22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Nr. 2867 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 29 april 2020

De vaste commissie voor Financiën heeft, in samenwerking met de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat en voor Europese Zaken, op 17 maart 2020 een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Financiën over de brief van 14 februari 2020 inzake het fiche: Mededeling European Green Deal Investment Plan (Kamerstuk 22 112, nr. 2844)

De vragen en opmerkingen zijn op 17 maart 2020 aan de Minister van Financiën voorgelegd. Bij brief van 23 april zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Anne Mulder

Adjunct-griffier van de commissie, Schukkink

Inhoudsopgave

1.

Inleiding

2

2.

Essentie voorstel

3

   

Mobiliseren duurzame investeringen

5

     

Klimaatmainstreaming en tracering in het MFK

12

     

InvestEU

12

     

EIB

16

   

Faciliterend kader voor publieke en private investeringen

18

     

Duurzame financiering

18

     

Publieke sector

19

     

Staatssteun

19

3.

Nederlandse positie ten aanzien van de mededeling/aanbeveling

20

 

a)

Essentie Nederlands beleid op dit terrein

20

 

b)

Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel

23

   

Mobiliseren duurzame investeringen

23

     

MFK

23

     

InvestEU

28

     

Just Transition Mechanism

28

     

EIB

29

   

Faciliterend kader voor publieke en private investeringen

31

     

Duurzame financiering

31

     

Publieke sector

33

     

Staatssteun

35

 

c)

Eerste inschatting van krachtenveld

36

4.

Grondhouding ten aanzien van bevoegdheid, subsidiariteit, proportionaliteit, financiële gevolgen en gevolgen op het gebied van regeldruk en administratieve lasten

36

5.

Overig

37

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het fiche over de Mededeling European aantal vragen en/of opmerkingen.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het fiche over de Mededeling European Green Deal Investment Plan (EGDIP). Naar aanleiding van het genoemde punt brengen de leden van de PVV-fractie het volgende naar voren.

De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorstel van de Europese Commissie.

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het fiche aangaande het European Green Deal Investment Plan (EGDIP). De leden van voornoemde fractie spreken steun uit voor het voornemen om van Europa het eerste klimaatneutrale continent te maken en waarderen de grotendeels positieve grondhouding van het kabinet in dezen. Wel hebben de leden van deze fractie nog enkele vragen ten aanzien van het fiche.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben met veel interesse kennisgenomen van het Fiche: Mededeling European Green Deal Investment Plan. Zij vinden het positief om te lezen dat het kabinet op verschillende punten een ambitieuze inzet heeft met betrekking tot het European Green Deal Investment Plan (EGDIP). Zij hebben tegelijkertijd nog enkele vragen die de inzet van Nederland ten aanzien van het EGDIP verder kunnen verhelderen.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het fiche over de Mededeling European Green Deal Investment Plan (EGDIP).

De leden van de PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het fiche aangaande het European Green Deal Investment Plan (hierna: Green Deal).

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche. Zij hebben daarover nog wel enkele vragen.

2. Essentie voorstel

De leden van de VVD-fractie hechten eraan dat bespreking over de verschillende verordeningen of mededelingen niet vooruitlopen op de integrale besluitvorming betreffende het Meerjarig Financieel Kader (MFK). Hoe wordt voorkomen dat dit toch onverhoopt kan of gaat gebeuren? Hoe past deze mededeling in het kader van het MFK dat het kabinet voor ogen staat?

De leden van de VVD-fractie hebben gevraagd hoe voorkomen wordt dat de bespreking van verschillende verordeningen en mededelingen, zoals ook de EGDIP-mededeling, vooruitloopt op de integrale besluitvorming over het volgende MFK. Het kabinet ziet er sterk op toe dat alle beslissingen passen binnen de integrale besluitvorming over het MFK. Zo dient ook het voorstel en de besluitvorming over de MFK-elementen binnen het EGDIP te passen binnen de kaders van de staande Nederlandse onderhandelingsinzet. Zoals uw Kamer bekend is deze gericht op een financieel houdbaar en ambitieus gemoderniseerd MFK.

De leden van de VVD-fractie betreuren het dat de duidelijkheid van het EGDIP te wensen over laat, omdat het zo lastig is om een standpunt te bepalen. Wat wordt er nu eigenlijk vastgelegd c.q. bepaald met deze mededeling? Hoe voorkomt het kabinet dat het EGDIP een fuik is waar we in zwemmen? Kan het kabinet aangeven wat het tijdpad is en wanneer welke besluiten aan de orde zijn? Wat wordt met deze mededeling vastgelegd?

De leden van de VVD-fractie hebben gevraagd wat er met de EGDIP-mededeling wordt vastgelegd, wat het tijdpad is en wanneer welke besluiten aan de orde zijn. Mededelingen zijn een communicatie-instrument van de Commissie en zijn niet bindend. Ze worden vaak gebruikt om concrete acties of wetgeving aan te kondigen en dat is ook bij het EGDIP het geval. Het gaat in de EGDIP-mededeling om een verdere invulling van de investeringsplannen uit de mededeling die de Commissie heeft gedaan over de Europese Green Deal. Er wordt dus niks vastgelegd of besloten met het EGDIP.

In het EGDIP presenteert de Commissie zowel financierings- als beleidsinitiatieven. Om 1000 miljard euro aan investeringen te mobiliseren in de periode 2021–2030 verwijst de Commissie veelal naar bestaande middelen of middelen die al eerder zijn voorgesteld, bijvoorbeeld in het kader van de MFK-onderhandelingen. Verder worden in het EGDIP ook initiatieven en voorstellen aangekondigd die de Commissie pas later in meer detail zal presenteren, waarbij definitieve standpuntbepaling en besluitvorming dus ook pas op een later moment aan de orde is. Voor meer informatie over het tijdpad verwijs ik u ook graag naar de bijlage bij de mededeling «de Europese Green Deal».1

De leden van de VVD-fractie maken zich in algemene zin zorgen over het effectief en efficiënt besteden van de EU-gelden. Hoe wordt gewaarborgd dat de EU-uitgaven aan klimaat effectief en efficiënt gebeuren? Hoe wordt verspilling voorkomen?

De leden van de VVD-fractie hebben gevraagd hoe effectieve en efficiënte besteding van EU-gelden aan klimaat gewaarborgd wordt. De inzet van het kabinet is om alle uitgaven uit de EU-begroting doelmatig en effectief te besteden. Ten aanzien van de klimaatuitgaven is het allereerst van groot belang dat deze daadwerkelijk optellen tot het overkoepelende climate mainstreaming percentage van ten minste 25% van het gehele MFK. Teneinde de effectiviteit en efficiëntie van klimaatuitgaven te verbeteren werkt Nederland samen met o.a. Duitsland en Frankrijk aan sterkere tracking en monitoring binnen de verschillende fondsen en programma’s, om toe te zien dat de beoogde bijdragen van fondsen aan klimaatmitigatie en adaptatie ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Daarnaast dient het hele MFK in overeenstemming te zijn met het Parijs-akkoord.

De leden van de VVD-fractie vinden het cruciaal dat de ambities waar het gaat om het klimaat worden omgezet in proportionele, uitvoerbare en kosteneffectieve wetgeving en beleidsmaatregelen. Hoe wordt dat gewaarborgd? De leden van de VVD-fractie willen dat de Europese en Nederlandse bedrijven goed kunnen blijven concurreren met bedrijven in andere werelddelen en landen buiten de EU. Hoe wordt ervoor gezorgd dat dit het geval is?

De leden van de VVD-fractie vragen hoe gewaarborgd wordt dat klimaatambities worden omgezet in proportionele, uitvoerbare en kosteneffectieve wetgeving en beleidsmaatregelen en hoe wordt gezorgd dat Europese en Nederlandse bedrijven kunnen blijven concurreren met landen buiten de EU. Het kabinet hecht sterk aan effectief klimaatbeleid dat proportioneel, uitvoerbaar en kosteneffectief is. De waarborging hiervan vindt plaats op het moment dat de Commissie nieuwe voorstellen presenteert. Over deze elementen wordt uw Kamer geïnformeerd middels de BNC-fiches. In 2021 zal de Europese Commissie een voorstel presenteren voor een Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM), om bepaalde geïmporteerde goederen te beprijzen voor hun CO2-uitstoot. Een CBAM kan weglekeffecten, die kunnen optreden bij ambitieuzer Europees klimaatbeleid ten opzichte van derde landen, tegengaan. Zoals is aangegeven in het BNC-Fiche over de Green Deal, d.d. 31 januari 2020, staat het kabinet – gezien het belang van een mondiaal gelijk speelveld – positief nieuwsgierig tegenover een CBAM aan de Europese buitengrens. De EU moet hierbij stapsgewijs te werk gaan waarbij grondig onderzoek naar WTO-conformiteit, een systeem voor koolstofboekhouding, administratieve lasten en uitvoerbaarheid van belang is. Ook moet rekening worden gehouden met de geopolitieke context en de impact die een dergelijk mechanisme kan hebben op specifieke sectoren.

Mobiliseren duurzame investeringen

De leden van de VVD-fractie noemen dat de Europese Commissie voorstelt om 25% van het totaalbudget voor het volgende MFK te besteden aan klimaatgerelateerde uitgaven. Wat zijn klimaatgerelateerde uitgaven? Waar gaat het geld aan uitgegeven worden? En hoe moet het bedrag van 503 miljard euro voor de periode 2021 – 2030 gezien worden in relatie tot de inzet van het kabinet om niet meer geld uit te geven in het kader van het MFK?

De leden van de VVD-fractie vragen wat klimaatgerelateerde uitgaven zijn, waar het geld aan wordt uitgegeven en hoe het bedrag van 503 miljard euro zich verhoudt tot de inzet van het kabinet in het kader van het MFK. De Commissie heeft als doel gesteld dat 25% van alle uitgaven onder het volgende Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2021–2027 klimaatgerelateerd moeten zijn (dit is het climate mainstreaming percentage). Klimaatgerelateerde uitgaven zijn uitgaven die deels of in het geheel bijdragen aan de EU-brede klimaatdoelstellingen. Te denken valt aan investeringen in windenergie uit Cohesiefondsen of investeringen onder CEF in spoorweginfrastructuur. Om te bepalen in welke mate MFK-investeringen bijdragen aan klimaatdoelstellingen maakt de Commissie gebruik van zogenoemde markers (0%, 40%, 100%). Deze geven per investeringscategorie aan in welke mate de investering bijdraagt aan klimaatdoelstellingen. De toegepaste methodologie verschilt per fonds en is voor sommige fondsen uitgewerkt in de verordening zelf en voor sommige fondsen in onderliggende guidance documenten van de Commissie.

Voor wat betreft de klimaatbijdrage voor de periode 2021–2030 extrapoleert de Commissie de beoogde klimaatbijdrage (25%) onder het MFK van 2021–2027 naar de jaren 2028–2030. Daarbij telt zij de beoogde bijdrage aan milieu op (beoogd percentage niet vastgesteld). Volgens de berekeningen van de Commissie komt de uiteindelijke bijdrage op 503 miljard euro uit.

Voor de bijdrage van 503 miljard gaat de Commissie uit van de MFK-budgetten zoals voorgesteld door de Commissie zelf. De klimaatbijdrage van het MFK hangt af van de uiteindelijke omvang van de budgetten en het climate mainstreaming percentage. Beide factoren zijn onderdeel van de nog lopende onderhandelingen, waarin Nederland zoals bekend inzet op het voorkomen van een stijging van de afdrachten aan de EU-begroting en een climate mainstreaming percentage van ten minste 25%.

De leden van de VVD-fractie lezen dat er nationale cofinanciering nodig is om Europese investeringen te ontvangen. Het gaat dan om een bedrag van 114 miljard euro aan additionele investeringen. Waarop is dit bedrag gebaseerd? Wat betekent dit voor Nederland? Wat betekenen de voorstellen uiteindelijk voor de netto-betalingspositie van Nederland?

De leden van de PVV-fractie merken op dat lidstaten om eigenaarschap te bevorderen voor veel fondsen geld moeten bijleggen om Europese investeringen te ontvangen. Dit zou tot 114 miljard euro aan aanvullende investeringen moeten leiden. De leden van de PVV-fractie willen weten hoeveel geld Nederland van plan is bij te leggen en welke fondsen dit precies betreft (s.v.p. per fonds uitsplitsen). Tevens willen de leden van de PVV-fractie weten hoeveel Europese investeringen Nederland verwacht te ontvangen als gevolg van het bijleggen van geld.

De leden van de VVD- en PVV-fractie vragen om opheldering over het bedrag van 114 miljard euro aan nationale cofinanciering. In haar voorstellen refereert de Commissie naar dit bedrag als nationale cofinanciering van klimaat- en milieu gerelateerde investeringen binnen de Europese Structuur- en Investeringsfondsen (ESI-fondsen) over een periode van tien jaar. De Commissie gaat hierbij uit van de regels voor nationale cofinanciering binnen de ESI-fondsen in het MFK 2021–2027 en extrapoleert dit bedrag vervolgens van zeven jaar naar tien jaar. Daarbij geeft de Commissie geen specifieke uitsplitsing naar de onderliggende ESI-fondsen en verschillende lidstaten. Op basis van de Commissievoorstellen voor de ESI-fondsen stijgt het percentage verplichte nationale cofinanciering met het welvaartsniveau van regio’s: minimaal 30% voor de minder welvarende regio’s, minimaal 45% voor de transitieregio’s en minimaal 60% voor de meer welvarende regio’s. Het kabinet steunt het Commissievoorstel om de nationale cofinancieringspercentages te verhogen ten opzichte van het huidige MFK, omdat het bijdraagt aan eigenaarschap en effectieve besteding van middelen. Het is van belang om te melden dat de grootte en allocatie van de ESI-fondsen en de regels voor nationale cofinanciering onderdeel zijn van de lopende onderhandelingen over het volgende MFK. Het effect van de voorstellen op de omvang van de Nederlandse nationale cofinanciering en de ontvangsten van Nederland is daarmee ook nog niet in te schatten.

De leden van de VVD-fractie vinden het niet meer dan logisch dat het kabinet terughoudend is als het gaat om voorstellen voor nieuwe, eigen middelen ter financiering van de EU-begroting.

De leden van de VVD-fractie zich af waarom er aanvullend op de voorstellen ook nog tenminste 25 miljard euro aan veilingopbrengsten van het Europees systeem voor emissiehandel (ETS) via het Innovatiefonds en het Moderniseringsfonds worden besteed aan de transitie. Wat is de nut en noodzaak? Waar gaat het geld aan besteed worden?

