22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Nr. 4348 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 18 mei 2026

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief van 30 januari 2026 over het Fiche: Mededeling EU strategie Maatschappelijke Organisaties (Kamerstuk 22 112, nr. 4248).

De vragen en opmerkingen zijn op 6 maart 2026 aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorgelegd. Bij brief van 18 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Kisteman

Adjunct-griffier van de commissie, Van der Haas

VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES EN REACTIE VAN DE MINISTER

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de fiche. Hierover hebben deze leden nog enkele vragen.

Vraag 1.

De leden van de D66-fractie verwelkomen de EU-strategie voor het versterken en beschermen van het maatschappelijk middenveld. Een sterk, onafhankelijk en pluriform maatschappelijk middenveld is een dragende pijler van onze democratie. Tegen onder meer de achtergrond van de krimpende maatschappelijke ruimte in de Europese Unie, achten deze leden een Europese strategie gerechtvaardigd. In dat verband zijn zij benieuwd naar best practices in lidstaten waar de krimp van de maatschappelijke ruimte al wordt tegengegaan of zich niet voordoet. Welke lessen trekt het kabinet daaruit voor de situatie in Nederland? Welke initiatieven is het kabinet bereid te nemen?

Antwoord 1.

Het kabinet wisselt actief kennis en ervaringen uit met andere lidstaten en Europese partners over het versterken van het maatschappelijk middenveld en het tegengaan van de krimpende maatschappelijke ruimte, onder meer via Team Europe-initiatieven. Deze uitwisseling draagt bij aan het identificeren van effectieve benaderingen ten opzichte van de maatschappelijke ruimte en het maatschappelijk middenveld en draagt bij aan het verder ontwikkelen van nationaal beleid. Het kabinet beziet dan ook continu welke maatregelen bijdragen aan een open, veilig en ondersteunend klimaat voor maatschappelijke organisaties. Het kabinet is actief in Europese initiatieven als het Defence of Democracy Package en het European Democracy Shield die – in samenhang met de CSO-strategy – er mede op gericht zijn het maatschappelijk middenveld te versterken en best practices uit te wisselen. Binnen het European Centre for Democratic Resilience worden die gepresenteerd met als doel om samen maar ook eigenstandig tot een versterkte aanpak te komen.

Vraag 2.

Daarnaast benadrukken de leden van de D66-fractie dat de strategie niet mag leiden tot onbedoelde negatieve effecten voor maatschappelijke organisaties zelf. Een sterke democratie vraagt volgens deze leden immers om een sterke tegenmacht. Transparantieverplichtingen, registratie-eisen en financieringsvoorwaarden moeten uitvoerbaar en proportioneel zijn. Hoe wordt voorkomen dat dergelijke maatregelen leiden tot afschrikkende effecten (chilling effects), stigmatisering of onevenredige administratieve lasten?

Antwoord 2.

Maatschappelijke organisaties zijn van essentieel belang voor de samenleving. Ze versterken de democratie, bevorderen de band tussen mensen en gemeenschappen en dragen bij aan de sociale cohesie. Maatschappelijke organisaties moeten voldoen aan een aantal belangrijke eisen, zoals het beschermen van de privacy, het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen dat rechtspersonen worden misbruikt voor criminele doeleinden zoals witwassen en fraude.

Maatschappelijke organisaties hebben te maken met een stapeling van regelgeving waardoor zij veel regeldruk ervaren. Nieuwe maatregelen dragen niet enkel bij aan de direct ervaren regeldruk maar kunnen ook leiden tot afschrikkende effecten (chilling effects). Het kabinet vindt het belangrijk dat de lasten ten gevolge van wettelijke verplichtingen van de verschillende departementen werkbaar blijven voor maatschappelijke organisaties. Om onevenredige administratieve lasten te voorkomen werkt het kabinet samen met een brede vertegenwoordiging uit het maatschappelijk middenveld aan het verminderen en voorkomen van regeldruk bij onder meer vrijwilligersorganisaties en filantropische instellingen. Onderdeel daarvan zijn de kansen die zelfregulering kan bieden in het bevorderen van transparantie en betrouwbaarheid van de sector. Bovendien worden bij nieuwe maatregelen nauwkeurig de maatschappelijk baten en kosten (in dit geval de ervaren regeldruk) tegen elkaar afgewogen. Hier wordt onder andere invulling aan gegeven door de regeldruktoets, het Beleidskompas, internetconsultaties en het Adviescollege Toetsing Regeldruk.

Het kabinet heeft ook aandacht voor waarborgen voor maatschappelijke organisaties kijkend naar (nieuwe) Europese initiatieven. In de onderhandelingen over de transparantie-richtlijn (Defence of Democracy Package) heeft het kabinet ingezet op sterke waarborgen, beperkte administratieve lasten en het voorkomen van stigmatisering in het geval dat maatschappelijke organisaties zich dienen te registreren in het op te richten Europese lobbyregister.

