23 490
Ontwerpbesluiten Unie-Verdrag

nr. 555
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 6 mei 2009

De vaste commissie voor Justitie1, de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties2 en de vaste commissie voor Europese Zaken3 hebben op 2 april 2009 overleg gevoerd met minister Hirsch Ballin van Justitie over:

– de brief van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en de staatssecretaris van Justitie met de geannoteerde agenda d.d. 19 maart 2009 van de JBZ-Raad van 6 en 7 april 2009 (23 490, nr. 549);

– de brief van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en de staatssecretaris van Justitie met de aangevulde geannoteerde agenda d.d. 27 maart 2009 JBZ-Raad van 6 april 2009 (23 490, nr. 551);

– de brief van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en de staatssecretaris van Justitie met het verslag d.d. 12 maart 2009 van de JBZ-Raad van 26 en 27 februari 2009 (23 490, nr. 547);

– de brief van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en de staatssecretaris van Justitie met het EU evaluatieverslag d.d. 17 februari 2009 over Nederland betreffende de toepassing van het Europees aanhoudingsbevel en de bijbehorende procedures van overlevering tussen de lidstaten/evaluatie Overleveringswet (23 490, nr. 545).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: De Wit/Teeven

Griffier: Nava

De voorzitter: Op de agenda staat een brief over het EU evaluatieverslag. De heer De Wit heeft hierover een verzoek gedaan. Deze brief zal worden betrokken bij de procedurevergadering.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Jonker (CDA): Voorzitter. Ik begin naar aanleiding van het verslag. De staatssecretaris heeft op verzoek van de heer Van de Camp de kwestie aan de orde gesteld van Somalische asielzoekers die ons land bereiken via Oekraïne. Daarover zijn destijds mondelinge vragen gesteld. De staatssecretaris heeft deze zaak in Brussel aan de orde gesteld. In het verslag is summier aangegeven dat zij dit heeft ingebracht. Wij willen graag weten in welke zin erop gereageerd is door de andere aanwezigen en of er mogelijk ook nog besluitvorming of actie op dit onderwerp zal volgen.

Op de geannoteerde agenda is een A-punt de machtiging van de directeur van Europol aan Israël, terwijl onder de B-punten een machtiging staat van de directeur van Europol om met de Russische Federatie te gaan onderhandelen over een operationele samenwerkingsovereenkomst. In beide gevallen is vermeld dat er nog aandachtspunten zijn. In het geval van Israël wordt gestart met de onderhandelingen. In het geval van Rusland wordt nog gewacht en willen wij eerst antwoorden op de vragen. Wordt hier met twee maten gemeten? Waarom wordt in het ene geval niet gestart omdat er aandachtspunten zijn en in het andere geval wel? Dat horen wij heel graag van de minister. Wellicht kan hij dan ook toevoegen wat de voorwaarden zijn voor Europol om een dergelijke operationele samenwerkingsovereenkomst met derde landen aan te gaan.

Onder de B-punten is een aanvraagprocedure vermeld voor derdelanders die legaal binnen de EU willen wonen en werken. Nederland beraadt zich hier nog op. Gebeurt dat op inhoudelijke gronden of op procedurele gronden? Ik begrijp dat er wellicht geen grond zou worden gezien dat de Europese Unie dit voorstel zo kan doen als het voorligt. Wij willen graag weten op welke gronden de Nederlandse bezwaren liggen.

Wat de wijziging van het kaderbesluit seksuele uitbuiting betreft, willen wij heel graag dat in de tekst van het voorstel – wellicht in de preambule – een oproep aan alle lidstaten wordt opgenomen om tevens het Verdrag van de Raad van Europa te ratificeren. Zouden zij dit niet doen, dan valt de druk weg in de richting van de niet-unieleden, zoals Rusland, om over te gaan tot ratificatie van het verdrag. Wij hebben begrepen dat hierover ook de vorige keer in de JBZ-Raad al is gesproken, maar onzes inziens is het niet voldoende om dit in het verslag van de JBZ-Raad op te nemen omdat dit vluchtig is. Wij willen graag dat dit in de preambule van het kaderbesluit wordt opgenomen, zodat het voor iedereen en voor de toekomst duidelijk blijft.

Datzelfde geldt het kaderbesluit mensenhandel. Wij willen dat dit ook wordt opgenomen. Het is van groot belang dat het pan-Europese karakter van het verdrag ten volle gerealiseerd wordt, zodat effectieve samenwerking tussen landen van oorsprong, doorgang en bestemming tot stand komt. Wij krijgen heel graag van de minister de bevestiging dat niet opnieuw door de Europese Unie een monitormechanisme in het leven wordt geroepen, omdat dit al bestaat bij de Raad van Europa, namelijk in de vorm van GRETA.

Ik kom opnieuw terug op de toezegging die de staatssecretaris heeft gedaan voor een reactie van het kabinet op het rapport «Europe’s boat people» van de Raad van Europa, een onderzoek hoe alle mediterrane landen omgaan met de instroom. Vanochtend stond in de Volkskrant het bericht dat er 77 mensen zijn omgekomen op de Middellandse Zee, komend van Libië in de richting van Lampedusa. De stoom kwam uit mijn oren toen ik dit las. Waarop gaan wij nu nog zitten wachten? Ik weet wat er de vorige keer in Lampedusa is gebeurd met het centrum daar. Italië stookt zelf ook de lont aan doordat het mensen die in Lampedusa terechtkomen niet meer doorlaat en niet meer verspreidt over de rest van het land. Het zijn ook zuidelijke landen zelf die, ten minste indirect, tot deze conflicten aanleiding geven. Ik lees in het verslag dat zij een rapport hebben aangeboden en dat de volgende periode zal worden opgenomen. Dan denk ik: hoe lang gaan wij nog wachten? Is er niet de mogelijkheid dat er een road map wordt ontwikkeld waarbij blijvend druk op de zuidelijke lidstaten wordt uitgeoefend en waarbij ook wij, anders dan nu, kunnen zien hoe wij elkaar tegemoet kunnen komen?

Ik kom bij het fiche Europees ondersteuningsbureau. Ik ben er voorstander van dat dit zich ontwikkelt, maar ik speel toch even de advocaat van de duivel. Is het op basis van vrijwilligheid dat landen zich aansluiten, of wordt het een verplichting voor hen? Wij zeggen dat dit leidt tot een uniforme asielstatus, maar ook nu bieden wij hulp aan aan die landen, terwijl zij die niet accepteren. In welke zin gaat het ondersteuningsbureau er daadwerkelijk voor zorgen dat de landen die onze ogen niet voldoen aan de minimale normen voor asielopvang daaraan wel gaan voldoen?

Voorzitter: Teeven

De heer De Wit (SP): Voorzitter. Dank aan de collega’s voor de bereidwilligheid om het overleg over de evaluatie van het arrestatiebevel op een aparte bijeenkomst te agenderen. Mijn eerste onderdeel betreft punt 2b van onderdeel A van de agenda, over aanbevelingen van de Raad van 27 april 2006 inzake overeenkomsten tussen politie, douane en andere speciale handhavingsdiensten. Mijn aandacht werd toch weer getrokken door de passage in de geannoteerde agenda over afspraken die worden gemaakt, die veelal de toegang beogen te regelen tot elkaars gegevensbestanden, de ontwikkeling van best practices, maar ook gezamenlijke operationele acties. Kan de minister uitleggen wat hier precies bedoeld wordt? Als hier gesproken wordt van toegang tot elkaars gegevensbestanden, moet ik aannemen dat dat omkleed zal zijn met de nodige waarborgen voor de bescherming van burgers op wie die gegevens betrekking hebben. Hoe ver gaat het toegang hebben tot elkaars gegevensbestanden? Wat is daarover afgesproken uit een oogpunt van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van mensen die ermee te maken hebben?

Ik kom bij agendapunt B2, de gecombineerde vergunning voor verblijf en werk. Er is zoals ik begrijp discussie over de uitleg en de reikwijdte van artikel 12 inzake de gelijke behandeling. Gelden de afspraken die gemaakt worden over die gecombineerde vergunning nu alleen voor houders van de nieuwe gecombineerde vergunning, of voor alle vreemdelingen die rechtmatig in een EU-staat verblijven en mogen werken? De SP-fractie heeft een voorkeur voor het laatste, maar ik begrijp dat Nederland en de regering zich nog beraden. Omdat wij vandaag al dan niet instemming moeten geven, krijg ik graag nog een toelichting van de minister wat nu precies het probleem is om het in de ene of de andere richting te doen, waarbij het laatste de voorkeur van de SP-fractie heeft, dus voor iedereen die hier rechtmatig verblijft en mag werken.

Punt B6 betreft de verordening over erfenissen en testamenten. Europa bemoeit zich hier nu ook mee en is bezig met een voorstel hierover. Ik wil van de minister weten wat de reikwijdte van dit voorstel is. Gaat het over het formele recht dat hier van toepassing is? Welke rechter is bevoegd? Gaat het over het erkennen van beslissingen van andere staten op dit punt, of gaat het verder? Raakt de verordening ook aan het materiële erfrecht? Dan zou ik daar toch de nodige bezwaren tegen maken. Ik ben benieuwd naar de reactie van de minister.