De leden van de VVD-fractie vragen naar de nut en noodzaak en bestemming van besteding van veilingopbrengsten via het Innovatiefonds en Moderniseringsfonds. Het Innovatiefonds is gericht op de financiering van innovatieve technologieën voor lage emissie. Dit omvat onder meer projecten in de energie-intensieve industrie, afvang en opslag of benutting van CO2 (CCS en CCU), hernieuwbare elektriciteitsopwekking en energieopslag. Nut en noodzaak is gelegen in het versnellen van marktintrede van innovatieve technologie, om zo de kosteneffectiviteit en snelheid van de transitie te bevorderen. Het Moderniseringsfonds is gericht op het financieel ondersteunen van de transitie in tien armere lidstaten van de Unie. Dit omvat onder meer projecten in opwekken en gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, energie-efficiëntie, energieopslag, energie-infrastructuur en transitieondersteuning van kolenregio’s (bijvoorbeeld omscholing). Investeringen in kolen zijn expliciet uitgesloten. Nut en noodzaak is gelegen in het versnellen van de transitie in deze landen, die vaak voor grotere uitdagingen staan vanwege verouderde elektriciteitsopwekking en energie-infrastructuur.

Voorts merken de leden van de PVV-fractie op dat in het EGDIP eerdere voorstellen van de Commissie opnieuw worden aangehaald voor nieuwe (groene) grondslagen voor nationale afdrachten ter financiering van de EU-begroting onder het volgende MFK (niet-gerecycled plastic verpakkingsafval en een deel van de ETS-veilingopbrengst). De leden van de PVV-fractie willen weten wat het standpunt is van het kabinet is ten aanzien van deze nieuwe groene grondslagen en waarom het kabinet de subsidiariteit en proportionaliteit ervan als positief beoordeelt.

De leden van de SGP-fractie lezen dat het kabinet terughoudend is tegenover voorstellen voor nieuwe eigen middelen ter financiering van de EU-begroting. Betekent dit dat het kabinet ook terughoudend is ten opzichte van voorstellen van de Commissie voor nieuwe (groene) grondslagen voor nationale afdrachten ter financiering van de EU-begroting (zoals de mogelijke belasting op niet-gerecycled plastic verpakkingsafval)? Is het kabinet van mening dat door dergelijke voorstellen een vorm van een Europese belasting dichterbij komt?

Het fiche stelt dat het kabinet terughoudend is over voorstellen voor eigen middelen, zo lezen de leden van de PvdA-fractie; hoe staat dit in verhouding tot uitspraken van Staatssecretaris van Financiën, die stelt dat de deur daarvoor niet is dichtgegooid?

De leden van de PVV-fractie en de SGP-fractie hebben gevraagd naar het standpunt van het kabinet ten aanzien van nieuwe (groene) grondslagen. De leden van de PvdA-fractie hebben gevraagd naar de in het fiche genoemde terughoudendheid van het kabinet over de voorstellen. Zoals eerder aan de Kamer overgebracht (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1379) staat het kabinet in algemene zin terughoudend ten opzichte van de Commissievoorstellen voor nieuwe eigen middelen ter financiering van de EU-begroting. Het kabinet merkt hierbij op dat de huidige voorstellen voor nieuwe eigen middelen, een grondslag op basis van niet-gerecycled plastic verpakkingsafval en een grondslag op basis van de opbrengsten van het Emissiehandelssysteem, nadrukkelijk grondslagen betreffen, op basis waarvan een nationale afdracht berekend wordt. Het betreffen geen direct door de Europese Commissie bij een derde partij te innen Europese belastingen. Hiermee is er geen direct effect op de lastendruk van burgers of bedrijven.

Tevens vragen de leden van PVV-fractie om een overzicht van wat Nederland zowel direct als indirect in de periode 2021 – 2030 zal uitgeven aan het European Green Deal Investment Plan.

De leden van de PVV-fractie vragen om een overzicht van wat Nederland zowel direct als indirect zal uitgeven in de periode 2021- 2030 aan de Green Deal. De Nederlandse bijdrage aan het Investeringsplan voor de Green Deal is voor een zeer groot deel afhankelijk van de uitkomst van de MFK-onderhandelingen, die nog lopen. Hier is op dit moment nog geen overzicht van te geven.

Het is duidelijk dat de plannen van de Europese Commissie zeer ambitieus zijn en het streven naar een investering van 1000 miljard euro in de periode 2021 – 2030 inzet vergt van alle deelnemende partijen en een breed draagvlak onder deelnemende overheden en de Europese burgers vereist, zo stellen de leden van de CDA-fractie vast. In de Green Deal-plannen van de Europese Commissie ontbreekt deze component van draagvlak. De leden van de CDA-fractie vragen de Minister in de eerste plaats in te gaan op de vraag hoe hij de Nederlandse burgers denkt mee te krijgen in de doelen en verplichtingen die voortvloeien uit de Green Deal. Deze leden zijn van mening dat iedereen, groot- en kleinbedrijf en alle burgers, nadrukkelijk moeten worden meegenomen in de uitvoering van de ambitieuze plannen. Daarom vragen deze leden de Minister om aan te geven welke strategie het kabinet daarbij hanteert en, wanneer daar nog geen strategie voor is opgesteld, of de Minister bereid is een dergelijke communicatiestrategie omtrent de Green Deal vorm te geven.

De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze het kabinet burgers denkt mee te krijgen in de doelen en verplichtingen die voortvloeien uit de Green Deal. Het kabinet deelt met de CDA-fractie het belang van draagvlak voor ambitieus klimaatbeleid. Het bedrijfsleven, milieuorganisaties, vakbonden en andere maatschappelijke organisaties hebben zodoende allemaal op gelijke voet met het kabinet en elkaar gesproken om tot ons nationale Klimaatakkoord te komen. Ook de Europese Commissie ziet het belang in van het betrekken van maatschappelijke partijen bij het klimaat- en duurzaamheidsbeleid en heeft in de Green Deal aangekondigd om samen met stakeholders een Europees klimaatpact te willen lanceren. Hiervoor heeft de Europese Commissie recentelijk een consultatie gestart om van burgers en bedrijven en andere belanghebbenden inbreng te vragen bij de vormgeving van het Europese klimaatpact. Zo wordt vroegtijdig aandacht besteed aan het bouwen aan draagvlak voor de Green Deal. Bij de verdere behandeling van onderdelen uit de Green Deal zal het kabinet ook altijd oog houden voor draagvlak.

De leden van de SP-fractie vragen hoeveel van het totale EU-budget nu ten goede komt aan milieu en klimaatbeleid. In hoeverre is de «oormerking» van 25% van het MFK hier afwijkend van, vragen zij. Zij vragen om een verdere toelichting tussen het oude en nu voorgestelde beleid. Zo willen zij weten wat nu precies onder klimaatuitgaven wordt verstaan.

De leden van de SP-fractie vragen naar de hoogte van het budget dat ten goede komt aan milieu en klimaatbeleid, hoe dit zich verhoudt tot de «oormerking» van 25% van het MFK en om een verdere toelichting tussen het oude en nu voorgestelde beleid. Van het huidige MFK (2014–2020) zou 20% besteed moeten worden aan het behalen van klimaatdoelstellingen. Voor het nieuwe MFK heeft de Commissie zoals gezegd een doel van 25% voorgesteld.

Er is zowel in het huidige MFK als in het volgende MFK geen specifiek percentage vastgesteld voor de beoogde bijdrage aan milieudoelstellingen.

De leden van de SP-fractie vragen de Minister of hij geen risico’s ziet in de grote rol die de private sector krijgt binnen het Green Deal Investment Plan. De leden vragen de Minister of hij erkent dat het publieke en het private belang mijlenver uit elkaar liggen. Erkent de Minister ook dat er een situatie ontstaat waarin het publieke deel garant staat voor de risico’s van het private deel, en dat de private investeerders wel de lusten zullen hebben, maar niet de lasten zullen dragen, zo vragen deze leden.

De leden van de SP-fractie vragen de Minister hoe hij zou kunnen verzekeren dat de middelen die voor private investeerders via het InvestEU-fonds en de EIB worden vrijgemaakt, daadwerkelijk worden gebruikt voor groene investeringen en niet middels omwegen in vervuilende industrie. Kan hij uiteenzetten welke garanties en criteria er worden vastgesteld? Waarom wordt er überhaupt zo ingezet op private investeerders, in plaats van publieke middelen op de juiste manier in te zetten voor groen beleid? De leden van de fractie van de SP merken op dat op deze wijze publieke subsidies worden ingezet om private risico’s af te dichten. Zo gaat de winst voor de private sector zijn, maar worden de risico’s op de maatschappij afgewenteld. Zij achten deze constructie niet alleen inefficiënt maar ook onrechtvaardig. Deze leden vragen hier een verdere toelichting op.

De leden van de SP-fractie vragen onder meer op welke wijze verzekerd wordt dat de middelen bestemd voor private investeerders onder InvestEU ten goede komen aan groene investeringen. De bijdrage aan de klimaatdoelen van investeringen onder InvestEU worden gemonitord door middel van het EU climate tracking system dat zal bepalen wanneer een investering duurzaam is volgens de verordening betreffende de totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen.2

Middelen die vanuit de EIB worden verstrekt aan private (en publieke) partijen, zoals bijvoorbeeld leningen met een InvestEU-garantie, moeten voldoen aan de voorwaarden van de bank en binnen de «Environmental and Social Principles and Standards» van de EIB passen. Onderdeel hiervan is dat investeringen moeten voldoen aan Europese regelgeving wat betreft milieu, zoals het uitvoeren van een Environmental Impact Assessment (EIA) bij projecten waarbij een mogelijk effect op het milieu is en waarbij o.a. wordt gekeken naar de uitstoot van emissies waar een maximale limiet voor geldt. Overkoepelend geldt voor alle financieringen dat het onderliggende project of de onderliggende projecten moeten bijdragen aan het behalen van de doelen van het economische beleid van de EU. Ook is onderdeel van de nieuwe klimaatstrategie van de EIB dat alle investeringen in lijn worden gebracht met het Akkoord van Parijs. Daarnaast heeft de EIB per sector een beleid dat duidt welke projecten wel en niet kunnen worden gefinancierd. Een voorbeeld hiervan is het recent vernieuwd beleid voor financieringen in de energiesector, waarin is besloten dat de EIB vanaf 2022 geen nieuwe financiering meer zal goedkeuren voor bijvoorbeeld de productie van olie. T.a.v. gasprojecten financiert de EIB vanaf 2022 enkel nog projecten met uitstoot onder de drempelwaarde van 250gr CO2 per KwH, gemeten als gemiddelde over de levensduur van een installatie. Daarmee worden gasprojecten zonder uitstoot-mitigatie van EIB-financiering uitgesloten.

Om in aanmerking te komen voor het label «groene investering» («klimaatactie» in de termen van de EIB), moeten projectvoorstellen aan extra voorwaarden voldoen zoals bijvoorbeeld aantoonbare besparingen in de netto uitstoot van broeikasgassen voor klimaatmitigatie-projecten.

De EIB biedt financiering voor groene investeringen aan zowel de private als de publieke sector. De Europese Commissie heeft berekend dat alleen al in de energiesector er bijna een verdubbeling van de investeringen nodig is tussen 2021 en 2030 om aan de voorgestelde lange termijn doelen voor 2050 te kunnen voldoen. Dit vereist een gezamenlijke inspanning van zowel de publieke als de private sector. De EIB biedt daarom ook groene financiering aan private spelers, bijvoorbeeld om woningen en kantoren energiezuiniger te maken of om betere batterijen te ontwikkelen om energie op te slaan. Hierbij geldt dat de EIB zich richt op projecten met hoge maatschappelijke waarde waar een tekort is aan investeringen vanuit de markt vanwege het hoge risico dat ermee gepaard gaat. Hiermee wordt door publieke middelen via de EIB te leveragen met private middelen meer financiering gecreëerd voor duurzame investeringen dan dat met alleen publiek middelen zou kunnen. Gezien het grote aantal investeringen dat nodig is acht Nederland dit wenselijk. Baten van investeringen vloeien niet alleen terug naar de private sector, maar ook naar de EIB en andere publieke investeerders. Deze baten kunnen worden ingezet om andere duurzame investeringen te financieren. Daarnaast komen de baten van deze investeringen die zoals eerder gezegd van hoge maatschappelijke waarde zijn ten goede aan de maatschappij.

De leden van de fractie van de SP zijn kritisch op de wijze waarop het JTF wordt vormgegeven. Zij vrezen dat de werknemers in de fossiele sectoren hier niets van terug zien. Hoe wordt voorkomen dat het geld rechtstreeks de zakken invloeit van regiobestuurders en kolenbonzen, willen zij weten. Hoe wordt ervoor gezorgd dat het direct wordt ingezet voor scholing, voor sociale plannen en voor leefbaarheid van kwetsbare regio’s?

De leden van de SP-fractie hebben gevraagd om uitleg over de wijze waarop het JTF zal worden ingezet binnen de bedoelde sectoren in de klimaattransitie. Als onderdeel van het overkoepelende Just Transition Mechanism heeft het JTF als primaire doelstelling de sociaaleconomische effecten van de klimaat- en energietransitie te mitigeren. Daar hoort nadrukkelijk ook bij dat Europese regio’s die middelen ontvangen uit het JTF, deze gebruiken om te investeren in het omscholen van personeel en het ontwikkelen van nieuwe vaardigheden. Ook actieve inclusie maatregelen en hulp bij het zoeken naar werk voor werkzoekenden in het kader van de klimaat- en energietransitie kunnen hieronder vallen. Om deze redenen worden lidstaten ook geacht om een deel van de middelen die zij uit het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+) ontvangen bij te leggen bij de JTF-middelen. Daarnaast wordt het mogelijk om investeringen te doen in «de regeneratie en decontaminatie van sites, bodemherstel en herbestemmingsprojecten», waardoor de leefbaarheid van kwetsbare regio’s wordt vergroot.

Op welke wijze zal de 25 miljard afkomstig uit de ETS-veilingen worden ingezet, zo vragen de leden van de SP-fractie. Maakt het opkopen van vrijgekomen rechten hier onderdeel van uit? Deze leden vragen een uitgebreidere toelichting op de besteding van deze gelden. De leden van de SP-fractie vragen de Minister waarom de herziening van het ETS de inzet van kredieten uit de nieuwe koolstofmarkten toestaat. Ziet de Minister niet dat zo de maximale uitstootnormen opnieuw dreigen te worden overschreden, zo vragen deze leden.

De leden van de SP-fractie vragen naar de bestemming van besteding van ETS-veilingopbrengsten via het Innovatiefonds en het Moderniseringsfonds en de inzet van kredieten uit nieuwe koolstofmarkten. Het Innovatiefonds is gericht op de financiering van innovatieve technologieën voor lage emissie. Dit omvat onder meer projecten in de energie-intensieve industrie, afvang en opslag of benutting van CO2 (CCS en CCU), hernieuwbare elektriciteitsopwekking en energieopslag. Het Moderniseringsfonds is gericht op het financieel ondersteunen van de transitie in tien armere lidstaten van de Unie. Dit omvat onder meer projecten in opwekken en gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, energie-efficiëntie, energieopslag, energie-infrastructuur en transitieondersteuning van kolenregio’s (bijvoorbeeld omscholing). Investeringen in kolen zijn expliciet uitgesloten. Het kopen van emissierechten maakt hier geen onderdeel van uit.

