbeidsmigratie en het op overdreven wijze aansturen op marktwerking. Graag op beide punten een reactie, omdat wij deze aspecten altijd willen betrekken bij de discussie.

De heer Bontes (PVV): De heer Van Bommel is duidelijk over Bulgarije en Roemenië, maar wordt vervolgens wat vager. Op basis van wat hij zegt, schat ik in dat hij op een referendum koerst. Wat vindt de SP-fractie heel concreet van landen als IJsland, binnenkort Kroatië, Montenegro, Albanië, misschien Bosnië in de toekomst en Turkije? Toetreding op korte termijn, ja of nee?

De heer Van Bommel (SP): Dit was het algemene deel van de beoordelingscriteria dat ik even met het kabinet moest bespreken, omdat ik daarin iets strenger ben dat het kabinet. Ik kom nu op de afzonderlijke landen, maar eerst nog een algemeen punt: het functioneren van de rechtsstaat. Mijn partij heeft steeds gezegd dat wij landen niet alleen moeten beoordelen op het moment dat ze willen toetreden. We moeten landen blijven beoordelen op het bestrijden van corruptie en het inhoud geven aan het begrip «rechtsstaat». We moeten vaststellen dat 10 van de huidige 27 lidstaten slecht scoren op de ranglijst van Transparency International wat betreft bestrijding van corruptie. Naast Roemenië en Bulgarije zijn landen als Griekenland en Italië zelfs aanmerkelijk slechter dan kandidaat-lidstaat Turkije. Dat geeft te denken. Graag een reactie.

Ik ga verder met de specifieke landen. Voor Kroatië stelt de Commissie dat de alom aanwezige corruptie zorgen baart en dat de reeds ingezette hervormingen nog effect moeten sorteren. De vraag is dan: welke termijn ziet het kabinet daar? Er moet een zichtbare daling komen op de corruptie-index, want anders blijft dit land hiermee grote problemen houden. Corruptie is een ziekte die kan overslaan van het ene naar het andere land. Wij vertrouwen elkaar in de Europese Unie en wij moeten ook nieuwe lidstaten kunnen vertrouwen. Bij Kroatië is dat nog niet aan de orde.

Een ander probleem waar ik aandacht voor vraag, is de eis dat de steun voor scheepswerven en de staalsector moet worden afgebouwd. Valt er gezien de crisis en de hoge werkloosheid niet te denken aan een overgangsregime om Kroatië tegemoet te komen?

Wij delen het standpunt dat er in Turkije sprake is van vooruitgang. Het referendum dat is gehouden is een goede zaak, maar het is onvolledig als het gaat om het toekennen en respecteren van rechten, bijvoorbeeld van minderheden. De heer Bontes heeft de benoeming van de rechters al genoemd. Ik noem in dat kader persvrijheid en vakbondsrechten. Er is sprake van vooruitgang, maar wij hebben grote zorgen over de wijze waarop Turkije zit in het debat over de naleving van het Ankara Protocol. Volgens het kabinet is er sprake van feitelijke stilstand in de onderhandelingen. Het kabinet wil geen extra sancties aan Turkije opleggen om tot nadere dwang te komen. Moeten we niet vaststellen dat het proces al geruime tijd muurvast zit? De Turken zijn keiharde onderhandelaars, maar de Europese Unie moet dat ook zijn. Als er geen sprake is van vooruitgang, moeten we op gegeven moment zeggen: wij steken hier de komende periode geen energie in. Dan moet dat het signaal zijn. Wat betreft visumliberalisatie gaan wij Turkije niet tegemoetkomen, daar kan geen sprake van zijn.

De heer Bontes (PVV): De heer Van Bommel zegt dat de onderhandelingen met Turkije muurvast zitten. Kan ik daaruit concluderen dat hij er net als de PVV voor pleit om te stoppen met de onderhandelingen met Turkije?

De heer Van Bommel (SP): Turkije blijft wat ons betreft toetredingsperspectief houden, maar keihard onderhandelen met Turkije betekent dat je op een gegeven moment ook kunt zeggen: voorlopig heeft het geen zin, want u beweegt niet. Dan schorten wij de onderhandelingen op. Dat is iets anders dan definitief stoppen met de onderhandelingen.

IJsland. We hadden eerder signalen dat de bevolking de toetreding niet steunt. Nu komen de signalen ook uit kringen van de regering. Graag een reactie van de minister.

Macedonië. Wat gaan we doen met de naamkwestie? Die kwestie zit eigenlijk ook al heel lang vast.

Albanië staat samen met Bosnië en Herzegovina en Kosovo in de top drie van meest corrupte landen. Mag je het dan op een gegeven moment ook een maffiastaat noemen? Ik denk het wel. Graag een reactie van de minister.

De Commissie wil nog niet beginnen met onderhandelingen met Montenegro, maar alvast als beloning het land de kandidaat-lidmaatschapstatus geven. Mijn fractie heeft zich steeds tegen deze scheiding verzet. Met kandidaten dien je te onderhalen, anders is het maar symbolisch. Graag een reactie van de minister.

Uit het rapport van Brammertz over Servië blijkt duidelijk dat er een gat zit tussen het uitgesproken commitment en de effectiviteit van de opsporing, de operaties op de grond. Daar moet verbetering in optreden. Brammertz zegt: er moet nog veel werk worden verricht om de aanbevelingen op dit punt echt uit te voeren. Volgens ons betekent dit een standstill voor Servië.

De heer Ten Broeke (VVD): Voorzitter. We spreken vandaag weer over het hele pakket van de uitbreidingsagenda, niet alleen over de kandidaat-lidstaten, maar ook over de landen met een lidmaatschapsperspectief. Dat is goed. Het motto strict but fair, eerlijk maar rechtvaardig, is en blijft het uitgangspunt. Dat motto van het vorige kabinet en van dit kabinet staat als een huis. Voor de rest is het regeerakkoord leidend, waarin staat dat toetreding van nieuwe lidstaten tot de EU plaatsvindt als ze voldoen aan de strikte criteria die in Kopenhagen zijn vastgesteld. Daarbij is als verbijzondering toegevoegd het absorptievermogen van de EU en de uitbreidingsstrategie van 2006, waarnaar mevrouw Albayrak ook verwees.

Ik gebruik dit moment om heel specifiek aandacht te vragen voor iets wat in de afgelopen twee jaar in dit parlement over het algemeen als een feit wordt beschouwd, maar wat in de rest van Europa niet of nauwelijks wordt erkend, en waarvan ik ondertussen ook betwijfel of het bij alle ambtenaren bij Buitenlandse Zaken bekend is. Het betreft het absorptievermogen zoals neergelegd in artikel 49 van het Verdrag voor de Europese Unie. Aan dit verdragsartikel, dat op instigatie van Nederland bij de verdragsonderhandelingen is ingebracht, is een belangrijke zin toegevoegd. Ik lees de eerste alinea van artikel 49 voor: er wordt rekening gehouden met de door de Europese Raad overeengekomen criteria voor toetreding. Daarbij wordt verwezen naar de raadsconclusies van december 2006. Dat waren politieke conclusies, die daarna nog een keer zijn bevestigd, waarin de essentiële rol van toetredingscriteria voor het eerst in primair recht wordt vastgelegd. Daarmee hebben wij willen voldoen aan een deel van de zorgen die door Nederlanders werden geuit bij het referendum in 2005, dat het proces van toetreding op de automatische piloot plaatsvond en dat het een blinde trein was die maar doordenderde. Dat is essentieel omdat we nu kunnen zeggen dat de Europese Commissie, die de hoeder is van dit soort verdragen, ook moet worden aangesproken op dit artikel.

Ik ben het eens met de heer Van Bommel dat Nederland op dat terrein meer activiteiten zou moeten ontplooien. De Europese Commissie heeft ook in mijn beleving nog altijd de neiging om de rode loper uit te rollen naar eender welke uithoek van de Europese Unie. Met die open formulering van de door de Europese Raad overeengekomen criteria wordt nadrukkelijk rekening gehouden met het absorptiecriterium. In Brussel noemt men dat het integratiecriterium. Daar kijkt men alleen naar het aantal zeteltjes in het Europees Parlement, om het wat badinerend te zeggen. Wij vinden dat dit verder moet gaan. Ik vind het AIV-advies op dat vlak echt een stap voorwaarts.