Punt B7 betreft het kaderbesluit voorkomen en oplossen van jurisdictiegeschillen. Nederland heeft voor een groot deel gelijk gekregen doordat het kaderbesluit is ingekort. Desalniettemin is het alles bij elkaar toch 22 pagina’s, dus toch nog fors. Is nu de kern van het kaderbesluit slechts dat het gaat om de bevoegdheid van de officier van justitie om te overleggen met een collega in een andere lidstaat als hij of zij het vermoeden heeft dat er sprake is van iemand die ook in een andere lidstaat vervolgd wordt voor hetzelfde feit? Als dat de kern is, is het de vraag waarom daar 22 pagina’s voor nodig zijn, maar dan heeft mijn fractie daar op zichzelf geen problemen mee.

Ik kom bij punt B8 over seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie. Vanzelfsprekend is ook mijn fractie voor een effectieve aanpak van kindermisbruik, maar de Raad van Europa heeft al een verdrag opgesteld dat onder meer is ondertekend door Nederland. Het wetsvoorstel ligt zelfs ter goedkeuring in de Tweede Kamer. Wat is de bedoeling van de Europese Commissie om het beschermingsniveau van het EU-kaderbesluit naar het niveau van het Verdrag van Europa te tillen? Alle lidstaten moeten nu grooming en het bezoeken van sites met kinderporno strafbaar stellen. Op zichzelf kan ik mij ook daarbij heel veel voorstellen, maar wij dringen de landen wel een aantal strafbepalingen op. Hoe ver gaat die bevoegdheid nu van de Europese Commissie? Kan dit zomaar, maar ook: is die aanpassing nu echt wel noodzakelijk, gelet op het Verdrag van de Raad van Europa, dat wij al hebben? Wat is hier nu precies de bedoeling van door dit verdrag op te tillen naar het niveau van de Raad van Europa?

Dit geldt eigenlijk ook voor punt B9, de bestrijding van mensenhandel. Ook daarover geen misverstand, mensenhandel is een vreselijk delict, dat wij ook heel hard moeten bestrijden. De SP is daarvan al jaren pleitbezorger, maar ook hiervoor geldt dat ieder land zich al bezighoudt met de bestrijding van mensenhandel. Wat is nu specifiek de bedoeling van Europa om aan te bevelen dat het bezoek aan een prostituee strafbaar gesteld moet worden waarvan men weet of kan vermoeden dat zij of hij slachtoffer is van mensenhandel? Laten wij dit niet aan de landen zelf over? Moeten wij dit nu op Europees niveau gaan regelen? Ik zou graag van de minister met betrekking tot de punten B8 en B9 willen weten waarom dit nu een zaak is die Europa zich moet aantrekken en waarom dit zo moet worden geregeld.

Dan heb ik nog enkele losse punten over de aanvullingen op de agenda. Er wordt onderhandeld met Zuid-Korea over een vrijhandelsakkoord, maar ook in dat akkoord komen strafbepalingen voor. Waar gaat het dan om? Ten slotte wordt ook in het kader van de JBZ-Raad gesproken over de financiële crisis. Wij hebben daar in de Kamer ook over gesproken en van mijn kant is toen ook voorgesteld om het wangedrag van de mensen strafbaar te stellen die in het kader van de financiële crisis de nodige schade hebben toegebracht aan burgers. De minister had toegezegd daarnaar te kijken. Hoe ver staat het daarmee?

Voorzitter: De Wit

De heer Teeven (VVD): Voorzitter. In het Europees Parlement zijn vragen gesteld aan de Europese Commissie over de immigratieverbindingsfunctionarissen, de zogenaamde ILO’s. Er zou een oprichting voorhanden zijn van een formeel netwerk van deze immigratieverbindingsfunctionarissen. Daar zijn evaluatieverslagen van. Kan de Tweede Kamer inzage krijgen in die verslagen? Wat is het standpunt van de minister op dit punt?

Ook in Brussel zijn vragen gesteld over de minimumleeftijd met betrekking tot huwelijksimmigratie en gezinsvorming. Dan gaat het om de zogenaamde derde landen. De maximum leeftijdsgrens binnen de Europese Unie is 21 jaar. De Europese Commissie heeft antwoord gegeven op die vraag aan het Europees Parlement en heeft gezegd dat zij vooralsnog nog geen wijzigingen van de richtlijn voorstelt. Is de regering voornemens – en denkt zij dat die ruimte nog bestaat – om een leeftijdsgrens te hanteren van 24 jaar, of is die ruimte er niet meer door het standpunt van de Europese Commissie? Graag krijg ik op dit punt een antwoord van de minister.

Dan punt B2. Ik vraag de minister of er werkelijk niets verandert naar aanleiding van de richtlijn die nu wordt voorgesteld. Vorig jaar zijn moties van de leden Van Hijum/Blok en Van de Camp aangenomen inzake het ingroeimodel sociale zekerheid. Kunnen deze moties nog worden uitgevoerd, gelet op de richtlijn waarover nu wordt gesproken?

De heer De Wit had het ook over de reikwijdte van artikel 12. Kan de minister daar iets over zeggen? Welke lijn zal nu gekozen worden door de regering: de beperkte reikwijdte of de lijn van de Europese Commissie? Graag krijg ik ook op dat punt een antwoord, want dat bepaalt ook in belangrijke mate de stellingname van onze fractie als het gaat om de formele instemming op dit punt.

In een vorig JBZ-overleg heeft onze fractie vragen gesteld over Guantánamo Bay en met name over de groep Oeigoeren die daar ook nog zit. Wij hebben ook gelezen dat commissaris Barrot en coördinator De Kerckhove informeel overleg hebben gevoerd over dit onderwerp. Kan de minister al iets zeggen over waar Nederland nu staat met betrekking tot die groep Chinezen? Zijn wij bereid om die groep over te nemen die nu in Guantánamo Bay zit? Is het standpunt van de Nederlandse regering op dit punt al gewijzigd? In een vorig overleg is gezegd dat wij hierover meer informatie moeten hebben. Volgens onze informatie is die informatie nu binnen in Nederland, dus graag krijg ik ook op dit punt wat meer duidelijkheid.

Dan is er ook gesproken in het kader van punt B11 over de terug- en overnameovereenkomst met Marokko. De laatste ronde van de onderhandelingen tussen de Europese Unie en Marokko hierover vond plaats in januari 2009. De staatssecretaris van Justitie heeft aangegeven dat de door Marokko voorgestelde termijnen door een aantal lidstaten, waaronder Nederland, te lang worden geacht. Wat wil Marokko nu in return voor deze overeenkomst concreet hebben? Wij vinden die termijnen te lang. Marokko zal ongetwijfeld ook iets bedongen hebben bij de terugname en overnameovereenkomst. Kan de minister wat meer duidelijkheid geven over wat er precies is bedongen?

Dan punt B4, het voorstel van de verordening van de Raad tot vaststelling van een procedure voor onderhandelingen over allerlei burgerrechtelijke zaken. Is de minister van mening dat zo’n voorstel kan helpen bij internationale adoptie binnen Europees verband? Als er een procedure komt, hoe zal die er dan uit komen te zien en welke bevoegdheden gaan volgens de minister dan naar de gemeenschapsinstellingen? Hoe gaat het bijvoorbeeld met de stemming? Zal de stem van ieder land even zwaar tellen, of zal er een verschil in zwaarte zijn naar bevolkingsaantal?

Daarnaast beoogt het document als wij het goed hebben gelezen ook om een procedure open te stellen voor het sluiten van regionale overeenkomsten tussen een beperkt aantal lidstaten en derde landen met betrekking tot dit onderwerp. Wij maken ons dan wat zorgen of wel gegarandeerd is dat deze afspraken niet een eigen leven gaan leiden en op die manier ook bindend gaan worden voor andere landen binnen de Unie. Kan de minister daarop ingaan?

Dan kom ik bij punt B7, het voorstel voor een kaderbesluit over het voorkomen en oplossen van jurisdictieverschillen. Kan de minister nog eens bevestigen dat het eerste uitgangspunt voor berechting het territorialiteitsbeginsel is? Er zijn natuurlijk andere beginselen die ook een rol kunnen spelen, maar is het uitgangspunt niet in eerste instantie het territorialiteitsbeginsel en daarna pas andere zaken?

Verder hebben wij gelezen dat de proportionaliteit negatief werd beoordeeld omdat het voorstel te veel bureaucratische voorschriften zou hebben. Kan de minister erop ingaan op wat voor bureaucratische voorschriften dan wordt gedoeld? Is hier te denken aan formulieren, of moeten wij ons daarbij wat anders voorstellen?

Wat punt B8 betreft, sluit ik mij aan bij de vragen van de heer De Wit over seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie. Dat geldt ook voor punt B9. Ook onze fractie vraagt zich af wat de punten B8 en B9 gaan toevoegen.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Voorzitter. Ik zal mij zoveel mogelijk beperken tot nieuwe punten. Waar relevant, sluit ik mij aan bij de vragen die al zijn gesteld door mijn collega-Kamerleden.

