nr. 319
BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 8 juni 2000
Op 13 augustus en 12 oktober 1999 heb ik u geïnformeerd over asbestproblemen
in Kosovo en de maatregelen die naar aanleiding daarvan werden genomen. Contra-expertise
heeft nu uitgewezen dat er in Kosovo geen blauwe asbest in de klei aanwezig
is. Nederlandse militairen zijn niet blootgesteld aan de aanvankelijk veronderstelde
gezondheidsrisico's.
In juli 1999 werd witte asbest aangetroffen nabij het Nederlandse kampement
in Prizren, dat door daartoe opgeleid militair personeel is verwijderd. Na
het ruimen bleef bij het Kfor-personeel twijfel bestaan over de genomen maatregelen
tegen asbestbesmetting. Een team van asbestdeskundigen, waaronder een externe
deskundige, werd uitgezonden om het gebied nogmaals op asbestbesmetting te
onderzoeken. Dit team trof in augustus 1999, tot verrassing van Defensie,
het veel gevaarlijker blauwe asbest aan in de van nature in Kosovo voorkomende
rode klei. Aan de hand van de meetresultaten van het team besloot Defensie
direct vergaande maatregelen te nemen om haar personeel in Kosovo te beschermen
tegen asbestbesmetting. Over de te nemen maatregelen werd Defensie geadviseerd
een civiel asbestspecialistenteam. Verdere controlemetingen wezen uit dat
dankzij de genomen maatregelen de risico's voor asbestbesmettingsgevaar binnen
de in Nederland toelaatbaar geachte grenzen waren komen te liggen. Op andere
locaties werd eveneens onderzoek verricht en werden maatregelen aanbevolen,
die Defensie heeft uitgevoerd.
Van meet af aan is de werkomgeving van het Nederlandse defensiepersoneel
in Kosovo getoetst op de aanwezigheid van asbest. In deze onderzoeken is echter
de aanwezigheid van blauwe asbest nooit aangetoond. Onderzoek bij het schoonmaken
van het materieel dat uit Kosovo terugkeerde leverde evenmin sporen van blauwe
asbest op. Wel werden sporen van andere asbestsoorten gevonden, waarbij de
Nederlandse normen overigens niet overschreden werden. Het materieel is niettemin
gereinigd. Bij de Koninklijke landmacht nam de twijfel toe over de analyse
en het advies van het in augustus 1999 naar het gebied gezonden asbestspecialistenteam. Daarom werd begin december 1999 de voorzitter van
het Centraal College van Deskundigen Asbest, in Nederland de autoriteit op
dit gebied, verzocht de uitgevoerde onderzoeken en de genomen maatregelen
te valideren.
Contra-expertise werd noodzakelijk geacht. Die wees uit dat het onderzoek
van het civiele asbestspecialistenteam wellicht niet deugdelijk was geweest.
Onverklaarbare verschillen zijn geconstateerd tussen de resultaten van het
civiele asbestspecialistenteam en de contra-expertise. De voorzitter
van het Centraal College van Deskundigen Asbest concludeerde dat de aanwezigheid
van blauwe asbest in de rode klei geenszins vaststond. Hij adviseerde een
laatste en aanvullend onderzoek in het gebied, dat in mei 2000 is uitgevoerd.
De resultaten van dit onderzoek geven aan, in overeenstemming met de voorlopige
conclusie van de voorzitter van het College van Deskundigen Asbest, dat geen
blauwe asbest in de rode klei van Kosovo aanwezig is.
Besloten is het defensiepersoneel zo snel mogelijk schriftelijk van deze
uitslag op de hoogte te brengen. Deze brief treft u aan in de bijlage1. Voorts is voor vragen van het personeel over het vermeende
asbestbesmettingsgevaar in Kosovo in het situatiecentrum van de Koninklijke
landmacht een telefoonlijn opengesteld.
De Koninklijke landmacht heeft aangifte gedaan van mogelijk strafrechtelijk
laakbaar handelen. Het Openbaar Ministerie te Rotterdam heeft de zaak in onderzoek.
De Minister van Defensie,
F. H. G. de Grave