Ik zou graag zien dat we daar wat mee zouden doen, niet alleen in eigen huis, waar we elkaar eindeloos kunnen blijven overtuigen, maar ook richting de andere 26. Ik zie namelijk dat het voortdurend 26 tegen 1 zal zijn, en de komende maanden zal dat niet anders zijn. We kunnen dan wel zeggen dat we het verdrag aan onze kant hebben en dat we daarmee uiting proberen te geven aan wat wij in 2005 hebben gehoord van de kiezers, maar als het voor de rest niet resoneert, heeft het geen zin. Voor een deel voldoen wij al aan het publieke debat. Dit parlement spreekt al het vaakst en het intensiefst over uitbreiding, niet alleen over individuele landen, maar ook over het pakket als zodanig.

Wat denkt de minister van Buitenlandse Zaken te kunnen doen om dit debat op te starten in de Commissie en om andere lidstaten ervan te overtuigen? Dit debat moet worden losgeweekt van het telkens nieuwe stappen zetten in verschillende toetredingsprocedures. Dit debat moet nu eens op zichzelf staand worden gevoerd, want anders vissen wij telkens achter het net. Dat levert ons alleen nederlagen op. Die nederlagenstrategie wil ik voorkomen, want er zijn belangrijkere dingen voor Nederland te halen dan een volgend stapje in welk toetredingsproces dan ook.

Ik wil er heel helder over zijn dat voor de VVD-fractie twee zaken in het Europees beleid recht overeind staan. Ten eerste een heldere, transparante en het liefst ook een gemoderniseerde begroting voor de komende zeven jaar, want die is essentieel voor de geloofwaardigheid van Europa. Ten tweede een restrictief asiel- en migratiebeleid op Europees niveau. Daar moet ook het nodige voor veranderen. Dat zijn de twee topprioriteiten. Daar zullen andere dingen voor moeten wijken.

De heer Bontes (PVV): De heer Ten Broeke spreekt krachtige taal, maar het eerste waarmee hij schermt bij de toetreding van Turkije zijn de economische belangen. Ik kan zijn positie niet goed plaatsen. Is hij nu kritisch over de toetreding of zegt hij dat het economische belang zo belangrijk of heilig is voor de VVD dat hij overstag gaat?

De heer Ten Broeke (VVD): Ik zou heel weinig dingen in het leven echt heilig willen noemen, behalve de dingen die meer in de privésfeer liggen. Turkije hoort daar in elk geval niet bij. Ik probeer dat op een functionele manier te bekijken. Het is inderdaad zo dat Turkije vanuit economisch perspectief geweldige kansen biedt. Zoals de heer Bontes weet, is Turkije het land dat het hardst groeit in onze regio. Turkije kent een economische groei van 7,5%. Ga er maar aan staan. Ik zou willen dat wij daar zelfs maar in de buurt zouden komen. Dat neemt niet weg dat de VVD buitengewoon kritisch is. De heer Bontes kan erop rekenen dat zij dat ook blijft in het geval van Turkije. Hij kan ons daaraan houden. Maar wij doen dit wel met in ons achterhoofd de afspraken die zijn gemaakt. Wij zijn goed voor ons woord en wij zijn goed voor onze handtekening.

Mevrouw Albayrak (PvdA): Onderschrijft de heer Ten Broeke dat absorptievermogen niet alleen te maken heeft met de voortgang van de landen, waarbij vooral de waarborgen van het acquis en het toetredingsproces gelden, maar ook met de verdere ontwikkeling van Europa? Ik noemde in dat kader het landbouwbeleid en de structuurfondsen. De heer Ten Broeke noemt twee prioriteiten, maar daar zit het landbouwbeleid niet bij. Ik onderschrijf de opvatting dat de minister de discussie verder moet aanzwengelen in Europa. Denkt hij dat deze discussie de druk moet vergroten om het landbouwbeleid in Europa te wijzigen?

De heer Ten Broeke (VVD): De discussie over het Verdrag van Lissabon is in dit parlement uitermate intensief gevoerd. Daarbij hebben twee partijen aangedrongen op artikel 49. Dat waren het CDA en de VVD. Ik heb altijd gesteld dat het absorptievermogen als volgt moet worden gezien. Er moet niet alleen worden gekeken of landen voldoen aan de bekende drie Kopenhagencriteria, maar ook naar de vraag of de Unie zelf gereed is. Helmut Schmidt drukte dat ooit uit als: das können wir nicht verkraften. Over Turkije zei hij: nein, daar ben ik nog even niet aan toe. Als je naar Turkije kijkt, is de landbouwsector van groot belang. Als wij ons landbouwbeleid niet overtuigend kunnen hervormen, zie ik een mogelijke toetreding van Turkije in de toekomst alleen nog maar somberder in, gegeven de enorme landbouwsector van dat land. Aan de andere kant heeft Turkije weer een vrij open marktsector, die aanmerkelijk liberaler is dan die in de tien of twaalf toetreders van de afgelopen jaren. Ik heb zelf in de telecomsector gewerkt en onderhandeld met de Turken ...

De voorzitter: Dit wordt wel een heel lang antwoord. Ik neem aan dat u het einde van uw bijdrage nadert?

De heer Ten Broeke (VVD): Over Turkije zijn wij ook niet tevreden. Het land zet in het kader van het Ankara Protocol eigenlijk geen stap voorwaarts. Het is ook interessant om te zien dat de persvrijheid in toenemende mate onder druk staat. YouTube werd in oktober plotseling vrijgegeven en na een week ging de site weer op slot, omdat er een hate speech op zou staan. Het is altijd leuk om te zien dat GroenLinks wel wortels naar Ankara wil sturen, maar de heer Assange, die ook gebruik maakt van de persvrijheid, het liefst politiek asiel zou willen bieden.

Er komen nu eindelijk gesprekken met Macedonië. Van IJsland krijgen wij ons geld terug; laten we het hopen. Met Albanië is nog van alles mis. In Bosnië en Herzegovina is opnieuw weinig vooruitgang. We moeten serieus bekijken of we onze militaire bijdrage aldaar niet eens moeten downscalen. Ik denk daarbij met name aan de Koninklijke Marechaussee, die voor andere taken is opgeleid dan zij daar moet uitvoeren. Ik geef de regering dat in overweging. Servië is misschien wel de pièce de résistance. Brammertz heeft opnieuw een rapport opgesteld. Volgens Brammertz moet Belgrado een proactieve aanpak inzetten, maar gaat het niet goed, gezien uitlatingen als: Serbia must bridge the gap between its stated commitment ... Er moet dus meer gebeuren.

De voorzitter: Dit wordt te veel reservetijd.

De heer Ten Broeke (VVD): Tot slot. Net als GroenLinks vinden wij dat er meer moet gebeuren en dat Europa misschien gezamenlijk de schouders moet zetten onder een betere opsporing, alleen noemen we het geen «hunt fund». Als er iemand is, dan is het wel deze minister van Buitenlandse Zaken die dat ...

De voorzitter: Punt.

De heer Braakhuis (GroenLinks): Ik ben blij dat de VVD en GroenLinks hetzelfde denken over extra inspanningen in Servië, maar ik wil ook graag van de heer Ten Broeke horen hoe het nu zit. Hij vergelijkt Assange en de persvrijheid die wij hem juist ook gunnen met de persvrijheidbeperkingen van Turkije.

De heer Ten Broeke (VVD): Het viel mij op dat u een zak wortels naar Ankara wilt sturen; u hebt het alleen over positieve zaken. Turkije heeft echter geprobeerd om YouTube uit te zetten. Tegelijkertijd maakt u enorm veel stennis over wat de heer Assange heeft gedaan. Ik zou zeggen dat er een lichte discrepantie zit tussen beide zaken. Ik geef u in overweging om daar wat meer consistentie in aan te brengen.

De heer Ormel (CDA): Voorzitter. Ik zal eerst in algemene zin ingaan op het uitbreidingsproces, daarna op het AIV-advies en vervolgens zal ik enkele landen aanstippen.

De CDA-fractie is voorstander van een strenge en rechtvaardige uitbreiding van de Europese Unie met landen die in Europa liggen, zoals in de verdragen staat. Een man een man, een woord een woord. De Kopenhagencriteria moeten strikt worden nageleefd. De spankracht van de EU is natuurlijk cruciaal. Zeker gezien de huidige ontwikkelingen binnen de Unie moet daar zeer sterk op worden gelet. Er moeten absoluut geen data genoemd worden, zoals de regering nadrukkelijk schrijft in de brief. Bij het proces van uitbreiding gaat het voor veel landen om het maken van een mentaliteitsomslag, en dat is moeilijk. De EU heeft daar in het verleden te weinig oog voor gehad, bijvoorbeeld bij de uitbreiding met Bulgarije en Roemenië. De CDA-fractie heeft daar wijze lessen van geleerd. Er moet ook een mentaliteitsomslag plaatsvinden bij de lidstaten zelf, ook bij Nederland. Uitbreiding is een naar binnen gericht proces. Als wij een belangrijke rol willen blijven spelen in de EU, dan is het van belang om op tijd een meerderheid te vinden met andere lidstaten voor standpunten die Nederland inneemt. We moeten niet pas op het allerlaatste moment met veto's dreigen, want dat is niet in het belang van Nederland. In een eerdere fase moeten we voortdurend met andere lidstaten in overleg zijn over de processen die gaande zijn rond de uitbreiding.