De Tsjechische regering is gevallen. Wat betekent de situatie in Tsjechië nu voor het voorzitterschap in relatie tot de JBZ-Raad en heeft dit effecten op de zaken die daar voorliggen in de komende tijd?

Een tweede punt betreft de Immigration Liason Officers, waarover de heer Teeven ook al een vraag heeft gesteld. Mijn collega Thijs Berman uit het Europees Parlement heeft hier aandacht voor gevraagd. In een uitzending van Argos van afgelopen zaterdag is hieraan ook aandacht besteed. Wie je het ook vraagt, niemand weet precies hoe en op basis van welke richtlijnen de Immigration Liason Officers nu werken, of het werk dat zij doen nu wel op juiste wijze geschiedt en of mensen die zich aanmelden als vluchteling wel de juiste bescherming krijgen. Er blijken nu inderdaad evaluatieverslagen beschikbaar te zijn, die echter nog niet openbaar zijn gemaakt ter toetsing en controle door het parlement. Kan de minister van Justitie zeggen of wij die evaluatieverslagen kunnen krijgen?

Ook heb ik een vraag over het veiligheidsventiel dat vijf jaar geleden is ingebouwd toen de Immigration Liason Officers aan het werk gingen. Indien nodig zouden zij contact kunnen zoeken om asiel aan te vragen. Het blijkt dat dat in de afgelopen vijf jaar geen enkele keer is voorgevallen. Ik weet niet hoeveel negatieve adviezen er in de afgelopen vijf jaar zijn geweest, maar ik weet wel dat er in de afgelopen drie jaar 2600 keer negatief is geadviseerd. In geen van die gevallen is er dus contact geweest met de vraag om toch een asielverzoek te mogen doen. In mijn optiek – al kan ik dit niet hardmaken – lijkt dat veiligheidsventiel niet te werken. Linksom of rechtsom kunnen wij niet zeggen of de Immigration Liason Officers werken, omdat niemand precies weet hoe zij werken en omdat evaluaties niet beschikbaar zijn. Dat vinden wij een niet te tolereren situatie. Graag krijgen wij hierover meer duidelijkheid.

Punt 3 betreft de maatregel in het kader van de terrorismebestrijding over het meenemen van vloeistoffen. Het Europees Parlement heeft hierover een uitspraak gedaan en heeft ook 2010 als deadline meegegeven. Tegen die tijd zouden technische middelen voorhanden moeten zijn, waardoor wij niet meer die strenge controle op vloeistoffen zouden hoeven doen. Wat is de huidige stand van zaken en hoe zit het met de evaluatiestudie? Ik vraag dit omdat ik voorzie dat wij die deadline van 2010 niet gaan halen.

Een vierde vraag betreft de machtiging van de directeur van Europol om onderhandelingen aan te gaan met Israël met het oog op het sluiten van een operationele samenwerkingsovereenkomst. In het kader van de Gazaoorlog is afgesproken dat er met Israël op dit moment geen verdere intensivering zal plaatsvinden als het gaat om samenwerking. Hoe verhouden die zaken zich tot elkaar? Is het goed om een intensieve samenwerking van Justitie aan te gaan met Israël, gelet op de justitiële praktijk in Israël zelf? Daarbij denk ik aan de situatie in Gaza, aan martelingen maar ook de wijze waarop men daar omgaat met detentie en mensenrechten.

De heer Teeven (VVD): Begrijp ik mevrouw Kuiken goed dat zij eigenlijk zegt dat de politionele en justitiële samenwerking met Israël om die reden zou moeten worden opgeschort? Pleit de PvdA-fractie ervoor dat samenwerking bij de bestrijding van de handel in hard drugs, de uitvoer van ecstasy naar Israël, de mensenhandel of de betrokkenheid bij georganiseerde misdaad moet worden opgeschort vanwege wat er in Gaza gebeurt?

Mevrouw Kuiken (PvdA): Zo ver ben ik nog niet met mijn conclusie, maar ik wil wel dat wij hiermee zorgvuldig omgaan, want samenwerking is samenwerking, op wat voor terrein dan ook. Ik wil juist in het kader van afspraken die wij hebben gemaakt weten hoe een en ander zich tot elkaar verhoudt en op wat voor basis wij hieraan vorm geven. Wat betekent dat dan precies? Ik wil natuurlijk ook graag terrorisme en hard drugs bestrijden. Wat dat betreft, staan wij zij aan zij, maar je moet wel weten met wie je zaken aangaat en op welke gronden.

Mijn laatste punt betreft de financiële crisis. Tijdens de JBZ-Raad zal bekeken worden op welke wijze er samengewerkt kan worden om het financiële en economische systeem zo snel mogelijk te herstellen. Ik vraag de minister of hij ook met zijn collega’s wil delen welke signalen hij ontvangt in andere Europese landen als het gaat om de ontwikkelingen op het terrein van criminaliteit. Neemt dit toe door de financiële crisis of niet? Hoe zitten zij erin? Hoe gaan zij om met hun justitieel, maar ook hun politieel apparaat? Hebben zij daar maatregelen voor getroffen? Dat lijkt mij zeer interessant omdat wij die vragen natuurlijk ook in Nederland aan de orde zullen stellen.

Antwoord van de minister

Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. Ik begin met te vermelden dat een paar onderwerpen waarvan was aangekondigd dat zij zouden worden besproken van de agenda zijn afgehaald. Dat betreft de verordening over erfenissen, de terug- en overnameovereenkomst met Marokko en de vrijhandelsakkoorden tussen EU en Zuid-Korea. Zij zullen in afwijking van de eerder rondgezonden agenda aanstaande maandag niet worden besproken.

De heer Teeven (VVD): Moet ik constateren dat ik niet goed heb opgelet, of zijn deze punten net van de agenda afgehaald?

Minister Hirsch Ballin: Dat is gisteren besloten. De notitie die ik daarover kreeg bij het krieken van de dag leidt mij tot deze mededeling aan u.

De heer Teeven (VVD): Ik heb niet zitten suffen. Dat was de vraag.

Minister Hirsch Ballin: Dit is een overbodige vraag.

Dan het kaderbesluit jurisdictiegeschillen, waarnaar de heer De Wit heeft gevraagd. De in onze ogen nuttige kern daarvan is de verplichting tot overleg ingeval van een redelijk vermoeden van een dubbele vervolging. Dat is goed, dat is nieuw en ik leid ook uit de vragen van de heer De Wit af dat hij, afgezien van enkele zorgen over de omvang van het kaderbesluit, daarmee kan instemmen. Daar ben ik blij mee. Dat betekent dat er ook een verplichting wordt gecreëerd om tot een oplossing te komen in onderling overleg. Er vindt nog finetuning plaats. Ik had daarover gisteren contact met de Tsjechische collega van Justitie op het punt van een eventuele rol van EUROJUST. Dat was nog niet helemaal rond in de voorbereiding, maar ik denk dat alles wat daaruit komt ligt binnen een voor ons acceptabele range van een aanbevolen, meer of minder verplichtende rol voor EUROJUST. Wij zijn blij dat deze regeling wordt getroffen voor de jurisdictiegeschillen. Het is een ruime lay-out, vandaar het grote aantal pagina’s. Het gaat om elf materiële bepalingen. Wij zullen zodra het kaderbesluit tot stand is gekomen ook uiteraard werken aan de implementatie. Wij zouden graag zien dat er een iets langere termijn is dan 24 maanden, maar ook daarvoor geldt dat voor ons vooropstaat dat het goed is dat dit besluit tot stand komt.

Ik kom bij de vraag van de heer Teeven hoe het zit met de werking van het territorialiteitsbeginsel. Het ligt voor de hand dat een vervolging plaatsvindt in het land waar het delict is gepleegd. Dat is in onze ogen het goede uitgangspunt, maar er kunnen natuurlijk omstandigheden zijn die tot een andere uitoefening van jurisdictie door een van de lidstaten leiden. Er kunnen allerlei andere aanknopingspunten zijn die tot een andere conclusie leiden. Bovendien zijn er typen criminaliteit waarbij de locus delicti wat moeilijker vast te stellen is. Dan gaat het er dus om dat niet meer maar ook niet minder dan één land die vervolging op zich neemt. Dat is de waarde van deze regeling. Daar zijn wij dus blij mee.

Dan kom ik bij de vraag of de procedure niet te omslachtig is, terwijl in de praktijk soms kan worden volstaan met een telefoontje. Wij denken dat het voorstel zoals het is gewijzigd ook flexibel genoeg is. Het gaat dus om die gevallen waarin het simpele telefoontje om met elkaar af te spreken tussen de bevoegde instanties wie zich over de strafvervolging ontfermt niet volstaat. Vandaar de waarde die wij ook hechten aan deze regeling.

Mevrouw Jonker (CDA): Misschien is het een theoretische vraag. Als de strafvervolging in eerste instantie is overgedragen aan land A, waar men niet tot strafvervolging komt, vanwege procedurefouten of vanwege andere redenen, en als land B het heeft afgestaan, komt het dan daarmee te vervallen? Of kan het dan zo zijn dat land B alsnog tot strafvervolging kan komen?