Volgens de ETS-richtlijn kan geen gebruik gemaakt worden van kredieten uit andere koolstofmarkten dan die van het EU-ETS. Door de herziening van de ETS-richtlijn neemt de jaarlijks beschikbare hoeveelheid emissierechten (het plafond) af.

De leden van de SP-fractie vragen de Minister of hij zich ten aanzien van het Green Deal Investment Plan ervoor zou kunnen inzetten dat de fossiele industrie voor geen cent wordt gesteund in investeringen die schadelijk zijn voor het milieu, in lijn met aanbevelingen van CAN Europe en andere ngo’s. Deze leden vragen de Minister of de Green Deal wel zoden aan de dijk zet als er tegelijkertijd namelijk ook nog subsidies worden verstrekt aan de vervuilende industrie. Zij roepen de Minister dan ook op hier een einde aan te maken en vragen hem aan te geven hoe hij dit vorm wil geven. Ook vragen zij of er inzicht gegeven kan worden in de huidige publieke geldstromen richting de fossiele industrie. De leden vragen de Minister om zijn mening te geven over de andere aanbevelingen die door CAN Europe en door Greentervention worden gedaan.3 4

De leden van de SP-fractie vragen hoe een eind kan worden gemaakt aan de verstrekking van subsidies aan de fossiele industrie en verwijzen daarbij naar de aanbevelingen van CAN Europe en andere ngo’s. Het kabinet zet zich er tijdens de MFK onderhandelingen voor in dat het gehele MFK in lijn wordt gebracht met de doelen van Parijs. Dit betekent dat investeringen die schadelijk zijn voor het behalen van deze doelen, zoals investeringen in fossiele brandstoffen, moeten worden uitgefaseerd. De aanbevelingen van CAN Europe zijn dan ook deels in lijn met de Nederlandse klimaatinzet op het MFK. Het in lijn brengen van het gehele MFK met Parijs, een goede uitwerking hiervan, verbetering van klimaattraceringsmethoden en effectieve monitoring van klimaatuitgaven zijn prioriteiten in de Nederlandse klimaatinzet voor het MFK.

De leden van de SP-fractie vragen de Minister waarom voorgenomen opname van nieuwe sectoren in het ETS de nadruk legt op het verzachten van de gevolgen van klimaatverandering in plaats van op het voorkomen ervan. De leden van de SP-fractie vragen de Minister waarom het plan geen prijsdrukmiddel bevat.

De leden van de SP-fractie vragen wat betreft verbreding van het EU-ETS naar prijsdrukmiddelen en naar de nadruk op het verzachten ten opzichte van het voorkomen van gevolgen van klimaatverandering. Het EU-ETS is gericht op het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen teneinde klimaatverandering te beperken. Nederland pleit actief voor ambitieuzer klimaatbeleid. De Nederlandse inzet voor de EU is klimaatneutraliteit in 2050, opdat klimaatverandering door Europese uitstoot zo wordt voorkomen. Onderdeel daarvan is een aanscherping van het EU-ETS richting 2030.

Het EU-ETS bevat via de prijs voor emissierechten een prijsprikkel voor deelnemers om tot emissiereductie over te gaan. Voor de sectoren mobiliteit en gebouwde omgeving is er al een prijsdrukmiddel in de vorm van accijnzen en energiebelastingen. Aanvullende prijsdrukmiddelen zijn naar verwachting onvoldoende effectief vanwege een geringe prijselasticiteit. Daarom werkt een aanpak met gedragsverandering en normering beter.

De leden van de SGP-fractie lezen dat diverse maatregelen gefinancierd worden buiten de EU-begroting om, zoals deels via het Innovatiefonds en het Moderniseringsfonds. Hoe waardeert het kabinet deze financiering buiten de begroting om? Gaat het kabinet zich inzetten om financiering van maatregelen zo veel als mogelijk binnen de EU-begroting te laten vallen, en zo ja, hoe gaat het kabinet zich daarvoor inzetten?

De leden van de SGP-fractie vragen naar de financiering van de fondsen die buiten de Europese begroting staan. Het Innovatiefonds en Moderniseringsfonds zijn nadrukkelijk gekoppeld aan de veilinginkomsten van het ETS en staan los van het MFK. Het kabinet hecht in het algemeen aan begrotingseenheid. Dit betekent dat de Europese begroting de inkomsten en uitgaven autoriseert, die nodig zijn voor het functioneren van de Europese Unie. Het kabinet zet zich zodoende in om inkomsten en uitgaven zo veel als mogelijk te financieren uit de Europese begroting. Het kabinet hanteert deze inzet ook in de onderhandelingen over het volgende MFK. In de kabinetsreactie op de voorstellen van de Europese Commissie voor het volgende MFK refereerde het kabinet reeds hieraan.5

Klimaatmainstreaming en tracering in het MFK

InvestEU

De leden van de VVD-fractie lezen dat er via private investeringen met een garantie van de EU-begroting via InvestEU naar schatting ongeveer 279 miljard euro wordt geïnvesteerd. Om welke garanties gaat het dan? Wat zijn daarbij de financiële risico’s voor de EU? Hoe wordt geregeld dat ook het mkb daarvoor in aanmerking kan komen?

De leden van de VVD-fractie vragen om verduidelijking omtrent de werking en risico’s van garanties vanuit de EU-begroting onder het InvestEU-programma en de toegang van het mkb tot dit instrument. Door middel van het InvestEU programma kan de Commissie aan de EIB groep en andere uitvoerende financiële partners zoals national promotional institutions (NPI’s) en national promotional banks (NPB’s) garanties verlenen op door deze partijen verstrekte financieringen. Daarnaast kunnen ook particuliere co-financiers via de EIB groep dan wel NPI’s en NPB’s een garantie ontvangen op hun financiële inbreng. Voor eventuele verliezen is een bedrag van 38 miljard euro gereserveerd. Toegang voor het mkb is mogelijk via een apart mkb luik onder het programma en via de overige luiken.

Voor InvestEU zijn vier beleidsterreinen aangewezen, zo lezen de leden van de VVD-fractie: duurzame infrastructuur, onderzoek/innovatie/digitalisering, mkb en sociale investeringen en vaardigheden. Hoe is de verdeling over deze vier beleidsterreinen? Wat zijn de gevolgen voor het besteden van 30% van de InvestEU-investeringen aan klimaat? Wat zijn de gevolgen voor de verdeling over de beleidsterreinen? Wat zijn de gevolgen voor het mkb?

De leden van de VVD-fractie vragen naar verduidelijking omtrent de verdeling over de vier beleidsterreinen onder het InvestEU-programma en de gevolgen die de klimaatbestedingen hebben voor deze terreinen en het mkb. De Commissie heeft voorgesteld om voor de periode 2021–2027 38 miljard euro aan garanties te verstrekken onder InvestEU: tot EUR 11,5 miljard voor duurzame infrastructuur, tot EUR 11,25 miljard voor mkb-financiering, tot EUR 11,25 miljard voor onderzoek en innovatie, en tot EUR 4 miljard voor sociale investeringen en vaardigheden. De MFK-onderhandelingen lopen echter nog, waarbij ook de hoogte van het programma en de subonderdelen nog moeten worden vastgesteld. Het InvestEU-programma draagt naar verwachting 30% van de totale financiële middelen bij aan de klimaatdoelstellingen. Klimaatrelevante acties zullen voor alle vier de beleidsterreinen, waaronder het mkb, worden geïdentificeerd tijdens de voorbereiding en uitvoering van het InvestEU-programma en opnieuw beoordeeld in het kader van de relevante evaluaties en evaluatieprocessen.

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe InvestEU zich verhoudt tot het JTM en hoe de Minister gaat organiseren dat Nederlandse bedrijven kunnen putten uit beide fondsen. Ook vragen deze leden hoe InvestEU zich verhoudt tot het Junckerfonds. De Europese Commissie zal bovendien met de uitvoerders financiële producten ontwikkelen gericht op milieu, klimaat en sociale duurzaamheid. De leden van de CDA-fractie vragen of de toezichthouders ook zijn betrokken bij de ontwikkeling van deze nieuwe financiële producten en, wanneer dat niet het geval is, of dat niet wenselijk is.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe InvestEU zich verhoudt tot het JTM en het Junckerfonds, op welke wijze bedrijven uit deze fondsen kunnen putten en welke rol de toezichthouders spelen bij de ontwikkeling van nieuwe financiële producten. In het kader van het EGDIP wordt gestreefd naar een klimaatneutraal Europa in 2050. Hiervoor zullen aanzienlijke investeringen nodig zijn van zowel overheid als private investeerders.

Ter stimulering van deze investeringen zijn er door de Commissie in overleg met de toezichthoudende instanties de volgende programma’s en instrumenten ontwikkeld.

Het JTM zal in het voorstel van de Commissie gericht worden op de sociaaleconomische transitie van regio’s die nog in sterke mate afhankelijk zijn van fossiele en koolstof intensieve industrie. Het JTM bestaat uit drie pijlers: 1) de oprichting van het «Just Transition Fund» (JTF), 2) het openen van een apart luik in het InvestEU programma voor projecten die de beoogde ontwikkelingen in geselecteerde transitie regio’s ondersteunen en 3) een nieuwe publieke leenfaciliteit onder de Europese Investeringsbank (EIB). InvestEU kan binnen het MFK 2021–2027 gezien worden als de opvolger van het Juncker programma.

Nederland is goed voorbereid op aansluiting van het bedrijfsleven op het Green Deal programma via onder meer RVO en Invest-NL. De rol van Invest-NL bij acute noodgelden van de EU is echter beperkt vanwege het ontbreken van een bestaande portefeuille. Nederlandse banken zijn hier echter goed op aangesloten. Invest-NL richt zich voor de korte termijn daarom op EU-middelen voor specifieke bedrijven in de gezondheidszorg die aan corona-bestrijding doen, en voor de iets langere termijn op aantrekken EU-gelden voor o.a. start- en scale-ups voor de volgende fase van de crisisbestrijding.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben een vraag met betrekking tot InvestEU. Zij lezen dat de Europese Commissie de EU-taxonomie wil gebruiken onder het InvestEU-programma om duurzaamheidstoetsing te verbeteren, in lijn met de inzet van het kabinet op dit punt. Zij lezen ook de inzet van het kabinet voor de bijdrage van InvestEU (30%) aan Europese klimaatdoelstellingen. De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het kabinet zich er hard voor wil maken dat onder klimaat gealloceerde investeringen ook daadwerkelijk een substantiële bijdrage leveren aan de in de taxonomie uiteengezette criteria.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen aan het kabinet of zij zich ervoor in wil zetten dat onder klimaat gealloceerde investeringen ook daadwerkelijk bijdragen aan de in de taxonomie uiteengezette criteria. Om te bepalen in welke mate investeringen bijdragen aan klimaatdoelstellingen maakt de Commissie gebruik van zogenoemde markers (0%, 40%, 100%). Deze geven per investeringscategorie aan in welke mate de investering bijdraagt aan klimaatdoelstellingen. De toegepaste methodologie verschilt per fonds en is voor sommige fondsen uitgewerkt in de verordening zelf en voor sommige fondsen in onderliggende guidance-documenten van de Commissie. Het kabinet zet zich in voor verbetering van en coherentie tussen de methoden die door de Commissie worden gebruikt om zo overschatting van de klimaatbijdragen te minimaliseren.

Met betrekking tot InvestEU vragen de leden van de fractie van GroenLinks bovendien of, wat het kabinet betreft, binnen InvestEU alle of alleen als klimaat geoormerkte investeringen getoetst worden aan de taxonomie, om zo inzicht te krijgen in de impact van alle investeringen. Zij vragen in aanvulling hierop of het kabinet van mening is dat het verkrijgen van inzicht in de impact van alle investeringen als belangrijk mechanisme kan dienen om te voorkomen dat onder InvestEU investeringen gedaan worden die een negatieve impact hebben op duurzaamheid.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen welke investeringen binnen InvestEU getoetst worden aan de taxonomie en of het kabinet inzage in impact van alle investeringen belangrijk vindt met het oog op de effecten van investeringen op duurzaamheid. Onder InvestEU zullen niet alleen als klimaat geoormerkte investeringen onderworpen worden aan een duurzaamheidstoets. Alle investeringen die substantiële steun ontvangen, met name infrastructuurprojecten, zullen hieraan worden getoetst. Onder InvestEU moet via deze duurzaamheidstoets inzicht verkregen worden in de milieu, klimaat- en sociale impact van deze investeringen. Zo dient voorkomen te worden dat investeringen gedaan worden die niet in lijn zijn met EU-doelen op deze thema’s.

De leden van de fractie van de SP vragen hoe de inzet om de fossiele belangen niet langer te ondersteunen zich verhoudt tot het Energy Charter Treaty. Deze leden wijzen erop dat met dit verdrag juist de fossiele belangen worden beschermd. Zij roepen op uit dit verdrag te stappen. Hoe rijmen de genoemde investeringen van het EGDIP zich met de mogelijke claims tegen overheden die klimaatmaatregelen doorvoeren die fossiele bedrijven treffen?

De leden van de SP-fractie vragen hoe de inzet van het kabinet om fossiele belangen niet langer te ondersteunen zich verhoudt tot het Energy Charter Treaty en hoe investeringen onder het EGDIP rijmen met mogelijke claims tegen overheden die klimaatregelen doorvoeren die fossiele bedrijven treffen. Nederland is aangesloten bij het Energiehandvestverdrag vanwege het belang ervan voor de efficiënte werking van energiemarkten, bevordering van energiehandel en samenwerking in beleidsontwikkeling op energiegebied tussen de partijen bij het Energiehandvestverdrag. Wereldwijd zijn op dit moment 55 landen lid van dit Verdrag. Het verdrag geldt zowel voor handel en investeringen in fossiele als voor hernieuwbare energie. De verdragspartijen worden verplicht om energiedoorvoer en investeringen onder non-discriminerende voorwaarden te faciliteren en te beschermen. Als Nederland het Energiehandvestverdrag zou opzeggen, verliezen Nederlandse investeerders in het buitenland de minimale rechtsbescherming op grond van dit verdrag. Opzeggen van het verdrag wordt dan ook niet overwogen. Echter, enkele verdragsbepalingen zijn verouderd en moeten worden gemoderniseerd. Onderdeel van de (Nederlandse en) EU-inzet bij de modernisering van het Energiehandvestverdrag is aandacht voor energietransitie en decarbonisatie in lijn met het Parijsakkoord, het expliciteren van het recht van overheden om in het publiek belang te reguleren, de modernisering van investeringsbescherming en de geschillenbeslechtingprocedure. De formele moderniseringsonderhandelingen zullen in mei 2020 van start gaan. Op 15 juli 2019 zijn hiervoor de EU-onderhandelingsrichtsnoeren door de Raad Buitenlandse Zaken aangenomen. Het is niet uit te sluiten dat een investeerder in fossiele energie op basis van Energiehandvestverdrag met een claim komt na een beleidswijziging van een lidstaat. De modernisering van het Energiehandvestverdrag is erop gericht om het recht van overheden om in het publiek belang te reguleren duidelijker te maken. Overigens is het nog maar de vraag of ook in de huidige situatie een eventuele claim met het beroep op het Handvest kans van slagen heeft. Een investeringsverdrag biedt bescherming tegen onbehoorlijk bestuur, maar geeft investeerders geenszins de garantie dat bestaande wet- en regelgeving niet zal veranderen. Recent zijn in de Kamerbrief (kenmerk WJZ20004141) meerdere vragen gesteld door PdvD over dit thema beantwoord.