Het CDA heeft er mede op aangedrongen om een advies van de AIV over de absorptiecapaciteit te vragen. Wij herkennen ons in dat advies. Het is van belang dat dit advies ook in Brussel doordringt. De Europese Commissie noemt in haar rapport de absorptiecapaciteit en rapporteert er soms over, maar het is meer dan alleen economische absorptiecapaciteit. Het heeft bijvoorbeeld ook te maken met de publieke opinie in landen. In het AIV-advies staat dat het een problematische en multi-interpretabele term is. De AIV noemt vier punten waarom het een problematisch begrip is: het is niet precies, dynamisch, abstract en wordt door diverse factoren bepaald. Er moet dus binnen de Europese Unie worden gesproken over de vraag wat we eronder verstaan. Dit moet een blijvend gesprek zijn, omdat de absorptiecapaciteit in de loop der jaren kan veranderen en het geen vast gegeven is.

In de vorige periode hebben we er vaak over gesproken dat er naast een volledig lidmaatschap ook andere vormen zijn. We kennen het nabuurschapsbeleid. Dat is ook van groot belang. Wij vragen de minister in dit verband hoe het zit met het Oostelijk Partnerschap. We verwachten dat er in de komende jaren veel initiatieven zullen worden genomen in dat kader, omdat Hongarije en Polen dan voorzitter zijn en veel belang hechten aan dat partnerschap. De CDA-fractie hecht daar ook veel belang aan. Eigenlijk zouden we het een Oostelijk Europees Partnerschap moeten noemen, want het betreft allemaal landen die binnen Europa liggen. Wij vinden dat hier met grote nadruk op gelet moet worden, zeker gezien het grote geopolitieke belang van de Oekraïne, maar ook van de landen in de zuidelijke Kaukasus.

Ik ga nu verder met de bespreking van een aantal kandidaat-lidstaten. Bij Kroatië zien wij met belangstelling uit naar de voortgang op hoofdstuk 23. Kan de minister hier nog iets over zeggen? Het is zo'n beetje het laatste hoofdstuk. Hoe staat het daarmee?

Over Turkije is al veel gezegd door anderen. Bij Turkije speelt ook het frozen conflict Noord-Cyprus. Dat is niet alleen van belang voor de toetreding van Turkije, maar ook voor lidstaat Cyprus en voor de samenwerking tussen de EU en de NAVO. Wij vinden dat daar grote aandacht voor moet zijn.

Ik zie dat ik moet gaan afronden, maar ik behandel nog enkele punten. Wat betreft IJsland is reeds gevraagd naar het Icesaveakkoord. Hoe staat het met de walvissen? Vallen de walvissen onder hoofdstuk 13, visserij? Een walvis is een zoogdier. Daar vis je niet naar, maar daar jaag je op. Er is geen apart hoofdstuk voor jacht. Hoe wordt dat opgepakt in het acquis?

Wij zijn het eens met het standpunt van de regering over Montenegro, inclusief de aanbeveling aan de Commissie: een kandidaat-lidmaatschap onder voorwaarden. De besprekingen kunnen niet geopend worden als niet wordt voldaan aan de voorwaarden die door de Commissie zijn besproken.

De voorzitter: Is dit uw laatste punt? U bent echt door uw tijd heen.

De heer Ormel (CDA): Servië. Wij zijn zeer bezorgd over het feit dat Brammertz zo kritisch is, omdat wij vinden dat Servië toch nadrukkelijk bij de Europese familie hoort. Daarin moet dus wel voortgang plaatsvinden. Tegelijkertijd moet Servië zich volop inzetten op het vangen van de heren Mladic en Hadzic.

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Laat ik vooropstellen dat wij in algemene zin goed uit de voeten kunnen met de houding van het kabinet ten opzichte van de uitbreiding van de Europese Unie. Het viel mij op dat het een heel helder geschreven brief is. Ik ben het niet met alle heldere teksten in deze brief eens, maar ik vind het een verademing dat de houding en de waardering van de vorderingen in de verschillende landen duidelijk zijn verwoord in deze brief.

Eerst rode lijnen, dan pas de rode lopers, dat is een voorbeeld van zo'n heldere stellingname. Inhoudelijk betekent deze in onze woorden: streng, rechtvaardig, maar dus ook betrouwbaar. Ik voeg eraan toe dat nog wel bewezen moet worden dat men de hand kan houden aan die criteria. We moeten er wel op letten dat het niet een soort standaardbenadering wordt van welk kabinet dan ook, zoals een rapport van de Algemene Rekenkamer, om te erkennen dat in het verleden dingen mis zijn gegaan, maar dat inmiddels veranderingen op gang zijn gekomen en dat het binnen korte tijd echt helemaal goed zal zijn. Dat is natuurlijk ook een gevaar bij het streven om strenger te zijn bij de toetredingscriteria.

Wij zijn ook zeer te spreken over de duidelijke taal die de minister bezigt over het vroegtijdig gebruik van streefdata voor toetreding van nieuwe lidstaten. Niet doen, want het haalt in de praktijk de druk van de ketel om de noodzakelijke hervormingen te realiseren en je rijdt jezelf daarmee in de wielen.

Het kabinet onderstreept het belang van publieke acceptatie. Ik denk dat deze ook heel belangrijk is bij de uitbreiding van de Europese Unie. Als ik het goed zie, probeert het kabinet die publieke acceptatie vooral te bevorderen door zelf de hand te houden aan het strikt naleven van de toetredingsvoorwaarden en door andere landen in de Europese Unie daarop aan te spreken. Mijn simpele vraag is of dat genoeg is. De heer Bontes van de PVV-fractie heeft dit vanmorgen het meest kernachtig verwoord. Hij zegt gewoon: genoeg is genoeg, met een variant op een leus die ik maandag in een ander debat hoorde. Hoe je het ook wendt of keert, dat is wel wat in heel veel Europese landen leeft. Red je het tegen dat genoeg-is-genoeg-gevoel door te zeggen dat we nu echt zullen doen wat in het verleden is misgegaan, namelijk de hand houden aan de toetredingsvoorwaarden?

Daarmee kom ik op de besluitvorming. We kunnen wel zeggen: beloofd is beloofd, zoals het meest pregnant in de stukken staat over de houding tegenover Turkije. Mijn fractie is nooit een voorstander geweest van het starten van onderhandelingen met Turkije. Beloofd is beloofd gaat dan terug op bepaalde uitlatingen in 1963 en wat later bij nieuwe toppen is gezegd. Het was of te vroeg, of te laat voor tegenstanders daarvan en op een gegeven moment staat dan vast: beloofd is beloofd, maar is er straks wel voldoende parlementaire steun voor in de Europese landen? Rijd je jezelf dan niet op een heel vervelende manier in de wielen? Als we inzien dat er op bepaalde punten ook in de toekomst te weinig draagvlak is, moeten we dan niet zoeken naar andere oplossingen, zoals meer maatwerk en geprivilegieerd partnerschap, als alternatief voor alleen maar toetreding tot de Europese Unie? Die vraag stel ik in meer algemene zin aan de regering. Dat is ook mijn kritiek op het stukje over Turkije, waarvan de strekking is: beloofd is beloofd en woord houden. Ik zeg erbij dat alles wat door de regeringsleiders is toegezegd, uiteindelijk wel is onder voorbehoud van parlementaire goedkeuring. Uiteindelijk moet er wel een verdrag komen dat ook de steun heeft van de parlementen in de lidstaten.

Over de Balkan heb ik ook een algemene opmerking. Zie ik het goed dat er binnen de Europese Commissie lange tijd toenemende steun leek te bestaan voor het versnellen van het uitbreidingsproces voor de landen in de Westelijke Balkan, maar dat die steun nu wat tanend lijkt te zijn? De inzet is niet meer alleen gericht op versnelling en om wat minder de hand te houden aan de criteria. Wij steunen in ieder geval de lijn om niet te sjoemelen met die toelatingscriteria. Daar hebben we voldoende leergeld voor betaald.