Minister Hirsch Ballin: Dat is een zeer realistische vraag. Het gaat dan om de verhouding tussen wat hier wordt besloten en de regeling die wij hebben getroffen voor de toepassing van het ne bis in idem-beginsel tussen de lidstaten. Ik teken daarbij aan dat in een situatie zoals mevrouw Jonker die net beschreef, waarin in een stadium dat er nog geen veroordeling is uitgesproken tot de conclusie moet worden gekomen dat een andere lidstaat de meer gerede is om tot vervolging over te gaan, die andere lidstaat dan ook de vervolging ter hand kan nemen. Wij moeten het ne bis in idem-beginsel dus ook niet ruimer opvatten dan naar de huidige stand van de rechtsontwikkeling het geval is. Als er een veroordeling tot stand is gekomen, als de strafzaak is afgedaan, zou het ne bis in idem daaraan in de weg staan, maar als er later een nieuw inzicht opkomt, bijvoorbeeld omdat een lidstaat tot de conclusie komt dat de bewijsverkrijging toch te moeilijk is, dat er toch meer aanknopingspunten zijn of dat er verwevenheid is met een strafzaak die in een andere lidstaat wordt gedaan, dan kan alsnog worden geconcludeerd dat die andere lidstaat het ter hand neemt. Dan moet die ook de medewerkring krijgen van de lidstaat die aanvankelijk met de zaak bezig zou zijn.

Mevrouw Jonker heeft gevraagd naar het verschil in benadering dat er op het eerste gezicht is tussen Israël en de Russische Federatie. Dat is alleen ogenschijnlijk zo. Het gaat om de beoordeling van de gegevensbescherming in Israël. Het Gemeenschappelijk Controle Orgaan is tot de conclusie gekomen dat de onderhandelingen kunnen starten, mits Israël de volledige implementatie van zo’n agreement garandeert en het recht op kennisneming rechtstreeks van toepassing is. Dan dient ook de onafhankelijkheid van de toezichthouder te worden versterkt, en dient het toezicht van die toezichthouder betrekking te hebben op alle verwerkingen die het gevolg zijn van de gegevensuitwisseling met Europol. Wat Europol kan gaan doen met Israël, voortbouwend op de al belangrijke samenwerking die er is op allerlei strafrechtelijke onderwerpen, past helemaal in de lijn die de Europese Unie/Europol overigens trekt op het punt van de gegevensbescherming. Die moet afdoende geregeld zijn in de partnerlidstaat. Vandaar dus deze criteria, ook in de relatie met Israël. Als het gaat om de Russische Federatie zijn wij helaas zo ver nog niet. Daar is niet het moment aangebroken dat wij kunnen zeggen dat wij nu zoveel weten van de gegevensbescherming, voor zover die er is, dat wij daar geconditioneerd ja op kunnen zeggen zeggen. Daar is een groter probleem.

Mevrouw Kuiken vraagt hoe het sluiten van een overeenkomst tussen Europol en Israël zich verhoudt tot het stopzetten van de onderhandelingen over het Membership Action Plan. Er is een operationele noodzaak tot samenwerking geconstateerd waar het gaat om Israël. Ik gaf al aan dat Israël ook voor de Nederlandse politiële en justitiële autoriteiten sinds vele jaren een belangrijke partner is bij het bestrijden van bijvoorbeeld de internationale drugscriminaliteit. Die operationele noodzaak tot samenwerking geldt ook voor het werkterrein van Europol, zoals in de rede ligt. Vandaar dat het Gemeenschappelijk Controle Orgaan hiermee bezig is gebleven.

Dan de vraag hoe dit zich verhoudt tot de onderzoeken ten aanzien van het optreden in Gaza. Dat is een serieuze zaak. Mijn collega van Buitenlandse Zaken heeft dat ook aan de Kamer duidelijk gemaakt. De onderzoeken vinden plaats, maar deze kwestie staat naast de samenwerking die er is op het gebied van politie en justitie. Wij kunnen daar gelukkig van constateren, gelet op de beschikbare kennis tot op heden, de werkwijze die wij volgen en wat het Gemeenschappelijk Controle Orgaan heeft kunnen constateren, dat dit niet wordt geraakt door wat moet worden onderzocht vanwege het optreden in de Gazastrook.

Dan het Kaderbesluit bestrijding mensenhandel. Het voorgestelde kaderbesluit voorziet niet in een nieuw monitoringmechanisme op EU-niveau. Er komt dus geen mechanisme naast GRETA van de Raad van Europa. De lidstaten zullen wel, zoals te doen gebruikelijk, de Europese Commissie moeten informeren over de implementatie van het Kaderbesluit bestrijding mensenhandel. Het voorstel verplicht tot de instelling van een nationale rapporteur of een nationale vorm van monitoring. Wij hebben hier gelukkig al sinds vele jaren de activiteiten van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel, dus op nationaal niveau voldoen wij daaraan.

Mevrouw Jonker stelt, en dat ben ik helemaal met haar eens, dat het jammer zou zijn als het voorgestelde kaderbesluit zou leiden tot vertraging van de ratificatie van het Verdrag van Lanzarote. Ik heb in de voorvorige vergadering van de JBZ-Raad onder de aandacht gebracht dat dit onze opvatting is. Waar nodig, zal ik dat blijven doen. Wij hechten eraan dat het Verdrag van Lanzarote tot stand komt en wordt bekrachtigd door de lidstaten van de Raad van Europa die ook lidstaten van de EU zijn en andere leden van de Raad van Europa. De aanvullende werking van het kaderbesluit ter bestrijding van seksueel misbruik is voor ons maatgevend. Ik wil ook graag een poging doen om dat in de preambule verwoord te krijgen.

De heren De Wit en Teeven hebben punten aan de orde gesteld betreffende het kaderbesluit kindermisbruik en het kaderbesluit mensenhandel. De Commissie zal een toelichting geven op beide voorstellen. Zij acht het geboden dat op EU-niveau de kernverplichtingen uit beide verdragen van de Raad van Europa worden uitgewerkt en in de rechtstreekse vorm van de besluitvorming van de EU gestalte krijgen. Voor het overige geldt wat ik zojuist al zei in antwoord op de vragen van mevrouw Jonker. Bij de behandeling en beoordeling van de voorstellen wordt trouwens ook bekeken of alle onderdelen noodzakelijk zijn. Onze benadering is dus positief, met de aantekening over de verhouding tot wat er in het kader van de Raad van Europa in verdragen is neergelegd. Ik hoop ook dat onze nationale wetgeving tot goedkeuring en implementatie spoedig wet zal worden.

Voorzitter: Teeven

De heer De Wit (SP): Waarom moet dit, gelet op de bepaling over kindermisbruik, nog apart worden geregeld, naast het Verdrag van de Raad van Europa? Er is bovendien sprake van een aantal bepalingen waarvan je je kunt afvragen of elke lidstaat het daarmee eens is. Ik noemde al grooming. Wij verplichten de lidstaten om een aantal strafbepalingen op te nemen, maar met betrekking tot mensenhandel gaat Europa een delict voorschrijven waar wij in Nederland nog niet uit zijn. Het bezoek aan een prostituee van wie je weet dat die slachtoffer is van mensenhandel is in Nederland nog geen strafbaar feit. Het is de vraag of het zo ver zal komen, omdat dit naar mijn oordeel een twijfelachtig en moeilijk te handhaven delict is. De vraag is waar Europa zich wat dat betreft mee bemoeit. Het gaat dan enerzijds om kindermisbruik, omdat er al een verdrag ligt, en anderzijds om bepalingen die nationaal nog niet strafbaar zijn en heel omstreden.

Minister Hirsch Ballin: Ik stel voorop dat het wel degelijk waarde heeft om in Europees verband te kijken naar de mogelijkheden van versterking van wat er in het kader van de Raad van Europa is besloten. Dat is onze optiek. Dat zal wat mij betreft tot uitdrukking moeten komen in de manier waarop de bepalingen worden verwoord. Ik zei zojuist al dat het misschien goed is om dat ook in de preambule tot uitdrukking te brengen.

De bepaling waarover de heer De Wit sprak, is optioneel, facultatief in het kaderbesluit opgenomen. De pro’s en contra’s ervan zullen wij waarschijnlijk nog bespreken bij de nieuwe Nederlandse wetgeving over de prostitutiebedrijven. Ik wijs er wel op dat er situaties zijn waarbij ook naar huidig recht degene die meewerkt als klant aan de exploitatie van een slachtoffer van mensenhandel wel degelijk strafbaar is. Zo afhoudend moeten wij er nu ook weer niet op reageren. Het komt echt op de finetuning aan. Klanten zijn niet als het gaat om slachtoffers van mensenhandel vanzelf onschuldig. Dat lijkt mij ook de opvatting van de heer De Wit. Daar hebben wij het eerder over gehad. Wij zullen langs die lijn de verwoording van deze elementen van het kaderbesluit beoordelen, facultatief, zoals het er nu voor staat, evenals de manier waarop wij er in Nederland uitwerking en toepassing aan geven.