Vraag 3.

De leden van de D66-fractie merken op dat een democratisch offensief nodig is. Hoe reflecteert het kabinet op de aanbevelingen van de jaarlijkse rapportage «Tegenspraak onder druk» van het College voor de Rechten van de Mens?1 Hoe wil het kabinet ervoor zorgen dat maatschappelijke organisaties in een vroeg stadium, proactief en in toegankelijke taal worden geïnformeerd over de mogelijkheden voor participatie bij het opstellen van wetgeving en beleid?

Vraag 4.

Daarnaast zijn de leden van de D66-fractie benieuwd naar hoe de regering reflecteert op de aanbevelingen uit het MACS-rapport.2 Welke maatregelen wil het kabinet nemen om in lijn met deze aanbevelingen te handelen? Ziet het kabinet in dat een stapeling van maatregelen nodig is om te komen tot een versterking van het maatschappelijk middenveld? Is het kabinet in het bijzonder bereid om te komen tot een nationaal actieplan ter versterking en bescherming van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld?

Antwoord 3 en 4

Het kabinet onderschrijft de belangrijke rol van maatschappelijke organisaties bij het opstellen van wetgeving en beleid. In de kabinetsreactie op de jaarlijkse rapportage van het College voor de Rechten van de Mens zal hier verder op gereflecteerd worden, en zullen ook de aanbevelingen uit het rapport worden geapprecieerd. Het kabinet zal deze kabinetsreactie na de zomer naar de Kamer sturen.

Het kabinet heeft ook met interesse kennisgenomen van het MACS-rapport en deelt de zorgen die het rapport schetst over de ruimte voor het maatschappelijk middenveld om veilig en vrij te kunnen functioneren. In de kabinetsreactie op de jaarrapportage «Tegenspraak onder druk» van het College voor de Rechten van de Mens, gaat het kabinet in op de maatregelen die genomen worden om het werk van het maatschappelijk middenveld te beschermen en te waarborgen. Daarbij wordt in het bijzonder ook ingegaan op de aanbeveling rondom een nationaal actieplan.

Vraag 5.

Tot slot zijn de leden van de D66-fractie benieuwd naar de uitwerking van het Meerjarig Financieel Kader. Hoe wordt bij de nadere uitwerking van dit kader gewaarborgd dat EU-financiering voor maatschappelijke organisaties daadwerkelijk toegankelijk, transparant en administratief uitvoerbaar is? Welke kansen ziet het kabinet hierin om te komen tot een gelijker speelveld voor maatschappelijke organisaties? Welke rol wil het kabinet daarbij spelen?

Antwoord 5.

Het kabinet staat positief tegenover het voorstel van de Commissie voor het programma AgoraEU, met daarin het onderdeel CERV+ (Citizens, Equality, Rights and Values), dat het bestaande CERV-programma opvolgt. Met het voorstel onderkent de Commissie dat financiële steun op Europees niveau benodigd is om ook op die manier bij te dragen aan het versterken en beschermen van het maatschappelijk middenveld.

Gelet op de geconstateerde druk op Europese waarden en verminderde politieke en financiële steun aan maatschappelijke organisaties, onderstreept het kabinet het belang van het voortzetten van directe financiering vanuit de EU. Het kabinet zet zich actief in om toegankelijkheid en gelijke toegang van het programma voor maatschappelijke organisaties, inclusief grassrootsorganisaties, te waarborgen en rekening te houden met de capaciteit van begunstigden. Dit houdt onder meer een mogelijkheid tot kernfinanciering en operationele subsidies voor maatschappelijke organisaties in, evenals de financiering van strategische koepelorganisaties gericht op behoud van fundamentele waarden. Het kabinet benadrukt het belang van structurele, toegankelijke subsidieregelingen, waarbij pleitbezorging en waakhondfuncties – met name ook voor gemarginaliseerde groepen – nadrukkelijk ondersteund worden op basis van inhoudelijke kwaliteit. Op die manier zet het kabinet zich in voor een gelijker speelveld voor maatschappelijke organisaties. Ook zet Nederland zich binnen het AgoraEU-programma in voor een passende ondersteuningsstructuur, zoals die bijvoorbeeld reeds zijn weerslag kent in het huidige nationale CERV-contactpunt bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), dat maatschappelijke organisaties onafhankelijk informeert en ondersteunt bij het indienen van financieringsaanvragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het BNC-fiche met betrekking tot de mededeling EU-strategie maatschappelijke organisaties. Deze strategie richt zich op het versterken van de betrokkenheid, bescherming, ondersteuning en financiering van maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers. Deze leden merken op dat zij het belang van maatschappelijke organisaties in de samenleving inzien. Graag willen zij het kabinet een aantal vragen over de strategie stellen.