Ik heb drie punten over Turkije. In de eerste plaats de vrijheid van meningsuiting. Wij zijn zeer bezorgd over de ontwikkelingen, ook ten aanzien van journalisten. Zien we, ondanks de soms wat geruststellende woorden die erover worden gesproken, per saldo een achteruitgang optreden? In de tweede plaats de houding in de regio. Er worden positieve woorden gewijd aan het zelfbewust optreden van Turkije in de regio, dat een goed effect zou kunnen hebben op ontwikkelingen in het Midden-Oosten. Als ik het optreden van Turkije bij het Gaza-flottielje in herinnering roep, vind ik dat niet direct een voorbeeld van een positieve invloed op ontwikkelingen in het Midden-Oostenvredesproces. Graag een reactie. In de derde plaats de erkenning van de Armeense genocide. Deze Kamer heeft in het verleden een motie aangenomen waarin de regering werd verzocht om voortdurend en nadrukkelijk de erkenning van de Armeense genocide aan de orde te stellen. Op welke wijze wordt door dit kabinet invulling gegeven aan die motie?

De voorzitter: Daarmee komt een einde aan de eerste termijn van de zijde van de Kamer. De minister kan direct antwoorden. Hij heeft daarvoor tot ongeveer tien over half twaalf, want we proberen daarna nog een kleine tweede termijn te houden. Om die reden spreek ik met u af dat ieder twee korte interrupties mag plegen tijdens de beantwoording door de minister.

Minister Rosenthal: Mevrouw de voorzitter. Om te beginnen zeg ik oprecht dank aan de leden van de commissie voor hun inbreng, die niet alleen bestond uit concrete vragen die aan mij gesteld zijn, maar ook uit een beeld dat zij zelf neerleggen omtrent de uitbreiding als zodanig, inclusief de uitbreidingsstrategie. Het is goed dat deze hier nadrukkelijk aan de orde is, omdat je voordat je het weet van het een naar het ander loopt zonder het overallbeeld voor ogen te hebben. Dat is belangrijk, want we hebben in het verleden, zoals door een aantal geachte afgevaardigden is gezegd, vanuit het beeld van de voortrollende trein, ook wel fouten gemaakt. Daar moeten lessen uit worden geleerd.

Over de uitbreiding overall en de EU als zodanig kan ik zeggen dat het parool waarmee het kabinet werkt «constructief-kritisch» is. Wij zoeken voortdurend de balans tussen aan de ene kant de voordelen die met uitbreiding gemoeid kunnen zijn, zoals de grotere interne markt en de veiligheidscomponent op het Europese grondgebied, en aan de andere kant zaken in de sfeer van de conditionaliteit. Ik wil dat toch gezegd hebben, want voordat je het weet, gaat het echt uitsluitend over de conditionaliteit.

Wij hanteren inderdaad het mantra streng en rechtvaardig; strict and fair. Dat staat ook in het regeerakkoord en het is iets wat het kabinet sowieso voor zijn kap wil nemen. Dat kan worden geëxpliciteerd met het adjectief «betrouwbaar», zoals de heer Van der Staaij heeft ingebracht. Dat hoort daar ook bij. Er hoort ook bij wat mevrouw Albayrak naar voren heeft gebracht, en dat gaat al iets verder dan alleen maar het geduldige papier dat je hiervoor gebruikt. Je kunt wel prachtige woorden spreken over het openen en sluiten van hoofdstukken, maar uiteindelijk gaat het ook om wat in de praktijk aan de orde is. De lessons learned wijzen ook in die richting. Wanneer het gaat om de criteria kun je bij de conditionaliteit inderdaad het strakke patroon hanteren van rode lijnen, rode loper, en dat doet de regering ook. Ik denk dat dit nodig is.

De uitbreiding van de Unie is een proces van lange adem. Grote stappen, snel thuis is niet van toepassing. Er worden eisen gesteld aan de landen die willen toetreden. We komen dat voortdurend tegen. Zoals in de toegezonden brief tot uitdrukking komt, is het kabinet van mening dat de Europese Commissie zich in het laatste rapport, eigenlijk voor de eerste keer, inderdaad wat meer opwerpt als de hoeder van de uitbreidingsstrategie in plaats van almaar het tempo op te voeren van die voortdenderende trein. Mijn voorgangers hebben de Commissie regelmatig moeten afremmen. Ik constateer dan ook dat de strenge toon van Nederland en gelijkgezinde landen vruchten afwerpt. Het uitbreidingspakket, zoals het er nu ligt, is dit jaar kritisch van toon. Het spreekt het kabinet zeer aan dat daarin in hoge mate, meer dan voorheen, aandacht is voor kernpunten zoals rule of law, het tegengaan van frauduleuze praktijken en het bestrijden van corruptie.

Bij de uitbreidingskoers die er nu ligt, wordt afgezien van wat ons parten heeft gespeeld in de afgelopen jaren, namelijk het te vroeg en te stellig vastleggen van streefdata. Mijn collega Steven Vanackere had het op een bepaald moment over kalenderfixatie. Het is ook van groot belang dat wij af moeten van kalenderfixatie.

Een ander algemeen thema is de absorptiecapaciteit, waarover de AIV een uitstekend rapport heeft gepubliceerd. Op de vragen die hierover zijn gesteld, kan ik op voorhand antwoorden dat ik de bevindingen van het AIV-rapport met genoegen zal doorgeleiden naar Brussel en daarvoor volop aandacht zal vragen. Dat brengt mij meteen bij een ander punt dat naar voren komt in de vragen die gesteld zijn. Ik pak het maar gewoon zoals het is. Het gaat erom een nederlagenstrategie, zoals de heer Ten Broeke het noemt, te voorkomen. Het kabinet is zich daar meer dan ooit van bewust. Het gaat erom dat wij onze standpunten vroegtijdig op de goede plekken neerleggen en dat wij ook vroegtijdig – vroegtijdiger dan in het verleden weleens is gebeurd – communiceren met de Europese Commissie over de conditionaliteit die er inderdaad moet zijn. Om de Kamer boter bij de vis te geven en ook om die reden heb ik zelf over bepaalde concrete landendossiers contact gezocht met Eurocommissaris Füle. Ik heb hem nog eens duidelijk gemaakt dat het kabinet voornemens is om de aanvraag voor de kandidaatlidmaatschapstatus te steunen, wanneer het bijvoorbeeld over Montenegro gaat, maar dat wij de zeven key issues niet alleen expliciet genoemd willen hebben, maar dat wij daar ook bovenop zullen moeten zitten. Daarmee kun je alleen effectief aan de gang als je dat op goede momenten nadrukkelijk communiceert in de richting van de Commissie.

Wat betreft de absorptiecapaciteit licht het kabinet de financieel-budgettaire zaken en het publiek draagvlak eruit. Dat is één kant van de zaak. In onze brief aan de Kamer komt naar voren dat je bij de absorptiecapaciteit ook moet meenemen hoe de Europese Unie er zelf op een aantal punten voor staat, zoals enkele commissieleden naar voren hebben gebracht, waardoor ik mij zeer aangesproken voel. Dan komen wij terecht bij de vraag van de heer Van Bommel over de economische crisis, waarbij het gaat om de spankracht van de Unie. Daar moeten wij zonder meer rekening mee houden. De economische en monetaire crisis heeft landen meer dan ooit de ogen geopend voor het belang van het naleven van de eigen regels. Dan kijk je natuurlijk ook naar wat dat betekent voor de kosten van de uitbreiding. Voor de Balkanlanden geldt dat ook zij in niet geringe mate worden getroffen door de economische crisis. Er is terugval in de groei. Wij hebben daar ook last van. Dat is een punt dat je dan ook op tafel moet hebben en waar je met die landen aan moet werken. Daar komt overheen het cruciale punt dat wij bij de toekomst van de Unie te maken hebben met de hervormingen die nodig zijn en waar de landen die willen toetreden ook aan moeten geloven. Dan komen wij terecht in het dossier van de financiële perspectieven en wat niet al. In ons jargon heet dat nieuw voor oud. Het landbouwbeleid en het cohesiebeleid zullen op een andere leest geschoeid moeten worden. Dat zal ook richtinggevend zijn voor de landen die willen toetreden.

Mevrouw Albayrak is ingegaan op de lessons learned, de Kopenhagencriteria en wat dies meer zij. We doen inderdaad niet meer aan groepsuitbreiding. We moeten de praktijk serieus nemen. Over de streefdata heb ik al gezegd dat deze niet meer aan de orde zijn, zoals voorheen het geval was. Tot zover mijn algemene introductie, waarmee naar ik hoop ook een aantal vragen zijn beantwoord.