Voorzitter: De Wit

Minister Hirsch Ballin: Dan iets over de erfrechtkwesties. Daarover is nog geen tekst bekend gemaakt. De te verwachten tekst gaat over de bevoegdheid, toepasselijk recht, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen, maar vooral niet over harmonisering van het materiële recht. Zoals gezegd, Zuid-Korea is van de agenda afgehaald, evenals de terugnameovereenkomst met Marokko.

Dan Guantánamo Bay. Wij hebben de Kamer er al vaker over bericht, ook in een brief van mijn collega Verhagen. Er is al meer naar voren gebracht dat wij niet van plan zijn de gedetineerden van Guantánamo Bay over te nemen. Wij zien het als de verantwoordelijkheid van de VS om daarvoor een goede oplossing te vinden. Wij zijn wel beschikbaar voor gesprekken over de wenselijkheid daarvan. Dat is in lijn met het standpunt dat de Nederlandse regering steeds heeft ingenomen over de wenselijkheid van sluiting van Guantánamo Bay, maar het is niet onze opvatting dat wij de gedetineerden zouden moeten overnemen, ook niet bepaalde subgroepen.

Ik kom bij de actuele politieke situatie in Tsjechië. De minister en de onderminister van Justitie van de Tsjechische Republiek zijn gisteren bij Justitie op bezoek geweest. Ik heb de politieke situatie en de vooruitzichten op de bekrachtiging van het Verdrag van Lissabon ter sprake gebracht. De situatie in Tsjechië leent zich op dit moment niet voor voorspellingen met een geldigheidsduur tot het eind van het voorzitterschap, maar mijn collega was vol vertrouwen dat het Tsjechische voorzitterschap goed kan worden afgewerkt. Hij straalt dat zelf ook uit. Wij hebben veel waardering voor de competente manier waarop hij en de onderminister van Justitie dat aanpakken. Wij hebben absoluut niet de indruk, en die waarneming hebben wij ook niet, dat zij zich laten beperken in hun activiteiten en de voorbereidingen bij het vinden van oplossingen voor de geschilpunten als gevolg van de situatie in het Tsjechische parlement.

De heer De Wit heeft gesproken over de samenwerking op het gebied van politie en douane op het punt van de toegang tot gegevens. Het gaat hier om de resultaten van een enquête onder de lidstaten. De resultaten weerspiegelen de nationale situatie. De toegang tot bestanden gaat dus om nationale afspraken tussen politie en douane. Het gaat om een vergelijking van hoe dat binnen de lidstaten is geregeld en niet om het gegevensverkeer tussen de lidstaten onderling.

Ik kom bij de vraag van mevrouw Kuiken, in afwezigheid van de heer Pechtold, over de stand van zaken met betrekking tot vloeistoffen die aan boord mogen worden genomen van vliegtuigen. De EC werkt samen met lidstaten die de Roadmap for liquids aan het afwerken zijn. Dat is een stappenplan over het bestaande verbod op het meenemen van vloeistoffen aan boord als het gaat om flacons van meer dan 100 ml. Dat kan echter alleen als er controleapparatuur beschikbaar is die de explosieve vloeistoffen kan detecteren. TNO en Schiphol testen de nieuwe apparatuur inmiddels. Die tests worden in het kader van een samenwerkingsverband tussen ons, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk uitgevoerd. Het doel van dat samenwerkingsverband is het zo snel mogelijk beschikbaar krijgen van controleapparatuur voor vloeistoffen die de explosieven onderscheiden van andere vloeistoffen. Dat is bemoedigend, zij het dat het wellicht een nadeel is voor de boordverkoop van vervangende vloeistoffen aan degenen die ze niet mee aan boord hebben kunnen nemen. De fabrikanten leveren in snel tempo testversies, maar ik denk niet dat er al binnen afzienbare tijd, een van de komende maanden, conclusies kunnen worden getrokken over de vloeistoffen en de apparatuur om ze te onderscheiden. Maar er wordt dus gewerkt aan een soepeler, zij het uit een oogpunt van veiligheid desalniettemin verantwoord regime.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Binnen afzienbare tijd, maar nog niet over een aantal maanden. Een roadmap veronderstelt echter een bepaalde tijdsplanning. Kan de minster daar iets over zeggen?

Minister Hirsch Ballin: Neen. Er worden nu tests gedaan. Er wordt met de fabrikanten bekeken hoe die betrouwbaar kunnen plaatsvinden, want de apparatuur moet in staat zijn om de producten van Chanel te onderscheiden van die van Al Qaida. Als de tests succesvol verlopen, kunnen wij ermee verder. Het duurt echter nog wel een tijdje, want het is allemaal niet zo simpel. Ik kan dus geen beter nieuws melden. Ik houd mij aanbevolen voor suggesties over bij de tests te betrekken producenten.

Het onderwerp adoptie komt niet aan de orde. Ter informatie, het gaat over het behoud van veelal lopende bilaterale afspraken tussen de huidige EU-lidstaten en derde landen, die nog stammen uit de tijd dat voor ons Midden- en Oost-Europa nog buiten de EU lagen, bijvoorbeeld Tsjechië en de Oekraïne. Tsjechië is er nu binnen, maar de Oekraïne niet. Nederland heeft deze overeenkomsten niet, omdat wij de voorkeur geven aan multilaterale oplossingen, zoals het Haagse Adoptieverdrag. Onze voorkeur voor een bevordering van de toetreding van derde landen tot dat Haags Verdrag in plaats van regionale afspraken houden wij daarbij zoveel mogelijk overeind, al kunnen altijd situaties ontstaan waarbij je om redenen van persoonlijke belangen die ermee gemoeid kunnen zijn, tot een andere conclusie moet komen, maar ons standpunt is: liever multilateraal.

Er is ook gevraagd naar de effecten op ons werkterrein van de financiële crisis. De uitwisseling van informatie over nationale maatregelen is in ieder geval verstandig. Het aanvullende beleidsakkoord van ons kabinet, ook dankzij alle besprekingen in de fracties en de Kamer, legt de nadruk op sneller investeren, verdere lastenverlichting en versterking van het toezicht. Het laatste raakt het werkterrein van de ministers van Justitie. Het gaat onder andere om het jaarrekeningenrecht, het faillissementsrecht, het zekerheidsrecht, dus het recht op de zekerheden, het tegengaan van onderwereldfinanciering en de verschuivingen die daarin kunnen optreden en het tegengaan van financieel-economische criminaliteit. Bij dit soort onderwerpen verwachten wij inderdaad dat wij rekening moeten houden met gevolgen. Dat is deels een kwestie van Europese afstemming. De kwestie van het toezicht heb ik al geruime tijd geleden onder de aandacht gebracht bij de collega’s in de JBZ-Raad. De financieel-economische criminaliteit en het tegengaan van financiering via onderwereldconstructies zijn zeker aandachtspunten, ook voor Europese samenwerking. Ik zeg graag toe dat ik dit in het oog zal houden, ook in de JBZ-contacten en -samenwerking.

Mevrouw Jonker heeft gevraagd naar Somalië. De staatssecretaris van Justitie, collega Albayrak, heeft deze kwestie in de JBZ-Raad aan de orde gesteld bij «any other business», dus bij wat wij zouden noemen de rondvraag, wat verder ter tafel komt. Zij heeft gewezen op de zorgen in verband met het ontbreken van afstemming in Europees verband. Dat is terecht aangehaald. Dat onderstreept het punt van de smokkel. Bij het opbrengen van een punt bij «any other business» wordt niet verwacht, hoewel het een enkele keer gebeurt, dat dit onmiddellijk leidt tot reacties en mogelijkheden voor conclusies van de kant van de andere lidstaten. Er is op dat moment ook geen razendsnelle conclusie getrokken door het voorzitterschap. Wat wij wel doen, en in het oog houden, is de inbreng van het onderwerp migratie in het programma van Stockholm. In samenspel met onze Benelux-partners hebben wij daar inbreng voor geleverd, zoals bij alle onderwerpen voor het Stockholm-programma. Er komt binnenkort een brief van de staatssecretaris van Justitie over de beleidsmaatregelen ten aanzien van Somalië waar ook dit onderwerp nader in aan de orde komt.

Dan het rapport Europe’s boat people. Ook hiervoor geldt dat een reactie van de staatssecretaris van Justitie in vergevorderde voorbereiding is. Die reactie komt op heel korte termijn. Daarbij moest worden gewacht, inmiddels is dat gerealiseerd, op een aantal onderwerpen dat nader moest worden geanalyseerd. Ook is bezien op welke termijn wij eventueel meer zouden weten en kunnen zeggen over de search and rescue-onderdelen. In de brief zal staan wat wij op dat moment kunnen melden over dit onderwerp, maar waarover nog geen conclusies kunnen worden getrokken. Wij wachten echter niet langer met een reactie op het rapport Europe’s boat people.

Dan kom ik bij de Richtlijn arbeidsmigratie. Daar ligt een parlementair voorbehoud, dat nu kan worden opgeheven, omdat aan de Nederlandse voorwaarden is voldaan. Die hebben wij eerder besproken. Deze betreffen een apart document als bijlage bij de verblijfsvergunning waarop de relevante arbeidsmarktinformatie staat en studenten worden uitgesloten van de gecombineerde vergunning. Dat punt is geheel conform het besprokene met de Kamer opgelost. Wij zijn eruit. Wat artikel 12 betreft delen wij de opvatting die ook door de meeste gezaghebbende juridische autoriteiten naar voren is gebracht over de interpretatie van artikel 12. Ook op dit punt zijn gelukkig niet langer complicaties te melden.