Vraag 6.

Allereerst vragen de leden van de VVD-fractie wat deze strategie betekent voor de betrokkenheid van nationale lidstaten van de Europese Unie. Deze leden vragen het kabinet daarop in te gaan.

Antwoord 6.

Voor het kabinet betekent de strategie mogelijkheden tot ondersteuning en internationale uitwisseling van kennis en initiatieven ter versterking van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld. Dit gebeurt onder meer in het European Centre for Democractic Resilience met als doel om binnen dat netwerk tot meer samenhang te komen zonder competenties of bevoegdheden tussen de EU en de lidstaten te wijzigen.

Vraag 7.

Er wordt voorgesteld om een nieuw platform op te richten, te weten een EU-platform ter bevordering van de dialoog tussen de Europese Commissie en het maatschappelijk middenveld. Wat is de toegevoegde waarde van dit nieuwe platform ten opzichte van het bestaande Europese raamwerk dat raakt aan de positie van maatschappelijke organisaties? Zouden de taken van dit nieuwe platform bij een bestaande organisatie kunnen worden ondergebracht? Wat is de inzet van het kabinet ten aanzien van het op te richten EU-platform voor het maatschappelijk middenveld? Graag krijgen de leden van de VVD-fractie een reactie van het kabinet.

Antwoord 7.

In algemene zin verwelkomt het kabinet initiatieven om het maatschappelijk middenveld te versterken. Het kabinet vraagt bij dergelijke Europese initiatieven aandacht voor een gerichte en samenhangende aanpak, met heldere doelen, en voortbouwend op reeds bestaande initiatieven en netwerken. Maatschappelijke organisaties dienen in staat te worden gesteld om hun rol in onze democratische samenleving in vrijheid te vervullen, zonder drempels en onnodige administratieve lasten.

Het op te richten EU-platform beoogt een jaarlijkse top te organiseren om strategische prioriteiten te bespreken. Daarnaast wordt een website ingericht, waar organisaties gemakkelijk praktische informatie vinden over bijeenkomsten, voorwaarden en aanmelding. Dit maakt het eenvoudiger om mee te doen en zorgt voor meer duidelijkheid en openheid over de mogelijkheden om te participeren. Het platform krijgt een flexibele opzet en bouwt voort op bestaande structuren, in het bijzonder het platform voor grondrechten van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), met de mogelijkheid om later uit te breiden naar andere beleidsterreinen. Het platform verschilt van het reeds bestaande Fundamental Rights Platform van het FRA; waar het FRA-platform zich vooral richt op dataverzameling en analyse, ligt bij het voorgestelde platform de nadruk op het voeren van de dialoog met de samenleving en maatschappelijke organisaties in beleidsprocessen. De informatie die wordt verzameld via het Fundamental Rights Platform kan worden gebruikt door het voorgestelde platform in dialoog over beleid, hetgeen dus buiten het kader van het reeds bestaande Fundamental Rights Platform valt. Gezien de eerdergenoemde verschillen is het onderbrengen van de beoogde taken van het nieuwe platform bij het FRA-platform niet direct vanzelfsprekend.

Vraag 8.

In het fiche valt te lezen, dat het kabinet in de strategie de koppeling mist met andere strategieën op het vlak van Europese fundamentele rechten en waarden. Ook ontbreekt er volgens het kabinet een link met relevante EU-wetgeving. In hoeverre is het kabinet voornemens om dit in Brussel naar voren te brengen? Kan het kabinet nader motiveren waarom de grondhouding ten aanzien van de subsidiariteit positief is? Wat wordt in dezen bedoeld met de grensoverschrijdende aard van de bedreigingen voor het maatschappelijk middenveld? Graag krijgen de leden van de VVD-fractie een reactie van het kabinet.

Antwoord 8.

Het kabinet is gecommitteerd aan het versterken van de rol van het maatschappelijk middenveld in het kader van de democratische weerbaarheid, zowel nationaal als binnen de EU. Voor maatschappelijke organisaties zijn heldere structuren en processen inclusief waarborgen en ruimte om in vrijheid te opereren cruciaal om tot een effectieve aanpak te komen. In de uitwerking van deze strategie zal het kabinet waar opportuun voor een koppeling pleiten met andere initiatieven en wet- en regelgeving van de Commissie. Proportionaliteit en subsidiariteit zal door het kabinet bij ieder nieuw voorstel beoordeeld worden.

Vraag 9.

Het kabinet verwelkomt het voorstel. In hoeverre speelt daarbij een rol dat de onderhavige strategie geen directe gevolgen heeft voor de Rijksbegroting? Als dat anders was geweest, zou het kabinet dan een andere afweging hebben gemaakt? Graag krijgen de leden van de VVD-fractie een reactie van het kabinet.