De heer Bontes (PVV): De minister verwijst naar het AIV-rapport. Hij zegt dat dit een uitstekend rapport is, maar er zit een tegenstrijdigheid in waarover ik nog even opheldering wil. In het rapport staat dat de AIV in beginsel voorstander is van verdere uitbreiding, maar wordt ook een sterk kritische houding bij de Nederlandse burger beschreven. De minister wekt de indruk het rapport te honoreren en over te nemen. Hoe gaat hij dan om met die kritische Nederlandse burger die zegt: geen enkele uitbreiding meer? Gaat hij daaraan voorbij of niet?

Minister Rosenthal: Daaraan gaat het kabinet, en ook ik, niet voorbij. Niet voor niets lichten wij de component publiek draagvlak eruit. Het gaat om de eerdergenoemde balans tussen de voordelen van uitbreiding, die ik in alle openheid noem, en de risico's daarvan in de conditionaliteit. Wij moeten goed over het voetlicht brengen, ook naar de bevolking toe, wanneer dat nodig is, en dat is nodig, dat wij het als Nederland, als lidstaat in de Europese Unie, moeten hebben van een zo groot mogelijke, krachtige interne markt. Als het gaat om de veiligheidscomponent, geldt ook dat wij hebben geconstateerd dat wij met toetreding van landen uit de Balkan ertoe kunnen bijdragen dat er op Europees grondgebied geen oorlogen plaatshebben, zoals zij in de jaren negentig van de vorige eeuw hebben plaatsgehad. Dan zitten we ook aan de goede kant van de streep.

Mevrouw Albayrak (PvdA): Komt de minister nog terug op de specifieke vragen die over het absorptievermogen zijn gesteld?

Minister Rosenthal: Dat zal ik met plezier doen.

Mevrouw Albayrak (PvdA): Dan hoef ik daar nu geen vraag over te stellen.

De voorzitter: Ik stel voor dat de minister begint met het beantwoorden van de specifieke vragen.

Minister Rosenthal: Mevrouw de voorzitter. Bij de beantwoording van ik de specifieke vragen zal ik de verschillende landendossiers meenemen.

Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd naar de stand van zaken inzake IJsland en in het bijzonder naar de walvisvangst. Ik meen inderdaad te weten dat het om zoogdieren en niet om vissen gaat. Wij zullen ons er samen met de andere EU-lidstaten en de Europese Commissie bij de toetredingsonderhandelingen met IJsland sterk voor inzetten dat er ook na eventuele IJslandse toetreding geen walvissen mogen worden gevangen en gedood in de communautaire wateren of worden verhandeld binnen de EU. Dit zit in het onderhandelingshoofdstuk 27 inzake milieu, om meteen een vraag van de heer Ormel te beantwoorden. Wij zijn ook van mening dat IJsland zich bij toetreding tot de EU inderdaad expliciet dient te conformeren aan het huidige EU-standpunt over het internationale verdrag tot regeling van de walvisvangst. Bij de toetreding van IJsland geldt natuurlijk ook dat het Icesavedossier ten positieve gesloten moet zijn voordat we een stap verder zullen zetten. De heer Van Bommel merkte op dat de steun onder de 150 000 inwoners van IJsland voor de EU tanende is. Dat is waar. Het is aan de IJslandse regering om de eigen bevolking te overtuigen. Ik weet niet of de peilingen op IJsland op een bepaald moment weer omhoog zullen gaan.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dank voor de reactie. Ik ben blij te horen dat de inzet inderdaad is dat de walvisjacht niet tot het toetredingspakket kan behoren, maar ik maak mij zorgen over de communautaire wateren die eraan zijn toegevoegd. Ik zou graag klip-en-klaar een algehele afwijzing van de walvisjacht zien als onderdeel van het onderhandelingspakket.

De voorzitter: Ik wijs de Kamer en de minister erop dat we nog een heleboel landen afzonderlijk te behandelen hebben. Ik wil echt proberen om nog een korte tweede termijn te houden.

Minister Rosenthal: Voorzitter. Wat dat betreft verwijs ik naar het internationale verdrag tot regeling van de walvisvangst, dat verdergaat dan de communautaire wateren.

Ik zal het tempo opvoeren. Over Turkije is veel gezegd, maar ik zal het kort houden. Er zit geen enkele beweging in het Ankara Protocol. Ik kan zeggen dat er enorm veel informele communicatie plaatsheeft tussen de Commissie en de betrokkenen bij het Ankara Protocol en dat dit ook langs andere weg gebeurt, maar er zit geen beweging in. Dat betekent dat het kabinet geen mogelijkheden ziet, welke dan ook, om een stap verder te zetten in het toetredingstraject van Turkije. Ik voeg eraan toe dat het kabinet zich ervan bewust is dat allerlei kringen sterk aandringen op opening van het hoofdstuk mededinging, maar het zit er op dit ogenblik gewoon niet in.

De heer Ormel (CDA): Dat er geen beweging in zit, ligt dat louter aan Turkije?

Minister Rosenthal: Dat ligt niet alleen aan Turkije, maar ook aan Griekenland en de Cypriotische partners, maar feit is dat het gewoon niet opschiet. Er zit geen enkele beweging in, in de meest letterlijke zin van het woord. Dat betekent dat het deblokkeren van welk bevroren onderhandelingshoofdstuk dan ook op dit ogenblik niet aan de orde is.

In oktober is de vraag gesteld of de zaak Servië zou worden doorgeleid naar de Commissie. Daarbij is vastgelegd dat er full cooperation moet zijn van Servië met het ICTY, met name ter zake van het aanhouden en arresteren van Mladic en Hadzic. In het rapport van Brammertz van afgelopen week is te zien dat men nog altijd tekortschiet wat betreft volledige medewerking. Er is geen volledige medewerking en dat levert dus problemen op.

Er is onmiskenbaar sprake van de problematiek die door Brammertz wordt genoemd wat betreft de Stabilisatie- en associatieovereenkomst. Ik ben mij bewust van de motie-Braakhuis hierover. Nederland heeft op 14 juni 2010 ingestemd met het besluit de Stabilisatie- en associatieovereenkomst ter goedkeuring aan de nationale parlementen te sturen. De Raad van State heeft inmiddels een positief advies uitgebracht. De stukken zijn klaar om naar de Tweede Kamer te sturen. Wij zien voordelen in het toesturen van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst aan het parlement, omdat dit de mogelijkheid biedt om Servië via de in te stellen stabilisatie- en associatieraad veel krachtiger dan tot nog toe het geval is geweest, aan te spreken op de bepalingen in die overeenkomst, waaronder de noodzaak tot samenwerking met het ICTY, de JBZ-hervormingen, anticorruptie, mensenrechtenbescherming en andere voor het toetredingstraject cruciale onderwerpen.

Er is ook een vraag gesteld over het zogeheten «hunt fund». Zoals bekend heeft de jacht op de twee culprits een extra aanzet gekregen met het verhogen van de prijs tot 10 mln. Er is gevraagd of gebrek aan opsporingscapaciteit en middelen de reden is dat de culprits nog vrij rondlopen. Feit is dat die inzet is verhoogd tot dat hoge bedrag. Volledige medewerking is er nog steeds niet. Of een «hunt fund» vanuit de EU veel zal helpen, is voor mij de vraag. Ik ben daar op dit ogenblik nog niet aan toe.

De heer Braakhuis (GroenLinks): Dit glijdt wat mij betreft de verkeerde kant op. Er is een motie die zich duidelijk uitspreekt voor een pas op de plaats, omdat er eerst toezeggingen moeten komen van Servië. Vervolgens doen we zelfs nog voorstellen om er wat extra geld tegenaan te gooien. De heer Brammertz geeft duidelijk aan dat het niet goed gaat, dat er geen voortgang wordt geboekt en dan zegt de minister ook nog: laten we ze toch maar een stapje verder helpen in het proces. Dat is een tegenovergestelde beweging, waarop ik graag meer toelichting ontvang van de minister, want voor mijn fractie is dit niet de weg.

Minister Rosenthal: Het gaat erom dat nu niet gezegd hoeft te worden of de Kamer voor of tegen ratificatie van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst is. Dat oordeel moet pas worden gegeven aan het einde van de behandeling van de goedkeuringswet. Dat is mijn reactie.

Voorzitter. Ik zal kort ingaan op de andere landen. Zolang inzake Macedonië geen oplossing is gevonden voor de naamskwestie, blijft het hangen.