Voorzitter: Teeven

De heer De Wit (SP): De minister spreekt over de meeste gezaghebbende autoriteiten, maar hoe is de keuze uiteindelijk uitgevallen? Gaat het alleen over mensen die onder de regeling gaan vallen, of geldt het voor iedereen die zich in Nederland bevindt, hier rechtmatig is en hier mag werken?

Minister Hirsch Ballin: Op dit moment wordt nog door de Commissie en het voorzitterschap een voorstel voorbereid. Voor Nederland maakt dat weinig verschil. Wij zijn tot de conclusie gekomen, gelet op de bepaling inzake gelijke behandeling en artikel 12, dat als het recht op gelijke behandeling niet wordt beperkt tot houders van de single parament, naast houders van de single permit ook vreemdelingen die naar Nederland zijn gekomen in het kader van gezinsmigratie, studie, wetenschappelijk onderzoek, betaalde stage en kennismigratie onder de richtlijn zouden kunnen vallen. Wij hebben daar geen problemen mee, maar wij verwachten een acceptabel compromisvoorstel van Commissie en voorzitterschap.

Voorzitter: De Wit

De heer Teeven (VVD): Begrijp ik goed dat Nederland kiest voor de beperkte reikwijdte van artikel 12, of kiest Nederland voor de lijn van de Europese Commissie? Graag duidelijkheid op dat punt.

Minister Hirsch Ballin: Wij kiezen voor de lijn van de Europese Commissie, dus voor de ruime uitleg. Omdat daartegen bedenkingen waren, wordt nu een compromistekst voorbereid door de Commissie, samen met het Raadssecretariaat, dat naar ons oordeel acceptabel zal zijn. Daarmee kunnen wij verder, maar wij hebben geen problemen met de ruime uitleg. Als een beperking wordt aangebracht, hebben wij daar ook geen last van.

De heer Teeven (VVD): Maar artikel 63 van het EG-verdrag biedt die ruimte volgens een aantal deskundigen voltrekt niet. Wat is de reactie van de minister daarop?

Minister Hirsch Ballin: Dat is het punt waarover de Commissie en het voorzitterschap een compromistekst zullen voorbereiden. Of de deskundigen dan tevreden zijn, of dat iedereen niet helemaal tevreden is, merken wij dan wel, maar in praktische zin hebben wij geen problemen daarmee. Wij hadden geen problemen met de ruime uitleg, maar als naar aanleiding van het andere geluid wordt gekomen tot een beperktere uitleg van de richtlijn, hebben wij daarmee vanzelf ook geen problemen.

Dan kom ik bij de vraag over het European Asylum Bureau. De oprichting wordt neergelegd in een verordening van Raad en Parlement. In de conceptverordening is opgenomen dat het bureau wordt geleid door een raad van bestuur, die zal bestaan uit vertegenwoordigers van alle lidstaten. De deelname aan het bureau is niet vrijblijvend, maar het bureau heeft geen beslissingsbevoegdheid. Dat is de balans die in de ontwerpverordening is gevonden. Als in een lidstaat het asielsysteem onder bijzondere druk ligt, ligt het initiatief voor de vraag om praktische bijstand wel bij die lidstaat. Je kunt geen deskundigen naar een lidstaat sturen als die lidstaat daar niet om heeft gevraagd. De lidstaat moet zelf aangeven waar hij behoefte aan heeft. Het bureau zorgt er vervolgens voor dat in coördinatie met andere lidstaten een antwoord op de gestelde vragen wordt gegeven.

Mevrouw Jonker (CDA): Het bureau moet nog komen, maar het grote probleem nu is dat wij ook geen hulp kunnen opdringen en men er niet om vraagt, omdat dat niet het belang is van die landen. Die willen het gewoon laten escaleren waardoor er geen poolfactor ontstaat. Hoe gaat het ondersteuningsbureau daar een bijdrage aan leveren? Ik begrijp dat je geen hulp kunt opdringen, maar hoe gaat dat in de toekomst iets opleveren? Hoe leidt dat tot een uniform asielbeleid?

Minister Hirsch Ballin: In andere discussies hier hebben wij het wel eens over drang en dwang als het gaat om hulpverlening hier in Nederland. Mevrouw Jonker herinnert zich dat wel. Wat deze hulpverlening betreft is er niet meer dan drang. Dat is waar. Men moet meewerken aan het bureau. Het bureau heeft ook gezag, doordat het antwoorden geeft die worden afgestemd met de andere lidstaten, met informatie uit andere lidstaten, maar men is inderdaad niet gedwongen om de opinie te volgen die verkrijgbaar is bij dit bureau. Dat is de kracht van het hebben van het bureau, met een bestuur waarin alle lidstaten zijn vertegenwoordigd, maar verder dan drang tot het zoeken van dit soort hulp om tot een gemeenschappelijke interpretatie te komen, is het inderdaad niet in dit stadium. Als mevrouw Jonker met haar vraag impliceert dat een ontwikkeling naar een verdergaande vorm van hulpverlening, namelijk het verplicht vragen van hulp, wenselijk zou zijn, dan kan ik dat goed begrijpen, al zitten wij dan wel met het afbakenen van de gevallen waarin je het bureau zou moeten inschakelen. Wij zouden ook niet willen dat het tot nodeloze complicaties en vertragingen in de asielprocedure leidt, maar ik neem graag op mij dat wij de verwachting moeten uitspreken dat er ook goed gebruik zal worden gemaakt van de lidstaten. Als een lidstaat problemen veroorzaakt bij de asielprocedures, doordat men niet de hulp vraagt, wil ik dat ook graag onder de aandacht brengen.

Mevrouw Kuiken heeft gevraagd, naar aanleiding van de publiciteit erover, hoe het zit met de werkzaamheden van de Immigration Liason Officers. De verordening van 19 februari 2004 over de oprichting van een netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen, ILO’s, heeft de al veel langer bestaande informele en incidentele samenwerking tussen ILO’s geformaliseerd. Bovendien staat er een omschrijving van de taken van de ILO’s in de verordening. Die liggen op drie vlakken: het voorkomen van illegale migratie en de bestrijding ervan, hulp bij de terugkeer van illegale immigranten en het bijdragen aan het beheer van legale immigratie. Het is met het oog daarop dat de ILO’s contacten leggen en onderhouden met de bevoegde autoriteiten in het land waar zij hun werk doen. Met het oog daarop wordt informatie verzameld. Bovendien er is sinds het Verdrag van Prüm van 2005 een samenwerkingsverband van de toen verdragsluitende partijen, België, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Oostenrijk na de toetreding op het terrein van de inzet van documentadviseurs. Volgens artikel 21 van het verdrag zien de taken van de uitgezonden documentenadviseurs met name op de advisering en opleiding van buitenlandse vertegenwoordigingen van de verdragsluitende partijen, vervoersondernemingen en de lokale autoriteiten die met de grenscontroles zijn belast als het gaat om het herkennen van falsificaten. In de toelichting bij het verdrag heb ik daarover het een en ander gemeld.

Dan iets over vreemdelingen die zich buiten Nederland bevinden en bescherming behoeven. De vraag van mevrouw Kuiken is of de werkzaamheden van de ILO’s geen afbreuk doen aan de verplichting tot bescherming van vluchtelingen. De verplichting tot bescherming van vluchtelingen bestaat voor Nederland voor degenen die zich in Nederland bevinden, op Nederlands grondgebied. Vreemdelingen die zich buiten Nederland bevinden en bescherming behoeven, moeten zich waar ze verblijven, wenden tot degenen bij wie ze bescherming kunnen vinden. We hebben er desalniettemin voor gekozen om de mogelijkheid tot het consulteren van de IND door vervoerders in te bouwen, ook naar aanleiding van wat kan blijken als mensen zich melden om aan boord te gaan. Daarbij kan de IND-ambtenaar die wordt bevraagd aan de hand van specifieke omstandigheden per geval afwegen of de vreemdeling veiligheidshalve in de gelegenheid moet worden gesteld om naar Nederland te reizen, dus aan boord te gaan. In de radio-uitzending waarnaar is verwezen, wordt gezegd dat er problemen op dat punt zouden zijn, maar wij hebben daarvoor geen signalen. Uiteraard zullen wij de ILO’s attenderen op het feit dat de mogelijkheid nog steeds bestaat om in gevallen die ze tegenkomen navraag te doen bij de IND, zodat gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid om die bescherming te geven.

De heer Teeven (VVD): Mijn vraag is veel simpeler. Ik heb niet verwezen naar Argos. Ik heb aangegeven dat er evaluatieverslagen zijn en dat die tweejaarlijks schijnen te worden opgemaakt. Het Europees Parlement en de Tweede Kamer krijgen die echter niet. Is de regering bereid om die evaluatieverslagen ter beschikking te stellen van de Tweede Kamer?