Antwoord 9.

Deze strategie heeft inderdaad geen directe gevolgen voor de Rijksbegroting.

Vraag 10.

De Europese Commissie stelt voor om de financiële ondersteuning van maatschappelijke organisaties te verhogen naar negen miljard euro. Hoeveel geld wordt daar nu aan uitgegeven? Waar zal die negen miljard euro aan worden besteed? Kan de regering daar enkele voorbeelden van geven? Verwacht het kabinet dat andere lidstaten ook aan de slag gaan met deze strategie? Heeft het kabinet daar inzicht in? Lidstaten zijn immers niet verplicht de strategie over te nemen. In hoeverre moeten lidstaten verantwoording afleggen over de besteding van de middelen? Zal er een evaluatie plaatsvinden? Zo ja, wanneer? Graag krijgen de leden van de VVD-fractie een reactie van het kabinet op de hier gestelde vragen.

Antwoord 10.

De strategie verwijst naar een voorstel programma AgoraEU, dat het huidige Creative Europe programma (gericht op cultuur en media) en het huidige CERV-programma (gericht op fundamentele rechten en maatschappelijk middenveld) samenvoegt. De Commissie stelt een budget van € 8,6 miljard voor, waar € 3,6 miljard wordt voorzien voor CERV+. Het gaat bij het programma AgoraEU om directe financiering vanuit de EU aan deze thema’s waarbij uitvoering onder meer plaatsvindt door een EU-agentschap European Education and Culture Executive Agency (EACEA). Lidstaten maken als zodanig dus geen gebruik van de financiering of dienen daar verantwoording over af te leggen. Het zijn actoren (organisaties, sectoren en eventueel regionale en lokale overheden) die zich aanmelden voor subsidies binnen het programma, en daarnaast de Europese Commissie, om in lijn met bestaande regelgeving en in het voorstel aangegeven kaders, verantwoording af te leggen over de gebruikte en uitgekeerde middelen.

Het kabinet zet zich in op stevige garanties op budgettaire en beleidsmatige transparantie en een ongecompliceerd beheer waarbij de transparantie en een goede verantwoordingsplicht gehandhaafd blijft. Nederland zet ook in op de betrokkenheid van lidstaten bij het vaststellen en evalueren van werkprogramma’s door de Commissie middels comitologie-procedures.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben met belangstelling kennis van de Kamerbrief over het Fiche over de EU-strategie Maatschappelijke Organisaties. Deze leden hebben hierover op dit moment nog enkele vragen.

Vraag 11.

De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben zorgen over de positie van maatschappelijke organisaties in de EU en in Nederland. De positie zou wat deze leden moeten worden versterkt en niet worden verzwakt. De afgelopen tijd, zo constateren deze leden, zijn er juist stappen gezet om de positie te verzwakken. Deelt het kabinet dit standpunt? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 11.

Het kabinet deelt de zorgen dat de ruimte voor het maatschappelijk middenveld onder druk staat, zowel in Nederland, in de Unie, als daarbuiten. Dat is zorgwekkend, gezien de belangrijke rol die het maatschappelijk middenveld speelt in de weerbaarheid van de democratische rechtsstaat. Zoals genoemd onder antwoord 3 en 4 zal in meer detail worden gereflecteerd op deze ontwikkelingen in de kabinetsreactie op de jaarlijkse rapportage «Tegenspraak onder druk» van het College voor de Rechten van de Mens. Het kabinet zal deze kabinetsreactie na de zomer naar de Kamer sturen.

Vraag 12.

In de brief wordt meermaals genoemd dat er wordt ingezet op maatschappelijke organisaties op Europees niveau, in EU-extern beleid als in de afzonderlijke lidstaten. De EU en de afzonderlijke lidstaten hebben economische activiteiten en handelsrelaties over de hele wereld. Het is wat de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreft in het belang van de EU dat de landen waar deze activiteiten plaatsvinden een sterke democratie en rechtstaat hebben, en dat de handels- en economische activiteiten hieraan bijdragen. Deze leden zouden daarom graag twee punten concrete punten hierover explicieter benoemd zien: 1) dat de Europese versterking van maatschappelijke organisaties ook dient bij te dragen aan versterking van maatschappelijk middenveld in de landen waar EU-landen economische en handels- activiteiten ontwikkelen, en 2) het weerbaar maken van HRDs kan alleen als er vanuit de overheid ook gestuurd wordt op de actieve bescherming van HRDs in geval van publieke investeringen en handelsfacilitatie. Deze leden ontvangen graag een reactie van het kabinet hierop.

Antwoord 12.

Het kabinet onderschrijft dat een sterk maatschappelijk middenveld in partnerlanden bijdraagt aan duurzame ontwikkeling, rechtsstaat en stabiele handelsrelaties. Dit geldt dus ook voor landen waar handels- en economische activiteiten plaatsvinden. Nederland en de EU zetten hier in het externe beleid actief op in.