De heer Braakhuis (GroenLinks): Dit klinkt niet erg bevredigend. Griekenland is lid van de Unie en kan er natuurlijk op worden aangesproken dat er toch een oplossing moet komen voor de Macedoniëkwestie. Het kan toch niet zo zijn dat de boel blijft hangen vanwege de naam? Ik heb de minister gevraagd om zich daarvoor in te spannen, maar daar gaat hij nu volledig aan voorbij. Ik hoor graag iets meer toelichting hierop.

Minister Rosenthal: Ik wil dit wel verder duiden. De naamskwestie is een bilaterale aangelegenheid tussen de betrokken landen. Zoals bekend wordt er bemiddeld door de VN. Verder heeft Macedonië een rechtszaak aangespannen tegen Griekenland bij het Internationaal Gerechtshof. Het probleem is dat de EU in deze kwestie niet als rechter kan optreden. Natuurlijk hoop ook ik van harte dat er volop wordt gewerkt in de richting van een oplossing, maar op dit ogenblik zitten we met die naamskwestie en komen we op dat punt niet verder. De bemiddelingen worden voortgezet, maar er is sprake van een patstelling.

De heer Ormel (CDA): Ik bespeur toch wel een wijziging in het standpunt van de Nederlandse regering. In de brieven aan de Kamer schreef de regering voorheen over de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië, terwijl de minister nu klip-en-klaar spreekt over Macedonië. Zit daar een diepere gedachte achter? Is dit een deel van de strategie die door GroenLinks is ingezet?

Minister Rosenthal: Nee, daar zit geen strategie in, laat ik dat gezegd hebben.

Dan kom ik bij Kroatië. Druk op Kroatië blijft cruciaal om de noodzakelijke hervormingen duurzaam door te voeren. Ook voor Kroatië betreft het in hoge mate justitiële hervormingen, corruptiebestrijding, en alweer medewerking met het Joegoslavië Tribunaal. Volledige samenwerking met het ICTY is sluitingsijkpunt voor hoofdstuk 23 over de rechterlijke macht en de fundamentele rechten. Juist bij Kroatië zal ik mij blijven verzetten tegen het noemen van een streefdatum, laat dat helder zijn. Kroatië moet ervan doordrongen zijn dat toetreding voor de volle honderd procent verdiend moet worden.

Wat betreft Albanië is het avis van de Commissie ronduit negatief. Het is goed om te merken dat de Commissie nu de moed heeft gehad om daaraan passende conclusies te verbinden; geen status van kandidaat-lid, geen start van de onderhandelingen. Ik denk dat dit rechttoe, rechtaan duidelijk moge zijn.

Wat betreft Bosnië en Herzegovina meld ik de Kamer dat ik de autoriteiten in Sarajevo zo nodig actief zal ontmoedigen om in de beginfase waarin men zit, onder de omstandigheden waarin Bosnië en Herzegovina verkeert, een lidmaatschapsaanvraag in te dienen. Mocht Bosnië en Herzegovina desondanks daartoe overgaan, dan zal voor ons als een paal boven water staan dat de aanvraag niet zomaar voor avis naar de Commissie zal kunnen worden doorgeleid.

Voor Kosovo geldt dat de binnenlandspolitieke situatie kwetsbaar blijft. Het hervormingsproces levert geen zichtbare resultaten op. Corruptie, georganiseerde misdaad en witwaspraktijken zijn er nog altijd volop bezig. De bescherming van de Servische minderheid in Noord-Kosovo is en blijft een cruciaal punt. De dialoog met Servië is een kwestie die de ene keer opkomt en dan weer wegebt en blijft de verantwoordelijkheid van beide landen. Wij zijn uitermate terughoudend met betrekking tot alles wat ook maar riekt naar een traject naar visumliberalisatie. Nederland zal op dit punt duidelijk maken dat het niet voor verrassingen wil worden geplaatst.

De heer Ten Broeke (VVD): Er lopen hier twee dialogen door elkaar, dus het is zaak om spraakverwarring te vermijden. De dialoog over visumliberalisatie lijkt mij prematuur, om het maar zacht te zeggen. Mijn vraag aan de minister is of de dialoog tussen Servië en Kosovo überhaupt wel plaatsvindt.

Minister Rosenthal: Het was heel wat dat er op een bepaald moment inderdaad besprekingen leken te zullen plaatshebben tussen Servië en Kosovo. Dat is weer wat weggezakt. We wachten nu op het moment waarop deze toch weer op gang komen. Op dit ogenblik zijn ze er niet.

De heer Bontes (PVV): De minister heeft een harde lijn richting Albanië, en dat waardeer ik uiteraard. Waarom heeft hij geen harde lijn bij Macedonië? Albanië heeft grote invloed op Macedonië. Je hebt een gemengd parlement en een gemengde regering. Naast Macedonisch is ook Albanees de voertaal. Wat betreft de criminaliteitsaspecten is er ook sprake van Albanese invloed op Macedonië, dus de vraag is waarom die harde lijn niet geldt voor Macedonië.

Minister Rosenthal: Ik verdisconteer het punt dat de heer Bontes opwerpt graag. De grensconflicten en alles wat te maken heeft met minderheden bij de grenzen vormen cruciale punten bij het taxeren van de positie van die landen, ook bij het uitbreidingstraject in Europees verband. Point taken.

Mevrouw Albayrak heeft een vraag gesteld over de asielaanvragen in verband met Servië en Macedonië. Het gaat vooral om de toename van asielaanvragen van Roma uit Servië en Macedonië in de richting van Zweden, Duitsland en België. De Commissie heeft een stevige campagne opgezet in Servië en Macedonië om daar paal en perk aan te stellen. Ik kan zeggen dat ook de Servische en Macedonische autoriteiten nu daadwerkelijk maatregelen nemen. Zij hebben er lessen uit getrokken. Het is hier niet een mededeling van geduldig papier, maar dat is de praktijk van dit moment. Ik herinner eraan dat collega Leers in de JBZ-raad succesvol is geweest met het vestigen van een noodremprocedure voor het geval het wat betreft Bosnië en Albanië uit de hand zou lopen. Nederland staat daarin niet alleen, maar heeft in het voortraject al steun gekregen van onder meer Frankrijk, Duitsland en Zweden.

Mevrouw Albayrak heeft ook gevraagd naar het commitment van Turkije aan de constitutionele hervorming en de hervormingsagenda in Europees verband. Ik ben het met haar eens dat de mate waarin Turkije voortgang kan boeken in het onderhandelingsproces afhangt van de voortgang bij de interne hervormingen en de uitvoering van het Ankara Protocol. Dat heeft Turkije dus zelf in de hand. Over de constitutionele hervormingen in Turkije is het laatste woord nog niet gezegd, zeg ik eufemistisch. Ik wijs erop dat de relatie tussen de rechterlijke macht en de executieve macht nog altijd niet is zoals wij zouden wensen. Wat betreft het Ankara Protocol zit de zaak echt vast, zoals ik al heb gezegd. Er worden stappen in de goede richting gezet, dat bevestigt ook de Commissie, maar het gaat niet snel en het gaat ook niet ver genoeg. Alom wordt waargenomen dat een probleem is dat velen in Turkije zich beginnen af te vragen of er wel licht is aan het eind van de tunnel. Daarmee refereer ik aan de opmerking van de heer Van der Staaij dat er nogal wat krachten in Turkije zijn die inderdaad gaan in de richting van wat men noemt de neo-Ottomaanse koers. Of dat de westerse oriëntatie in de richting van de EU ten goede komt, is dan een punt van klemmende overweging.

Ik voeg eraan toe dat wij niet moeten toegeven door criteria te versoepelen. Daarover werden ook vragen gesteld. Wij blijven kwaliteitseisen stellen, geen misverstand daarover. Maar als wij Turkije niet helemaal van ons willen vervreemden, is het wel nodig om dat perspectief op toetreding, als en wanneer aan de criteria wordt voldaan, helder en bevestigd te houden. Wat Turkije betreft is het balans zoeken en vinden.

Er is ook een vraag gesteld over de problematiek van de Armeense genocide. Ik heb de motie van de heer Rouvoet uit 2004 goed voor ogen. In gesprekken met de Turkse autoriteiten wordt dit almaar aan de orde gesteld. Wij dringen ook aan op gezamenlijk historisch onderzoek van Turkije en Armenië naar de feiten. Ik wijs erop dat de betrekkingen tussen Turkije en Armenië op een aantal punten de goede richting opgaan. Dat zou je als positief kunnen waarderen, in het licht van deze klemmende en langdurige problematiek.

De voorzitter: Ik stel voor dat wij bij de tweede termijn een spreektijd van één minuut te hanteren. Voor de variatie begin ik bij de heer Van der Staaij.