EIB

De EIB wordt gepresenteerd als de nieuwe Europese klimaatbank, zo constateren de leden van de CDA-fractie. Deze leden vragen de Minister om aan te geven in hoeverre dat wenselijk is. Zijn er bijvoorbeeld sectoren of bedrijven die niet mee kunnen of mee hoeven in de transitie? Waar vinden zij financiële steun in de Green Deal-plannen?

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd in hoeverre het wenselijk is dat de EIB gepresenteerd wordt als de nieuwe Europese klimaatbank. De EIB vormt als EU-bank, met de lidstaten als aandeelhouders, een integraal onderdeel van de Europese inspanningen t.a.v. klimaatverandering. Al in 2010 stelde de EIB zich tot doel om 25% van haar leenvolumes in te zetten voor klimaatactie. Sindsdien heeft de EIB dit doel elk jaar bereikt of voorbijgestreefd. In 2015 ontwikkelde de EIB een klimaatstrategie, met als doel richting te geven aan de middellange en lange termijn acties ter versterking van EIB-financiering voor projecten met een positief klimaateffect. De recent gepresenteerde klimaatambitie is dan ook geen breuk met het verleden, maar een vernieuwde en verhoogde inzet voor een eerder ingestoken koers – in lijn met de verhoogde klimaatambities vanuit de EU. Nederland ondersteunt de presentatie van de EIB als de nieuwe Europese klimaatbank, omdat dit hoofdzakelijk betekent dat de EIB haar beleid aansluit op Europees gemaakte afspraken, zoals het Akkoord van Parijs en de andere lange termijndoelen. De andere prioriteiten van de EIB blijven daarnaast bestaan.

Wat financiering vanuit de EIB betreft, wordt ervoor gekozen om de beperkte (publieke) middelen in te zetten voor projecten waar vanuit maatschappelijk oogpunt een tekort is aan investeringen. Binnen de energiesector gebeurt dit bijvoorbeeld op terreinen waar, ondanks beleidsondersteuning en aanwezigheid van financiering, de investeringen te laag zijn om de Europese klimaatdoelen voor 2030 te halen. Voorbeelden hiervan zijn investeringen in de energie-efficiëntie van gebouwen en innovatieve low carbon technologieën.

De leden van de CDA-fractie vragen ook of er sectoren of bedrijven zijn die niet mee kunnen of hoeven in de transitie. Alle sectoren moeten bijdragen aan de transitie naar klimaatneutraliteit in 2050.

De leden van de fractie van GroenLinks zijn positief gestemd over de verduurzaming van de EIB als onderdeel van het EGDIP. Zij noemen hierbij dat volgens recente berichtgeving6 Nederland aan invloed inlevert bij de EIB omdat, wegens een langdurende formatie in België, de Benelux reeds twee jaar geen vicevoorzitter meer heeft geleverd. De leden van de fractie van GroenLinks vragen het kabinet naar een appreciatie van dit gegeven. Zij vragen het kabinet bovendien op welke manier zij (voor en achter de schermen) deze lacune adresseren.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar de Nederlandse invloed bij de EIB. Het is wat Nederland betreft onwenselijk dat er al twee jaar geen vicepresident namens de Benelux in het Management Comité van de EIB zit. De EIB staat op het moment voor veel uitdagingen, zoals de implementatie van het nieuwe financieringsbeleid voor de energiesector (Energy Lending Criteria), de nieuwe klimaatambitie, het versterken van het governance raamwerk, maar ook de grote taak die de EIB-groep zal uitvoeren door een gericht steunprogramma voorgesteld dat 40 mrd. EUR aan MKB-financiering zou moeten mobiliseren om de economische gevolgen van de COVID-19 crisis op te vangen.7 Het kabinet dringt er daarom bij België in bilaterale gesprekken op aan dat er zo snel mogelijk een voordracht plaatsvindt.

De leden van de SP-fractie vragen of verder toegelicht kan worden hoe de EIB zijn beoogde rol als Europese klimaatbank zal vervullen. Wat wordt bijvoorbeeld precies verstaan onder «hoge toegevoegde waarde», vragen zij. De leden vragen verder hoe de staatssteunregels wel of niet van toepassing zijn op het faciliteren van zon-op-dak en de lokale energieprojecten. In hoeverre worden initiatieven nu belemmerd door deze regels en hoe gaat aanpassing van de staatssteunregels deze eventuele belemmeringen wegnemen?

De leden van de SP-fractie hebben gevraagd of kan worden toegelicht hoe de EIB zijn beoogde rol als Europese klimaatbank zal vervullen. Ook vragen zij wat verstaan wordt onder «hoge toegevoegde waarde». De EIB heeft zich in zijn beoogde rol als Europese klimaatbank drie doelen gesteld: 1) het mobiliseren van één biljoen euro aan investeringen in klimaatactie en een duurzaam milieu van 2021 tot 2030, 2) geleidelijke toename in het aandeel klimaatactie en duurzaam milieu van het totale aantal financieringen tot een minimum van 50% vanaf 2025, 3) in lijn brengen van alle financieringsactiviteiten met het Akkoord van Parijs en een voorstel voor een rechtvaardige transitie. Projecten van hoge toegevoegde waarde zijn zo gedefinieerd dat ze sterk bijdragen aan deze drie doelen.

Het komende jaar zal de EIB zijn klimaatstrategie uit 20158 en het hierop gebaseerde implementatieplan voor 2016 – 2020 herzien en een climate road map voor 2021–2025 ontwikkelen. Hierin zal de route naar het behalen van de banks verhoogde klimaatambitie worden bepaald. De bank heeft aangegeven dit in nauwe samenwerking met stakeholders te willen doen, zoals dit ook gedaan is bij de ontwikkeling van de 2015 klimaatstrategie en het recent aangenomen beleid voor financiering in de energiesector9.

Verder vragen de leden van de SP-fractie of de staatssteunregels van toepassing zijn op het faciliteren van zon-op-dak en lokale energieprojecten, en daarbij al dan niet belemmerend werken. De staatssteunregels gelden voor alle bedrijven, dus ook voor bedrijven die subsidie ontvangen voor zon-op-dak willen of andere lokale energieprojecten.

Het beeld is dat de staatssteunregels in algemene zin niet belemmerend werken voor zon op dak en lokale energieprojecten. De SDE+ is bij de Europese Commissie aangemeld en bevat geoorloofde staatssteun op grond van het Milieusteunkader. Met de SDE+ worden jaarlijks vele zon-op-dak projecten en andere lokale energieprojecten ondersteund. Daarnaast bevat de Algemene groepsvrijstellingsverordening ook staatssteun mogelijkheden voor (lokale) energieprojecten. Dergelijke staatssteun behoeft niet van tevoren te worden aangemeld bij de Commissie en kan direct door een overheid worden verleend.

Faciliterend kader voor publieke en private investeringen

Duurzame financiering

De leden van de D66-fractie onderschrijven de ambities om meer transparantie te krijgen over duurzame investeringen, wat bijvoorbeeld tot uiting komt in de introductie van de taxonomie van de financiële keten. Een gemeenschappelijke taal is volgens de leden een belangrijk mechanisme om deze transparantie te bevorderen. Daarbij hebben zij wel vragen ten aanzien van de bureaucratische last voor aanbieders van duurzame investeringen. Hoe wil de Minister voorkomen dat regelgeving rondom de taxonomie leidt tot eventuele perverse prikkels ten aanzien van administratieve lasten die met certificering gepaard kunnen gaan. Hoe zet de Minister zich in voor vermindering van deze administratieve lasten?

De leden van de D66-fractie hebben gevraagd hoe de Minister wil voorkomen dat regelgeving rondom de taxonomie leidt tot perverse prikkels ten aanzien van de administratieve lasten. Het kabinet deelt de mening van de D66-fractie dat de administratieve lasten van de taxonomie waar mogelijk laag dienen te worden gehouden en dat perverse prikkels voorkomen dienen te worden. Hier heeft het kabinet zich met succes voor ingezet bij de onderhandelingen over het raamwerk, waar in december een akkoord over is bereikt10. Zo wordt vereist dat de technische screening criteria, die bepalen wanneer een activiteit duurzaam is, gemakkelijk in gebruik zijn en verificatie faciliteren. Tevens is bij de invulling van de taxonomie gekozen om deze zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij de bestaande rapportagelogica. De taxonomie fungeert bijvoorbeeld zoveel mogelijk als invulling van de verordening informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiële dienstensector en niet als aanvulling op. Daarnaast worden grote, beursgenoteerde ondernemingen verplicht om in de niet-financiële verklaring in het bestuursverslag te rapporteren over de taxonomie. Zo kunnen financiële instellingen op een efficiënte manier duurzaamheidsdata verzamelen.

Tot slot is belangrijk om te benoemen dat het kabinet in het algemeen verwacht dat de administratieve lasten van aanbieders van duurzame producten op termijn juist lager zullen worden als gevolg van de taxonomie. Door het opzetten van één gemeenschappelijke taal kunnen instellingen gemakkelijker aan data komen van hetgeen waar ze in investeren.

Het beperken van administratieve lasten zal een aandachtspunt blijven voor het kabinet in de verdere uitwerking van de taxonomie in de gedelegeerde handelingen.

Publieke sector

De leden van de VVD-fractie zijn geen voorstander van het vermengen van de doelstellingen van het Stabiliteits- en Groeipact (SGP) met de klimaatdoelen. Het enige doel van de SGP-regels is gezonde overheidsfinanciën in de eurolanden. Er is op dit moment al te veel flexibiliteit en ruimte binnen de bestaande SGP-regels.

Er staat een evaluatie van de SGP-regels op stapel. De leden van de VVD-fractie zijn bezorgd dat deze wordt aangegrepen om de regels te versoepelen ten faveure van klimaatdoelen. De leden van de VVD-fractie zijn geen voorstander van versoepeling van de regels. Deze leden willen wel vereenvoudiging. Er kan volgens de leden van de VVD-fractie geen sprake van versoepeling van de SGP-regels zijn voor de klimaatdoelen of klimaatuitgaven.

Jaarlijks zullen landenrapporten die de Europese Commissie publiceert in het kader van het Europees Semester ook duurzaamheidscomponenten bevatten, zo lezen de leden van de CDA-fractie. Deze leden vragen de Minister in hoeverre daarbij een mate van dwang aanwezig is of dat dergelijke duurzaamheidsaanbevelingen ook werkelijke aanbevelingen zijn.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de mate waarin elementen uit het landenrapport dwingend van aard kunnen zijn. De landenrapporten zijn documenten van de Europese Commissie. Deze bevatten geen aanbevelingen. Wel doet de Europese Commissie mede op basis van deze rapporten later in het Europees Semester voorstellen voor landspecifieke aanbevelingen. Deze worden uiteindelijk door de Raad vastgesteld. Deze aanbevelingen zijn niet juridisch bindend.

Staatssteun

De leden van de VVD-fractie lezen dat de Europese Commissie voorstelt om de relevante EU-staatssteunkaders in 2021 aan te passen in relatie tot de doelstellingen van de Europese Green Deal. Wat zijn daarbij de grenzen en/of randvoorwaarden die het kabinet hanteert? Hoe en wanneer gaat het vervolgproces lopen? Hoe wordt de Tweede Kamer bij dit traject betrokken?

De leden van de VVD-fractie vragen om een nadere toelichting van de plannen van de Commissie omtrent de staatsteunkaders in het kader van de Green Deal en het vervolgproces daaromtrent. Het kabinet is voorstander van EU-staatssteunkaders die ruimte bieden voor ondersteuning van de transitie naar een klimaatneutrale economie. Hierbij is het van belang dat de staatssteun noodzakelijk en proportioneel is om de concurrentie binnen de EU eerlijk houden. Aanpassing van de staatssteunregels mag niet leiden tot een ongelijk speelveld tussen de lidstaten. De EU staatssteunkaders zijn over het algemeen – anders dan EU richtlijnen of verordeningen – beleidskaders van de Europese Commissie die niet een Raadstraject volgen of in het Europees parlement behoeven te worden aangenomen. De Europese Commissie kan deze kaders zelfstandig vaststellen. Wel consulteert de Europese Commissie de lidstaten vooraf als de Commissie van plan is nieuwe (of een aanpassing van de huidige) EU staatssteunkaders vast te stellen. De verwachting is dat voor een aantal EU steunkaders in de loop van 2020 wordt geconsulteerd terwijl voor andere EU steunkaders de publieke consultatie in 2021 gaat lopen. Op dit moment is de verwachting dat de meeste EU steunkaders door de Europese Commissie in 2021 worden vastgesteld. Uw Kamer krijgt de Nederlandse reactie op de consultatie van een EU steunkader bij de kwartaalrapportages toegestuurd.

Hoe wordt eerlijke concurrentie binnen de interne markt gewaarborgd?

De leden van de VVD-fractie vragen hoe eerlijke concurrentie binnen de interne markt geborgd blijft. Per onderwerp en per steunkader zal worden gekeken of de eerlijke concurrentie binnen de EU markt is geborgd. Daarbij zal onder meer gelet worden op de impact van de voorgestelde staatssteun op de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven, op de door de Commissie voorgestelde voor staatssteun in aanmerking komende kosten onder een bepaald steunkader, op de steunmaxima en op de steunintensiteiten van een bepaald steunkader (de proportionaliteit derhalve) en op de noodzakelijkheid om in Nederland voor een bepaalde doelstelling staatssteun te willen verlenen.

De leden van de SP-fractie lezen dat de Europese Commissie in het EGDIP aangeeft dat meer flexibiliteit wordt getoond voor staatssteun binnen de bestaande EU-staatssteunkaders. Hierbij wordt specifiek verwezen naar investeringen in de energie-efficiëntie van gebouwen. Hoe verwacht de Minister dat dit zal worden vormgegeven in Nederland, zo vragen de leden.

De leden van de SP-fractie vragen naar investeringen in de energie-efficiëntie van gebouwen onder de EU-staatssteunkaders, en hoe deze in Nederland vormgegeven zullen worden. Het kabinet is een actief voorstander van investeringen in de energie-efficiëntie van gebouwen onder de huidige staatssteunkaders en steunt meer mogelijkheden voor gerichte investeringssteun voor energie-efficiëntie in de gebouwde omgeving in de consultatiefase van nieuwe staatssteunkaders. Binnen de bestaande staatssteunkaders wordt door Nederlandse overheden veel gebruik gemaakt van de staatssteunvrijstellingen voor de investeringskosten van energie-efficiëntie van gebouwen. Het kabinet brengt deze vrijstellingsmogelijkheden actief onder de aandacht bij investeringspartners op zowel Rijksniveau als decentraal niveau.