Hiernaast steunt het kabinet de specifieke aandacht voor bescherming van HRD’s in de EU-strategie en het verkennen van sterkere bescherming van maatschappelijke organisaties en HRD’s. Het kabinet zet zich ook in voor de bescherming van mensenrechtenverdedigers, onder meer via dialoog, financiering en toepassing van de diligence bij publieke investeringen en handelsinstrumenten. Zo is in 2025 de dialoog versterkt tussen het Nederlandse bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en lokale stakeholders, zoals ambassades en mensenrechtenverdedigers. Dit gebeurde onder meer via het Breed Mensenrechtenoverleg en het brede handelsberaad.

Vraag 13.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten veel waarde aan de Aarhus conventie. Deze leden constateren dat het vorige kabinet ruimte zocht om onder de verplichtingen van het dit verdrag uit te komen. Hoe staat het nieuwe kabinet hierin, zo vragen zij. Ziet het kabinet, net als deze leden, het grote belang van het Verdrag van Aarhus? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 13.

Nederland en de EU zijn partij bij het Verdrag van Aarhus. Als constructieve EU-partner en verdragspartij werkt Nederland aan de robuuste implementatie van het Verdrag van Aarhus. Uw Kamer is hierover eerder geïnformeerd via een eerste beleidsreactie3 op het onderzoek van de Universiteit Utrecht4; een vervolg beleidsreactie wordt spoedig aan de Kamer gezonden.

Vraag 14.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het kabinet het door de Commissie omschreven belang van een zorgvuldige monitoring van risico’s en bedreigingen voor het maatschappelijk middenveld om vrij en veilig te kunnen functioneren, zoals het versterken van early warning systems voor het signaleren van krimpende ruimte voor het maatschappelijk middenveld in kandidaat-lidstaten deelt. Deze leden zien in monitoring een eerste stap. Deelt het kabinet het standpunt dat de EU het voortouw zou moeten nemen in het ontwikkelen van concrete stappen die lidstaten kunnen nemen om het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenbeschermers te beschermen? Zo ja, is het kabinet bereid om dit bij de EU in te brengen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 14.

Het kabinet onderschrijft het belang van monitoring, maar ziet ook meerwaarde in verdere samenwerking op EU-niveau, zoals het delen van best practices en het versterken van het maatschappelijk middenveld. Nederland staat open voor verdere uitwerking, mits deze aanvullend is op onze nationale inzet en de subsidiariteit respecteert. Nederland zal deze boodschap blijven uitdragen in de verschillende EU-fora.

Vraag 15.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat uit het recente MACS-rapport naar voren komt dat dat de maatschappelijke ruimte in Nederland onder druk staat. Maar liefst 86 procent van de bevraagde organisaties geeft aan dat hun werkomstandigheden in 2025 verder zijn verslechterd. Ook wordt gewaarschuwd voor toenemende stigmatisering van waakhondorganisaties, inperking van vrijheden en maatregelen die steeds vaker botsen met mensenrechten en rechtsstatelijkheid. De feiten uit het MACS-rapport laten zien dat verdere inperking in Nederland niet alleen strijdig is met Europese ambities, maar ook democratische risico’s vergroot op het moment dat civiele ruimte al onder druk staat. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het zorgelijk om dit te lezen. Graag ontvangen deze leden een reactie van het kabinet hierop. Deelt het kabinet de zorgen die uit dit rapport naar voren komen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 15.

Zoals genoemd onder antwoord 3 en 4 deelt het kabinet de zorgen die het rapport schetst over de ruimte voor het maatschappelijk middenveld om veilig en vrij te kunnen functioneren, en gaat het kabinet in de kabinetsreactie op de jaarrapportage «Tegenspraak onder druk» van het College voor de Rechten van de Mens in op de maatregelen die genomen worden om het werk van het maatschappelijk middenveld te beschermen en te waarborgen. De kabinetsreactie op deze jaarrapportage wordt naar verwachting na de zomer aan uw Kamer gestuurd.

Vraag 16.

In verlengde van voorgaande vragen hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog enkele specifieke vragen. Hoe verhoudt de ruimte voor het maatschappelijk middenveld zich tot de recente bezuinigingen voor het maatschappelijk middenveld onder dat buitenlandbeleid? Hoe verhoudt dit zich tot de kabinetsreactie op motie-Kröger5 naar aanleiding van het voortdurend uitsluiten van dialoog en informatiedeling in Nederland?

Antwoord 16.

