Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 oktober 2013
Tijdens het vragenuurtje van 25 juni 2013 (Handelingen II 2012/13, nr. 99, mondelinge
vragen van het lid Servaes over het bericht «VN: Israël martelt Palestijnse kinderen
in gevangenissen») deed de Minister van Defensie de toezegging dat het kabinet schriftelijk
nader zou ingaan op de huidige situatie van minderjarige Palestijnen in Israëlische
detentie. Over dit onderwerp verschenen eerder dit jaar een rapport van het Comité
voor de Rechten van het Kind van de Verenigde Naties (CRC) dat werd opgesteld naar aanleiding van Israëls rapportages over de implementatie van zijn verdragsverplichtingen1 en een rapport van UNICEF2.
Het kabinet is, net als uw Kamer, bezorgd over de omstandigheden waarin Palestijnse
kinderen door Israël worden gearresteerd en gedetineerd. Uit genoemde rapportages
en uit informatie van onder meer Israëlische mensenrechtenorganisaties blijkt dat
kinderen bij hun aanhouding en detentie niet altijd worden behandeld in overeenstemming
met het internationale recht en de verdragen die Israël heeft ondertekend en geratificeerd.
Zo is bijvoorbeeld sprake van situaties waarin kinderen ’s nachts worden gearresteerd,
niet worden toegesproken in hun eigen taal of waarin documenten, informatie of wetgeving
niet in het Arabisch beschikbaar zijn. Ook zijn ouders of vertegenwoordigers zelden
aanwezig bij het verhoor en worden deze verhoren niet audiovisueel vastgelegd waardoor
onafhankelijke toetsing achteraf niet mogelijk is. Mensenrechtenorganisaties en de
VN maken melding van marteling en mishandeling van Palestijnse kinderen in Israëlische
detentie en van veroordelingen die uitsluitend op basis van (eigen) bekentenissen
tot stand komen.
De Israëlische regering is zich bewust van deze tekortkomingen en werkt aan het adresseren
ervan. Dat bleek onder meer toen ik in juni in Israël de Minister van Justitie Livni
aansprak op de detentieomstandigheden van Palestijnse kinderen3. Zij verzekerde mij dat het verbeteren van hun omstandigheden haar volle aandacht
heeft. De Israëlische wetgeving is de afgelopen jaren op een aantal punten aangepast.
Zo is de maximale periode van voorarrest voor minderjarige Palestijnen verkort4, zijn er aparte detentiefaciliteiten voor kinderen ingericht en is de maximumleeftijd
voor toepassing van het jeugdrecht verhoogd van 15 naar 18 jaar. Ook krijgen rechters
speciale trainingen voor het berechten van minderjarigen, zijn de richtlijnen met
betrekking tot handboeien aangepast om het gebruik ervan te verminderen, en gelden
nieuwe regels voor het inlichten van ouders en verzorgers van Palestijnse minderjarigen.
Het kabinet blijft onverkort van mening dat Israël aan zijn internationale verplichtingen
moet voldoen bij het detineren van Palestijnen. Dat geldt in het bijzonder bij het
aanhouden en detineren van minderjarige Palestijnen. De hierboven beschreven aanpassingen
zijn stappen in de goede richting, maar er moet nog veel gebeuren voordat daadwerkelijk
sprake is van een situatie die voldoet aan het internationale recht en de verdragen
waaraan Israël zich heeft gecommitteerd. De aanbevelingen van het CRC en van andere
(VN-) organisaties, niet alleen over het aanpassen van wetgeving maar ook over het
zeker stellen van een goede implementatie daarvan, bieden goede handvatten om de situatie
verder te verbeteren. Nederland zal niet nalaten om in bilaterale contacten, in EU-verband
maar ook in de geëigende VN-instellingen en andere relevante fora Israël te blijven
aanmoedigen om die aanbevelingen te gebruiken om beter aan zijn verplichtingen te
voldoen. Niet in de laatste plaats omdat dat in Israëls eigen belang is, zoals Minister
Livni tijdens genoemd gesprek beaamde.
Ook het Israëlische maatschappelijk middenveld heeft aandacht voor de situatie van
Palestijnse (minderjarige) gedetineerden in het Israëlische rechtssysteem. Verschillende
NGO’s monitoren de situatie met betrekking tot deze groep en voeren hierover een dialoog
met de eigen regering. Nederland steunt dit en financiert een aantal van hen uit het
mensenrechtenfonds. Zo krijgt bij voorbeeld de NGO HaMoked een bijdrage voor het uitvoeren
van hun Detainee Rights Project. Met dat project heeft de NGO onder andere juridische bijstand verleend aan Palestijnse
gedetineerden en hun families, bemiddeld bij het versoepelen van regelingen met betrekking
tot familiebezoek en detentieomstandigheden gemonitord. Hiertoe onderhoudt de organisatie
op vrijwel dagelijkse basis contacten met gevangenisautoriteiten en draagt zij bij
aan het debat over deze kwestie door met enige regelmaat de nationale en internationale
pers te informeren. Zowel in Israël als in de Palestijnse Gebieden zal Nederland dit
soort projecten de komende jaren blijven steunen.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
F.C.G.M. Timmermans