3. Nederlandse positie ten aanzien van de mededeling/aanbeveling

a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein

De leden van de PVV-fractie merken op dat het kabinet zich in Europa inzet op een gemoderniseerd MFK dat in omvang gelijk blijft aan 1% van het totale EU-BNI. De leden van de PVV-fractie vragen naar een update van de onderhandelingen m.b.t. de omvang van het MFK.

De leden van de PVV-fractie vragen naar een update van de onderhandelingen met betrekking tot de omvang van het MFK. In de laatste besprekingen tijdens de Europese Raad in februari jl. (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1524) richtte de discussie zich op de totaalomvang van het MFK, de verdeling van de uitgaven over de beleidsterreinen, de invulling van de inzet om de EU-begroting te moderniseren en de financiering en lastenverdeling van het MFK. Na deze Europese Raad is in de Eurogroep gesproken over de Europese beleidsreactie om de economische gevolgen van de COVID-19-uitbraak te adresseren. Zo is overeengekomen om te werken aan een tijdelijk herstelfonds en over aanpassingen van het voorstel voor het volgende MFK ten behoeve van het herstel na de COVID-19-crisis. In het rapport van de Eurogroep staat dat op basis van de discussie tussen de regeringsleiders verder invulling gegeven zal worden aan de eigenschappen van dit fonds, hoe dit zich verhoudt tot het MFK en hoe de financiering vorm te geven inclusief eventuele innovatieve financiële instrumenten die geoorloofd zijn binnen het EU-verdrag. Deze discussie tussen regeringsleiders zal plaatsvinden op de Europese Raad van 23 april. De Commissie zal daarna met een aangepast MFK-voorstel komen.

In het algemeen vragen de leden van de D66-fractie of de Minister het eens is met deze leden dat Nederland een voortrekkersrol moet spelen in de Europese samenwerking op het gebied van investeringen in het klimaat en welke ruimte de Minister ziet om deze voortrekkersrol te pakken. Nederland heeft de hoogste CO2-uitstoot per inwoner van Europa en de laagste opwekking van schone energie. Daarmee heeft Nederland een enorme opgave in de klimaattransitie volgens de leden van de D66-fractie en dient het kabinet volop in te zetten op grensoverschrijdende samenwerking op dit gebied. Is de Minister het eens met deze analyse? Heeft de Minister zich ingespannen voor verdergaande ambities ten aanzien van investeringen in het klimaat in het kader van de Green Deal of zal de Minister dat in de komende periode doen?

De leden van de D66-fractie vragen naar een toelichting op de voortrekkersrol die het kabinet speelt in Europa op het terrein van klimaat. Het kabinet heeft in de MFK-onderhandelingen een voortrekkersrol gepakt in de Europese samenwerking op het gebied van investeringen in klimaat. Een voorbeeld hiervan is de brief die Nederland samen met Frankrijk en Duitsland in januari 2019 aan de Commissie heeft verzonden. De brief is een oproep om: 1) klimaat tracering te verbeteren om zo greenwashing te voorkomen, 2) het hele MFK in lijn te brengen met Parijs en 3) monitoring van klimaat gerelateerde investeringen te verbeteren, om te verzekeren dat de doelstelling wordt behaald.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de uitgesproken ambities om te komen tot een gemoderniseerd MFK met een sterkere reflectie van nieuwe prioriteiten zoals klimaat, maar met een omvang die gelijk blijft aan 1% van het BNI. De leden van deze fractie zouden graag een concretere duiding willen wat de Minister verstaat onder een «sterke reflectie». Is de Minister het met de leden van de D66-fractie eens dat deze sterkere reflectie ook een hoge prioriteit zou moeten hebben in de onderhandelingen over het MFK 2021 – 2027?

De leden van de D66-fractie hebben gevraagd om een concretere duiding van de Nederlandse inzet op een sterkere reflectie van nieuwe prioriteiten zoals klimaat in het MFK. De Nederlandse onderhandelingsinzet is gestoeld op een financieel houdbaar en ambitieus gemoderniseerd MFK. Deze modernisering omvat onder andere een sterkere reflectie van klimaat, onderzoek en innovatie, veiligheid en migratie. Concreet betekent dit volgens het kabinet dat er scherpe keuzes gemaakt moeten worden. De inzet is om via bezuinigingen op bestaand beleid versterkte of nieuwe prioriteiten te financieren, alsmede de financiële gevolgen van het vertrek van het Verenigd Koninkrijk op te vangen. Door middel van substantiële bezuinigingen op o.a. traditionele beleidsterreinen zoals landbouw en cohesie kan ruimte worden gemaakt voor intensivering ten opzichte van de huidige programma’s gericht op nieuwe uitdagingen. Eveneens zet het kabinet zich in voor het moderniseren van bestaande beleidsterreinen. Zo moet het landbouwbeleid bijdragen aan maatschappelijke doeleinden zoals vergroening en verduurzaming en moet het cohesiebeleid meer gericht worden op vergroening en innovatie. Moderniseren en bezuinigen gaan hand in hand.

De leden van de SP-fractie vragen de Minister waarom de nieuwe Strategie voor Aanpassing aan Klimaatverandering niet uitgaat van principes van nationale solidariteit ten aanzien van natuurlijke rampen. Deze leden vragen waarom staten als «verzekeraar in laatste instantie» hun rol moeten overdragen aan particuliere (her)verzekeraars en financiële markten.

De leden van de SP-fractie vragen waarom de nieuwe Strategie voor Aanpassing aan Klimaatverandering niet uitgaat van principes van nationale solidariteit ten aanzien van natuurlijke rampen. Ook vragen deze leden waarom staten hun rol als «verzekeraar in laatste instantie» moeten overdragen aan particuliere (her)verzekeraars en financiële markten. In de Green Deal is nergens expliciet opgenomen dat m.b.t. klimaatadaptatie staten hun rol als verzekeraar in laatste instantie moeten overdragen aan particulier (her)verzekeraars en financiële markten. In de Green Deal wordt m.b.t. klimaatadaptatie en financiën aangegeven dat het ook van belang is dat de private sector, waaronder verzekeraars, klimaatadaptatie meeneemt in haar handelen. Hoe dan ook, de staat is in beginsel geen verzekeraar. Er is dus geen sprake van dat de staat deze rol «overdraagt» aan verzekeraars. Verzekeraars zijn als beste in staat risico’s goed in te schatten en daarvoor een passende premie vast te stellen. Particulieren en bedrijven zullen door de hoogte van die premie een prikkel hebben om mogelijke maatregelen te nemen om potentiële schade door een natuurlijke ramp te beperken. Aan verzekeringen ligt bovendien ook het principe van solidariteit ten grondslag. Alle verzekerden dragen immers premie bij om de schade te dragen die maar enkelen van hen zullen oplopen. Alleen in de gevallen waarbij de verzekeringsmarkt niet in staat of bereid is een bepaald risico geheel of gedeeltelijk te dekken en die dekking van groot algemeen belang wordt geacht komt het voor dat de staat instapt als (her)verzekeraar. Natuurlijke rampen kunnen echter ook van een zodanige catastrofale aard zijn, dat ze niet verzekerbaar zijn. Als dergelijke rampen zich voordoen is het principe van nationale solidariteit inderdaad van groot belang. De Wet tegemoetkoming schade bij rampen biedt in dat geval een grondslag om benadeelden uit algemene middelen onder voorwaarden een tegemoetkoming te geven.

b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel

Mobiliseren duurzame investeringen

MFK

Het kabinet geeft aan meer duidelijkheid te willen in de dubbeltelling in de 1000 miljard euro aan te mobiliseren investeringen. De leden van de CDA-fractie vragen de Minister aan te geven wat er precies wordt bedoeld met dubbeltellingen.

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd wat er precies wordt bedoeld met dubbeltellingen in de 1000 miljard euro aan te mobiliseren investeringen. Met het EGDIP wil de Commissie minstens 1000 miljard euro aan investeringen mobiliseren in de periode 2021–2030 via verschillende instrumenten die deels met elkaar overlappen. De Commissie noemt als belangrijkste financieringsbronnen de EU-begroting (o.a. via 25% klimaatinvesteringen, InvestEU en het cohesiebeleid) en de EIB, en laat zien hoe zij tot de optelsom van minstens 1000 miljard euro aan te mobiliseren investeringen komt. Vanwege de gedeeltelijke overlap tussen de verschillende instrumenten is het echter onduidelijk of hier eventuele dubbeltellingen in zitten, bijvoorbeeld waar het de bijdrage van InvestEU betreft. In de mededeling wordt genoemd dat InvestEU 279 miljard euro aan investeringen moet mobiliseren, en onder het JTM zou vanuit InvestEU 45 miljard euro aan investeringen gemobiliseerd moeten worden.

De leden van de fractie van GroenLinks zijn positief gestemd over de kabinetsinzet om het gehele MFK in lijn te brengen met de doelen van het Parijsakkoord. Zij vragen het kabinet te expliciteren dat dit betekent dat ook de investeringen vanuit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) in lijn gebracht moeten worden met het Parijsakkoord. Zij vragen het kabinet vervolgens welke criteria en standaarden opgenomen zouden moeten worden in het GLB om deze in lijn te brengen met de Parijsdoelstellingen. Zij vragen het kabinet in aanvulling hierop te reflecteren op wat er aan het GLB veranderd moet worden, gegeven hoe de door het kabinet voorgestane verduurzaming van GLB-gelden samengaat met de bijdrage die het GLB op dit moment levert aan de schaalvergroting van niet-duurzame Nederlandse landbouwbedrijven.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar verduurzaming van investeringen vanuit het GLB, in lijn met het Parijsakkoord. Het is de inzet van het kabinet om het nieuwe GLB doelgericht en effectief te laten bijdragen aan maatschappelijke opgaven en uitdagingen op het terrein van klimaat, leefomgeving en biodiversiteit, en daarmee ook bij te laten dragen aan het Parijsakkoord. De recent gepubliceerde Green Deal onderstreept het belang van een Europese aanpak voor de internationale klimaatopgave. De toekomstige Nationale Strategische Plannen (NSP) van het GLB zijn van belang om de beoogde bijdrage van het GLB aan de genoemde maatschappelijke opgaven vast te leggen. Met het oog daarop pleit Nederland in de onderhandelingen over het nieuwe GLB voor een werkbare en effectieve groene architectuur. Deze groene architectuur verwijst naar de samenhang van maatregelen die binnen het nieuwe GLB beogen de specifieke leefomgevings- en klimaatdoelen te stimuleren. Een voorbeeld van de Nederlandse inzet hierop is het pleiten voor door de Europese Commissie voorgestelde verplichting voor lidstaten om eco-regelingen in het NSP op te nemen en het borgen van de agrarisch collectieven als begunstigden van agro-milieu-klimaatmaatregelen. Nederland zet ook in op het oormerken van een EU-breed ambitieus percentage van het budget voor leefomgeving en klimaat. In het Commissievoorstel wordt 30% van het tweede pijlerbudget hiervoor geoormerkt. Nederland pleit voor een ambitieuzer percentage voor beide pijlers. In de basis is het GLB van toepassing op alle EU- en daarmee Nederlandse landbouwbedrijven en heeft het niet als doelstelling een bijdrage te leveren aan een eventuele schaalvergroting waaraan in de vraag wordt gerefereerd.

De leden van de fractie van GroenLinks lezen dat het kabinet in de onderhandelingen en richting de Commissie pleit voor verbetering van de tracering en monitoring van klimaatgerelateerde uitgaven in het MFK. Zij vragen welke rol de EU-taxonomie wat betreft het kabinet speelt in deze tracering en monitoring. Zij vragen bovendien welke rol duurzaamheidsstandaarden, zoals bijvoorbeeld geëxpliciteerd via de EU-taxonomie, wat het kabinet betreft zouden moeten spelen in het toetsen en monitoren van niet-klimaatgerelateerde investeringen in het MFK.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen om een toelichting op de rol van de EU-taxonomie aangaande tracering en monitoring van klimaatgerelateerde uitgaven en de rol van duurzaamheidsstandaarden aangaande de toetsing en monitoring van niet-klimaatgerelateerde investeringen in het MFK. De EU-taxonomie is een Europese classificatie voor duurzame economische activiteiten. Deze classificatie kan de Commissie gebruiken bij het bepalen welke investeringen onder het MFK bijdragen aan klimaat- en milieudoelstellingen (klimaat tracering).

De Commissie heeft toegezegd om voor het volgende MFK de taxonomie te gebruiken voor het ontwerpen van de duurzaamheidstoets voor InvestEU. Deze toets wordt ook toegepast op niet-klimaatgerelateerde investeringen. De duurzaamheidstoets wordt verder uitgewerkt in guidance-documenten van de Commissie.

De leden van de SP-fractie vragen de Minister of het hoge ambitieniveau van de Green Deal waar veel over is gesproken niet enkel uit luchtkastelen bestaat, gezien het feit dat er gesproken wordt over 1000 miljard euro in 10 jaar, maar dat er maar 7,5 miljard euro aan nieuwe gelden wordt vrijgemaakt. Hoe zeker acht de Minister het dat er daadwerkelijk 1000 miljard euro beschikbaar komt, zo vragen deze leden.

De leden van de SP-fractie hebben gevraagd of het realistisch is dat de 1000 miljard euro uit de EGDIP-mededeling beschikbaar komt. In de mededeling noemt de Commissie de opbouw van de 1000 miljard euro. Een groot deel van de middelen moet komen uit toekomstige MFK’s. De onderhandelingen over het volgende MFK (2021–2027) lopen nog, waardoor ook de omvang van het bedrag dat wordt besteed aan klimaatgerelateerde uitgaven nog onduidelijk is. Het kabinet zet daarbij in op besteding van tenminste 25% van de totale uitgaven aan klimaat. Daarnaast zal een deel van de 1000 miljard euro via private investeringen bijeen moeten worden gebracht, bijvoorbeeld met een garantie van de EU-begroting via InvestEU. Hiervoor heeft de Commissie een inschatting gemaakt van het hefboomeffect om tot een inschatting van de te investeren middelen te komen. Pas achteraf kan worden beoordeeld wat de omvang is geweest van de totale investeringen in het kader van de Green Deal.

Het valt de leden van de PvdA-fractie op dat in het fiche inhoudelijk zeer summier wordt ingegaan op de doelen van de Green Deal, en dat de focus van het kabinet vooral lijkt te zijn gelegen in het beperken van de EU-afdracht, ongeacht wat er met het EU-budget op dit punt wordt gedaan. Deze zeer limitatieve insteek schaadt de samenwerking in internationaal verband om de klimaatdoelen te bereiken. De komende jaren zullen cruciaal zijn om onomkeerbare gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan. Europese samenwerking is daarvoor onontbeerlijk. De leden van de PvdA-fractie vragen om het fiche uit te breiden met een meer inhoudelijke analyse van de plannen, met een visie op de rol van Europa in het bestrijden van klimaatverandering en de rol die Europese middelen kunnen spelen bij het bereiken van de Nederlandse klimaatdoelen.