Het kabinet blijft het belang van een sterk maatschappelijk middenveld onderschrijven. Echter erkent het kabinet ook dat, mede door internationale realiteit, de middelen schaars zijn. Dit vraagt om prioritering met als doel een zo effectief en doelgericht mogelijke inzet van middelen. Het kabinet is zich ervan bewust dat de bezuinigingen van het vorige kabinet fors zijn en grote effecten hebben op organisaties. Maatschappelijke organisaties blijven gezien worden als belangrijke samenwerkingspartners die een essentiële rol vervullen in het goed functioneren van de democratische rechtsstaat.

In navolging van de Kamerbrief waarnaar u verwijst, heeft de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op 23 maart jl. een Kamerbrief6 aan de Tweede Kamer gestuurd met daarin zijn appreciatie op onder andere amendement Kröger c.s. (61), die was ingediend als reactie op de Kamerbrief over motie-Kröger.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Fiche en danken het kabinet hiervoor. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruik om enkele vragen te stellen aan het kabinet hierover.

Vraag 17.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de EU-strategie voor het maatschappelijk middenveld. Deze leden onderschrijven het belang van een sterk maatschappelijk middenveld als pijler van de democratische rechtsstaat. Tegelijkertijd vragen zij het kabinet concreet uiteen te zetten wat de toegevoegde waarde van deze strategie is ten opzichte van reeds bestaande Europese instrumenten, zoals de rechtsstaatrapportage en de rapportages van het EU-Grondrechtenagentschap. Waar ziet het kabinet overlap en hoe wordt voorkomen dat maatschappelijke organisaties in de praktijk worden geconfronteerd met dubbele monitoring of aanvullende verantwoordingsverplichtingen?

Antwoord 17

De EU-strategie voor het maatschappelijk middenveld biedt een aanvullend beleidskader gericht op ondersteuning, participatie en erkenning van de rol van maatschappelijke organisaties binnen de Unie. Dit verschilt van bestaande instrumenten, zoals de rechtsstaatrapportage en de rapportages van het EU-Grondrechtenagentschap (FRA), die primair gericht zijn op monitoring en analyse. De strategie bouwt hierop voort en introduceert geen nieuwe monitorings- of verantwoordingsverplichtingen voor maatschappelijke organisaties. Het kabinet acht het van belang dat overlap wordt voorkomen en zal hier in de verdere uitwerking aandacht voor blijven vragen.

Vraag 18.

De leden van de CDA-fractie lezen dat een EU-platform voor structurele dialoog zal worden opgericht. Deze leden hechten eraan dat maatschappelijke betrokkenheid primair nationaal en lokaal verankerd blijft. Kan het kabinet toelichten hoe wordt gewaarborgd dat dit platform daadwerkelijk aanvullend is op bestaande nationale overlegstructuren en niet leidt tot centralisering van participatie op EU-niveau? Welke inzet kiest het kabinet in de Raad om deze nationale verankering expliciet te borgen?

Antwoord 18.

De Europese initiatieven om de positie van het maatschappelijk middenveld te versterken hebben geen wetgevend en dwingend karakter en leiden niet tot een bevoegdheidsverdeling tussen de EU en de lidstaten. Het kabinet zal dit uitgangspunt blijven onderschrijven bij de nadere uitwerking en onderhandelingen.

Daarbij is het evident – zowel voor het kabinet als voor de Europese Commissie – dat de kracht van maatschappelijke organisaties juist schuilt in het feit dat dat zij midden in samenleving opereren. Centralisering van participatie op EU-niveau is derhalve niet aan de orde.

Vraag 19.

De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet positief oordeelt over subsidiariteit en proportionaliteit. Deze leden vragen hoe het kabinet concreet zal bewaken dat dit niet-wetgevende initiatief niet alsnog leidt tot extra administratieve lasten of sluipende normering op een terrein dat in belangrijke mate nationaal is verankerd. Op welke wijze zullen subsidiariteit en proportionaliteit bij de verdere uitwerking actief worden getoetst? Zij vragen daarnaast hoe wordt gewaarborgd dat eventuele Europese financiering niet leidt tot inhoudelijke sturing of indirecte normering van maatschappelijke organisaties, bijvoorbeeld via selectiecriteria of voorwaarden die de onafhankelijkheid van het maatschappelijk middenveld kunnen beïnvloeden.

Antwoord 19.

De inzet van het kabinet op het maatschappelijk middenveld is een nationale competentie en de voorstellen die de Commissie doet stellen die competentie niet ter discussie. Het kabinet zal hier oog voor blijven houden bij de nadere uitwerking. Zo zal het kabinet nieuwe voorstellen nauwlettend in de gaten houden en bestuderen. De kabinetslijn is dat een subsidiariteitstoets bij elk voorstel apart gedaan zal worden en deze apart gewogen zal worden. Uw vragen zien ook op mogelijke drempels, administratieve lasten en mogelijke negatieve impact voor de onafhankelijkheid van het maatschappelijk middenveld. Dat is voor het kabinet een groot goed en prioriteit. Dit initiatief dient om het maatschappelijk middenveld in staat te stellen om hun rol in het democratisch en maatschappelijk bestel goed en veilig te vervullen. Het kabinet zal actief bij de Commissie bepleiten – onder meer in het ECDR en in voorkomende gevallen in de raadswerkgroepen (FREMP) – dat onafhankelijkheid, waarborgen en beperkte administratieve lasten essentieel zijn voor brede maatschappelijke participatie. Ook in de onderhandelingen over de transparantie-richtlijn (Defence of Democracy Package) heeft het kabinet deze positie genomen.