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Dit ontneemt mij de mogelijkheid om mij aan te sluiten bij alle verstandige opmerkingen die door de andere sprekers zijn gemaakt.

De voorzitter: Maar het houdt het wel boeiend.

De heer Van der Staaij (SGP): Ik dank de minister voor zijn beantwoording. Ik kom op twee punten terug. Allereerst de publieke acceptatie of het draagvlak. Dat wordt in de stukken ook benoemd als een heel grote uitdaging, vriendelijk gezegd. Wat is nu precies de strategie van het kabinet om die publieke acceptatie straks te vergroten, als het gaat om het uitbreidingsproces? Daar moeten we eigenlijk op dag één al mee beginnen, om niet bij de daadwerkelijke toetreding te zien dat het niet is gelukt.

Mijn tweede punt betreft Turkije. Heb ik het goed begrepen dat de minister eigenlijk een kritischere toon aanslaat dan in de brief die wij vandaag bespreken? Daarin staat dat Nederland de discussie over het openen van het hoofdstuk mededinging met een positieve grondhouding wil bejegenen, maar ik hoor hem nu zeggen dat er geen beweging in zit. Dat laatste spreekt mij meer aan dan het eerste.

De heer Ten Broeke (VVD): Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording, die ik overwegend positief vond, omdat hij wat accenten heeft gezet die ik in de brief niet zo helder heb teruggelezen, waarbij ik mij aansluit bij wat de heer Van der Staaij zei over Turkije. In het algemeen roep ik het kabinet op om vroegtijdig aan te geven wat de Nederlandse inzet zou kunnen worden aan het eind van de rit, zoals de heer Ormel ook zei, teneinde een nederlagenstrategie te voorkomen. Ik vrees nog altijd dat dit het geval is. Ik denk dat het evangelisatieproces als het gaat om artikel 49 nog maar net begonnen is. Ik ben ook van mening dat dit door het vorige kabinet onvoldoende is gedaan. Ik heb daar vaak toe opgeroepen. Hierover zou ook een debat zijn gevoerd in het kader van de Aznargroep Ik weet niet of deze ooit is samengekomen en wat het resultaat daarvan was. Er moet meer gebeuren op dit gebied. Over Montenegro krijg ik graag helderheid in een brief.

De heer Ormel (CDA): Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording in eerste termijn. Ik sluit mij aan bij de wijze woorden van beide voorgangers. De publieke acceptatie is wel een heel belangrijk punt, dat collega Van der Staaij hier benoemt. Neem Montenegro als casus. De absorptiecapaciteit is geen enkel probleem als je het economisch ziet. Het is een prachtig land. Waarom zouden we het niet eens van de positieve kant benaderen? Het is goed dat de minister streng is over de negatieve punten van Albanië en Servië, maar er zijn ook veel positieve punten. We moeten die landen wel perspectief bieden. Daar vraag ik ook aandacht voor. Ik vraag ook aandacht voor de frozen conflicts die zijdelings zijn genoemd. Er moet toch echt eens iets gebeuren aan Noord-Cyprus. Er wordt altijd maar gezegd dat dit afhangt van Turkije, Cyprus en Griekenland, maar het is een Europees probleem. Dat geldt ook voor Nagorno-Karabach, als we het over Turkije en Armenië hebben.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. De minister zegt dat hij de aanbevelingen van de AIV over de absorptiecapaciteit zal overbrengen naar Brussel. Dat is een goede zaak, want het is een gecompliceerd criterium, waar wij aan zullen moeten werken. Ik vind dat het antwoord van de minister over de publieke acceptatie tekortschiet. Ik zie dat als een centraal probleem in het debat over Europa. Ik vraag de minister dan ook om te komen met een nadere brief of notitie aan de Kamer over hoe de regering het beleid inzake de publieke acceptatie nader invulling wil geven in deze kabinetsperiode. Ik roep de minister daartoe op, zodat ik zelf geen voorstel hoef te doen in een VAO. Ik hoop op een toezegging op dit punt. Wat betreft Turkije verwacht ik dat de minister, zelfs wanneer Nederland daarin alleen staat, zich blijvend zal verzetten tegen het openen van het hoofdstuk mededinging.

Mevrouw Albayrak (PvdA): Voorzitter. De absorptiecapaciteit is inderdaad het beste gediend door niet met de criteria te marchanderen. Dat is de allerbelangrijkste voorwaarde. De minister heeft niet geantwoord op mijn vragen over het publieke draagvlak en de communicatie. Kortheidshalve sluit ik mij aan bij het verzoek van de heer Van Bommel hierover. Ik verzoek de minister in die brief vooral in te gaan op het afdekken van de risico's die er zijn, en het benadrukken van het eigenbelang. Daarover staat al heel veel in deze brief, maar we horen het niet. Wat is de strategie inzake dat eigenbelang? Het wordt nu veel te veel gezien als een eenzijdig belang van de toetredende lidstaten. Mijn laatste punt is de druk op de EU om te hervormen. Absorptiecapaciteit betekent ook dat we zelf iets moeten doen aan de problemen die we in de EU hebben met het landbouwbeleid en de structuurfondsen. Ik vraag aandacht voor de blijvende gebrekkige controle op de besteding daarvan. De middelen zouden vooral moeten worden ingezet voor de regio's in het kader van de EU 2020-strategie. Wat is de strategie van de minister om dat voor elkaar te krijgen?

De heer Bontes (PVV): Voorzitter. Zoals ik al zei: geen uitbreiding van de EU, dat blijft natuurlijk als een huis staan. Het draagvlak draagt er zeker aan bij om die stelling te poneren. Ik zal heel kort stilstaan bij Turkije. Hoe denkt de minister om te gaan met druk die hij van buitenaf krijgt, zoals van Obama die belang heeft bij het raketschild dat hij in Turkije geplaatst wil zien en daarom aandringt op toelating van Turkije tot de EU? Hoe kijkt de minister aan tegen de druk die Erdogan opbouwt, door te zeggen dat hij zich pas inzet voor het dicht krijgen van de grens met Griekenland als er vrij verkeer is van Turken in Europa? Naar aanleiding van de uitspraak van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden dat de moorden die hebben plaatsgevonden bij de slag om Armenië genocide zijn, heeft Erdogan gesteld: als dat blijft staan, Huis van Afgevaardigden, ga ik honderdduizend Armeniërs deporteren. Hoe gaat de minister om met dit soort druk?

De heer Braakhuis (GroenLinks): Voorzitter. Even heel snel kletsen. Ik vind het antwoord van de minister over Macedonië weinig bevredigend. Wij doen als Europa wat voor Griekenland. Er mag nu best druk worden uitgeoefend op Griekenland om wat voor Europa te doen. Of het nu gaat om Cyprus en Macedonië, er moet een oplossing komen. Ik hoop dat de minister toch wat meer druk wil toezeggen. De minister heeft geen antwoord gegeven op mijn vraag over het stellen van voorwaarden vooraf om grensconflicten op de Balkan op te lossen. Ik hoop dat de minister terug wil komen op mijn opmerking dat we het ratificeren van het Stabilisatie- en associatieakkoord met Servië toch echt opschorten totdat we weten dat er daadwerkelijk voortgang wordt geboekt; ten minste tot juni, wanneer de heer Brammertz met een nieuw rapport komt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. De minister verwijst in antwoord op mijn vragen over de onderhandelingen met IJsland over de walvisjacht deels naar internationale verdragen. Daar zit in dit dossier nu juist het probleem. Het moratorium geldt al twintig jaar, maar er wordt alsnog gejaagd op walvissen. Ze staan op de CITES-lijst. Dat betekent dat het een zeer bedreigde diersoort is. IJsland heeft daar bezwaar tegen gemaakt en handelt nog steeds in walvisvlees. Deze Kamer, 150 leden sterk, strijdt er ieder jaar voor om die gaten te dichten. Het luistert dus nogal nauw. Mijn fractie is ook bevreesd dat IJsland tijdelijke uitzonderingsregels zal bedingen in de onderhandelingen. Daarom lijkt het me verstandig als de Kamer een heel scherpe motie aanneemt die de regering kan helpen in de onderhandelingen en internationaal een goed signaal geeft. Bij dezen leg ik dat alvast voor.