De leden van de PvdA-fractie hebben gevraagd om het fiche uit te breiden met een meer inhoudelijke analyse van de plannen, met een visie op de rol van Europa in het bestrijden van klimaatverandering en de rol die Europese middelen kunnen spelen bij het bereiken van de Nederlandse klimaatdoelen.

De EGDIP-mededeling geeft een overzicht van de investeringsplannen die de Commissie heeft voorgesteld in het kader van de Europese Green Deal. Deze plannen zullen inhoudelijk verder worden uitgewerkt in verordeningen of zijn dat reeds in het geval van bestaande voorstellen. Het kabinet informeert de Kamer hier conform bestaande afspraken over middels BNC-fiches waarin een uitgebreide inhoudelijke analyse wordt gegeven van het betreffende voorstel. Conform bestaande afspraken informeert het kabinet de Kamer hierover middels BNC-fiches, waarin een uitgebreide inhoudelijke analyse wordt gegeven van het betreffende voorstel.

Het kabinet ziet de omschakeling naar een duurzame groei van de economie om het concurrentievermogen van de EU te versterken en klimaatverandering te bestrijden als kans. Het is belangrijk dat Nederland deze uitdagingen niet alleen aangaat, maar samen met andere lidstaten van de EU. Door samen te werken kan Nederland voor verandering zorgen op deze grote uitdagingen – ook op het wereldtoneel. De Green Deal beoogt daarbij voor een gelijker speelveld in de EU te zorgen. Het kabinet kijkt daarom uit naar de omzetting van de ambitie in specifieke beleidsmaatregelen van de Commissie. De inzet van het kabinet is dan ook om de EU-begroting en de inzet van Europese middelen te moderniseren met meer focus op zaken als klimaat.

De Green Deal stelt onder andere voor om 25% van het MFK-budget te gebruiken voor klimaatgerelateerde uitgaven, zo lezen de leden van de PvdA-fractie. Het kabinet zegt deze doelstelling te steunen; waarom kiest het kabinet er dan niet voor dit volledig te omarmen? De essentie van de Nederlandse reactie is dat de doelen van de Green Deal worden gesteund, maar dat dit niet mag leiden tot een hogere afdracht dan 1% van het EU-BNI, waarom is dit de kern van de kabinetsreactie? Wanneer Europese acties kunnen leiden tot effectief klimaatbeleid, kan dat toch ook leiden tot beter klimaatbeleid als geheel of lagere nationale bestedingen aan klimaatbeleid? Bovendien zijn de totale bestedingen van het MFK wel gerelateerd aan het de uitgaven aan klimaatbeleid, maar niet hetzelfde. Bovendien constateren de leden van de PvdA-fractie dat het kabinet slechts kijkt naar een tamelijk arbitraire 1% BNI, zonder te overwegen wat men daarvoor terugkrijgt. Goed beleid en effectieve samenwerking vereisen wellicht een bepaald budget; fixeren op een boekhoudkundige grens kan in een later stadium kostbaar blijken te zijn. De leden van de PvdA-fractie vragen een uitgebreide bespiegeling over de vraag waarom de 1% BNI de essentie is van de kabinetsreactie ten aanzien van de Green Deal.

De leden van de PvdA-fractie hebben gevraagd om een nadere duiding van de Nederlandse MFK-inzet in het kader van de Green Deal. Het kabinet deelt de analyse van de PvdA-fractie dat Europese acties kunnen leiden tot effectief klimaatbeleid. De brede en ambitieuze aanpak van de Green Deal en het EGDIP als onderdeel hiervan wordt gesteund door het kabinet. Zo heeft Nederland zich gecommitteerd aan de doelstelling om voor 2050 van Europa een klimaatneutraal continent te maken. Evenzeer pleit Nederland voor verdere aanscherping van het 2030-doel. Nederland steunt de hoge ambities van de Commissie en acht het belangrijk dat het in proportionele, uitvoerbare en kosteneffectieve wetgeving en beleidsmaatregelen wordt omgezet zodat draagvlak voor deze maatregelen behouden blijft.

Ook binnen de MFK onderhandelingen is voor Nederland klimaat een prioritair terrein. Zoals uw Kamer bekend, zet het kabinet zich in voor een gemoderniseerd MFK, met een sterkere reflectie van nieuwe prioriteiten zoals klimaat. Zo pleit het kabinet ervoor dat ten minste 25% van de investeringen uit het volgende MFK ten goede komen aan het klimaat en dat het gehele MFK in lijn wordt gebracht met de Overeenkomst van Parijs. Tegelijkertijd zet het kabinet zich ervoor in dat het volgende MFK in omvang gelijk blijft aan 1% van het totale EU BNI.

Voor het kabinet geldt dat er met een MFK-plafond van 1% EU27 BNI voldoende ruimte is om gezamenlijke uitdagingen effectief en efficiënt te adresseren. Hiervoor is het essentieel dat er scherpe keuzes worden gemaakt over de EU-uitgaven in de komende periode. Een versterkte focus op inhoudelijke modernisering van bijvoorbeeld het landbouwbeleid moet bijdragen aan de groene ambities van Nederland en de Unie.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat in het fiche elke bespiegeling ontbreekt over wat de Green Deal kan betekenen voor Nederland. Wat betekent de Green Deal voor het investeringsvermogen in Nederland, voor de werkgelegenheid en voor een overstap naar een volledig klimaatneutrale economie? Wat betekent de Green Deal voor de coördinatie als het gaat om noodzakelijke investeringen tussen Nederland en onze buurlanden?

De leden van de PvdA-fractie hebben gevraagd wat de Green Deal betekent voor het investeringsvermogen, de werkgelegenheid en de overstap naar een volledig klimaatneutrale economie in Nederland. De Green Deal probeert in de eerste plaats de EU-inzet op te schroeven om klimaatverandering tegen te gaan. Op dit moment stelt Nederland zich ambitieuzere klimaatdoelen dan het gros van de overige lidstaten. Daarom pleit Nederland er onder andere middels de kopgroep van gelijkgestemde lidstaten voor om het 2030-broeikasreductiedoel te verhogen naar 55%. Dit maakt een Nederlandse overstap naar een klimaatneutrale economie beduidend makkelijker en zorgt ervoor dat we niet in ons eentje voorop lopen. Dit helpt ook om concurrentienadelen voor de Nederlandse economie te voorkomen. Daarnaast is de Commissie voornemens in 2021 met een voorstel te komen voor een Carbon Border Adjustment Mechanism om koolstoflekkage naar derde landen te voorkomen. Nederland is hier, zoals hierboven ook benoemd, positief nieuwsgierig naar.11

De Green Deal staat in het teken van het bereiken van een klimaatneutrale Unie en biedt een routekaart voor hoe de EU lidstaten daar gezamenlijk kunnen komen. In de Green Deal worden maatregelen aangekondigd die het mogelijk zullen maken om op duurzame wijze de economie te transformeren, terwijl Nederland en de gehele EU concurrerend blijven.

Het Nederlandse investeringsvermogen krijgt door de Green Deal een extra stimulans zich te wenden tot klimaatinvesteringen. In de mededeling over het EGDIP kondigt de Commissie onder meer een voorstel aan waarmee gemeentelijke, regionale en andere overheidsinstanties onder de nieuwe publieke leenfaciliteit, uitgevoerd en deels gefinancierd door de EIB, financiering krijgen om de overgang naar klimaatneutraliteit te vergemakkelijken. Ook worden extra private investeringen gemobiliseerd door middel van InvestEU en de EIB ondersteunt door EU-garanties.

Door de klimaattransitie zal de werkgelegenheid in Nederland waarschijnlijk niet groeien of dalen, maar vooral verschuiven tussen sectoren. De duurzame basisindustrie en duurzame energieproductie zullen nieuwe banen creëren, waar oude banen in de fossiele industrie weg zullen vallen.

De leden van de PvdA-fractie vragen tevens wat de Green Deal betekent voor de coördinatie van noodzakelijke investeringen tussen Nederland en haar buurlanden. De Green Deal zet in op een verdieping van de interne markt via de Single Market Enforcement Action Plan. Dit zal de coördinatie van noodzakelijke investeringen tussen Nederland en buurlanden ten goede komen. Ook stelt de Commissie een herziening van de TEN-E verordening voor om grensoverschrijdende energiesamenwerking te bevorderen.

Voorts stelt het fiche dat de manier waarop lidstaten duurzaamheid realiseren primair aan de lidstaten is. De leden van de PvdA-fractie onderkennen dat, maar vinden dit te kort door de bocht. CO2 houdt zich niet aan landsgrenzen, en internationale coördinatie is onontbeerlijk voor efficiënt beleid. Bovendien moet moral hazard voorkomen worden. De EU heeft zich bovendien, met volledige instemming van Nederland, gecommitteerd aan de klimaatdoelen. Kan het kabinet uiteenzetten hoe dit met elkaar te rijmen is en welke rol het dan wel voor Europa ziet?

De leden van de PvdA-fractie vragen welke rol het kabinet voor Europa ziet als het gaat om het realiseren van duurzaamheid. Het kabinet zet zich in om in Europa een ambitieuze en tegelijkertijd kosteneffectieve klimaattransitie te realiseren, in lijn met het uitgangspunt van sturen op CO2-reductie en de systematiek van het nationale Klimaatakkoord. In Europees verband gebeurt dat door aanscherping van het emissiehandelssysteem en bronregelgeving, zoals CO2-emissie-eisen voor voertuigen en energiebesparing van gebouwen. Het is ook belangrijk dat individuele lidstaten, binnen de systematiek van Europese klimaatregelgeving, een eigen kosteneffectieve invulling kunnen geven aan de transitie. Dit vindt met name plaats via de nationale doelen van de individuele lidstaten in het kader van de niet-ETS doelen.

InvestEU

De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre het kabinet het ontwikkelen van financiële producten een taak van de Europese Commissie vindt. Waarom is dat voor milieu, klimaat en sociale duurzaamheid wel wenselijk en/of nuttig?

De leden van de VVD-fractie vragen naar de wenselijkheid en het nut van het ontwikkelen van financiële producten door de Europese Commissie. Het kabinet vindt dat het ontwikkelen van financiële producten ook een taak van de Europese Commissie kan zijn, zij het dat voor elk instrument kritisch moet worden gekeken naar het nut en de wenselijkheid ervan. In het kader van de Green Deal lijkt het nut en de wenselijkheid er voor InvestEU te zijn. Gezien het internationale karakter van klimaatverandering en van de financiële markten, is samenwerking tussen EU-lidstaten nodig. Er zijn ook grensoverschrijdende oplossingen nodig. Deze oplossingen vragen een belangrijke rol van de publieke en de private sector omdat de aanpak van klimaatverandering investeringen op een zeer grote schaal vergt. Via InvestEU kunnen publieke middelen en garanties als aanjager fungeren voor private financiering. Deze formule is niet uniek. In het kader van het Investment Plan for Europe (Junckerplan) heeft de Europese Commissie bijvoorbeeld al eerder financiële instrumenten ontwikkeld om publieke en private financiering te stimuleren.

Just Transition Mechanism

De leden van de VVD-fractie lezen dat het Just Transition Mechanism (JTM) vooral ingezet wordt voor regio’s die nog in sterke mate afhankelijk zijn van fossiele en koolstofintensieve industrie. Welke landen en/of regio’s kunnen of gaan hier vooral van profiteren? Wat betekent dit voorstel voor Nederland? Hoe wordt het bedrag van 143 miljard euro in 2021 – 2030 verdeeld over de drie pijlers? Wat betekent een publieke leenfaciliteit onder de Europese Investeringsbank (EIB), ook kijkend naar de opmerking die de leden van deze fractie maken over de EIB?

De leden van de VVD-fractie hebben duiding gevraagd over waar het JTM steun biedt en wat de specifieke implicaties voor Nederland zijn. Zoals gesteld draagt het JTM bij aan de transitie in regio’s waarbij er vanuit de gedachte van klimaatneutraliteit in 2050 momenteel de grootste uitdaging ligt. De Europese Commissie stelt alle drie de pijlers van het JTM beschikbaar voor alle lidstaten, dus ook voor Nederland. Om hoeveel middelen dat gaat is niet te zeggen. Dat heeft te maken met de lopende discussie over het MFK-budget, waar het Just Transition Fund uit gefinancierd moet worden, maar ook omdat er voor de tweede en derde pijler vooraf geen verdeling per lidstaat gemaakt zal worden.

Hiernaast vragen de leden van de VVD-fractie naar duiding over de verdeling van de middelen over de drie pijlers; het JTF, luik onder InvestEU en de EIB. Het JTF poogt een totaal van tussen de 30–50 miljard euro te mobiliseren. Dit bestaat voor 7,5 miljard euro uit nieuwe middelen en zal worden aangevuld door een verplichte overheveling vanuit EFRO en ESF+ fondsen ter grootte van minimaal 1,5 en maximaal 3 keer de landenenveloppen onder het JTF, met een maximum van 20%. Daarnaast worden lidstaten geacht nationale cofinanciering in te brengen bij het JTF. Hoeveel dit is, verschilt per lidstaat en hangt af van de omvang van hun JTF-ontvangsten en welvaartsniveau. Via InvestEU beoogt de Commissie 45 miljard euro aan private middelen te mobiliseren. Uit de leenfaciliteit onder de EIB zal 25–30 miljard worden verstrekt. Het kabinet is nog in afwachting van de Commissie die dit jaar verdere duiding zal geven over de vormgeving van de publieke leenfaciliteit onder de EIB.

EIB

De leden van de VVD-fractie vinden de plannen met betrekking tot de EIB in het kader van de Green Deal te vaag en ze lijken te ambitieus. De gevolgen zijn namelijk nog volstrekt onduidelijk. Waarom is het kabinet hier toch al positief over? Wat betekent de groeiende rol van de EIB als Europese klimaatbank precies? Wat zijn de financiële consequenties? Met welke risico’s gaat dit gepaard? Wat zijn de gevolgen voor de andere taken van de EIB?

De leden van de VVD-fractie vragen om nadere duiding van (de gevolgen van) de groeiende rol van de EIB als Europese klimaatbank. De plannen met betrekking tot de EIB in het kader van de Green Deal hebben betrekking op het opzetten van een nieuwe publieke financieringsfaciliteit onder het Just Transition Mechanism onder beheer van de EIB. Daarnaast is er een rol voorzien voor de EIB als belangrijke uitvoerder van InvestEU en ondersteunt de EIB de Europese Commissie bij de uitvoering van het Innovatie en Modernisatiefonds. Het EGDIP verwijst ook naar de recent aangenomen verhoogde klimaatdoelen van de EIB12, welke formeel losstaan van het Commissie voorstel.

Het behalen van de nieuwe klimaatdoelen zal een operationele uitdaging worden voor de EIB, maar hoeft niet te leiden tot een aanpassing in de huidige balans tussen de verschillende publieke beleidsdoelen van de EIB (innovatie, infrastructuur, milieu en MKB). Het aandeel klimaatfinanciering zal onder elk van deze beleidsdoelen verhoogd worden, bijvoorbeeld door meer in te zetten op groene infrastructuur of door leningen aan MKB’ers die hun bedrijf willen vergroenen. Daarnaast brengt de EIB, als onderdeel van het Akkoord van Parijs, alle investeringen in lijn met deze doelen.