De strategie verwijst naar het huidig CERV-programma en het toekomstig CERV+-programma (zie ook vraag 5 en 23). Het CERV+-programma heeft tot doel maatschappelijke organisaties en projecten in brede zin te ondersteunen die, vanuit uiteenlopende doelstellingen en benaderingen, bijdragen aan de bescherming en bevordering van fundamentele rechten, gelijkheid, ondersteuning van slachtsoffers van geweld, democratische participatie en de rechtsstaat. Daartoe worden aan de hand van uiteenlopende thema’s financieringsaanvragen mogelijk gemaakt. Het kabinet zet zich daarbij in voor toegankelijkheid en gelijke toegang voor maatschappelijke organisaties binnen het kader van Europese waarden. Nederland zet zich binnen het desbetreffende AgoraEU-programma ook in voor een passende ondersteuningsstructuur, zoals die bijvoorbeeld reeds zijn weerslag kent in het huidige nationale CERV-contactpunt bij RVO, dat maatschappelijke organisaties onafhankelijk informeert en ondersteunt bij het indienen van financieringsaanvragen. Middels de comitologieprocedure kan het kabinet ook toezien op de jaarlijkse werkprogramma’s die door de Commissie worden voorgesteld. Deze jaarlijkse werkprogramma’s presenteren de thematische kaders waarbinnen projectaanvragen kunnen worden ingediend en reflecteren de algemene doelstellingen van CERV+.

Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower

De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van het fiche over de EU-strategie voor maatschappelijke organisaties en zijn daar zeer kritisch over.

Vraag 20.

Deze leden merken op dat de Europese Commissie maatschappelijke organisaties in deze strategie neerzet als «partner in bestuur». Zij vragen de Minister waarom niet-gekozen organisaties een structurele rol zouden moeten krijgen in beleidsvorming. Vindt de Minister het wenselijk dat invloed verschuift van gekozen volksvertegenwoordigers naar organisaties die geen democratisch mandaat hebben en vaak afhankelijk zijn van EU-subsidies?

Antwoord 20.

Het staat voor het kabinet buiten kijf dat de rol en invloed van gekozen volksvertegenwoordigers onveranderd blijft onder deze strategie, gezien hun democratisch mandaat. Daarnaast is het belangrijk om belanghebbenden, zoals burgers en maatschappelijke organisaties te betrekken bij de besluiten die hen raken (consultatie). Immers hebben zij ervaringen en deskundigheid die de ontwikkeling van EU-wetgeving en -beleid kunnen voeden en daarmee verbeteren. Het kabinet ziet meerwaarde in een rol voor het maatschappelijk middenveld bij de totstandkoming van EU-wetgeving en -beleid.

Vraag 21.

De leden van de Groep Markuszower lezen dat de Commissie maatschappelijke ruimte in lidstaten wil monitoren. Deze leden vragen wie straks bepaalt wat wel en niet acceptabel beleid is. Kan de Minister uitsluiten dat lidstaten onder druk worden gezet wanneer zij democratisch besluiten nemen die Brussel onwelgevallig zijn?

Antwoord 21.

Het kabinet onderschrijft het belang van zorgvuldige monitoring van risico’s en bedreigingen voor het maatschappelijk middenveld, om daarmee bij te dragen aan vrije en veilige ruimte voor het maatschappelijk middenveld om te kunnen functioneren. Deze monitoring gaat primair over risico’s en bedreigingen van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld, en niet over inhoudelijke en beleidskeuzes. Dat is een nationale bevoegdheid.

Vraag 22.

De leden van de Groep Markuszower vinden het zorgelijk dat de Commissie hiermee een normerende rol lijkt te claimen op een terrein dat thuishoort bij nationale democratieën. Op welke concrete verdragsbasis meent de Commissie zich te mogen bemoeien met de inrichting van het maatschappelijk middenveld binnen lidstaten?

Antwoord 22.

De strategie heeft geen wet- of regelgevend karakter. Er vloeien geen verplichtingen of normen uit voort vanuit de Commissie die impact hebben op de wijze waarop wij als Nederland onze democratische processen en belangenbehartiging hebben ingericht.

Vraag 23.