Minister Rosenthal: Mevrouw de voorzitter. Dank voor de vragen in tweede termijn. Het punt in het AIV-advies over de publieke acceptatie of het draagvlak is er niet voor niets uitgelicht door het kabinet en dus ook door mij, naast de financieel-budgettaire kanten. Daar zijn we heel scherp op en dat moeten we ook blijven. Ik zou willen werken vanuit de balans die ik zie tussen aan de ene kant welbegrepen eigenbelang, zoals liberalen dat noemen, en aan de andere kant de condities die je moet stellen aan een verantwoorde toetreding. Het zijn twee kanten en de eerste kant hoort er net zo bij als de tweede kant van de medaille. Ik heb al genoemd de voordelen die er kunnen zijn bij uitbreiding, in de sfeer van de interne markt. Dat is toch een van de kernpunten waar het bij de EU om gaat voor dit kabinet.

Wat betreft de Balkan heb ik ook verwezen – ik loop daar niet voor weg en zeg dat in alle openheid – naar het besluit dat al lang geleden is genomen om die landen perspectief te bieden op toetreding tot de EU, ook vanuit het idee dat Europa zich geen oorlogen op eigen grondgebied kan permitteren. Dat speelt daar zonder meer in mee. Het hoort bij de constructief-kritische positie die dit kabinet kiest ten aanzien van de Europese Unie om dat duidelijk over het voetlicht te brengen.

Dan was er nog de procedurele vraag wat ik daarmee doe. Wij houden niet zo van het sturen van brieven, maar ik zeg met graagte toe om hier bij de voorbereiding van het debat over de Staat van de Unie expliciet, stevig, apart aandacht aan te besteden. Dat is even een suggestie in de richting van de heer Van Bommel.

De heer Van Bommel (SP): Om te voorkomen dat ik een motie indien die misschien niet nodig is, het gaat mij erom dat de regering op dit punt concreet moet zijn. Ik wil weten welke acties de minister concreet gaat nemen om het publieke draagvlak, dat het probleem is, te bevorderen. Daar gaat het mij om.

De heer Ormel (CDA): Wij hebben dit AO over de uitbreiding juist gepland los van de Staat van de Unie, om de Staat van de Unie niet te vervuilen met deze discussie, dus ik stel voor om dat niet bij de Staat van de Unie wederom ter tafel te brengen, maar in een aparte brief.

De heer Ten Broeke (VVD): Er is een toezegging gedaan door de vorige regering aan deze Kamer om een keer apart met elkaar over dit onderwerp te spreken, en dat heeft onder andere geleid tot het AIV-advies. Dat was toen ook gekoppeld aan de Aznarcommissie. Het is er nooit van gekomen. De heer Pechtold heeft dat verzoek gedaan. Het zou goed zijn om er apart met de Kamer over te spreken. Het onderwerp is belangrijk genoeg.

De voorzitter: Ik geef de minister het woord en ik zeg hem dat hij waarschijnlijk kan tellen.

Minister Rosenthal: Voorzitter. Het is mij duidelijk.

De voorzitter: Wij beschouwen dit als een toezegging dat hierover een aparte brief komt.

Minister Rosenthal: Ja, met een discussie daarover.

De heer Ten Broeke vroeg naar vroegtijdige inzet. Jazeker. Mag ik dan zo bescheiden zijn om daarbij ook te betrekken de mogelijkheden die wij zien om op een aantal punten het parlement er vroegtijdig bij te betrekken? Wij hebben gezien bij de lastige punten in de discussies over Servië dat dit soms zeer zinvol kan zijn.

Dan kom ik bij de vraag van de heer Ormel over Albanië en Servië. Het is juist om ook die andere kant serieus ter hand te nemen, bijvoorbeeld als het gaat om het versterken van de interne markt door een Servisch aandeel daarin. In dat kader heb ik ook de lijn naar de Stabilisatie- en associatieovereenkomst getrokken, waarover de heer Braakhuis een vraag heeft gesteld. Ik wijs erop dat het toezenden van de overeenkomst niet hoeft te betekenen dat het parlement er onmiddellijk mee aan de gang gaat, maar ik zit met het feit dat ik die overeenkomst almaar heb liggen en dat ik denk dat het nuttig kan zijn om die stap te zetten.

De heer Van Bommel heeft gevraagd naar het hoofdstuk mededinging en Turkije. Mijn reactie daarop is dat dit op dit ogenblik dicht blijft.

Mevrouw Albayrak heeft vragen gesteld over de absorptiecapaciteit. Ik hoop dat ik een van de punten al heb besproken in eerste termijn. Het kabinet neemt voortdurend kennis van de haken en ogen aan de structuurfondsen zoals ze nu worden belegd en besteed, en is zich bewust van de noodzaak van hervorming van het landbouwbeleid en van het cohesiebeleid, gekoppeld aan 2020.

De heer Bontes vroeg mij naar druk van de Verenigde Staten en van de Turkse regering. Ik kan alleen zeggen dat wij in onze communicatie met de Turkse autoriteiten gewoon doen wat wij in het belang van Nederland vinden. Daarbij speelt druk van andere zijde geen directe rol.

De heer Braakhuis vroeg naar de positie van Griekenland inzake Macedonië. Steeds speelt dat frozen conflicts en allerlei zaken die tussen landen spelen, onderwerp van de conditionaliteit zijn. Wij zijn ons er natuurlijk duchtig van bewust dat je altijd werkt met «it takes two to tango». Wanneer het om conflicten gaat, zijn er meestal twee of meer partijen in het geding.

Mevrouw Ouwehand sprak wederom over de walvisvangst. Hoofdstuk 27 van de toetredingsvoorwaarden spreekt boekdelen. Het is een unanieme zaak, dus wat dat betreft kom ik niet verder dan te zeggen dat dit punt bij de behandeling van hoofdstuk 27 inzake milieu aan de orde wordt gesteld. Het zal naar verwachting medio 2011 pas in de onderhandelingen aan de orde komen. Ik denk zelf dat mevrouw Ouwehand volledig wordt bediend met deze koers.

De voorzitter: Ik heb opgemerkt dat mevrouw Ouwehand het toch nodig en nuttig acht om hierover een motie in te dienen. Dat betekent dat wij het verslag van dit algemeen overleg op de agenda zullen zetten. Dat zal nader gepland worden. Daarmee komen we aan het eind van dit overleg. Ik bedank alle deelnemers aan dit overleg, alle mensen die hun interesse hebben getoond en de mensen die het mogelijk hebben gemaakt.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van Bommel (SP), ondervoorzitter, Van der Staaij (SGP), Albayrak (PvdA), Verburg (CDA), voorzitter, Ormel (CDA), Ferrier (CDA), Nicolaï (VVD), Eijsink (PvdA), Van Dam (PvdA), De Roon (PVV), Jansen (SP), Ten Broeke (VVD), Ouwehand (PvdD), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie), Bontes (PVV), Groot (PvdA), Braakhuis (GroenLinks), Nieuwenhuizen (VVD), Schouw (D66), El Fassed (GroenLinks), Hachchi (D66) en Dijkhoff (VVD).

Plv. leden: Irrgang (SP), Dijkgraaf (SGP), Jacobi (PvdA), Haverkamp (CDA), Bruins Slot (CDA), Omtzigt (CDA), Azmani (VVD), Samsom (PvdA), Timmermans (PvdA), Elissen (PVV), Hennis-Plasschaert (VVD), Thieme (PvdD), Voordewind (ChristenUnie), Driessen (PVV), Dikkers (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Veldhoven (D66), Van Tongeren (GroenLinks), Pechtold (D66), Huizing (VVD) en Kortenoeven (PVV).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Van Bommel (SP), Van der Staaij (SGP), Albayrak (PvdA), voorzitter, Timmermans (PvdA), Ormel (CDA), Ferrier (CDA), Nicolaï (VVD), Haverkamp (CDA), Eijsink (PvdA), Irrgang (SP), De Roon (PVV), Voordewind (ChristenUnie), Pechtold (D66), ondervoorzitter, Ten Broeke (VVD), Thieme (PvdD), Kortenoeven (PVV), Bosman (VVD), Dikkers (PvdA), El Fassed (GroenLinks), Hachchi (D66), Dijkhoff (VVD) en Driessen (PVV).

Plv. leden: Van Raak (SP), Dijkgraaf (SGP), Recourt (PvdA), Samsom (PvdA), Bruins Slot (CDA), Çörüz (CDA), Mulder (VVD), Knops (CDA), Arib (PvdA), Van Dijk (SP), De Mos (PVV), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie), Schouw (D66), Hennis-Plasschaert (VVD), Ouwehand (PvdD), Wilders (PVV), Leegte (VVD), Heijnen (PvdA), Braakhuis (GroenLinks), Van Veldhoven (D66), Taverne (VVD), Bontes (PVV) en Halsema (GroenLinks).