Ook op financieel vlak zal de verhoogde ambitie niet leiden tot grote aanpassingen. De plannen kunnen gerealiseerd worden binnen de voorziene volumes en vereisen geen additioneel kapitaal. Het is wel mogelijk dat de operationele kosten iets hoger uit kunnen vallen, vanwege het verkennen van nieuwe markten en de mogelijkheid dat er, net als bij EFSI, relatief veel kleinere projecten gefinancierd gaan worden met een ander risicoprofiel. Ook met eventuele hogere operationele kosten zal de EIB blijven opereren binnen de grenzen van het bestaande kapitaal.

De leden van de D66-fractie juichen het toe dat de Europese Investeringsbank (EIB) tot doel heeft om 50% van het leenvolume in te zetten voor klimaatinvesteringen. De leden van de voornoemde fractie vragen daarbij wel aandacht voor het do-no-harmprincipe voor het complete leenvolume. Zal de Minister zich inspannen om ervoor te zorgen – gelijk aan de inzet ten aanzien van InvestEU – dat er voor het complete leenvolume aandacht is voor de klimaatrisico’s van de investeringen en er geen investeringen gedaan zullen worden die schade toebrengen aan het klimaat? Daarnaast vragen de leden van deze fractie hoe geborgd is dat de EIB en InvestEU de doelen ten aanzien van duurzame investeringen daadwerkelijk zullen halen. Kan de Minister ook toezeggen dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voldoende capaciteit heeft om ten volle te kunnen deelnemen aan het expertnetwerk?

De leden van de D66-fractie hebben gevraagd of er voldoende aandacht is voor de klimaatrisico’s van de investeringen van de EIB. Onderdeel van de verhoogde klimaatambitie van de EIB is het in lijn brengen van alle EIB financieringsactiviteiten met het Akkoord van Parijs voor het eind van 2020. Dit houdt in dat de projecten die de EIB financiert moeten passen bij nationale, regionale of sectorspecifieke trajecten naar een koolstofarme economie en klimaatbestendige ontwikkeling moeten ondersteunen of in ieder geval niet schaden.

Ook moeten projecten die middelen vanuit de EIB willen ontvangen voldoen aan de overige voorwaarden van de bank. De (onderliggende) projecten moeten namelijk bijdragen aan de doelen van de Europese Unie, en dienen ook te voldoen aan de EIB’s standaarden op het gebied van milieu, maatschappij en governance. Daarnaast heeft de EIB voor de sectoren waar de bank opereert, beleid opgesteld waarin staat welke projecten wel en niet kunnen worden gefinancierd door de bank. Voor de energiesector heeft de EIB bijvoorbeeld besloten dat het vanaf 2022 geen nieuwe financiering meer zal goedkeuren voor bijvoorbeeld de productie van olie. T.a.v. gasprojecten financiert de EIB vanaf 2022 enkel nog projecten met uitstoot onder de drempelwaarde van 250gr CO2 per KwH, gemeten als gemiddelde over de levensduur van een installatie. Daarmee worden gasprojecten zonder uitstoot-mitigatie van EIB-financiering uitgesloten.

De leden van de D66-fractie vragen tevens hoe geborgd is dat de EIB en InvestEU de doelen ten aanzien van duurzame investeringen daadwerkelijk zullen halen. De EIB rapporteert regelmatig (maar in ieder geval twee keer per jaar) aan de Raad van Bewindvoerders over de behaalde resultaten op de verschillende publieke beleidsdoelen, waaronder het percentage financiering ten behoeve van klimaatactie. Daarnaast monitort en evalueert het de gefinancierde projecten gedurende en na de uitvoering.

Specifiek wat betreft InvestEU is het monitoren en rapporteren over de voortgang onderdeel van het programma zoals bij elke EU-verordening (hoofdstuk VII van het InvestEU-programma). Dit gebeurt door middel van evaluaties waar gekeken wordt naar de mate waarin InvestEU relevant, effectief en efficiënt is en genoeg additionele waarde heeft ten opzichte van ander EU beleid. Wat betreft InvestEU wordt gerapporteerd over de implementatie van het programma aan de hand van de indicatoren zoals vastgelegd in Annex III van InvestEU13, waaronder welke investeringen bijdragen aan de gestelde klimaatdoelen, gerealiseerde additionele capaciteit voor hernieuwbare energie en aantal huishoudens met verbeterd energielabel door investeringen onder InvestEU. Implementing partners van InvestEU zijn verplicht elke zes maanden te rapporteren aan de Commissie over de investeringen die zij uitvoeren onder InvestEU (InvestEU artikel 22.5).

Verder vragen de leden van de D66-fractie of de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voldoende capaciteit heeft voor deelname aan het expertnetwerk dat zal worden opgezet t.b.v. het adviescentrum voor InvestEU. Er is bij de RVO voldoende capaciteit om aan te sluiten op dit expertnetwerk.

Faciliterend kader voor publieke en private investeringen

Duurzame financiering

De leden van de D66-fractie vragen of de Minister gelet op de initiatieven van het EGDIP aanleiding ziet om op korte termijn zelf ook meer «groene obligaties» te gaan uitgeven. Wil de Minister daarbij ook kijken in hoeverre beter geborgd kan worden dat de middelen vanuit deze obligaties ook écht gaan naar extra investeringen ten behoeve van het klimaat, die anders niet gedaan zouden zijn?

De leden van de D66-fractie vragen of er, gelet op de initiatieven van het EGDIP, aanleiding is om zelf ook meer groene obligaties te gaan uitgeven. Ook vragen deze leden hoe daarbij geborgd kan worden dat de middelen uit deze obligaties ook echt naar extra investeringen ten behoeve van klimaat gaan. Het kabinet is in de eerste plaats voornemens de uitgifte van de groene obligatie te vergroten tot een doelomvang van EUR 10 mld. Na de initiële uitgifte van de groene obligatie van EUR 6 mld in mei 2019, beoogt het kabinet dit jaar EUR 2 miljard uit te geven (waarvan in januari reeds EUR 1,2 mld is gerealiseerd).

Met de uitgifte van de groene obligatie beoogt het kabinet de groene financiële markt verder te versterken. Het feit dat dit papier in een hoog volume uitgegeven wordt is een wezenlijk punt bij de ondersteuning van de ontwikkeling van de groene financiële markt. Het feit dat investeerders groene staatsobligaties met een laag risico als een stabiele basis voor hun portefeuille kunnen aankopen, biedt investeerders de mogelijkheid voor diversificatie van hun portefeuille.

Wat betreft de groene uitgaven/investeringen die door de groene obligatie gedekt worden, baseert het kabinet zich op uitgaven/investeringen uit de Rijksbegroting die op basis van de EU taxonomie, de green bond principles en het climate bond initiative als groene uitgaven aangemerkt kunnen worden. De besluitvorming vindt plaats op de gebruikelijke manier.

De leden van de D66-fractie merken daarnaast op dat financiële instellingen gestimuleerd kunnen worden tot meer duurzame investeringen door een scenario voor te schrijven van het International Energy Agency (IEA) waarin de opwarming van de aarde tot anderhalve graad beperkt blijft. De leden wijzen op de oproep hiertoe van ING en milieuorganisaties in april 2019. Kan de Minister toezeggen zich ervoor in te spannen dit punt op te laten nemen in het EGDIP?

De leden van de D66-fractie vragen of een strenger scenario, waarin de opwarming van de aarde tot anderhalve graad beperkt blijft, in het EGDIP kan worden opgenomen zodat financiële instellingen gestimuleerd worden tot meer duurzame investeringen. De Green Deal, en het EGDIP als onderdeel hiervan, is erop gericht Europa in 2050 het eerste klimaatneutrale continent te maken. Om deze ambitie wettelijk te verankeren heeft de Commissie op 4 maart jl. een voorstel voor een Europese klimaatwet gepresenteerd. Daarnaast zal de Commissie later dit jaar een voorstel doen voor het ophogen van het EU 2030 broeikasreductiedoel van 40% naar 50% tot 55%. Het kabinet steunt het voorstel van de Commissie om de Europese broeikasreductiedoelen wettelijk vast te leggen, mede omdat dit duidelijkheid creëert voor burgers en bedrijven over het te realiseren doel: een klimaatneutrale Unie in 2050. Ook financiële instellingen kunnen hierop anticiperen en hun gedrag en investeringsbeslissingen erop aanpassen. Gezien het reeds hoge Europese ambitieniveau, wil het kabinet ervoor waken om op dit moment andere scenario’s voor te schrijven, ook om het draagvlak en de slagingskans van dit ambitieuze project niet te ondermijnen.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben enkele vragen over de inzet van het kabinet met betrekking tot duurzame financiering. Zij lezen dat de kabinetsinzet mede gebaseerd is op de doelen zoals genoemd in de Verkenning naar de markt voor groene financiering. Zij vragen hierbij wat de inzet van het Nederlandse kabinet is ten aanzien van het reduceren van vervuilende activa, teneinde via deze weg de financiële sector verder te verduurzamen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar de inzet van het kabinet ten aanzien van het reduceren van vervuilende activa. Als onderdeel van het klimaatakkoord hebben Nederlandse financiële instellingen zich gecommitteerd aan het terugbrengen van hun klimaatimpact. In het klimaatcommitment zeggen deelnemende Nederlandse financiële instellingen toe om een bijdrage te leveren aan de uitvoering van het Akkoord van Parijs en het Klimaatakkoord. De deelnemende partijen hebben vastgelegd dat zij het CO2-gehalte van al hun relevante financieringen en beleggingen in kaart gaan brengen, hierover openbaar gaan rapporteren en actieplannen zullen opstellen om hun impact terug te brengen. Deze actieplannen kunnen een combinatie zijn van CO2-reductiedoelstellingen, engagement, en financieringen van CO2-reducerende projecten. Financiële instellingen zullen dus ingaan op de wijze waarop zij hun klimaatimpact (en dus ook beleggingen en investeringen in vervuilende activa) gaan terugdringen. De ministeries van Financiën en Economische Zaken en Klimaat zijn nauw betrokken bij de uitwerking van de borging van dit commitment.

De leden van de fractie van GroenLinks lezen daarnaast dat het kabinet inzet op meer transparantie rond klimaatimpact en rapportages. Zij vragen in deze context naar de inzet van het kabinet ten aanzien van de richtlijn niet-financiële rapportage (2014/95/EU) die op dit moment herzien wordt. Welke inzichten heeft het kabinet ten aanzien van de doeltreffendheid van de huidige richtlijn, zo vragen zij daarnaast.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar de Nederlandse inzet ten aanzien van de herziening van de richtlijn niet-financiële informatie. De huidige richtlijn niet-financiële informatie beoogt de relevantie, samenhang en vergelijkbaarheid van niet-financiële informatie in de Europese Unie te verbeteren. De richtlijn beoogt investeerders en financiële instellingen te helpen om groene investeringsbeslissingen te nemen, door voldoende en juiste informatie beschikbaar te stellen. Vanwege het grensoverschrijdend karakter van de financiële markten en de klimaatproblematiek, is het van belang om deze transparantie en vergelijkbaarheid in een internationale context te benaderen.

Het kabinet kijkt daarom met interesse uit naar de herziening van de richtlijn niet-financiële rapportage dit jaar. De ambitie van deze herziening lijkt te zijn om transparantie verder te vergroten en zo bijvoorbeeld duurzame financiering te stimuleren. Het kabinet ondersteunt deze ambitie. De Europese Commissie voert momenteel een consultatie uit naar de mogelijkheden van de herziening van de richtlijn, waarop het kabinet een reactie voorbereidt. Die reactie zal ook naar uw Kamer worden gestuurd. Zodra de Europese Commissie daarna een ontwerp voor de herziening publiceert, zal het kabinet uw Kamer tijdig via een separaat BNC-fiche informeren over haar inzet in Brussel.

Publieke sector

Het kabinet is in beginsel voorstander van de inzet op verduurzaming van overheidsinkopen en aanbestedingen, zoals voorgesteld in de Green Deal. De leden van de CDA- fractie vragen de Minister in hoeverre dat overeenkomt met doelstellingen in de Nederlandse klimaatwet. En gaat dat bijvoorbeeld al gelden voor grote projecten die op dit moment in voorbereiding zijn, zoals de verbouwing van het Binnenhof?

De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre de inzet op verduurzaming van overheidsinkopen en aanbestedingen van het kabinet overeenkomt met de inzet zoals voorgesteld in de Green Deal en op welke wijze deze plannen effect hebben op projecten die reeds in voorbereiding zijn. De Europese Green Deal sluit goed aan bij de Nederlandse klimaatambities zoals ingezet met de klimaatwet en het klimaatakkoord en kan dus rekenen op de Nederlandse steun. De inzet op verduurzaming van overheidsinkopen en aanbestedingen is in overeenstemming met het inkoopbeleid van de rijksoverheid en de doelstellingen in de klimaatwet. Duurzaam, sociaal en innovatief inkopen is het uitgangspunt van de Rijksbrede inkoopstrategie «Inkopen met Impact» die op 28 oktober vorig jaar aan uw Kamer is aangeboden. De doelen vanuit onder meer het klimaatakkoord en het kabinetsbeleid voor de circulaire economie zijn daarbij leidend. Het kabinet is dan ook in beginsel voorstander van de inzet van de Commissie op verduurzaming van overheidsinkopen en aanbesteden en is van mening dat Europese coördinatie op dit terrein een positieve impact kan hebben. Aangezien de Commissie nog niet met een verdere uitwerking is gekomen van haar plannen op dit terrein, is het nog te vroeg om aan te geven op welke wijze deze plannen een effect gaan hebben op projecten die reeds in voorbereiding zijn, zoals ook de verbouwing van het Binnenhof. Het kabinet wacht de plannen van de Commissie af alvorens hier een definitief oordeel over te vellen.

De leden van de D66-fractie waarderen de steun die het kabinet uitspreekt voor het in kaart brengen van praktijkvoorbeelden rondom groen begroten. Daarbij vragen de leden van deze fractie in hoeverre er gezorgd kan worden dat Nederland deze ervaringen kan aanwenden voor het huidige begrotingsbeleid en met name ook voor het begrotingsbeleid in de volgende kabinetsperiode. Zal de Minister erop sturen dat het delen van deze best practices snel uitgevoerd zal worden zodat deze meegenomen kunnen worden voor het begrotingsbeleid van het volgende kabinet? Kan de Minister al voorbeelden noemen van groen begroten die kansrijk zijn voor het Nederlandse begrotingsbeleid? In hoeverre staan deze best practices aan de basis voor het advies van de Studiegroep Begrotingsruimte?