De leden van de Groep Markuszower maken zich zorgen over de inhoudelijke richting van de Europese steun aan maatschappelijke organisaties. Deze leden constateren dat EU-financiering en ondersteuning in de praktijk vaak terechtkomen bij organisaties die actief zijn op thema’s als gender, diversiteit, migratie en identiteitspolitiek. Hoe voorkomt de Minister dat met deze strategie vooral organisaties worden versterkt die aansluiten bij de beleidsprioriteiten van de Commissie, terwijl andere maatschappelijke organisaties en burgerinitiatieven minder toegang krijgen tot middelen en invloed?

Antwoord 23.

Gezien de druk op financiële steun aan maatschappelijke organisaties acht het kabinet het juist waardevol dat de Commissie de mogelijkheden van directe Europese financiering voortzet, zoals toegelicht onder antwoord 5. Het CERV+-programma heeft tot doel maatschappelijke organisaties en projecten in brede zin te ondersteunen die, vanuit uiteenlopende doelstellingen en benaderingen, bijdragen aan de bescherming en bevordering van fundamentele rechten, democratische participatie en de rechtsstaat. Het kabinet zet zich daarbij in voor algemene en gelijke toegang voor maatschappelijke organisaties binnen het kader van Europese waarden.

Vraag 24.

De leden van de Groep Markuszower merken op dat het kabinet zelf waarschuwt voor stigmatisering en extra regeldruk, maar desondanks positief is over de strategie. Waarom neemt het kabinet deze risico’s voor lief?

Antwoord 24.

Deze strategie vormt een belangrijk onderdeel van de bescherming van de Europese maatschappelijke ruimte. Dat is positief. Maatschappelijke organisaties zijn van essentieel belang voor de samenleving en onze democratische rechtsstaat. Het kabinet vindt het tevens belangrijk dat de lasten ten gevolge van wet- en regelgeving werkbaar blijven voor maatschappelijke organisaties en zal bij de nadere uitwerking actief bepleiten dat voorkomen moet worden dat er (onbedoeld) negatieve effecten optreden voor maatschappelijke organisaties.

Bij het introduceren van nieuwe wet- en regelgeving is van belang dat er een juiste balans wordt gevonden tussen bescherming van de samenleving en uitvoerbaarheid.

Vraag 25

De leden van de Groep Markuszower vragen of de Minister erkent dat zogenaamd niet-bindende strategieën via monitoring, richtsnoeren en financieringsvoorwaarden alsnog dwingend kunnen worden. In hoeverre kan de Minister garanderen dat dit geen opstap is naar verdere EU-bemoeienis of wetgeving?

Vraag 26.

Tot slot vragen de leden van de Groep Markuszower of de Minister bereid is zich duidelijk en actief te verzetten tegen iedere vorm van directe of indirecte bevoegdheidsoverdracht op dit terrein van de lidstaten naar de Europese Unie.

Antwoord 25 en 26

De EU kan alleen optreden op gebieden waar de EU bevoegd is (attributiebeginsel). Bovendien treedt de EU alleen op als dit meerwaarde heeft boven nationaal optreden (subsidiariteitsbeginsel). Het kabinet toetst elk voorstel op deze uitgangspunten, zoals dat ook hier is gebeurd. In casu is er hier geen sprake van wet- of regelgeving die de bevoegdheden tussen de EU en de lidstaten verandert.


X Noot
1

College voor de Rechten van de Mens, september 2025, «Tegenspraak onder druk» (https://publicaties.mensenrechten.nl/file/daece2b0-6ffa-590d-663f-7462bb23577b.pdf).

X Noot
2

Nederlands Helsinki Comité, december 2025 «Monitoring Action for Civic Space Landenrapport, 2025: Nederland» (Netherlands-MACS-Country-Report-2025-Dutch.pdf).

X Noot
3

Kamerstukken II, 2023/24, 28 663, nr. 83.

X Noot
4

Kamerstukken II, 2023/24, 28 663, nr. 82.

X Noot
5

Kamerstukken II, 2025/26, 36 180, nr. 183.

X Noot
6

Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XVII, nr. 67.


X Noot
1

College voor de Rechten van de Mens, september 2025, «Tegenspraak onder druk» (https://publicaties.mensenrechten.nl/file/daece2b0-6ffa-590d-663f-7462bb23577b.pdf).

X Noot
2

Nederlands Helsinki Comité, december 2025 «Monitoring Action for Civic Space Landenrapport, 2025: Nederland» (Netherlands-MACS-Country-Report-2025-Dutch.pdf).

X Noot
3

Kamerstukken II, 2023/24, 28 663, nr. 83.

X Noot
4

Kamerstukken II, 2023/24, 28 663, nr. 82.

X Noot
5

Kamerstukken II, 2025/26, 36 180, nr. 183.

X Noot
6

Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XVII, nr. 67.

Naar boven