Minister Hirsch Ballin: Ik moest nog toekomen aan die vraag. De evaluatieverslagen zijn trendrapportages over routes, over de modus operandi van mensensmokkelaars. Die verslagen lenen zich niet – de heer Teeven zal dat ongetwijfeld begrijpen, gegeven de inhoud ervan – voor openbaarmaking. Als wij daarover informatie zouden geven, zou daarmee rekening kunnen worden gehouden door de mensensmokkelaars. Die documenten zijn er ten behoeve van het tegengaan van mensensmokkel en mensenhandel. Dat is de aard van die verslagen.

De heer Teeven (VVD): Dat zijn de operationele verslagen over wat die mensen doen, maar er zouden ook evaluaties zijn van het werk, of dat al of niet iets oplevert. Die gaan over het effect. Kunnen die andere verslagen, over het effect van de werkzaamheden, wel ter beschikking worden gesteld?

Minister Hirsch Ballin: Dank voor de verduidelijking. Dit betreft een ander onderwerp dan de modus operandi. Dat is misschien iets wat ook raakt aan de conferenties waar mevrouw Kuiken naar heeft gevraagd. Dat is wat wij en wat de Kamerleden mogen verwachten van de aanwezigheid van de Immigration Liason Officers op een aantal plaatsen. Daarbij gaat het om zaken als de effectiviteit van hun werkzaamheden en de preventieve werking, ook ten aanzien van de mensenhandel, waarover de staatssecretaris al meermalen met de Kamer heeft gesproken. Men herinnert zich de succesvolle actie bij het mensenhandeltrajecten uit West-Afrika begin vorig jaar. Het openen van nieuwe posten kan er ook deel van uitmaken, op plaatsen waar tot nu toe geen Immigration Liason Officers zijn, evenals de samenwerking binnen de keten. Over die meer beleidsmatige aspecten zullen wij de Kamer graag informatie verschaffen rond onze bevindingen. Mocht er iets zijn wat in het grensvlak ligt van wat echt geheim moet blijven, omdat dit de bestrijding betreft, maar wat wel vertrouwelijk kan worden gedeeld, dan zullen wij van die mogelijkheid gebruikmaken.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Dat is een goede toezegging. Ik neem aan dat wij die relevante stukken voor de volgende JBZ-Raad ontvangen.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Jonker (CDA): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn antwoord in eerste termijn. Ik heb in eerste termijn mijn emotionele toestand beschreven toen ik vanmorgen in de trein zat en het bericht in de Volkskrant las. Nogmaals, ik zou heel graag zien dat Europa op dit moment serieuzer kijkt naar het probleem waar wij allen voor staan. Ik heb ook artikelen gelezen waarin een Spaanse mensenrechtenorganisatie een getal van 2900 vluchtelingen of migranten noemt die overleden zouden zijn onderweg naar Spanje, ruim 500 op zee en de rest in de richting van de Middellandse Zee. Ik vind dat aantallen waar wij gewoon niet meer overheen kunnen stappen. Ik weet welke druk er vanuit de zuidelijke lidstaten op ons wordt gelegd, maar is het niet mogelijk om te komen tot een roadmap waarbij beiderzijds verantwoordelijkheid wordt genomen? Er sterven zoveel mensen! Er vinden oorlogen plaats waarbij niet zoveel doden vallen. Daar moeten wij binnen Europa serieuzer mee omgaan.

Dan een vraag die ik in eerste termijn niet heb gesteld. Vorige week is in de Eerste Kamer gesproken in het kader van het Europese verband over het Nederlandse terugkeerbeleid. Ik had mijn dank willen overbrengen aan de staatssecretaris voor haar inbreng daarbij. Nederland trekt enorm hard aan het vinden van alternatieven voor vrijwillige terugkeer. Willen de bewindslieden de mogelijkheid bezien of er binnen Europa kan worden gekomen tot een platform van een aantal landen dat steeds harder werkt aan alternatieven? Er kan misschien ook uitwisseling van good practises tot stand komen. Ook dat kan leiden tot allerlei alternatieven.

De heer Teeven (VVD): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik heb in eerste termijn een vraag gesteld over het al of niet optrekken van de leeftijdsgrens voor huwelijksmigratie en gezinsvorming naar 24 jaar. Ik heb de minister van Binnenlandse Zaken, die er nu niet is, ook een vraag gesteld. Het betreft een vast onderdeel, namelijk de brief over CIS 2. Ik heb in het verslag van de JBZ-Raad van februari gelezen dat de eurocommissaris zegt dat er eigenlijk geen structurele problemen zijn met CIS 2 en dat op 5 en 6 juni allerlei besluiten moeten worden genomen over de definitieve keuze van het systeem. Wil de minister bij vervanging van zijn ambtsgenoot ons daar iets over vertellen? De minister van Binnenlandse Zaken was bij eerdere JBZ-raden in de Kamer vrij pessimistisch. Zij verwachtte problemen, maar de eurocommissaris stelt dat er niets aan de hand is. Wat gaat Nederland de komende maanden doen en wat is het definitieve standpunt van ons land?

Mevrouw Kuiken (PvdA): Ook ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik heb nog een actuele vraag. Ik las vanochtend in nrc.next dat EU-voorzitter Tsjechië de journalistieke vrijheid inperkt. Graag een reactie van de minister. Wat houdt dit precies in? Mij lijkt dat namelijk geen wenselijke situatie.

Voorzitter: Teeven

De heer De Wit (SP): Voorzitter. Dank voor het antwoord van de minister. Eerst iets over de combivergunning, de gecombineerde vergunning voor werk en verblijf. Ik steun de minister als het gaat over de aanvankelijk ingeslagen weg voor de ruime uitleg van artikel 12. Ik hoop dat de regering daaraan vasthoudt, zodat er een zo aanvaardbaar mogelijk compromis uitkomt.

Dan de crisis. Ik heb gevraagd hoe het staat met het onderzoek dat de minister heeft toegezegd. In hoeverre kunnen leiders, bankiers en bestuurders van grote ondernemingen in het kader van de financiële crisis strafbaar worden gesteld wanneer duidelijk sprake is van wanbeleid, dat wil zeggen als zij burgers die hun vertrouwen in die instellingen hebben gesteld, hebben blootgesteld aan de crisis, zodanig dat zij de dupe zijn geworden van financiële malversaties? De minister heeft toegezegd dat hij hiernaar zou kijken.

Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. Mevrouw Jonker heeft zeer terecht gewezen op de soms dramatische situaties aan de zuidkant van Europa. Daar hebben wij alle aandacht voor. Ik bevestig dat nogmaals. Collega Albayrak heeft er eerder over gesproken. Het heeft ons beider aandacht, omdat het om mensen gaat, omdat er slachtoffers vallen, en omdat het de buitenkant van het gebied van de EU is. Daarbij zijn zaken als de grensbewaking en de migratiebescherming van vluchtelingen aan de orde. Dat is de reden dat wij bij elke gelegenheid spreken over de samenwerking daar en de wenselijkheid van het beschikbaar stellen van expertise. De staatssecretaris is van plan om binnenkort een bezoek te brengen aan de relevante Mediterrane grensgebieden van de EU.

Mevrouw Jonker (CDA): Ik ben niet tevreden met dit antwoord. Deze informatie was mij al bekend, maar binnen Europa is gewoon sprake van een patstelling. De zuidelijke lidstaten zijn niet geïnteresseerd in onze ondersteuning. Daar hebben wij eerder over gesproken. Zij zijn alleen geïnteresseerd in herverdeling, maar wij willen dat zij eerst bekijken hoe zij hun processen op een humane manier kunnen inrichten. Wat ik waarneem, is dat er niets gebeurt. Uit het JBZ-verslag begrijp ik dat het voorstel van die landen wordt doorgeschoven naar het Stockholm-programma. Ik zie de problemen, maar is er echt geen andere mogelijkheid dan deze patstelling overeind te houden? Er moet toch iets gebeuren!

Minister Hirsch Ballin: Het klopt niet dat er niets gebeurt, in ieder geval niet voor zover het ons betreft. Er zijn lidstaten in het zuidelijke grensgebied van de EU die het liefst zouden zien dat er een herverdeling wordt gecreëerd en dat wij Dublin opzij zetten. Dat is waar. Wij hebben gesproken over de redenen daarvoor, maar dat is niet de weg die wij op willen gaan. De Europese Commissie is ermee bezig. Vandaar ook dat dit speelt bij de voorbereiding van de besluitvorming in Stockholm. Intussen heeft ook de operatie van Frontex onze aandacht. Als zich situaties voordoen die tot onderzoek moeten leiden, raakt dat ook de verantwoordelijkheid van die lidstaten. Wij hebben bewust gekozen voor de heel directe benadering met de reis van de staatssecretaris naar die gebieden. Dat zal uiteraard ook leiden tot conclusies, bevindingen en gesprekken over wat een goede reactie is op de grote aantallen mensen die daar binnenkomen, de problemen met de behandeling en de vraag hoe er met spanningen en incidenten moet worden omgegaan. Op het moment dat de staatssecretaris die reis heeft gemaakt en daarvan verslag uitbrengt, is dat een heel goede gelegenheid om erover te spreken, voorafgaand aan onze deelneming aan de start-JBZ-Raad in Stockholm in juli. Dan kunnen wij spreken over de manier waarop dit beleidsmatig wordt aangepakt.