De leden van de D66-fractie hebben gevraagd in hoeverre er gezorgd kan worden dat Nederland praktijkvoorbeelden rondom groen begroten kan aanwenden voor het huidige begrotingsbeleid en met name het begrotingsbeleid van het volgende kabinet. Op dit moment worden praktijkvoorbeelden in kaart gebracht en wordt gekeken welke voorbeelden kansrijk zijn voor het Nederlandse begrotingsbeleid. Hierbij wordt aangesloten bij bestaande initiatieven van de OECD en de Climate Action Peer Exchange (CAPE) en de ontwikkelingen in de Green Deal en wordt ook gekeken hoe de praktijkvoorbeelden passen bij bestaande instrumenten en rapporten die in Nederland al beschikbaar zijn. Afhankelijk van de voortgang rond Europese en internationale initiatieven rondom groen begroten, kan er voorafgaand aan een volgende kabinetsperiode meer duidelijkheid worden gegeven over het opnemen van groen begroten in het begrotingsbeleid. De studiegroep begrotingsruimte is een onafhankelijke ambtelijke commissie die zelf haar agenda bepaalt. Mogelijk zal de studiegroep deze ontwikkelingen meenemen, maar ik kan me ook voorstellen dat de voortgang nog onvoldoende ver is om bijvoorbeeld best practices te kunnen bespreken.

De leden van de D66-fractie constateren dat het kabinet de aandacht voor duurzaamheid in de landenrapporten van het Europees Semester verwelkomt, maar de focus van het Semester op economisch en arbeidsmarktbeleid wil behouden. Erkent de Minister dat klimaatrisico’s een enorme economische impact hebben en dat daarmee klimaatrisico’s uit zichzelf een essentieel onderdeel vormen van het economische beleid waar het kabinet de focus op wil houden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier gaat de Minister zich inspannen voor een effectieve opname van de aandacht voor klimaat in het Europees Semester?

De leden van de D66-fractie vragen in het kader van het Europees Semester naar de mening van het kabinet ten aanzien van de economische impact van klimaatrisico’s en de rol van klimaat in het economisch beleid. Het Europees Semester is gericht op het coördineren van macro-economisch-, arbeidsmarkt- en begrotingsbeleid van lidstaten, en het kabinet vindt het van belang dat deze focus behouden blijft. Het kabinet hecht eraan dat de analyses en conclusies met betrekking tot het Stabiliteits- en Groeipact (SGP) en de Macro-Economische Onevenwichtighedenprocedure (MEOP) leidend blijven voor de landspecifieke aanbevelingen binnen het Europees Semester en dat de effectiviteit daarvan niet verder onder druk komt te staan. Het kabinet erkent dat het klimaat een macro-economische impact kan hebben op lidstaten en ondersteunt dan ook dat dergelijke risico’s – voor zover deze macro-economisch relevant zijn in de analyse van het Semester – worden meegenomen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen het kabinet naar de inzet van het kabinet ten aanzien van de herziening van de SGP-regels. De leden vragen specifiek het kabinet erop te reflecteren dat het in de afgelopen jaren meermaals is voorgekomen dat een door de regels afgedwongen maar te rigoureuze schuldreductie volgens de SGP-regels heeft geleid tot een slechtere begrotingspositie, omdat deze reductie de groei negatief beïnvloedde. Op welke manier kunnen de regels herzien worden, zodat zij via de net beschreven weg niet bijdragen aan een verslechtering van de begrotingspositie van landen, zo vragen zij. Zij vragen tenslotte aan het kabinet of hij bereid is zich niet bij voorbaat uit te spreken tegen het instellen van een investeringsregel binnen de herziening van het SGP die eenduidig is en enkel investeringen toestaat die evident bijdragen aan economische groei.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar de inzet van het kabinet ten aanzien van de herziening van de SGP-regels. In de preventieve arm van het Stabiliteits- en Groeipact hebben lidstaten een middellang doel (Medium Term Objective, MTO) voor hun structurele begrotingssaldo, dat wil zeggen hun begrotingstekort gecorrigeerd voor conjuncturele ontwikkelingen. Halen lidstaten dat doel niet, dan moeten ze hun structurele saldo jaarlijks stapsgewijs verbeteren, waarbij ze rekening mogen houden met de economische omstandigheden. Het SGP bevat hiermee al een bepaling die als doel heeft om te voorkomen dat lidstaten procyclisch beleid voeren, zoals het doorvoeren van bezuinigen in slechte tijden. Het kabinet is van mening dat een aantal lidstaten de gunstige economische omstandigheden van de afgelopen jaren onvoldoende heeft gebruikt om buffers op te bouwen door hun structurele saldo te verbeteren en hun schuld naar beneden te brengen. Het kabinet vindt hiernaast dat houdbare overheidsfinanciën het hoofddoel van het SGP dienen te blijven en dat de handhaving van de regels verbetering behoeft. De afgelopen 20 jaar laten zien hoe belangrijk handhaving is om duurzame economische groei te bereiken. Houdbare overheidsfinanciën als doel en betere handhaving zijn de kern van de Nederlandse inzet tijdens de herziening van het SGP. Voorstellen voor aanpassing van het SGP zullen door het kabinet steeds worden beoordeeld op de bijdrage aan het beter bereiken van dit doel.

Er bestaat binnen het SGP al een investeringsregel, de zogenoemde investeringsclausule, met als doel publieke investeringen op peil te houden in tijden van economische neergang. Deze clausule staat lidstaten toe onder bepaalde voorwaarden tijdelijk af te wijken van de vereiste structurele begrotingsinspanning voor het doen van investeringen. Deze investeringen moeten aantoonbaar bijdragen aan de economische groei en de houdbaarheid van de publieke financiën.

Staatssteun

De leden van de VVD-fractie zijn het met het kabinet eens dat er meer duidelijkheid moet komen over wat er precies wordt verstaan onder het aanpassen van de staatssteunkaders en wat wordt bedoeld met flexibiliteit.

De leden van de SGP-fractie vernemen graag wat de inzet van het kabinet is om de eerlijke concurrentie binnen de interne markt te borgen, gezien de staatssteun die gegeven kan worden voor de transitie naar een klimaatneutrale economie. Hoe gaat het kabinet deze eerlijke concurrentie borgen?

De leden van de SGP-fractie vragen, gezien de mogelijkheden die de staatsteun regels bieden voor investeringen ten behoeve van een de transitie naar een klimaatneutrale economie, naar de inzet van het kabinet om eerlijke concurrentie binnen de interne markt te borgen. Per onderwerp en per steunkader zal worden gekeken of de eerlijke concurrentie binnen de EU markt is geborgd. Daarbij zal onder meer gelet worden op de impact van de voorgestelde staatssteun op de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven, op de door de Commissie voorgestelde voor staatssteun in aanmerking komende kosten onder een bepaald steunkader, op de steunmaxima en op de steunintensiteiten van een bepaald steunkader (de proportionaliteit derhalve) en op de noodzakelijkheid om in Nederland voor een bepaalde doelstelling staatssteun te willen verlenen.

c) Eerste inschatting van krachtenveld

De leden van de PVV-fractie merken op dat in de Green Deal ook wordt voorgesteld om het unanimiteitsbeginsel los te laten en besluitvorming d.m.v. gekwalificeerde meerderheid mogelijk te maken. Kan de Minister nogmaals bevestigen hier nooit mee in te stemmen (conform de wens van de meerderheid van de Kamer)?

De leden van de PVV-fractie vragen of bevestigd kan worden dat het unanimiteitsbeginsel niet wordt losgelaten. De Europese Commissie heeft in de Green Deal mededeling aangegeven in juni 2021 te komen met een voorstel tot aanpassing van de Richtlijn energiebelastingen. Het kabinet is het eens met de overweging van de Commissie dat het nodig is de Richtlijn te moderniseren en in lijn te brengen met milieuafwegingen. Ook is het kabinet voor het verhogen van de minimumtarieven in de EU. De Commissie heeft aangegeven dat het voor besluitvorming rondom het aangekondigde voorstel over wil gaan naar gekwalificeerde meerderheid. Het kabinet zal de op 20 februari 2020 door een meerderheid van de Tweede Kamer aangenomen gewijzigde motie (Kamerstuk 21 501-07, nr. 1653), waarin de regering wordt verzocht om besluitvorming bij belastingheffing per unanimiteit te laten plaatsvinden, respecteren.

4. Grondhouding ten aanzien van bevoegdheid, subsidiariteit, proportionaliteit, financiële gevolgen en gevolgen op het gebied van regeldruk en administratieve lasten

De leden van de SGP-fractie hebben een vraag over de subsidiariteit van het voorstel. Is het kabinet van mening dat bij alle afzonderlijke maatregelen uit de mededeling de subsidiariteit voldoende geborgd is? Ook gezien het toepassingsbereik voor de inzet van middelen vanuit het voorgestelde JTF?

De leden van de SGP-fractie hebben gevraagd of het kabinet van mening is dat de subsidiariteit bij alle afzonderlijke maatregelen uit de mededeling voldoende is geborgd, ook gezien het toepassingsbereik voor de inzet van middelen vanuit het voorgestelde JTF. Het grensoverschrijdende karakter van de verschillende onderdelen van de Green Deal en de daarvoor benodigde investeringen rechtvaardigt wat het kabinet betreft het optreden op EU-niveau. Het kabinet zal de in de EGDIP-mededeling aangekondigde voorstellen afzonderlijk beoordelen op subsidiariteit en de Kamer hierover informeren. Over het JTF-voorstel heeft het kabinet, als onderdeel van het bredere voorstel voor een Just Transition Mechanism, reeds een BNC-fiche naar de Kamer verzonden. Het kabinet heeft daarin een positieve grondhouding met betrekking tot het oprichten van het JTF. De klimaattransitie raakt alle lidstaten en vergt een grensoverschrijdende aanpak. De sociaaleconomische effecten van deze transitie kunnen per lidstaat en per regio echter sterk verschillen, waardoor er in sommige regio’s veel meer investeringen nodig zijn dan in andere. Gezien het belang dat het kabinet hecht aan het behalen van de EU-brede klimaatdoelstellingen zoals afgesproken in de Overeenkomst van Parijs en de grootte van de klimaatopgave in bepaalde regio’s, acht het kabinet maatregelen op EU-niveau gericht op het mitigeren van de sociaaleconomische effecten van de klimaattransitiegerechtvaardigd.

De leden van de SGP-fractie lezen dat het kabinet van mening is dat de maatregelen uit het EGDIP vooralsnog geschikt lijken om de gestelde doelen te bereiken. Welke criteria hanteert het kabinet om te bepalen of de maatregelen blijvend geschikt zijn om de doelen te bereiken. Met andere woorden: welke criteria hanteert het kabinet bij het woord «vooralsnog»?

De leden van de SGP-fractie hebben gevraagd welke criteria het kabinet hanteert om te bepalen of de maatregelen blijvend geschikt zijn om de doelen te bereiken. Of de maatregelen geschikt blijven om de gestelde doelen te bereiken is afhankelijk van de verdere uitwerking van de aangekondigde voorstellen door de Commissie. Het kabinet zal elk concreet voorstel afzonderlijk beoordelen op proportionaliteit en de Kamer hierover informeren. Daarbij let het kabinet op de vraag of de voorgestelde vorm en inhoud van het Europese optreden in een evenredige verhouding staan tot het nagestreefde doel.

5. Overig

De Green Deal gaat over heel veel onderwerpen en heel veel ministeries zijn daarbij betrokken. Maar als iedereen verantwoordelijk is, is ook niemand verantwoordelijk, zo stellen de leden van de VVD-fractie vast. Deze leden vragen zich af hoe de verantwoordelijkheid is over de verschillende onderdelen van de Green Deal in het kabinet. Waar en bij wie ligt welke (eind-)verantwoordelijkheid indien beleidsterreinen elkaar overlappen of kruisen (bijvoorbeeld milieu, wonen en energie). Kan daar een duidelijk overzicht van worden gegeven?

De leden van de VVD-fractie vragen naar de verantwoordelijkheidsverdeling binnen het kabinet omtrent de verschillende onderdelen van de Green Deal. De Green Deal mededeling kondigt een breed pakket van maatregelen aan die op bijna alle beleidsterreinen slaan: van landbouw tot gebouwde omgeving en van financiële maatregelen tot industrie. Het kabinet verwelkomt deze integrale aanpak en is het met de VVD eens dat zo een aanpak behoud van samenhang en coördinatie vereist, zowel in Nederland als in Europa. De Green Deal mededeling is vooral een roadmap met aankondiging van maatregelen. De specifieke maatregelen zelf worden opgepakt door het verantwoordelijke departement in Den Haag. Op dossiers waar gedeelde bevoegdheden spelen, wordt samengewerkt door de desbetreffende departementen zodat beleidsmaatregelen elkaar niet tegen werken. Zoals altijd het geval, zal elk Europees voorstel en/of mededeling worden beoordeeld door het kabinet en wordt uw kamer hierover middels een BNC-fiche geïnformeerd. Op elk BNC-fiche staat aangegeven welke departementen (mede-)verantwoordelijk zijn.

De leden van de PVV-fractie willen weten of de uitbraak van het coronavirus iets zal veranderen aan de uitgaven richting het Green Deal Investment Plan en zo ja, wat deze veranderingen dan zullen zijn.

De leden van de PVV-fractie hebben gevraagd of de uitbraak van het coronavirus iets zal veranderen aan de uitgaven richting het EGDIP. De financiële, budgettaire en economische gevolgen van de uitbraak van het coronavirus zijn nu nog niet goed te overzien, dus dit vraagstuk zal op een later moment moeten worden bezien. Het kabinet blijft het in ieder geval van groot belang vinden dat bij de brede en ambitieuze aanpak van de Green Deal steeds zorgvuldig het draagvlak van burgers, overheden en marktpartijen in acht wordt genomen.

De leden van de SP-fractie zouden de Minister van Financiën willen vragen of er een verslag naar de Kamer kan worden gestuurd over de uitkomsten van het «stakeholder-overleg» dat op 12 maart plaatsvindt.

De leden van de SP-fractie vragen of er een verslag naar de Kamer kan worden gestuurd over de uitkomsten van het «stakeholder-overleg» dat op 12 maart jl. heeft plaatsgevonden. Het is het kabinet niet duidelijk om welk overleg het hier precies gaat.


X Noot
5

Kamerstuk 21 501-20, nr. 1349

X Noot
9

Het consultatieproces staat beschreven op de website van de EIB (https://www.eib.org/en/about/partners/cso/consultations/item/cb-roadmap-stakeholder-engagement).

X Noot
10

«Uitkomst onderhandeling taxonomie» Kenmerk 2019–0000215711

X Noot
11

Zie het BNC-fiche over de Green Deal dd 31 januari 2020.

X Noot
12

De klimaatdoelen van de EIB: 1) mobiliseren van 1 biljoen euro aan investeringen in klimaatactie en een duurzaam milieu van 2021 tot 2030, 2) geleidelijke toename in het aandeel klimaatactie en duurzaam milieu financieringen tot een minimum van 50% vanaf 2025, 3) in lijn brengen van alle financieringsactiviteiten met het akkoord van Parijs en een voorstel voor een rechtvaardige transitie.

X Noot
13

Proposal for a REGULATION OF THE EuropEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL establishing the InvestEU Programme.

Naar boven