De heer Teeven heeft gevraagd of de leeftijdsgrens kan worden opgetrokken naar 24 jaar. Wij zullen in het kader van het beleid inzake de gezinshereniging ook op de leeftijdskwestie ingaan. Het lijkt mij het beste er nu niet inhoudelijk op in te gaan. SIS II betreft een onderwerp waarover collega Ter Horst de Kamer heeft bericht. Zij heeft er ook in eerdere JBZ-Raden over gesproken. Het onderzoek loopt nog steeds. Dat betekent het testen van SIS II, maar ook onderzoek naar mogelijke alternatieven. In mei komen de testresultaten beschikbaar.

Mevrouw Kuiken vroeg naar de journalistieke vrijheid in Tsjechië.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Voor alle duidelijkheid: het betreft de aanpassing van de mediawet, die leidt tot een beperking van de journalistieke vrijheid. Dat is misschien een onderwerp om zijdelings mee te nemen.

Minister Hirsch Ballin: Ik zal mij daar graag in verdiepen en mij laten informeren.

De heer De Wit vroeg naar de gecombineerde vergunning. Daar staan wij, zoals bekend, positief tegenover. Wij zien de eenloketbenadering als een voordeel, maar met de bijlage over de arbeidsmarktaspecten. Dan de vraag naar de aansprakelijkheid in verband met de financiële crisis. Over de strafrechtelijke aansprakelijkheid en de civielrechtelijke aansprakelijkheid zal ik de Kamer deze of de komende maand een brief doen toekomen. Bestuurders en beleidsbepalers zijn civielrechtelijk aansprakelijk voor schulden van de vennootschap na faillissement als zij hun taak niet goed hebben vervuld en als dat een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Dat volgt ook uit artikel 238 van het BW. De bestuurders en commissarissen zijn civielrechtelijk en bij valsheid in geschrifte bijvoorbeeld ook strafrechtelijk aansprakelijk voor misstanden in de jaarrekening. Dat is artikel 250 van het BW. In de brief zal ik ook ingaan op de Europese dimensies van dit onderwerp.

Mevrouw Jonker stelde nog een vraag over de vrijwillige terugkeer. Ook in Europees verband heeft de vrijwillige terugkeer de voorkeur boven de gedwongen terugkeer. Gedwongen terugkeer is wel het sluitstuk. Die benadering volgen wij ook in relatie tot de in december tot stand gekomen terugkeerrichtlijn, waarvan de implementatie uiterlijk eind volgend jaar, uiterlijk 24 december 2010, moet hebben plaatsgevonden. Daarnaast is het Europese Terugkeerfonds van start gegaan. Met behulp daarvan wordt de indiening van projecten voor vrijwillige terugkeer en herintegratie gestimuleerd. Verder wordt internationaal en Europees op conferenties gesproken over de vrijwillige terugkeer, zoals in relatie tot de International Organisation for Migration.

Mevrouw Jonker (CDA): Ik kan hier alleen maar de hoop aan toevoegen dat Nederland de voorbeelden die wij ontwikkelen en al hebben ontwikkeld, inbrengt in Europa.

Minister Hirsch Ballin: Zeker. Dat doen wij. Er zijn op het punt van het terugkeerbeleid belangrijke stappen gezet in deze kabinetsperiode, ook in relatie tot de inspanningen en activiteiten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, met medewerking van collega Koenders, met wie collega Albayrak en ik een heel goed en productief overleg hebben gehad over deze onderwerpen. Zoals de Kamer weet, is het terugkeerbeleid geïntensiveerd, zowel wat de vrijwilligheid betreft als waar nodig met gedwongen terugkeer. Wij grijpen elke gelegenheid, zoals internationale conferenties – die over Afghanistan niet uitgezonderd – en bilaterale en multilaterale contacten aan om medewerking te vragen van staten buiten de EU die moeten meewerken aan terugkeer van eigen onderdanen. Dit heeft dus onze volle aandacht.

De voorzitter: Dank. Daarmee zijn wij gekomen aan het eind van dit algemeen overleg.

Ik heb geconstateerd dat de minister de Kamer met betrekking tot de evaluatie van de ILO’s heeft toegezegd dat de niet-operationele evaluatierapporten, als daar aanleiding toe is, vertrouwelijk ter inzage zijn van de Kamer.

Minister Hirsch Ballin: Ik heb iets anders toegezegd. Ik heb de Kamer een brief toegezegd over dat deel van de bevindingen waarnaar in tweede instantie werd gevraagd. In de brief zal ik de Kamer uiteraard zoveel mogelijk openbaar en waar nodig vertrouwelijk informeren over de bevindingen uit de conferenties van de ILO’s en de evaluatierapporten.

De heer Teeven (VVD): Voorzitter. De minister haalt nu iets terug wat hij wat mij betreft eerder al heeft toegezegd. Wij hadden er begrip voor dat ook sprake is van operationele informatie die ons niet kan worden verstrekt. Volgens mij bracht de voorzitter het goed onder woorden. De minister zou ons inzage verstrekken in de niet-operationele evaluatierapportages. Dat is iets anders dan een brief met een samenvatting. De Kamer wil graag inzage in het niet-operationele gedeelte van de evaluatierapporten van de ILO’s.

De voorzitter: Zo had ik het genoteerd. Ik onderstreep het gestelde door de heer Teeven.

Minister Hirsch Ballin: Ik zal de Kamer een brief sturen. Ik zal als vertrouwelijke bijlage, respectievelijk als openbare bijlage, daar de gedeelten bij doen die zich lenen voor publicatie.

De voorzitter: Dank u zeer.

Ik constateer dat de collega’s er geen behoefte aan hebben het verslag op de plenaire agenda te laten plaatsen voor verdere afhandeling.

Wel dienen wij onze instemming nog te betuigen met een drietal geagendeerde punten, namelijk de punten A2a, het Besluit tot oprichting van Europol, B2, de ontwerp-kaderrichtlijn gecombineerde werkvergunning en gemeenschappelijk pakket rechten voor arbeidsmigranten, en B7, het ontwerp-kaderbesluit voorkomen en oplossen van jurisdictiegeschillen in strafzaken.

De heer Teeven (VVD): Mijn fractie stemt niet in met punt B2.

De voorzitter: Ik constateer dat de VVD-fractie niet akkoord gaat met punt B2.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Leerdam

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken,

Waalkens

De griffier van de vaste commissie voor Justitie

Nava


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Krom (VVD), Azough (GroenLinks), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA), Anker (ChristenUnie) en Hemelaar (GroenLinks).

Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Smeets (PvdA), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Roemer (SP), Jan de Vries (CDA), Weekers (VVD), Halsema (GroenLinks), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Bouchibti (PvdA), Van Haersma Buma (CDA) en Slob (ChristenUnie).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Van Beek (VVD), Halsema (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), De Pater-van der Meer (CDA), Van Bochove (CDA), Hessels (CDA), Gerkens (SP), Sterk (CDA), Leerdam (PvdA), voorzitter, De Krom (VVD), ondervoorzitter, Griffith (VVD), Boelhouwer (PvdA), Irrgang (SP), Kalma (PvdA), Schinkelshoek (CDA), Van der Burg (VVD), Brinkman (PVV), Pechtold (D66), Van Raak (SP), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Heijnen (PvdA), Bilder (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Teeven (VVD), Hemelaar (GroenLinks), Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), Smilde (CDA), Knops (CDA), Polderman (SP), Spies (CDA), Wolbert (PvdA), Aptroot (VVD), Zijlstra (VVD), Vermeij (PvdA), Van Gerven (SP), Heerts (PvdA), Çörüz (CDA), Remkes (VVD), De Roon (PVV), Van der Ham (D66), Van Bommel (SP), Ouwehand (PvdD), Timmer (PvdA), De Wit (SP), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Van Haersma Buma (CDA) en Cramer (ChristenUnie).

XNoot
3

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), Atsma (CDA), Van Bommel (SP), ondervoorzitter, Van der Staaij (SGP), Waalkens (PvdA), voorzitter, Van Baalen (VVD), Ormel (CDA), Van Velzen (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Blom (PvdA), Eijsink (PvdA), Van Dam (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Jonker (CDA), Irrgang (SP), De Roon (PVV), Boekestijn (VVD), Pechtold (D66), Ten Broeke (VVD), Gill’ard (PvdA), Jasper van Dijk (SP), Thieme (PvdD), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie) en Peters (GL).

Plv. leden: Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), De Wit (SP), Van der Vlies (SGP), Vos (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Haverkamp (CDA), Lempens (SP), Schermers (CDA), Knops (CDA), Jacobi (PvdA), Samsom (PvdA), Kuiken (PvdA), Teeven (VVD), Spies (CDA), Roemer (SP), Wilders (PVV), Nicolaï (VVD), Van der Ham (D66), Van der Burg (VVD), Boelhouwer (PvdA), Van Leeuwen (SP), Ouwehand (PvdD), Voordewind (ChristenUnie) en Vendrik (GroenLinks).

Naar boven